Burgerlijk wetboek


<< Terug naar overzicht

WET van 28 december 1859, betreffende de invoering van een nieuwe wetgeving in de
West-Indische Koloniën (G.B. 1860 no. 4), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte
wijzigingen bij G.B. 1873 no. 13, G.B. 1874 no. 16, G.B. 1879 no. 12, G.B. 1886 no. 36,
G.B. 1891 no. 1, G.B. 1901 no. 29, G.B. 1906 no. 50, G.B. 1907 no. 3, G.B. 1909 no. 6,
G.B. 1911 no. 4, G.B. 1911 no. 37, G.B. 1911 no. 72, G.B. 1912 no. 98, G.B. 1914 no. 27,
G.B. 1914 no. 35, G.B. 1915 no. 72, G.B. 1915 no. 78, G.B. 1915 no. 85, G.B. 1916 no. 27,
G.B. 1916 no. 47, G.B. 1916 no. 48, G.B. 1917 no. 95, G.B. 1918 no. 2, G.B. 1918 no. 100,
G.B. 1921 no. 75, G.B. 1923 no. 78, G.B. 1924 no. 30, G.B. 1924 no. 46, G.B. 1924 no. 47,
G.B. 1925 no. 17, G.B. 1926 no. 41, G.B. 1926 no. 64, G.B. 1926 no. 96, G.B. 1929 no. 24,
G.B. 1931 no. 27, G.B. 1931 no. 64, G.B. 1932 no. 48, G.B. 1934 no. 30, G.B. 1935 no. 80,
G.B. 1936 no. 115, G.B. 1937 no. 78, G.B. 1938 no. 39, G.B. 1944 no. 42, G.B. 1944 no. 43,
G.B. 1944 no. 72, G.B. 1944 no. 73, G.B. 1944 no. 74, G.B. 1944 no. 75, G.B. 1944 no. 76,
G.B. 1944 no. 77, G.B. 1944 no 193, G.B. 1945 no. 59, G.B. 1945 no. 97, G.B. 1946 no.
140, G.B. 1947 no. 140, G.B. 1947 no. 141, G.B. 1947 no. 178, G.B. 1950 no. 66, G.B. 1951
no. 84, G.B. 1951 no. 97, G.B. 1952 no. 20, G.B. 1953 no. 29, G.B. 1953 no. 68, G.B. 1953
no. 117, G.B. 1962 no. 93, G.B. 1962 no. 106, G.B. 1963 no. 24, G.B. 1963 no. 71, G.B.
1963 no. 164, G.B. 1964 no. 62, G.B. 1972 no. 60, G.B. 1972 no. 62, G.B. 1973 no. 140,
G.B. 1975 no. 23, S.B. 1981 no. 23, S.B. 1983 no. 117, S.B. 1995 no. 101, S.B. 2000 no. 6,
S.B. 2002 no. 100, S.B. 2004 no. 25.

EERSTE BOEK

VAN PERSONEN

EERSTE TITEL

VAN HET GENOT EN HET VERLIES DER BURGERLIJKE RECHTEN

Artikel 1-1

Het genot der burgerlijke rechten is onafhankelijk van de staatkundige rechten, welke
alleen overeenkomstig de Wet op de Staatsinrichting van Suriname worden verkregen.

Artikel 2

Allen die zich op het grondgebied van Suriname bevinden zijn vrij, en bevoegd tot het
genot der burgerlijke rechten.
Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke
benaming ook bekend, worden in Suriname niet geduld.

Artikel 3

Het kind, van hetwelk een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo
dikwijls deszelfs belang zulks vordert.
Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 4

Generlei straf heeft de burgerlijke dood of het verlies van al de burgerlijke rechten
tengevolge.

TWEEDE TITEL

VAN DE AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND

EERSTE AFDELING

VAN DE REGISTERS VAN DE BURGERLIJKE STAND IN HET ALGEMEEN

Artikel 5-2

Er worden registers van geboorten, van erkenningen, van huwelijksaangiften, van
toestemmingen tot het huwelijk, van huwelijken, van echtscheidingen en van overlijden
afzonderlijk gehouden door ambtenaren van de burgerlijke stand. In de registers van erkenningen
worden alleen ingeschreven de afzonderlijke akten van erkenningen, die door de ambtenaren van
de burgerlijke stand worden opgemaakt, dus niet mede de erkenningen, welke gedaan worden bij
de akten van geboorte, bij andere authentieke akten of ter gelegenheid van het aangaan van het
huwelijk.
De uitgestrektheid van de plaats, binnen welke iedere ambtenaar van de burgerlijke stand
zijn werkzaamheden als zodanig uitoefent, wordt bij besluit van de President aangewezen.

Artikel 6-3

Van alle registers van de burgerlijke stand, die der huwelijksaangiften en der
toestemmingen tot het huwelijk alleen uitgezonderd, zal een dubbel worden gehouden.

Artikel 7-4

De kantonrechter of diens plaatsvervanger kanttekent de eerste en laatste bladzijde van
elk register van de burgerlijke stand; hij waarmerkt voorts alle andere bladen.

Artikel 8-5

De akten zullen achter elkander in de registers worden ingeschreven, zonder dat enig wit
vlak tussen beide zal mogen worden opengelaten. Al hetgeen mocht worden doorgehaald, tussen
beide of op de kant geschreven, zal moeten worden goedgekeurd, en, evenals de akte zelf,
getekend worden; zullende niets bij verkorting of met cijfers mogen worden uitgedrukt.

Artikel 9-6

De ambtenaren van de burgerlijke stand zullen in de door hen op te maken akten niets
mogen invoegen, hetzij bij aantekening, hetzij door enige inlassingen hoe ook genaamd, buiten hetgeen door de verschijnende partijen, overeenkomstig de wet,

moet worden verklaard.

Artikel 10-7
Bij de akten van de burgerlijke stand zullen worden uitgedrukt het jaar en de dag van haar inschrijving, mitsgaders de namen, voornamen, de ouderdom, het

beroep en de woonplaats, zowel der verschijnende partijen als der getuigen.
In de akten van de burgerlijke stand worden steeds de namen geplaatst vóór de
voornamen. De namen worden door een komma van de voornamen afgescheiden.

Artikel 11

In al de gevallen, waarin de belanghebbende partijen niet verplicht zijn in persoon te
verschijnen, zullen zij zich door een gemachtigde, daartoe bij authentieke akte aangesteld, mogen
laten vertegenwoordigen.

Artikel 12-8

De getuigen, van welke men bij de akten van de burgerlijke stand gebruik maakt, zullen
daartoe door de belanghebbende personen worden gekozen, en moeten zijn meerderjarig en
binnen Suriname hun woonplaats hebben.
Ook nabestaanden zullen als getuigen worden toegelaten.

Artikel 13

De ambtenaren van de burgerlijke stand zullen aan de verschijnende partijen, mitsgaders
aan de getuigen, de akten voorlezen, en daarin vermelden dat aan die formaliteit is voldaan.
Iedere akte moet door de ambtenaar van de burgerlijke stand, de verschijnende partijen en
de getuigen worden getekend; wanneer de ene of andere der partijen of der getuigen niet mocht
kunnen tekenen, moet van de oorzaak van het beletsel in de akte melding worden gemaakt.

Artikel 14-9

De registers zullen door de ambtenaar van de burgerlijke stand op het einde van ieder jaar worden afgesloten; en zal, in de maand januari daaraanvolgende,

een van de dubbele worden overgebracht ter gouvernements-secretarie, en het andere dubbel, mitsgaders de registers der huwelijksaangiften en der

toestemmingen tot het huwelijk, alsmede de geschriften der huwelijksafkondigingen, ter griffie van het hof van justitie.

Artikel 15

De volmachten en andere stukken, welke bij de akten van de burgerlijke stand worden
gevorderd, zullen aangehecht blijven aan de registers, welke ter griffie van het hof van justitie moeten worden overgebracht.

Artikel 16-10

Een ieder is bevoegd om zich door de bewaarders der registers van de burgerlijke stand
uittreksels uit die registers te doen afgeven. De uittreksels zullen, wanneer zij met de registers overeenstemmen, geloof verdienen tot op het ogenblik, dat

de valsheid daarvan, met inachtneming der regelen, bij het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
voorgeschreven, zal zijn beweerd. De legalisatie van de handtekening van de bewaarder der
registers van de burgerlijke stand op door hem als zodanig uitgegeven stukken geschiedt, indien zij vereist of door belanghebbenden verlangd wordt, door de

kantonrechter of diens
plaatsvervanger.
Van de akten van geboorten worden door de bewaarders slechts uittreksels
overeenkomstig het volgende lid afgegeven, tenzij de aanvrager uitdrukkelijk een uittreksel uit
het register verzoekt, gelijk bedoeld in het laatste lid van artikel 17.
Het uittreksel, bedoeld in het vorige lid, vermeldt: jaar en dag van de geboorte, alsmede
de plaats waar zij is geschied, kunne, naam en voornamen, alsmede naam en voornamen van
vader en moeder; een en ander zoals het blijkt uit de akte of uit latere kantmeldingen. Het uittreksel moet vermelden, dat het overeenstemt met de toestand

op het ogenblik van de afgifte.
In elk uittreksel, in welke vorm ook af te geven, geschiedt de vermelding van naam en
voornamen op dezelfde wijze als zij in het register zelf heeft plaats gehad.

Artikel 17-11

Wanneer op de kant van een reeds ingeschreven akte moet worden melding gemaakt van
een andere akte, tot de burgerlijke stand betrekkelijk, wordt zulks gedaan bij te ondertekenen en
te dagtekenen kantmelding door de ambtenaar van de burgerlijke stand in de lopende onder hem
berustende registers, of in die welke ter gouvernements-secretarie zijn overgebracht; en door de
griffier van het hof van justitie, in die welke ter griffie berusten.
De zorg voor de eenvormige inschrijving is aan het openbaar ministerie opgedragen, aan
hetwelk de ambtenaar van de burgerlijke stand, binnen tien dagen na de aantekening, daarvan
kennis geeft.
Geen uittreksels uit registers van de burgerlijke stand zullen mogen worden afgegeven,
tenzij daarbij worden gevoegd de aantekeningen, welke zich op de kant van de akte mogen
bevinden; alles behoudens het bepaalde in het derde lid van het vorig artikel.

Artikel 18

Men kan, zowel door getuigen als door bescheiden, bewijzen, dat registers van de
burgerlijke stand nooit hebben bestaan, of verloren zijn geraakt, of wel, dat een ingeschreven akte
daaraan ontbreekt.
Ingeval van vervalsing, verandering, verscheuring, vernietiging of verdonkering van een
akte van de burgerlijke stand, zal het vonnis, waardoor van het misdrijf blijkt, de kracht hebben,
welke aan gewijsden in strafzaken ten aanzien van burgerlijke rechtsgedingen bij dit Wetboek is
toegekend.

Artikel 19-12

De ambtenaren van de burgerlijke stand, of andere bewaarders zijn, ieder voor zoveel hem
aangaat, aansprakelijk voor het richtig houden en bewaren der registers.
Elke verandering, elke vervalsing in de akten, elke inschrijving op een los blad,
mitsgaders alle overtreding tegen de voorschriften van deze titel begaan, kunnen aan de partijen
grond opleveren om tegen die ambtenaren of bewaarders schadevergoeding te eisen.
Van de overtreding tegen de voorschriften van deze titel door de ambtenaren van de
burgerlijke stand begaan, waartegen bij de artikelen 483, 484 en 485 1o. van het Wetboek van
Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke rechter kennis.
Ingeval van overtreding tegen die voorschriften door andere bewaarders begaan,
kunnen deze door de burgerlijke rechter worden verwezen in een geldboete van ten hoogste
honderd gulden.

Artikel 20

Het openbaar ministerie is verplicht de ter griffie van het hof van justitie overgebrachte
registers en de daaraan gehechte stukken te onderzoeken, en van deszelfs bevinding procesverbaal
op te maken. Het is bevoegd om inzage te nemen van het dubbel der registers hetwelk ter
gouvernementssecretarie berust.
TWEEDE AFDELING
VAN DE AKTEN VAN GEBOORTEN

Artikel 21-13

De aangiften van geboorten zullen moeten worden gedaan aan de plaatselijke ambtenaar
van de burgerlijke stand binnen drie dagen na de bevalling, Zondagen en daarmede gelijkgestelde
dagen niet medegerekend.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zal van de aangifte dadelijk een akte opmaken. Hij
is bevoegd om te vorderen, dat het kind aan hem wordt vertoond.
In de buitendistricten wordt voor het doen der aangiften een termijn van zestien dagen na
de bevalling gesteld, en de aangiften kunnen aldaar ook schriftelijk geschieden, mits ondertekend
door de aangever en twee getuigen, en bevattende de bijzonderheden vermeld in artikel 23. Die
schriftelijke opgave wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand gewaarmerkt, en als
bijlage achter zijn register gevoegd.
Na de in het eerste en vijfde lid genoemde termijnen kan de aangifte slechts geschieden
met machtiging van de Procureur-Generaal.

Artikel 22-14

De aangifte van de geboorte van een kind zal door de vader moeten worden gedaan.
Bij gebreke van de vader of bij diens verhindering zal de aangifte moeten geschieden door
de geneesheren, heelmeesters, vroedmeesters, vroedvrouwen of andere personen, die bij de
bevalling zijn tegenwoordig geweest, en wanneer de moeder buiten haar woning bevallen is, door
de evengenoemde personen of degene, te wiens huize zij bevallen is.
De aangiften van geboorten op plantages en gronden in de buitendistricten moeten door
de gezagvoerder of opzichter worden gedaan.

Artikel 23-15

De akte van geboorte zal vermelden:
1o. Het jaar, de dag, het uur, en de plaats van de geboorte;
2o. De kunne van het kind, en de voornamen, welke aan hetzelve zullen worden
gegeven;
3o. De namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der ouders;
4o. De namen en voornamen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats van de
aangever en der getuigen zo die er zijn.

Artikel 24

Wanneer het kind buiten echt geboren is, mag de naam van de vader niet bij de akte
worden vermeld, tenware deze het kind, hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde,
bijzonderlijk daartoe bij authentieke akte aangesteld, erkent.

Artikel 25-16

Die een pasgeboren kind gevonden heeft, is gehouden daarvan aangifte te doen aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats, alwaar hetzelve is ontdekt; mitsgaders de
klederen en andere goederen aan te duiden en te vertonen, welke nevens het kind mochten zijn
gevonden, en eindelijk op te geven al de omstandigheden opzichtelijk de tijd wanneer, en de
plaats waar het kind ontdekt is.
De daarvan op te maken akte moet daarenboven vermelden de vermoedelijke ouderdom
van het kind, zijn kunne, de bijzondere kentekenen welke hetzelve mocht hebben, de namen
welke men behoudens de bij artikel 57 bedoelde toestemming des Presidents aan hetzelve zal
geven, mitsgaders het gesticht waarin, of de persoon bij wie hetzelve is verbleven; deze akte moet
in de registers van geboorten worden ingeschreven.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zal het bij artikel 58 bedoelde verzoek aan de
President indienen.

Artikel 26

Wanneer het kind dadelijk in een gesticht is opgenomen, zal de in het bovenstaande
artikel vermelde verklaring moeten worden gedaan door het hoofd of een der bedienden van dat
gesticht.

Artikel 27

Wanneer een kind gedurende een zeereis geboren wordt, moet de akte van geboorte
binnen vierentwintig uren door de scheepskapitein of gezagvoerder op het dagregister van het
schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van de vader, wanneer deze aan boord is, en
van twee getuigen zich op het schip bevindende.

Artikel 28

In de eerste haven, welke het schip zal aandoen, wanneer die binnen Suriname gelegen is,
zal de scheepskapitein of gezagvoerder verplicht zijn aan het hoofd van het bestuur van de plaats
een uittreksel uit het dagregister van het schip, bevattende de aantekening van de geboorte van
het kind, op te zenden.
Wanneer het vaartuig is ingelopen, hetzij in een der havens van het moederland, hetzij in
een der havens van de andere kolonien of overzeese bezittingen van de staat, hetzij in een
vreemde haven, zal het hierboven vermelde uittreksel worden toegezonden, in het eerste geval
aan het hoofd van het departement van marine, in het tweede geval aan het hoofd van de
Nederlandse regering in die kolonie of bezitting, en, in het laatste geval, aan de Nederlandse
consul in die haven of in de naastgelegen plaats gevestigd. Deze beide laatsten zijn verplicht dat
uittreksel in hun archieven te bewaren, en een door hen gelegaliseerd afschrift aan het hoofd van
het departement van marine te doen toekomen. Dien onverminderd blijft de scheepskapitein of
gezagvoerder gehouden, bij de terugkomst van het vaartuig binnen Suriname, te handelen zoals
bij het eerste lid van dit artikel is bepaald.

Artikel 29-17

Het hoofd van het bestuur van de plaats, in het eerste lid van het vorig artikel bedoeld, of
het hoofd van het departement van marine, in de gevallen bij het tweede lid van dat artikel
omschreven, zal het uittreksel, door hem gelegaliseerd, opzenden aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de woonplaats van de vader van kind, of van de moeder, indien de vader
onbekend is.
De ambtenaar van de burgerlijke stand is verplicht hetzelve uittreksel dadelijk in de
registers in te schrijven, en daaraan vast te hechten.
Bij gebreke van bekende woonplaats van de vader of, indien deze onbekend is, van de
moeder, geschiedt de inschrijving te Paramaribo.

Artikel 30-18

De akte van erkenning van een kind, door de ambtenaar van de burgerlijke stand
opgemaakt, moet, volgens haar dagtekening, in het daarvoor bestemde register worden
ingeschreven, en van die erkenning moet worden melding gemaakt op de kant van de akte van
geboorte, zo die aanwezig is.
Indien de erkenning van het kind bij een andere authentieke akte is gedaan, kan ieder
belanghebbende vorderen, dat daarvan wordt melding gemaakt op de kant van de akte van
geboorte.
In geen geval kan het verzuim van de aantekening van een erkenning op de kant van de
geboorteakte aan het erkende kind worden tegengeworpen, teneinde zijn verkregen staat te
betwisten.

Artikel 30a-19

De inschrijving van een adoptie geschiedt op verzoek van de adoptanten of van het
Bureau voor Familierechtelijke Zaken in het register van geboorten van de plaats waar de
geboorte-akte van de geadopteerde is ingeschreven of, bij gebreke daarvan, in het register van
geboorten van Paramaribo.
De akte van inschrijving zal bevatten:
a. de naam, de voornamen, de woonplaats en de kunne, alsmede het jaar, de dag en de
plaats van de geboorte van de geadopteerde;
b. de naam, de voornamen en de woonplaats van ieder der adoptanten;
c. de vroegere naam van de geadopteerde en de naam en voornamen van zijn ouders,
vermeld in zijn akte van geboorte;
d. de vermelding van het vonnis, waarbij de adoptie is uitgesproken, van hetwelk een
afschrift aan het register zal blijven gehecht;
e. de vermelding van het getuigschrift van de griffier, inhoudende dat de uitspraak kracht
van gewijsde heeft gekregen, hetwelk aan het register zal blijven gehecht;
f. de vermelding, te wiens verzoeke de inschrijving is geschied.
De akte van inschrijving wordt, volgens haar dagtekening, in het register van geboorten
Ingeschreven. Van de adoptie en de naam en voornamen van ieder der adoptief-ouders wordt
melding gemaakt op de kant van de geboorte-akte van de geadopteerde, zo die aanwezig is.

Artikel 30b-20

De inschrijving van de herroeping van een adoptie geschiedt op verzoek van de
geadopteerde of van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken in het register van geboorten van
de plaats waar de adoptie is ingeschreven.
De akte van inschrijving zal bevatten:
a. de naam, de voornamen, de woonplaats en de kunne, alsmede het jaar, de dag en de
plaats van de geboorte van de geadopteerde, benevens de vermelding van de akte van inschrijving van de adoptie;
b. de naam, de voornamen en de woonplaats van ieder van de vóór de inschrijving van de
adoptie in of op de kant van de geboorte-akte van de geadopteerde vermelde ouders;
c. de vroegere naam van de geadopteerde en de naam en voornamen van de adoptanten;
d. de vermelding van het vonnis, waarbij de herroeping is uitgesproken, van hetwelk een
afschrift aan het register zal blijven gehecht;
e. de vermelding van het getuigschrift van de griffier, inhoudende dat de uitspraak kracht
van gewijsde heeft gekregen, hetwelk aan het register zal blijven gehecht;
f. de vermelding, te wiens verzoeke de inschrijving is geschiedt.
De akte van inschrijving wordt, volgens haar dagtekening, in het register van geboorten
ingeschreven. Van de herroeping van de adoptie wordt melding gemaakt op de kant van de akte
van inschrijving van de adoptie en op de kant van de geboorte-akte van de geadopteerde, zo die
aanwezig is.

DERDE AFDELING21
VAN DE HUWELIJKSAANGIFTEN EN AFKONDIGINGEN
EN VAN DE TOESTEMMINGEN TOT HET HUWELIJK

Artikel 31

De ambtenaren van de burgerlijke stand zullen in het daartoe bestemde register de
huwelijksaangiften inschrijven, welke overeenkomstig de artikelen 103 en 104 gedaan worden.

Artikel 32-22

Die aangifte zal vermelden de namen, voornamen, de ouderdom, het beroep en de
woonplaats der aanstaande echtgenoten, mitsgaders hun voornemen om met elkander in de echt te
treden.
Wanneer die aangifte in geschrifte is gedaan, zal de ambtenaar van de Burgerlijke Stand
in de door hem op te maken akte van dat geschrift melding maken, alleen op het register tekenen
en het stuk daaraan vasthechten.

Artikel 33-23

Wanneer aan de ambtenaar van de burgerlijke stand niet blijkt dat voor de aangevende
personen enig wettig beletsel bestaat, om met elkander in de echt te treden, zal hij dadelijk de
vereiste afkondiging doen. Indien, ingevolge de artikelen 106 en 107, ook andere ambtenaren
van de burgerlijke stand de afkondiging moeten verrichten, zendt hij hun te dien einde
onverwijld de daarvoor vereiste gegevens.

Artikel 34-24

Vervallen.

Artikel 35-25

De akte van stuiting van het huwelijk moet worden betekend aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand, waar de huwelijksaangifte is gedaan. Deze geeft van de stuiting kennis aan de
ambtenaren van de burgerlijke stand, waar het huwelijk is afgekondigd. Van de stuiting wordt een
aantekening gesteld op de kant van de akte van aangifte. Hetzelfde zal plaats hebben ten opzichte van vonnissen of akten, waarbij de stuiting wordt

opgeheven.

Artikel 35a-26

De akte van toestemming van ouders, voogd of toeziende voogd, door de ambtenaar van
de burgerlijke stand opgemaakt, moet volgens de orde van haar dagtekening in het register
worden ingeschreven.
Onverminderd de vereisten, in het algemeen door de wet aan de inhoud van akten van de
burgerlijke stand gesteld, zal de akte van toestemming bevatten:
1°. de namen, voornamen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande
echtgenoten;
2°. de hoedanigheid, waarin de verschijnende partijen hun toestemming geven.
De ambtenaar is bevoegd om te vorderen, dat de identiteit der verschijnende personen
verklaard wordt door twee hem bekende getuigen. Hij zal van deze verklaring in de akte melding
maken.

VIERDE AFDELING27

VAN DE AKTEN VAN HUWELIJK, VAN ECHTSCHEIDING EN VAN

ONTBINDING VAN HET HUWELIJK NA DE SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

Artikel 36

Nadat bij de ambtenaar van de burgerlijke stand zal zijn afgelegd de verklaring der
partijen, waarvan bij artikel 133 gesproken wordt, zal hij in naam van de wet verklaren, dat dezelve
door de echt aan elkander verbonden zijn, en daarvan dadelijk in het daartoe bestemde register
een akte opmaken.

Artikel 37-28

De huwelijksakte zal vermelden:
1°. De namen, voornamen, de ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats
der echtgenoten, en, wanneer zij tevoren gehuwd waren, de namen en voornamen van de vroegere echtgenoten;
2°. Hun staat van meerderjarigheid of minderjarigheid;
3°. De namen, voornamen, het beroep en de woonplaats
van hun ouders;
4°.De toestemming van de ouders, voogd of toeziende voogd, of wel het verlof van de
rechter, in de gevallen waarin hetzelve gevorderd wordt;
5°. De tussenspraak van de rechter, zo die heeft plaats gehad;
6°. De gedane huwelijksafkondiging, ter plaatse alwaar die vereist wordt, en, ingeval van
stuiting, de opheffing daarvan;
7°. De verklaring der partijen om elkander tot echtgenoten te nemen, en de uitspraak van
hun echtvereniging door de openbare ambtenaar;
8°. De namen, voornamen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats der getuigen,
mitsgaders de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking, welke tussen hen en de
partijen mochten bestaan;
9°. De erkenning van natuurlijke kinderen, zo die plaats heeft.
Indien het betreft een huwelijk tussen personen, die met elkander hertrouwen, nadat
hun vorig huwelijk is ontbonden, zal de huwelijksakte mede vermelden de dag en de plaats
van de voltrekking van dat vorig huwelijk.

Artikel 38

Wanneer een huwelijk bij gevolmachtigde, of wel in een bijzonder huis voltrokken wordt,
zal van die omstandigheid uitdrukkelijke melding in de akte worden gemaakt.

Artikel 39

De overschrijving van de akten van huwelijk in een vreemd land aangegaan, zal in de
lopende registers van de woonplaats der echtgenoten geschieden.

Artikel 40-29

De akte van inschrijving van een echtscheiding en die van een ontbinding van het
huwelijk na de scheiding van tafel en bed zal bevatten:
1¬. De namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenoten;
2¬. De vermelding van het vonnis waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk na de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, van hetwelk een afschrift aan het register zal blijven gehecht;
3¬. De vermelding van het getuigschrift van de griffier, strekkende tot bewijs dat tegen
het vonnis door geen wettig middel kan worden opgekomen.
Die akte zal, volgens haar dagtekening, in het register van echtscheidingen worden
ingeschreven, en zal daarenboven de partij, die de echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk na de scheiding van tafel en bed heeft verkregen, verplicht zijn te zorgen, en de andere
bevoegd zijn te vorderen, dat daarvan aantekening wordt gedaan op de kant van de huwelijksakte.

Artikel 41-30

Wanneer het bewezen is dat de registers zijn verloren geraakt, zal de inschrijving van een
echtscheiding en die van een ontbinding van het huwelijk na de scheiding van tafel en bed, zowel
door bescheiden als door getuigen, kunnen worden bewezen.

VIJFDE AFDELING

VAN DE AKTEN VAN OVERLIJDEN

Artikel 42-31

De akten van overlijden zullen worden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de plaats, alwaar de persoon overleden is, en op de verklaring van de aangever.
Wanneer het blijkt dat de overledene elders zijn woonplaats heeft gehad, zal de ambtenaar
van de burgerlijke stand een uittreksel van de akte van overlijden doen toekomen aan die van de
laatstbekende woonplaats van de overledene, teneinde insgelijks in de registers aldaar te worden
ingeschreven.

Artikel 43-32

De aangiften van overlijden zullen aan de in het eerste lid van artikel 42 bedoelde
ambtenaar van de burgerlijke stand moeten worden gedaan door het hoofd des huizes of iemand
van zijnentwege binnen vier en twintig uren na het sterfgeval. Zondagen en daarmede
gelijkgestelde dagen daarin niet begrepen.
In de buitendistricten wordt voor het doen der aangiften een termijn van zestien dagen na
het sterfgeval gesteld, en de aangiften kunnen aldaar ook schriftelijk geschieden, mits
ondertekend door de aangever en twee getuigen, en bevattende de bijzonderheden, vermeld in
artikel 45. Die schriftelijke opgave wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand gewaarmerkt,
en als bijlage achter zijn register gevoegd.
Na de in het eerste en derde lid genoemde termijnen kan de aangifte slechts geschieden
met machtiging van de Procureur-Generaal.
De aangiften van overlijden op plantages en gronden in de buitendistricten moeten door
de gezagvoerder of opzichter worden gedaan.
Wanneer een sterfgeval heeft plaats gehad in ziekeninrichtingen, gevangenissen of andere
openbare gestichten, moet de aangifte van overlijden worden gedaan door de hoofden,
gezagvoerders, bestuurders, cipiers of opzichters van die inrichtingen of gestichten of door hen,
die aan het hoofd staan van de administratie in die inrichtingen of gestichten, of iemand van
hunnentwege.

Artikel 44-33

De aangiften van het overlijden van militairen moeten worden gedaan:
wanneer dat overlijden te Paramaribo buiten een der in het zesde lid van artikel 43
genoemde inrichtingen en gestichten heeft plaats gehad, door of vanwege de plaatselijke militair
commandant;
wanneer dat overlijden heeft plaats gehad op een militaire post, door de commandant van
de post.

Artikel 45-34

De akten van overlijden zullen bevatten:
1°. De namen, voornamen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats van de overledene,
mitsgaders de dag en het uur van het overlijden;
2°. De naam en de voornamen van de andere echtgenoot, indien de overledene getrouwd
of getrouwd geweest was, en indien de overledene meermalen was getrouwd, namen en voornamen
van de andere echtgenoten;
3°. De naam, de voornamen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats van de aangever
en der getuigen, zo die er zijn.
De akten van overlijden zullen daarenboven bevatten, voor zoverre men zulks kan te
weten komen, de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der ouders van de overledene, deszelfs geboorteplaats, mitsgaders, indien de overledene niet in

Suriname geboren is, de plaats alwaar hij, vóór zijn aankomst in Suriname, het laatst heeft gewoond.

Artikel 46-35

De ambtenaar van de burgerlijke stand zal geen akte van overlijden van een pasgeboren
kind mogen opmaken, dan voor zoverre aan hem zal zijn gebleken, dat de geboorte van het kind
in het daartoe bestemde register is ingeschreven.
Bij ontstentenis van dien, zal die ambtenaar niet vermogen uit te drukken dat het kind
overleden is, maar alleen dat het zelve als levenloos is aangegeven.
Hij zal daarenboven de verklaring van de aangever en der getuigen, zo die er zijn,
ontvangen, opzichtelijk de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats van de ouders van
het kind, met aanduiding van het jaar en de maand waarin, en de dag en het uur waarop het kind
is ter wereld gebracht.
Die akte zal, overeenkomstig haar dagtekening, in de sterfregisters worden ingeschreven,
zonder dat daardoor enigermate zal zijn beslist of het kind levend, dan wel dood, is ter wereld
gekomen.

Artikel 47-36

Vervallen.

Artikel 48-37

Vervallen.

Artikel 49-38

Vervallen.

Artikel 50

De ambtenaar, welke het verbaal van schouwing zal hebben opgemaakt, is verplicht aan
die van de burgerlijke stand dadelijk opgave te doen van al hetgeen vereist zal worden om de akte
van overlijden op te maken.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zal een afschrift van de akte van overlijden doen
toekomen aan die van de bekende woonplaats van de overledene, teneinde door deze in de
registers te worden ingeschreven.

Artikel 51

De griffier van het hof van justitie is verplicht, binnen vierentwintig uren na het ten
uitvoerleggen van doodvonnissen, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats,
alwaar het vonnis is tenuitvoergelegd, te doen toekomen afschrift van het bij die gelegenheid
opgemaakte procesverbaal.
Zij zullen aan de voet van dat proces-verbaal alle aanduidingen opgeven, welke vereist
worden om de akten van overlijden, overeenkomstig artikel 45, te kunnen opmaken.

Artikel 52

De ambtenaar van de burgerlijke stand ter plaatse alwaar de veroordeelde is
terdoodgebracht, zal afschrift van de akte van overlijden doen toekomen aan die van de
laatstbekende woonplaats van de veroordeelde, teneinde door die ambtenaar insgelijks in de
registers te worden ingeschreven.

Artikel 53

Ingeval van een gewelddadige dood, van het terdood brengen van een veroordeelde, of
van het overlijden in gevangenhuizen, zal van die omstandigheden in de registers geen melding
worden gemaakt, en de akte van overlijden eenvoudig worden ingericht naar de vorm, bij artikel
45 voorgeschreven.

Artikel 54-39

Wanneer een sterfgeval gedurende een zeereis heeft plaats gehad, moet de akte van
overlijden binnen de vierentwintig uren, door de scheepskapitein of gezagvoerder, in het
dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van twee getuigen, zich aan
boord van het schip bevindende.
Verder wordt gehandeld gelijk bij de artikelen 28 en 29 opzichtelijk de akten van
geboorten is voorgeschreven, onder deze bepaling, dat de opzending, waarvan in laatstgenoemd
artikel wordt gesproken, moet geschieden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
bekende woonplaats van de overledene. Bij gebreke van bekende woonplaats geschiedt de inschrijving te Paramaribo.

Artikel 55

Bij bijzondere reglementen wordt bepaald, op hoedanige wijze het overlijden van
krijgslieden, welke te velde, in de slag of in 's rijks dienst buiten Suriname zijn gestorven, in de
gewone registers van de burgerlijke stand zal worden ingeschreven.

Artikel 56

Wanneer het bewezen is, dat de sterfregisters nooit hebben bestaan, dat die zijn verloren
geraakt, dat een ingeschreven akte daaraan ontbreekt, of dat bijzondere omstandigheden de
inschrijving van de akte van overlijden hebben verhinderd, zal dat overlijden zowel door getuigen
als door bescheiden kunnen worden bewezen.

ZESDE AFDELING40

VAN NAMEN EN NAAMS- EN VOORNAAMSVERANDERINGEN

Artikel 56a-41

Wettige en door de vader erkende onwettige kinderen dragen de geslachtsnaam van de
vader; onwettige, niet door de vader erkende kinderen, die van de moeder.

Artikel 57-42

Niemand mag zijn geslachtsnaam veranderen, of een andere bij de zijne voegen, zonder
toestemming van de President.
Degeen, wiens geslachtsnaam of voornamen niet bekend zijn, kan een geslachtsnaam of
voornamen aannemen met toestemming van de President.

Artikel 58-43

De verzoeken daartoe kunnen niet worden toegestaan, dan na verloop van vijf maanden,
te rekenen van de dag, waarop van hetzelve openbare aankondiging zal zijn gedaan.
In die tussentijd kunnen de belanghebbende partijen, bij een verzoekschrift, aan de
President in te leveren, de gronden doen gelden, waarop zij vermenen zich tegen het verzoek te
kunnen verzetten.

Artikel 59-44

De openbare aankondiging, in het vorige artikel vermeld, geschiedt door de plaatsing in
het Gouvernements-Advertentieblad en verder door aanplakking aan het gebouw van de
gouvernements-secretarie, alsmede in de audiëntiezaal van het kantongerecht van de woonplaats
van de verzoeker.

Artikel 60-45

Indien in de bij het eerste lid van artikel 57 bedoelde geval het verzoek wordt toegestaan,
zal het besluit worden overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
geboorteplaats van de verzoeker, welke ambtenaar hetzelve in de lopende registers zal
inschrijven, en daarvan aantekening doen op de kant van de geboorteakte.
Het besluit, waarbij het ingevolge het tweede lid van artikel 57 gedane verzoek wordt
toegestaan, wordt ingeschreven in de lopende registers van geboorten van de woonplaats van de
betrokkene en, in het geval bedoeld bij artikel 25, mede aangetekend op de kant van de
geboorteakte.
Bij niet-inwilliging van een verzoek, als bedoeld bij het vorige lid, kan de President de
belanghebbende een geslachtsnaam of voornamen verlenen. Met dit besluit wordt gehandeld
overeenkomstig het vorige lid.

Artikel 61-46

De verkrijging van een naam overeenkomstig de bepalingen der vier voorgaande artikelen
zal nimmer kunnen worden aangevoerd tot bewijs van vermaagschapping.

Artikel 62-47

Niemand kan van voornaam veranderen, of voornamen bij de zijne voegen, zonder
toestemming van de kantonrechter op daartoe gedaan verzoek, te verlenen.

Artikel 63-48

Wanneer de kantonrechter de verandering of bijvoeging van voornamen toestaat, zal de
uitspraak worden terhandgesteld aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de geboorteplaats
van de verzoeker, teneinde door die ambtenaar in de lopende registers te worden ingeschreven, en
daarvan melding te worden gemaakt op de kant van de geboorteakte.

Artikel 63bis-49

De door het land aangevoerde en vreemde immigranten en hun afstammelingen, die in
Suriname hun woonplaats hebben, zijn, voorzover zij niet reeds van een geslachtsnaam en
voornamen zijn voorzien, verplicht zich zodanige namen te kiezen onder goedkeuring van de
Directeur van Binnenlandse Zaken.
De aangenomen geslachtsnaam gaat over op de afstammelingen van degene, die hem
heeft aangenomen, ook al waren zij tijdens die aanneming reeds in leven. Is dit laatste het geval,
dan wordt voor die afstammeling tegelijkertijd een voornaam gekozen.
De Directeur van Binnenlandse Zaken geeft aan ieder, wiens naam veranderd is, een door
hem gedagtekend en gewaarmerkt boekje, waarin de oude en de aangenomen namen staan
vermeld, zomede de namen van zijn ouders en zijn in leven zijnde afstammelingen. Hij houdt
hiervan aantekening in de immigrantenregisters en geeft daarvan terstond kennis aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van de betrokkenen.
De indianen en Bosnegers zijn bevoegd zich een geslachtsnaam en voornamen te kiezen
onder goedkeuring van de Directeur van Binnenlandse Zaken, die hun een boekje verstrekt en
aantekening daarvan doet in een daarvoor bestemd register.
De aldus van naam veranderde vertoont zijn boekje aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand van zijn woonplaats, die het voor "gezien" tekent.
Indien de betrokkene in de registers van de burgerlijke stand reeds genoemd staat, wordt
op de kant van de betrekkelijke acte aangetekend, dat hij sedert de datum van de afgifte van het
boekje de daarin vermelde namen draagt.
In de registers van de burgerlijke stand worden bij voorkomende gevallen uitsluitend de
aangenomen namen vermeld.
Ten aanzien van deze gelden de artikelen 56a-63.

ZEVENDE AFDELING

VAN DE VERBETERING DER AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND,

EN VAN DERZELVER AANVULLING

Artikel 64

Wanneer geen registers hebben bestaan, of deze zijn verloren geraakt, vervalst, veranderd,
verscheurd, vernietigd, verdonkerd of verminkt; wanneer akten daaraan ontbreken, of wanneer in
de ingeschreven akten dwalingen, uitlatingen of andere misslagen hebben plaats gehad, zal zulks
grond opleveren tot aanvulling of tot verbetering der registers.

Artikel 65-50

Het verzoek daartoe zal alleen kunnen worden ingeleverd bij de kantonrechter, binnen
wiens rechtsgebied de registers zijn of hadden behoren te worden gehouden, die, behoudens
hoger beroep, na verhoor, wanneer daartoe gronden zijn, van de belanghebbende partijen,
deswege zal uitspraak doen.
Deze uitspraak zal alleen geldig zijn tussen de partijen, welke deze hebben verzocht, of te
dier gelegenheid zijn opgeroepen.

Artikel 66-51

1. Een verzoek tot verbetering of aanvulling der registers van de burgerlijke stand kan bij de
bevoegde kantonrechter mede door het openbaar ministerie worden ingeleverd.
2. De rechter kan bij zijn uitspraak tot verbetering of aanvulling bepalen, dat zij tegenover een
ieder zal gelden.
3. Beveelt de rechter, alvorens op het verzoek uitspraak te doen, oproeping van belanghebbende,
dan geschiedt die oproeping bij aangetekende brief van de griffier met vermelding van het
doel der oproeping.

Artikel 67

Alle uitspraken tot verbetering of tot aanvulling van akten, welke in kracht van gewijsde
zijn gegaan, zullen door de ambtenaar van de burgerlijke stand, dadelijk na derzelver vertoon, in
de lopende registers worden ingeschreven, en zal, in geval van verbetering, daarvan worden
melding gemaakt op de kant van de verbeterde akte, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 17.

Artikel 67a-52

1. Kennelijke schrijf- en spelfouten kunnen ook zonder tussenkomst des rechters worden
verbeterd.
2. De verbetering geschiedt door de ambtenaar, onder wie de registers berusten, op bevel en
volgens aanwijzingen van het openbaar ministerie.
3. Alvorens het openbaar ministerie het bevel tot verbetering aan de in het vorige lid bedoelde
ambtenaar doet, zal degene, op wiens naam de voorgenomen verbetering betrekking heeft,
worden opgeroepen om zich daarover te uiten.

DERDE TITEL

VAN WOONPLAATS OF DOMICILIE

Artikel 68

Een ieder wordt geacht zijn woonplaats te hebben alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft
gevestigd.
Bij gebreke van zodanige woonplaats, wordt de plaats van het werkelijke verblijf
daarvoor gehouden.

Artikel 69

De verandering van woonplaats zal stand grijpen door de werkelijke woning in een andere
plaats, gevoegd bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen.
Het bewijs van dat voornemen wordt uit de omstandigheden opgemaakt.

Artikel 70

Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hun woonplaats, indien zij het
tegenovergestelde voornemen niet aan de dag hebben gelegd.

Artikel 71-53

1. Een minderjarige volgt de woonplaats van hem, die het gezag over hem uitoefent. Oefenen
beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarig kind uit dan volgt dit de woonplaats van
zijn vader.
2. De onder curatele gestelde volgt de woonplaats van zijn curator.

Artikel 72-54

Werknemers hebben, behoudens het bepaalde bij het vorige artikel, hun woonplaats in het
huis van hun werkgevers, indien zij bij deze inwonen.

Artikel 73

Het sterfhuis van een overledene wordt geacht daar te zijn, alwaar de overledene zijn
woonplaats gehad heeft.

Artikel 74-55

Het staat aan partijen, of aan een van hen, vrij bij een akte, en tot een bepaalde zaak, een
andere woonplaats dan haar werkelijke te kiezen.
Die keuze kan zijn algemeen, en strekt zich dan zelfs uit tot de executie; of worden
beperkt indiervoege als de partijen, of een van haar zal goedvinden. In deze gevallen kunnen de
exploiten, oproepingen ter terechtzitting en vervolgingen, bij de akte uitgedrukt of bedoeld,
geschieden aan de gekozen woonplaats en voor de rechter van die woonplaats.

Artikel 75

Indien het tegendeel niet bij beding is overeengekomen, kan men de voor zich gekozen
woonplaats veranderen, mits de nieuwe woonplaats in hetzelfde district zij gelegen, en de
verandering aan de wederpartij wordt betekend.

Artikel 76-56

Die in Suriname, daaronder niet begrepen de buitendistricten waar een kantonrechter
aanwezig is, woonachtig zijn buiten Paramaribo, zijn verplicht algemene keuze van woonplaats te
Paramaribo te doen, en daarvan ter gouvernementssecretarie aantekening te doen houden in een
register, waarvan de ambtenaren, belast met het betekenen der exploiten, inzage mogen nemen.

Artikel 77-57

Die uit Suriname afwezig of daarbuiten woonachtig zijn, maar bij authentieke akte een
gemachtigde benoemd hebben om in Suriname gelegen onroerende goederen te beheren, worden
geacht algemene keuze van woonplaats te hebben gedaan bij die gemachtigde, voor alle zaken die
het onderwerp van de volmacht uitmaken; zullende de lasthebber, teneinde daarvan blijkt, verplicht
zijn de procuratie, op de wijze bij besluit van de President te bepalen, door een daarbij aan
te wijze openbare ambtenaar, te doen boeken in een daartoe bestemd register, waarvan een ieder
zal bevoegd zijn inzage te nemen, en te zijnen koste afschriften of uittreksels te vorderen.

VIERDE TITEL

VAN HET HUWELIJK

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 78
De wet beschouwt het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekkingen.

Artikel 79

De vrouw volgt, gedurende het huwelijk, de staat van haar man.

EERSTE AFDELING

VAN DE HOEDANIGHEDEN EN VOORWAARDEN, DIE VEREIST

WORDEN OM EEN HUWELIJK TE KUNNEN AANGAAN

Artikel 80

De man kan tegelijkertijd slechts met één vrouw, de vrouw slechts met één man door het
huwelijk verbonden zijn.

Artikel 81

Tot het wezen van het huwelijk wordt de vrije toestemming der aanstaande echtgenoten
vereist.

Artikel 82-58

Een jonge man, de volle ouderdom van zeventien, en een jonge dochter, de volle
ouderdom van vijftien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan.
De President kan echter, om gewichtige redenen, dit verbod door het verlenen van
dispensatie opheffen.

Artikel 83

Het huwelijk is verboden tussen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en
nederdalende linie, hetzij door wettige, hetzij door onwettige geboorte, of door aanhuwelijking;
en in de zijlinie tussen broeder en zuster, wettige of onwettige.

Artikel 83a-59

1. Artikel 83 is ook van toepassing, indien de verwantschap door adoptie is ontstaan, mits deze
niet is herroepen.
2. Artikel 82 tweede lid is ook van toepassing ten aanzien van hen, die door adoptie broeder en
zuster zijn.

Artikel 84-60

Ook is het huwelijk verboden tussen oom en nicht, mitsgaders tussen moei en neef.
De President kan, om gewichtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het
verlenen van dispensatie opheffen.

Artikel 85-61

Vervallen.

Artikel 86-62

Tussen personen, wier huwelijk is ontbonden overeenkomstig het bepaalde in artikel 252,
3o en 4o, kan geen nieuw huwelijk worden gesloten, dan nadat een jaar is verstreken, sedert de
ontbinding van hun vorig huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Een verder huwelijk tussen dezelfde personen is verboden.

Artikel 87-63

Een vrouw kan geen nieuw huwelijk aangaan, dan na verloop van driehonderdzes dagen

na de ontbinding van het vorige huwelijk.

Artikel 88-64

1. Voor het aangaan van een huwelijk behoeft een minderjarige de toestemming van zijn ouders,
voor zover deze tot hem in burgerlijke betrekkingen staan en hun wil kunnen verklaren.
2. Een minderjarige, die onder voogdij staat, behoeft voor het aangaan van een huwelijk tevens
de toestemming van de voogd.
3. In geval van een huwelijk met de voogd, of met één van diens bloedverwanten in de rechte
linie, is bovendien de toestemming van de toeziende voogd vereist.

Artikel 89-65

1. Bij rechterlijke uitspraak kan, op verzoek van de minderjarige, met afwijking van het in
artikel 88 bepaalde, verlof tot het aangaan van het huwelijk worden verleend.
2. Verlof overeenkomstig het vorige lid kan alleen worden verleend:
a. in gevallen, waarin geen van beide ouders de ouderlijke macht of voogdij over de
minderjarige uitoefent;
b. in andere gevallen, wanneer slechts één vereiste toestemming ontbreekt.

Artikel 90-66

1. Voor het verkrijgen van verlof overeenkomstig artikel 89 wendt de minderjarige – ook zonder
de medewerking van zijn wettelijke vertegenwoordiger – zich met een schriftelijk verzoek tot
de kantonrechter van zijn woonplaats.
2. De kantonrechter beslist niet, dan nadat de minderjarige en degenen, wier toestemming
krachtens artikel 88 is vereist, alsmede de bloedverwanten en aangehuwden, overeenkomstig
de artikelen 385 en 386, door de griffier zijn opgeroepen en gelegenheid hebben gehad hun
standpunt ten aanzien van het verzoek, en hun redenen daarvoor, in raadkamer uiteen te
zetten.
3. De kantonrechter kan, alvorens te beslissen, het advies van de voogdijraad inwinnen.
4. Wanneer een der ouders in zijn weigering volhardt, en hij niet van de ouderlijke macht of de
voogdij over de minderjarige is ontzet, kan het gevraagde verlof alleen om gewichtige
redenen worden verleend. In andere gevallen beslist de kantonrechter overeenkomstig
hetgeen hij, gelet op alle bij het voorgenomen huwelijk betrokken belangen, geraden acht,
behoudens het in artikel 89 lid 2 bepaalde.
5. De beschikking op het verzoek wordt in raadkamer gegeven en door de zorg van de griffier
onverwijld betekend aan de minderjarige en aan degenen, wier toestemming krachtens artikel
88 is vereist. Zij kan niet bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.

Artikel 91-67

1. Tegen de beschikking van de kantonrechter kan, uiterlijk op de veertiende dag na die, waarop
zij is gegeven, hoger beroep bij het Hof van Justitie worden ingesteld:
a. door de minderjarige, wanneer het gevraagde verlof niet is verleend;
b. door ieder van degenen, wier toestemming krachtens artikel 88 is vereist, wanneer het
gevraagde verlof wel is verleend.
2. Het bepaalde in artikel 90, leden 2, 3, 4 en 5 eerste volzin, vindt overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep en op de door het

Hof van Justitie te geven
beschikking.

Artikel 92-68

Een minderjarige, die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, kan – ook zonder de
medewerking van zijn wettelijke vertegenwoordiger, en onverminderd zijn bevoegdheid tot het
indienen van een verzoek, als in artikel 89 bedoeld – schriftelijk de tussenkomst van de
kantonrechter van zijn woonplaats inroepen, wanneer de krachtens artikel 88 vereiste
toestemming geheel of ten dele ontbreken.

Artikel 93-69

1. Zodra de rechterlijke tussenkomst overeenkomstig artikel 92 is ingeroepen, doet de
kantonrechter de minderjarige en degenen, wier toestemmingen ontbreken, door de griffier
uitnodigen voor hem in raadkamer te verschijnen op een door hem te bepalen tijdstip, binnen
drie weken na de ontvangst van het verzoek om tussenkomst.
2. Verschijnt de minderjarige niet op het bepaalde tijdstip, dan is het verzoek om tussenkomst
niet ontvankelijk.
3. Wanneer wel de minderjarige verschijnt, maar geen van de andere opgeroepenen, en ook van
geen van dezen een bericht van verhindering is ingekomen, dan wordt de gevraagde
tussenkomst onmiddellijk verleend; de beschikking van de kantonrechter vervangt alsdan de
daarin vermelde ontbrekende toestemmingen.
4. In andere gevallen, dan die in de beide vorige leden voorzien, houdt de kantonrechter de
vertogen, die hij dienstig acht. Bij niet bereiken van toestemming tussen de minderjarige en
de andere opgeroepenen geeft de kantonrechter een beschikking, die na verloop van drie
maanden sedert de dag, waarop het verzoek om tussenkomst in raadkamer is behandeld, de
daarin vermelde ontbrekende toestemmingen vervangt.

Artikel 94-70

1. Indien de ouders zich niet in Suriname bevinden, kan de President aan een minderjarige, die
de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ontheffing van de krachtens artikel 88 vereiste
toestemmingen verlenen.
2. Gelijke vrijstelling kan, ingeval een der ouders zich niet in Suriname bevindt, door de
President worden verleend, voor zoveel het de zich buiten Suriname bevindende ouder
betreft.

Artikel 95-71

Vervallen.

Artikel 96-72

Vervallen.

Artikel 97-73

Vervallen.

Artikel 98

Vervallen.

Artikel 99-74

Vervallen.

Artikel 100-75

Vervallen.

Artikel 101-76

Vervallen.

Artikel 102-77

vervallen.

TWEEDE AFDELING

VAN DE FORMALITEITEN, WELKE DE VOLTREKKING

VAN HET HUWELIJK MOETEN VOORAFGAAN

Artikel 103

Alle personen die met elkander een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan aangifte
doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van een der partijen.

Artikel 104

Deze aangifte zal, hetzij in persoon, hetzij bij zodanige geschriften geschieden, waaruit
van het voornemen der aanstaande echtgenoten met genoegzame zekerheid kan blijken, waarvan
een akte door de ambtenaar van de burgelijke stand zal worden opgemaakt.

Artikel 105-78

Vóór het voltrekken van het huwelijk geschiedt daarvan door de zorg van de ambtenaar
van de burgerlijke stand afkondiging door middel van aanplakking van een, door deze ambtenaar
opgemaakt, geschrift aan het gebouw, waarin het bureau van de ambtenaar van de burgerlijke
stand gevestigd is, en wel op Zaterdag. Het geschrift zal gedurende tien dagen aangeplakt blijven.
Dit geschrift zal bevatten:
1°. De namen, voornamen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande
echtgenoten, en indien dezelve reeds vroeger getrouwd zijn geweest, de namen van hun vorige
echtgenoten;
2.°. De dag, de plaats en het uur, waarop de afkondiging geschiedt.
Het geschrift wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand ondertekend.
Daarenboven zal de ambtenaar van de burgerlijke stand een kennisgeving, bevattende de
namen en voornamen der personen onder 1°. vermeld, doen plaatsen in het Advertentieblad van de Republiek Suriname. Deze plaatsing geschiedt kosteloos.

Artikel 106-79

Wanneer de aanstaande echtgenoten hun woonplaats niet in dezelfde plaats hebben, zal de
afkondiging moeten geschieden in de plaatsen, alwaar ieder der partijen gevestigd is.

Artikel 107-80

Indien de aanstaande echtgenoten slechts zes maanden hun woonplaats in een plaats
hebben gehad, zal de afkondiging daarenboven moeten gedaan worden in de plaats, alwaar zij
laatstelijk zijn gevestigd geweest.
Van deze verplichting kan door de President, om gewichtige redenen, vrijstelling worden
verleend.

Artikel 108-81

Vervallen.

Artikel 109-82

Te Paramaribo is de Procureur-Generaal en in de districten zijn de Districts-
Commissarissen bevoegd om, uit hoofde van gewichtige redenen dispensatie te verlenen van de
huwelijksafkondiging en van de in artikel 128 voorgeschreven wachttijd van tien dagen.
Van verleende dispensatie geschiedt door de zorg van de ambtenaar van de burgelijke
stand zo spoedig mogelijk aanplakking aan het in artikel 105 bedoelde gebouw.
In die aanplakking zal melding worden gemaakt van het tijdstip, waarop de
huwelijksvoltrekking zal geschieden of is geschied.
Door de dispensatie vervalt het vereiste van de in het laatste lid van artikel 105 bedoelde
kennisgeving, indien deze nog niet heeft plaats gehad, tenzij in de beschikking daaromtrent
anders is bevolen.
Is de kennisgeving niet geschied vóórdat de dispensatie verleend is, dan wordt de
voltrekking van het huwelijk bekend gemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname,
met vermelding van de verleende dispensatie;
deze bekendmaking geschiedt kosteloos.

Artikel 110-83

Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de huwelijksafkondiging, niet is
voltrokken, zal deze niet voltrokken mogen worden, dan nadat alvorens wederom een nieuwe
afkondiging zal gedaan zijn.

Artikel 110a-84

Indien een minderjarige een huwelijk wenst aan te gaan, onderzoekt de ambtenaar van de
burgerlijke stand, wier toestemmingen vereist zijn. Voorts zal hij onderzoeken, of de minderjarige
onder toezicht gesteld is, dan wel hem de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd;
blijkt zulks het geval, dan zal hij de kantonrechter onderscheidenlijk het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken onverwijld van het voorgenomen huwelijk verwittigen.

Artikel 111-85

Trouwbeloften geven geen rechtsvordering tot het aangaan van het huwelijk, noch tot
vergoeding van kosten, schade en interesten, uithoofde van de nietvervulling van de beloften; alle
bedingen tot schadeloosstelling te dezer zake zijn nietig.
Wanneer echter de aangifte van het huwelijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand
van afkondiging gevolgd is, kan zulks grond opleveren tot het vorderen van vergoeding van
kosten, schade en interesten, uithoofde der werkelijke verliezen, welke de ene partij, door de
weigering van de andere, in haar goederen mocht hebben geleden, zonder dat daarbij enige winstderving
zal kunnen in aanmerking komen.
Deze rechtsvordering verjaart door verloop van achttien maanden, te rekenen van de
huwelijksafkondiging.

DERDE AFDELING

VAN HET STUITEN VAN HET HUWELIJK

Artikel 112

Het recht om de voltrekking van een huwelijk te stuiten, komt alleenlijk toe aan de
personen en in de gevallen, bij de volgende artikelen voorzien.

Artikel 113

Degene, die met een der partijen door het huwelijk alsnog verbonden is, mitsgaders de
kinderen uit dat huwelijk voortgesproten, zijn bevoegd om het nieuw aan te gaan huwelijk te
stuiten, doch alleenlijk op grond van het bestaande.

Artikel 114-86

Ieder van de ouders, die in burgerlijke betrekkingen tot een der partijen staat, kan het
huwelijk stuiten in de volgende gevallen:
1°. Wanneer hun kind, nog minderjarig zijnde, de vereiste toestemming niet bekomen
heeft;
2°.Vervallen.
3°. Wanneer een der partijen, uithoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, onder
curatele gesteld, of de curatele uit die hoofde verzocht en op dat verzoek nog niet is beslist;
4°. Wanneer een der partijen de vereisten niet bezit om, overeenkomstig de bepalingen
van de eerste afdeling van deze titel, een huwelijk te kunnen aangaan;
5°. Wanneer de vereiste huwelijksaankondiging geen plaats heeft gehad;
6°. Wanneer een der partijen uit hoofde van verkwisting, gewoonte van drankmisbruik of
zwakheid van vermogens onder curatele is gesteld, en het voorgenomen huwelijk blijkbaar het
ongeluk van hun kind zou teweegbrengen.
Indien een ander dan de vader of de moeder de voogdij over het kind uitoefent, heeft ook
de voogd of de toeziende voogd, waar deze de voogd vervangt, dezelfde bevoegdheid.
Het huwelijk kan niet worden gestuit op de in het eerste lid onder 1° vermelde grond:
a. wanneer bij rechterlijk gewijsde, met afwijking van het in artikel 88 bepaalde, aan de
minderjarige verlof tot het aangaan van het huwelijk is verleend;
b. wanneer de ontbrekende toestemming door een, krachtens artikel 93 lid 3 of 4 gegeven,
beschikking van de kantonrechter is vervangen;
c. wanneer aan de minderjarige vrijstelling krachtens het in artikel 94 bepaalde is verleend.

Artikel 115-87

Bij gebreke van beide ouders, zijn de grootouders en de voogd, bevoegd om het huwelijk
te stuiten in de gevallen vermeld onder Nos. 3, 4, 5 en 7 van het voorgaande artikel.
Vervallen.

Artikel 116-88

Bij gebreke van grootouders, kunnen de broeders, zusters, ooms en moeijen, mitsgaders de
curator en toeziende curator, een voorgenomen huwelijk stuiten in de gevallen, in artikel 144
eerste lid voorzien, met uitzondering van het onder 1° gestelde.

Artikel 117-89

De echtgenoot, wiens huwelijk door echtscheiding is ontbonden, kan het huwelijk van zijn
voormalige echtgenote stuiten, wanneer zij een nieuw huwelijk wil aangaan, vóór het verlopen
van drie honderdzes dagen na het ontbinden van het vroegere.

Artikel 118-90

Het openbaar ministerie is verplicht een voorgenomen huwelijk te stuiten, in de gevallen
bij de artikelen 80 tot 87 ingesloten vermeld.
Het openbaar ministerie is bevoegd het huwelijk van een onder toezicht gestelde
minderjarige te stuiten, indien het belang van die minderjarige zich tegen het aangaan van een
huwelijk verzet; daarbij wordt het belang, dat de wederpartij bij het huwelijk heeft, mede in
aanmerking genomen.
Gelijke bevoegdheid heeft het openbaar ministerie met betrekking tot een minderjarige,
aan wie de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd.

Artikel 119-91

Van de stuiting van het huwelijk wordt kennis genomen door de kantonrechter, binnen
wiens rechtsgebied het huwelijk moet worden voltrokken.

Artikel 120

In de akte van stuiting moeten al de middelen worden uitgedrukt, waarop de stuiting
gegrond is, en mogen geen nieuwe middelen worden voorgedragen, voor zover dezelve niet na de
stuiting mochten zijn opgekomen.

Artikel 121-92

Vervallen.

Artikel 122

Wanneer de stuiting is afgewezen, zullen de opposanten, met uitzondering nochtans van
bloedverwanten in de opgaande en nederdalende linie, en van het openbaar ministerie, tot
vergoeding van kosten, schade en interesten kunnen worden verwezen.

Artikel 123

Wanneer er stuiting van een huwelijk plaats heeft, zal het aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand niet geoorloofd zijn hetzelve te voltrekken, dan nadat aan hem zal zijn
terhandgesteld een vonnis in kracht van gewijsde gegaan, of een authentieke akte, waarbij de
stuiting is opgeheven, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten.
Wanneer het huwelijk mocht zijn voltrokken vóór dat de stuiting is opgeheven, zal het
geding ter zake dier stuiting kunnen worden voortgezet, en het huwelijk worden nietigverklaard,
bijaldien de eis aan de opposant is toegewezen.

VIERDE AFDELING93

VAN DE VOLTREKKING VAN HET HUWELIJK DOOR

EEN AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND

Artikel 124-94

Alvorens tot de voltrekking van het huwelijk over te gaan, zal de ambtenaar van de
burgerlijke stand zich de navolgende stukken doen ter hand stellen, voorzover die stukken
niet voorkomen in de onder hem berustende registers:
1°. De geboorteakte van ieder der aanstaande echtgenoten;
2°. Een akte door een ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakt en in het register van
toestemmingen tot het huwelijk ingeschreven op de wijze als bij artikel 35a is bepaald, of een
andere authentieke akte, houdende de toestemming van de vader, de moeder, de grootvader of de
grootmoeder, de voogd en de toeziende voogd, of wel het bij de rechter verkregen verlof, in de
gevallen waar hetzelve vereist.
De toestemming kan ook bij de huwelijksakte worden gegeven;
3°. de akte waaruit blijkt van de tussenkomst van de kantonrechter, in de gevallen waarin
die vereist wordt;
4°. Ingeval van tweede of volgend huwelijk, de akte van overlijden van de vorige
echtgenoot, of de akte van echtscheiding, of wel afschrift van het verlof van de rechter, bij afwezigheid
van de andere echtgenoot verleend;
5°. De akte van overlijden van al de zodanigen die hun toestemming tot het huwelijk
zouden hebben moeten geven;
6°. Het bewijs dat de huwelijksafkondiging zonder stuiting is afgelopen, ter plaatse alwaar
die afkondiging, overeenkomstig de artikelen 105 en volgende van deze titel, vereist wordt, of
wel dat een gedane stuiting is opgeheven.
7°. de verleende vrijstellingen.
Het verlof, in het vorige lid onder 2° bedoeld, moet blijken door overlegging van het
origineel of van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de rechterlijke beschikking,
waarbij dat verlof is verleend. Is de beschikking door de kantonrechter gegeven, dan moet het
stuk van een authentieke verklaring zijn voorzien, blijkens welke de uitspraak kracht van
gewijsde heeft verkregen.

Artikel 125

Degene der aanstaande echtgenoten, die buiten de mogelijkheid mocht zijn, om zijn
geboorteakte, bij No. 1 van het vorige artikel vereist, te vertonen, zal zulks kunnen aanvullen
door een akte van bekendheid, afgegeven door een openbaar ambtenaar, op de verklaring van
twee getuigen van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, bloedverwanten of geen
bloedverwanten zijnde.
Deze verklaring zal inhouden de vermelding van de plaats, en, zo na mogelijk, van het
tijdstip van de geboorte, mitsgaders de oorzaken die beletten om een akte daarvan over te
leggen.
Het gebrek van een geboorte-akte zal ook kunnen worden verholpen, hetzij door een
dergelijke, doch beëedigde verklaring, afgelegd door de getuigen, welke bij de voltrekking
van het huwelijk moeten tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van de aanstaande echtgenoot, houdende dat
hij zich geen geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen.
In de huwelijksakte zal van de een of andere van die verklaringen worden melding
gemaakt.

Artikel 126

Indien partijen buiten de mogelijkheid zijn om de akten van overlijden, bij artikel 124 No.
5 vermeld, in te leveren, zal dat gebrek op dezelfde wijze als in het geval van het voorgaande
artikel, kunnen worden verholpen.

Artikel 127-95

Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert om een huwelijk te voltrekken, op
grond van de ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen, bij de vorige artikelen gevorderd,
zullen partijen de bevoegdheid hebben zich tot de kantonrechter te keren; welke rechter na
verhoor, wanneer daartoe gronden zijn, van de ambtenaar van de burgerlijke stand, summier en
zonder hoger beroep, over de genoegzaamheid of ongenoegzaamheid der stukken zal uitspraak
doen.

Artikel 128-96

Het huwelijk zal niet mogen worden voltrokken vóór den tiende dag na die van de
afkondiging, die dag zelf niet daaronder begrepen.

Artikel 129-97

Het huwelijk zal in het openbaar, ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de woonplaats van een der beide partijen, in het daartoe door die ambtenaar aangewezen
gebouw, worden voltrokken, in tegenwoordigheid van twee getuigen, hetzij nabestaanden of
vreemden, meerderjarig zijnde, en binnen Suriname gevestigd.

Artikel 130-98

wordt zich naar het bedoelde gebouw te begeven, zal het huwelijk kunnen worden voltrokken in
een bijzonder huis.
Bij de huwelijksakte zal, in dat geval, worden melding gemaakt van de oorzaak, welke
daartoe heeft aanleiding gegeven.

Artikel 131

De aanstaande echtgenoten zijn verplicht, bij de voltrekking van hun huwelijk, in persoon
voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen.

Artikel 132-99

Het zal aan de President vrij staan om, uit hoofde van gewichtige redenen, aan partijen te
vergunnen het huwelijk door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde te mogen
voltrekken.
Krijgslieden, die zich in militair dienstverband buiten Suriname, Nederland of de
Nederlandse antillen bevinden, kunnen volstaan met een onderhandse bijzondere volmacht met
de macht van substitutie opgemaakt ten overstaan van een officier of, zo er geen officier
aanwezig is, van de persoon, die op de plaats het hoogste militaire gezag uitoefent, en in
tegenwoordigheid van twee krijgslieden als getuigen.
Deze akte zal in ieder geval door de officier-commandant van het detachement, waartoe
de lastgever behoort, dan wel door de korpscommandant voor gezien moeten worden getekend.
De akte zal slechts gedurende één jaar na dagtekening door de lastgever van kracht zijn.
Indien de lastgever, voordat het huwelijk voltrokken is, wettelijk met een andere persoon
mocht zijn in de echt getreden, zal het huwelijk, bij een gevolmachtigde voltrokken, als niet
geschied beschouwd worden.

Artikel 133

De aanstaande echtgenoten zullen ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke
stand, en in tegenwoordigheid der getuigen, moeten verklaren, dat zij elkander aannemen tot
echtgenoten, en dat zij getrouwelijk al de plichten zullen vervullen, welke door de wet aan de
huwelijkse staat verbonden zijn.

VIERDE AFDELING A100

VAN DE VOLTREKKING DES HUWELIJKS TEN OVERSTAAN

VAN EEN HUWELIJKSAMBTENAAR

Artikel 134-101

In deze afdeling wordt verstaan:

a. ambtenaar van de burgerlijke stand: de ambtenaar, bij wie overeenkomstig artikel 103 aangifte
van het voornemen om een huwelijk te sluiten, is gedaan;
b. centraal register: het in artikel 134a lid 1 bedoelde register van huwelijksambtenaren;
c. huwelijksambtenaar: een in het centraal register ingeschreven persoon;
d. formulier: het in artikel 135a lid 1 bedoelde formulier van de huwelijksakte.

Artikel 134a-102

1. Er is te Paramaribo een openbaar centraal register van huwelijksambtenaren, waarvan de
inrichting door de President wordt geregeld, en met het beheer waarvan de Minister van
Binnenlandse Zaken is belast.
2. Het centraal register vermeldt ten aanzien van ieder, die daarin is ingeschreven:
a. de naam en voornamen en de datum en plaats van geboorte;
b. de godsdienstige gemeenschap, waartoe hij behoort.

Artikel 134b-103

1. Op verzoek van een in Suriname gevestigde rechtspersoon, die blijkens haar statuten en
duurzaam feitelijk optreden het karakter van een godsdienstige gemeenschap heeft, wordt in
het centraal register ingeschreven de Surinamer, die aan alle in het volgende lid gestelde
vereisten voldoet.
2. Degene, wiens inschrijving in het centraal register is verzocht, moet:
a. met de gevraagde inschrijving instemmen;
b. de gegevens verstrekken of doen verstrekken, welke krachtens artikel 134a lid 2 ten
aanzien van hem moeten worden vermeld;
c. zijn woonplaats in Suriname hebben, meerderjarig zijn en niet onder curatele zijn gesteld;
d. in het bezit zijn van:
1°. hetzij een getuigschrift , waaruit blijkt, dat hij met vrucht een van landswege
ingestelde of erkende opleiding voor huwelijksambtenaar heeft gevolgd;
2°. hetzij een stuk, waaruit blijkt, dat hij door de Minister van Binnenlandse Zaken van
het volgen van zulk een opleiding is vrijgesteld;
e. binnen een tijdvak van tien jaren, onmiddellijk aan het tijdstip van de inschrijving
voorafgaand, niet wegens een opzettelijk begaan misdrijf zijn veroordeeld, en in dat
tijdvak niet aan een ter zake van zulk een misdrijf opgelegde straf of strafrechtelijke
maatregel onderworpen zijn geweest.

Artikel 134c-104

1. De inschrijving in het centraal register wordt geweigerd:
a. wanneer het verzoek daartoe niet door een rechtspersoon, als in artikel 134b lid 1 bedoeld,
is gedaan;
b. wanneer degene, wiens inschrijving is gevraagd, niet aan alle in artikel 134b lid 2 gestelde
eisen voldoet.
2. Een inschrijving in het centraal register wordt alleen doorgehaald:
a. wanneer blijkt, dat zij in strijd met artikel 134b is geschied, tenzij de grond voor weigering
inmiddels is vervallen;
b. wanneer zich een omstandigheid voordoet, die – zo de inschrijving nog niet was geschied –
grond voor weigering zou hebben opgeleverd;
c. op verzoek van de ingeschrevene of van de rechtspersoon, die de inschrijving heeft
gevraagd;
d. bij overlijden van de ingeschrevene.

Artikel 134d-105

1. Op verzoek van de belanghebbende beveelt het Hof van Justitie de inschrijving in het centraal
register, die in strijd met artikel 134c is geweigerd of nagelaten dan wel doorgehaald.
2. Op vordering van de procureur-generaal of op verzoek van de belanghebbende beveelt het Hof
van Justitie de doorhaling van een in strijd met artikel 134c lid 2 gehandhaafde inschrijving.

Artikel 135-106

1. Wanneer bij de aangifte, als in artikel 103 bedoeld, door of namens de aanstaande echtgenoten
een verklaring is afgelegd, waaruit blijkt, dat zij hun huwelijk bij een godsdienstige
plechtigheid voltrokken wensen te zien, kan de voltrekking, met afwijking van het in de
artikelen 129 tot en met 133 bepaalde, ten overstaan van een huwelijksambtenaar geschieden.
2. Namens de aanstaande echtgenoten kan de verklaring alleen worden afgelegd door een
huwelijksambtenaar, die zij daartoe mondeling of schriftelijk hebben gemachtigd. De aldus
gemachtigde huwelijksambtenaar kan tevens de aangifte doen, ook zonder overlegging van
geschriften, als in artikel 104 bedoeld
3. De verklaring wordt opgenomen in de krachtens artikel 104 opgemaakte akte. Wanneer zij
namens de aanstaande echtgenoten door een huwelijksambtenaar is afgelegd, worden diens
naam en voornamen en de godsdienstige gemeenschap, waartoe hij blijkens zijn inschrijving
in het centraal register behoort, in de akte vermeld.

Artikel 135a-107

1. De ambtenaar van de burgerlijke stand verstrekt, op verzoek van de aanstaande echtgenoten of
van de door hen gemachtigde huwelijksambtenaar, nadat een verklaring overeenkomstig
artikel 135 is afgelegd, een formulier van de huwelijksakte in drievoud aan de
huwelijksambtenaar, ten overstaan van wie het huwelijk zal worden voltrokken, en tekent de
datum van verstrekking daarvan op de kant van de krachtens artikel 104 opgemaakte akte aan.
2. Het te verstrekken formulier wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand tevoren
volledig ingevuld, met uitzondering van de dagtekening en de persoonsgegevens betreffende
degene, die de godsdienstige plechtigheid bij de voltrekking zal leiden en door wie – naast
partijen en degene, ten overstaan van wie het huwelijk zal worden voltrokken – de
huwelijksakte zal worden ondertekend.
3. De ambtenaar van de burgerlijke stand verstrekt het formulier niet:
a. voordat hem de in artikel 124 vermelde stukken – dan wel, voor zover nodig, de daarvoor
krachtens de artikelen 125 en 126 in de plaats komende – ter hand zijn gesteld;
b. voordat hij van de aanstaande echtgenoten, of van de door hen gemachtigde
huwelijksambtenaar, alle gegevens heeft ontvangen, die hij behoeft om het formulier
overeenkomstig het vorige lid te kunnen invullen;
c. zolang nog geen tien dagen zijn verstreken sedert de dag, waarop aangifte overeenkomstig
artikel 103 is gedaan, behoudens vrijstelling overeenkomstig artikel 109;
d. indien, of zo lang, niet ook voor het overige aan de wettelijke vereisten voor de
mogelijkheid tot voltrekking van het voorgenomen huwelijk is voldaan.
4. De President kan echter, om gewichtige redenen, ontheffing van een of meer der in het vorige
lid genoemde vereisten verlenen.

Artikel 135b-108

1. Een huwelijk kan, met toepassing van artikel 135, alleen worden voltrokken:
a. binnen tien dagen na de dag, waarop een overeenkomstig artikel 135a lid 2 ingevuld
formulier is verstrekt;
b. op de plaats en ten overstaan van de huwelijksambtenaar, die door of namens de aanstaande echtgenoten tevoren aan de ambtenaar van de burgerlijke stand

zijn opgegeven en door
deze in het formulier zijn genoemd.
2. Indien de voltrekking tengevolge van bijzondere omstandigheden niet mogelijk is binnen de
termijn, op de plaats of ten overstaan van de huwelijksambtenaar, in het vorige lid voorzien,
kan het huwelijk op een later tijdstip of elders in Suriname of ten overstaan van een andere
huwelijksambtenaar worden voltrokken, mits in overeenstemming met artikel 135c is
gehandeld.

Artikel 135c-109

1. De afwijking van hetgeen in artikel 135b lid 1 is voorgeschreven,wordt vóór de voltrekking
van het huwelijk ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand gebracht, hetzij door de
aanstaande echtgenoten, hetzij door de huwelijksambtenaar, die zij daartoe mondeling of
schriftelijk hebben gemachtigd.
2. Betreft het een overschrijding van de in artikel 135b lid 1 onder a gestelde termijn, dan
vermeldt de ambtenaar van de burgerlijke stand, op de kant van de krachtens artikel 104
opgemaakte akte, de dag waarop hem daarvan kennis is gegeven. Behoudens het in artikel 110
bepaalde, kan het huwelijk dan alsnog, uiterlijk op de tiende dag na de kennisgeving, ten
overstaan van de huwelijksambtenaar worden voltrokken.
3. Betreft het een verandering van de plaats van voltrekking of eenvervanging van de
huwelijksambtenaar, dan worden de drie exemplaren van het reeds verstrekte formulier
overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarin vervolgens de nodige, door
hem te waarmerken, wijzigingen aanbrengt.
4. Wanneer de in het formulier genoemde huwelijksambtenaar is verhinderd de voltrekking van
het huwelijk bij te wonen, en van die verhindering pas blijkt op een zo laat tijdstip, dat de in
de leden 1 en 3 voorgeschreven formaliteiten bezwaarlijk meer kunnen worden vervuld, kan
het huwelijk zonder die formaliteiten, na daartoe verkregen machtiging van de districtscommissarisof een door deze aangewezen bestuursfunctionaris, ten

overstaan van een andere huwelijksambtenaar worden voltrokken.
5. Bevoegd tot machtiging, als in het vorige lid bedoeld, is de commissaris van het district,
waarin het huwelijk wordt voltrokken. Deze brengt de door of namens hem verleende
machtiging onverwijld schriftelijk ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Artikel 135d-110

1. Ten overstaan van een huwelijksambtenaar kan een huwelijk niet bij volmacht worden
voltrokken.
2. Wanneer een huwelijk ten overstaan van een huwelijksambtenaar wordt voltrokken, kan de in
artikel 124 onder 2° bedoelde toestemming niet bij de huwelijksakte worden gegeven.

Artikel 135e-111

1. Erkenning van natuurlijke kinderen kan, ingeval een huwelijk ten overstaan van een
huwelijksambtenaar wordt voltrokken, bij de huwelijksakte alleen geschieden, wanneer het
voornemen daartoe, vóór de verstrekking van het formulier, aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand is medegedeeld door de man, die tot erkenning wil overgaan, of door de
huwelijksambtenaar, die hij mondeling of schriftelijk tot het doen van die mededeling heeft
gemachtigd.
2. Is het voornemen overeenkomstig het vorige lid medegedeeld, dan wordt de erkenning in het
door de ambtenaar van de burgerlijke stand te verstrekken formulier opgenomen.

Artikel 135f-112

1. Een huwelijjk wordt ten overstaan van een huwelijksambtenaar voltrokken in
overeenstemming met de leer, de reglementen of de gebruiken van de godsdienstige
gemeenschap, waartoe hij blijkens zijn inschrijving in het centraal register behoort.
2. Verzuim van vormen, volgens de in het vorige lid bedoelde leer, reglementen of gebruiken
vereist, levert geen grond voor nietigverklaring van het huwelijk op.

Artikel 135g-113

1. Wanneer een huwelijk overeenkomstig artikel 135f is voltrokken, wordt de huwelijksakte
opgemaakt door dagtekening en ondertekening van de drie exemplaren van het door de
ambtenaar van de burgerlijke stand verstrekte formulier, nadat de nog op te nemen nadere
gegevens op de daarvoor bestemde plaats in het stuk zijn vermeld.
2. De akte wordt, na voorlezing, ondertekend door beide partijen, de huwelijksambtenaar en
degene, die de godsdienstige plechtigheid bij de voltrekking heeft geleid. Is deze laatste tevens
de huwelijksambtenaar, dan wordt de akte tweemaal door hem ondertekend.
3. Indien één der partijen niet kan ondertekenen, wordt de oorzaak van het beletsel aan de voet
van de akte vermeld.

Artikel 135h-114

1. De overeenkomstig artikel 135g op te maken huwelijksakte vermeldt, wat zij zou moeten
vermelden, wanneer het huwelijk zonder toepassing van artikel 135 was voltrokken,
behoudens de afwijkingen, die onmiddellijk voortvloeien uit het feit, dat de voltrekking ten
overstaan van een huwelijksambtenaar is geschied.
2. In de op te maken huwelijksakte moet in elk geval:
a. tevens melding worden gemaakt van de plaats van voltrekking en van de naam en
voornamen van de huwelijksambtenaar, alsmede van de godsdienstige gemeenschap,
waartoe hij blijkens zijn inschrijving in het centraal register behoort;
b. in plaats van de uitspraak, in artikel 37 eerste lid onder 7° bedoeld, de verklaring worden
opgenomen, dat het huwelijk in overeenstemming met artikel 135f is voltrokken;
c. in plaats van de gegevens omtrent de getuigen, in artikel 37 eerste lid onder 8° bedoeld,
melding worden gemaakt van de naam, de voornamen, de leeftijd van degene, die de
godsdienstige plechtigheid bij de voltrekking heeft geleid, en door wie – naast partijen en
de huwelijksambtenaar – de akte mede ondertekend.
3. Behoudens het in artikel 135c lid 3 bepaalde, wordt in het formulier, zoals dat door de
ambtenaar van de burgerlijke stand is verstrekt, niets doorgehaald of uitgewist.
4. Wanneer een huwelijk met machtiging, als in artikel 135c lid 4 bedoeld, is voltrokken, ten
overstaan van een andere huwelijksambtenaar dan in het formulier aangegeven, of wanneer
enige andere aanvulling of wijziging van het daarin gestelde nodig is, worden de juiste
gegevens aan de voet van de akte opgenomen; in geval van een machtiging, als hier bedoeld,
wordt tevens vermeld, door wie en wanneer zij is verleend.

Artikel 135i-115

1. De huwelijksambtenaar, ten overstaan van wie het huwelijk is voltrokken, overhandigt twee
exemplaren van de huwelijksakte, behoorlijk ingevuld en ondertekend en in ongeschonden
staat, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen een bepaalde termijn, nadat de voltrekking van het huwelijk heeft plaatsgehad.
2. De in het vorige lid bedoelde termijn bedraagt:
a. drie dagen voor huwelijken, in Paramaribo voltrokken;
b. vijf dagen voor huwelijken, in het district Suriname voltrokken;
c. tien dagen voor huwelijken, elders in Suriname voltrokken.
3. Na de overhandiging van de huwelijksakte wordt deze onverwijld overgeschreven in een
daarvoor bestemd deel van het op de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand
aangelegde register van huwelijken, alsmede van het dubbel, dat van dat register wordt
aangehouden.
4. Een van de beide overhandigde exemplaren van de huwelijksakte wordt aan het register van
huwelijken gehecht; het tweede exemplaar wordt – zo nodig na aanvulling of verbetering
overeenkomstig artikel 135j – aan de echtgenoten toegezonden, met vermelding van het feit
van de overschrijving in het register van huwelijken.
5. Het derde exemplaar van de huwelijksakte wordt door de huwelijksambtenaar bewaard. Door
de President kunnen omtrent de wijze van bewaring en omtrent de overbrenging, na verloop
van tijd, naar een openbaar archief, voorschriften worden gegeven.

Artikel 135j-116

1. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand vaststelt, dat de huwelijksakte niet in
overeenstemming met de artikelen 135g en 135h is opgemaakt, of dat de akte van een
overeenkomstig artikel 135f voltrokken huwelijk geheel ontbreekt, wendt hij zich tot de
kantonrechter van zijn standplaats met een verzoek om aanvulling of verbetering van het
register van huwelijken.
2. De kantonrechter beslist na zowel de echtgenoten als de huwelijksambtenaar in de
gelegenheid te hebben gesteld mogelijke bezwaren tegen de gevraagde aanvulling of
verbetering in te brengen. Desgeraden hoort hij getuigen of deskundigen, die hij op een door
hem te bepalen wijze door de griffier doet oproepen.
3. De huwelijksambtenaar wordt tot vergoeding van kosten, schaden en interessen veroordeeld,
wanneer de aanvulling of verbetering nodig is voor herstel van een aan hem te wijten verzuim.
Tenuitvoerlegging geschiedt op last van het openbaar ministerie.
4. Artikel 715 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 67 van dit
wetboek vinden overeenkomstig toepassing; met dien verstande, dat hoger beroep mede voor
de beide echtgenoten en de huwelijksambtenaar openstaat.

Artikel 135k-117

Artikel 127 vindt overeenkomstige toepassing in gevallen, waarin de ambtenaar van de
burgerlijke stand weigert of nalaat:
a. hetzij om het verlangde gevolg te geven aan een verklaring overeenkomstig artikel 135
afgelegd, aan een verzoek als in artikel 135a lid 1 bedoeld, aan een kennisgeving
overeenkomstig artikel 135c gedaan, of aan een mededeling ingevolge artikel 135e gedaan;
b. hetzij om, na ontvangst van de huwelijksakte, te handelen, zoals in de artikelen 135i en 135j
is voorgeschreven.

Artikel 135l-118

1. Voor verrichtingen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling kan de
huwelijksambtenaar van partijen een vergoeding, volgens een door de President vast te
stellen tarief, vorderen.
2. Van landswege kan aan de huwelijksambtenaar een door de President vast te stellen
jaarlijkse vergoeding worden toegekend; deze vergoeding behoeft niet aan de
huwelijksambtenaar te worden uitgekeerd over een jaar, waarin geen huwelijk ten overstaan
van hem is voltrokken.
VIJFDE AFDELING
VAN DE HUWELIJKEN, WELKE BUITENSLANDS ZIJN VOLTROKKEN

Artikel 136-119

De huwelijken, in een vreemd land aangegaan, hetzij tussen ingezetenen van Suriname,
hetzij tussen dezen en anderen, zijn van waarde, indien dezelve voltrokken zijn naar de vorm, in
dat land gebruikelijk, mits de huwelijksafkondiging, volgens de tweede afdeling van deze titel,
binnen Suriname, zonder stuiting van het huwelijk, heeft plaats gehad, en de genoemde ingezetenen
niet hebben gehandeld tegen de bepalingen, in de eerste afdeling van dezelfde titel vervat.

Artikel 137

Binnen het jaar na de terugkomst der echtgenoten in Suriname, zal de akte van
huwelijksvoltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het openbaar huwelijksregister van hun
woonplaats moeten worden overgeschreven.
ZESDE AFDELING
VAN DE NIETIGHEID VAN EEN HUWELIJK

Artikel 138

De nietigheid van een huwelijk kan alleen door de rechter worden uitgesproken.

Artikel 139

De nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met artikel 80 aangegaan, kan worden
gevorderd door degene, die met een der echtgenoten door vroeger huwelijk is verbonden, door de
echtgenoten zelve, door de bloedverwanten in de opgaande linie, door al degenen die bij de
verklaring van de nietigheid belang hebben, en door het openbaar ministerie.
Indien de nietigheid van het vroeger huwelijk wordt staandegehouden, zal de
bestaanbaarheid of onbestaanbaarheid van dat huwelijk vooraf moeten beslist worden.

Artikel 140

De wettigheid een huwelijk, zonder de vrije toestemming der beide echtgenoten, of ook
van een van hen aangegaan, kan alleen worden tegengesproken door de echtgenoten, of door
degene van hen, wiens toestemming niet is vrij geweest.
Wanneer er dwaling heeft plaats gehad in de persoon met wie men gehuwd is, kan de
wettigheid alleen worden betwist door degene der echtgenoten die in dwaling gebracht is.
In al de gevallen, bij dit artikel voorkomende, is men in de eis tot nietigverklaring niet
ontvankelijk, wanneer er een aanhoudende samenwoning gedurende de tijd van drie maanden
heeft plaats gehad, sedert dat de echtgenoot zijn volkomen vrijheid bekomen heeft, of de dwaling
door hem ontdekt is.

Artikel 141

Wanneer een huwelijk is aangegaan door iemand, die, uit hoofde van gebrek van
verstandelijke vermogens, is onder curatele gesteld, kan de wettigheid van het huwelijk worden
betwist door deszelfs vader, moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, broeders,
zusters, ooms en moeijen, mitsgaders door de curator, en eindelijk door het openbaar ministerie.
Na de opheffing van de curatele, kan de nietigheid alleen worden ingeroepen door de
echtgenoot, die onder curatele was gesteld, en is ook deze daartoe niet ontvankelijk, na een
samenwoning van zes maanden, te rekenen van de intrekking van de curatele.

Artikel 142

Indien een huwelijk is aangegaan door een persoon, welke de bij artikel 82 vereiste
ouderdom niet bereikt had, zal de nietigverklaring kunnen worden gevraagd, hetzij door die
echtgenoot, hetzij door het openbaar ministerie.
De wettigheid van het huwelijk zal nochtans niet kunnen worden betwist:
1°. Wanneer, op de dag van de rechtsvordering tot nietigverklaring, de echtgenoot of
echtgenoten de vereiste ouderdom hebben bereikt;
2°. Wanneer de vrouw, de vereiste ouderdom niet hebbende bereikt, vóór de dag van de
rechtsvordering zwanger is.

Artikel 143-120

De nietigheid van alle huwelijken, aangegaan met overtreding der bepalingen in de
artikelen 83, 83a, 84 en 86 vervat, kan worden ingeroepen, hetzij door de echtgenoten zelve,
hetzij door hun ouders of bloedverwanten in de opgaande linie, hetzij door allen die daarbij
belang hebben, hetzij eindelijk door het openbaar ministerie.

Artikel 144-121

Wanneer een huwelijk is aangegaan in strijd met de bepalingen omtrent het vereiste van
toestemming van ouders, voogd of de toeziende voogd, kan nietigverklaring worden gevorderd
door hem, wiens toestemming niet is verkregen..
De rechtsvordering tot nietigverklaring kan door de bloedverwanten, wier toestemming
vereist werd, niet worden aangevangen, wanneer het huwelijk door hen uitdrukkelijk of
stilzwijgend is goedgekeurd, of wanneer zes maanden zonder tegenspraak van hun zijde verlopen
zijn, sedert het tijdstip waarop zij van het huwelijk hebben kennis gedragen.
Ten aanzien van huwelijken, in een vreemd land aangegaan, wordt die kennis niet
voorondersteld, zolang de echtgenoten zullen zijn in gebreke gebleven om de akte van huwelijksvoltrekking,
overeenkomstig de voorschriften van artikel 137, in de openbare registers te doen
overschrijven.

Artikel 145-122

De nietigheid van een huwelijk, hetwelk niet door de bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand of ten overstaan van een bevoegde huwelijksambtenaar, en in tegenwoordigheid
van het vereiste getal getuigen, is voltrokken, kan worden ingeroepen door de echtgenoten, door
de vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, mitsgaders door de voogd,
de toeziende voogd en door allen die daarbij belang hebben, en eindelijk door het openbaar
ministerie.
Ingeval van overtreding van artikel 129, voor zoveel de hoedanigheid der getuigen betreft,
is het huwelijk niet noodwendig nietig, maar zal de rechter naar de omstandigheden beslissen.
Verzuim van vormen of overschrijding van een wettelijke termijn, bij de voltrekking van
een huwelijk ten overstaan van een bevoegde huwelijksambtenaar, levert geen grond voor
nietigverklaring op.
Wanneer er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat aanwezig is, en er een akte van
huwelijksvoltrekking, door een ambtenaar van de burgerlijke stand of ten overstaan van een
huwelijksambtenaar verleden, vertoond wordt, zijn de echtgenoten niet ontvankelijk om, ten
gevolge van dit artikel, de nietigheid van het huwelijk te vragen.

Artikel 146

In al de gevallen waarin, overeenkomstig de artikelen 139, 143 en 145, een
rechtsvordering tot nietigverklaring kan worden aangevangen, door degenen die daarbij belang
hebben, kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijlinie, door kinderen uit een
ander huwelijk geboren, of door vreemden, zolang de echtgenoten beide in leven zijn; doch
alleenlijk wanneer zij daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben.

Artikel 147

Na de ontbinding van het huwelijk, is het openbaar ministerie niet ontvankelijk de
nietigheid daarvan te vragen.

Artikel 148

Een huwelijk, hetwelk nietig verklaard is, heeft niettemin al deszelfs burgerlijke gevolgen,
zowel ten opzichte der echtgenoten, als van de kinderen, wanneer hetzelve te goeder trouw door
beide de echtgenoten is aangegaan.

Artikel 149-123

Wanneer de goede trouw alleenlijk bestaat aan de zijde van een der echtgenoten, heeft het
huwelijk geen burgerlijke gevolgen, dan alleen ten voordele van die echtgenoot, en van hun
wettige kinderen.
De echtgenoot, die in de kwade trouw heeft verkeerd, kan tot vergoeding van kosten,
schade en interessen jegens de andere verwezen worden.

Artikel 150

In de gevallen van de twee voorgaande artikelen, houdt het huwelijk op burgerlijke
gevolgen te hebben, te rekenen van de dag waarop hetzelve bij vonnis is nietig verklaard.

Artikel 151

De nietigheid van een huwelijk kan aan de rechten van derden geen nadeel toebrengen,
wanneer deze te goeder trouw met de echtgenoten hebben gehandeld.

Artikel 152-124

1. Geen huwelijk is nietig ingeval van overtreding van een der artikelen 87, 105 en 128.
2. Evenmin is een huwelijk nietig in gevallen, waarin de voltrekking is geschied:
a. hetzij binnen de termijn van drie maanden, in artikel 93 lid 4 voorzien;
b. hetzij op een andere dan een wettelijk voorgeschreven plaats.

Artikel 152-a125

De nietigverklaring van een huwelijk wordt op vordering van het openbaar ministerie
door de ambtenaar van de burgerlijke stand ingeschreven in de lopende huwelijks-registers van
de plaats waar het huwelijk is voltrokken, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid van
artikel 40. Van die inschrijving wordt melding gemaakt op de kant van de huwelijksakte.
Is het huwelijk buiten Suriname voltrokken, dan geschiedt de inschrijving te Paramaribo.

ZEVENDE AFDELING

VAN HET BEWIJS VAN HET BESTAAN VAN HET HUWELIJK

Artikel 153

Het bestaan van een huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de akte van
deszelfs voltrekking, in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven, behoudens de
gevallen bij de volgende artikelen voorzien.

Artikel 154

Wanneer het blijkt dat er geen registers hebben bestaan, of dat dezelve zijn verloren
geraakt, of ook dat de huwelijks-akte daarvan ontbreekt, wordt de genoegzaamheid der bewijzen
van het bestaan van het huwelijk ter beoordeeling van de rechter overgelaten, mits er een uiterlijk
bezit van de huwelijkse staat aanwezig is.

Artikel 155

De wettigheid van een kind kan, uithoofde van het gebrek van het vertonen van de
trouwakte van zijn overleden ouders, niet worden betwist, indien hetzelve het uiterlijk bezit heeft
van zijn staat, overeenkomstig met zijn geboorteakte, en de ouders openlijk als man en vrouw
hebben geleefd.

VIJFDE TITEL126

RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN ECHTGENOTEN

Artikel 156

Echtgenoten zijn elkaar getrouwdheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht
elkaar het nodige te verschaffen.

Artikel 157

Echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht hun kinderen te verzorgen en op te voeden.

Artikel 158

1. Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht, tenzij gewichtige redenen zich
daartegen verzetten.
2. De plaats van de samenwoning wordt in onderling overleg vastgesteld.
3. Staat een van de echtgenoten onder curatele of kan of wil hij zich omtrent de plaats van de
samenwoning niet verklaren, dan bepaalt de andere echtgenoot de plaats van de
samenwoning.
4. Geschillen tussen de echtgenoten omtrent een en ander worden door de kantonrechter op
verzoek van beiden of van een van hen beslist.

Artikel 159

1. De kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van de verzorging en
opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen der echtgenoten en,
voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan;
voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene
vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar
evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich
er tegen verzetten.
2. De echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in
het eerste lid bedoelde uitgaven bij te dragen, voorzover bijzondere omstandigheden zich
daarentegen niet verzetten.
3. Bij huwelijkse voorwaarden kan een van de vorige leden afwijkende regeling worden
getroffen.
4. Geschillen tussen de echtgenoten omtrent de toepassing van de vorige leden worden door de
kantonrechter op verzoek van beiden of van een van hen beslist.
5. Op verzoek van beide of van een der echtgenoten kan de kantonrechter een gegeven
beschikking of een bij huwelijkse voorwaarden getroffen regeling wijzigen op grond van
veranderde omstandigheden.
6. Wanneer de echtgenoten niet samenwonen en dit te wijten is aan onredelijk gedrag van een
der echtgenoten, treedt voor de in het tweede lid omschreven verplichtingen in de plaats de
verplichting van die echtgenoot om aan de andere echtgenoot een bedrag voor diens
levensonderhoud uit te keren, onverminderd beider verplichting om bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Bij het vaststellen van de uitkering
wordt het bestaan van een regeling als in het derde lid bedoeld mede in aanmerking
genomen.

Artikel 160

1. De ene echtgenoot is naast de andere voor het geheel aansprakelijk voor de door deze ten
behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip
van die welke voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding
aangegane arbeidsovereenkomsten.
2. In onderling overleg bepalen de echtgenoten, die tezamen wonen, wie van hen met de
huishouding zal zijn belast. De niet met de huishouding belaste echtgenoot is verplicht om de
andere echtgenoot voldoende gelden ter beschikking te stellen ten behoeve van de gewone
gang van de huishouding. Wonen de echtgenoten in onderling overleg of wegens gewichtige
redenen niet samen, dan moet de ene echtgenoot aan de andere, voldoende gelden ter
beschikking stellen ten behoeve van de gewone gang van diens huishouding.
3. De ene echtgenoot mag daarbij rekening houden met het bedrag dat de andere echtgenoot
voor dit doel dient te bestemmen.
4. Geschillen tussen de echtgenoten omtrent een en ander worden door de kantonrechter op
verzoek van beiden of van een van hen beslist. Op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen
kan bij veranderde omstandigheden een gegeven beschikking worden gewijzigd.

Artikel 161

1. De kantonrechter kan, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van een
echtgenoot bepalen dat deze niet aansprakelijk zal zijn voor de in het eerste lid van het vorig
artikel bedoelde verbintenissen, die in het vervolg door de andere echtgenoot worden
aangegaan.
Wordt een zodanig verzoek van die echtgenoot toegewezen dan kan de kantonrechter tevens
bepalen dat die echtgenoot niet meer verplicht is aan de andere echtgenoot overeenkomstig
het tweede lid van het vorig artikel gelden ter beschikking te stellen.
2. Een overeenkomstig het vorig lid gegeven rechterlijke beschikking kan bij veranderde
omstandigheden op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen, worden gewijzigd of
opgeheven.
3. De beschikking kan aan derden die van haar bestaan onkundig waren, slechts worden
tegengeworpen, indien zij ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen
in artikel 192 van dit boek en na de inschrijving veertien dagen waren verlopen.
4. In de beschikking kan worden bepaald dat zij bovendien moet worden bekend gemaakt in
het Gouvernements-Advertentieblad en in een of meer door de kantonrechter aangewezen
dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten nadele van derden die daarvan onkundig
waren, ook niet voor deze bekendmaking.

Artikel 162

1. Indien echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding hebben kan de ene echtgenoot
slechts met medewerking van de andere echtgenoot zaken die kennelijk ten behoeve van de
huishouding strekken op afbetaling kopen; beide echtgenoten zijn voor het geheel
aansprakelijk.
Betreft het een overeenkomst die schriftelijk moet worden aangegaan, en werkt een
echtgenoot niet zelf tot de akte mede, dan is diens schriftelijke volmacht vereist.
2. Indien een echtgenoot afwezig is, in de mogelijkheid verkeert zijn wil te verklaren of zijn
medewerking weigert, kan de kantonrechter de andere echtgenoot op diens verzoek tot het
aangaan van een koop op afbetaling machtigen.

Artikel 163

1. Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende
rechtshandelingen:
a. overeenkomsten tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en handelingen tot
beëindiging van het gebruik van een door de echtgenoten tezamen of door de andere
echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de
inboedel daarvan behoren. Onder inboedel wordt hier verstaan het gehele huisraad en de
tot stoffering en meubilering van de woning dienende roerende zaken, met uitzondering
van boeken en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige
aard;
b. giften, met uitzondering van de gebruikelijke, niet-bovenmatige;
c. overeenkomsten waarbij een der echtgenoten anders dan in de uitoefening van een beroep
of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk
maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.
2. Is de andere echtgenoot afwezig of in de onmogelijkheid zijn wil te verklaren of weigert hij
zijn toestemming, dan kan de beslissing van de kantonrechter worden ingeroepen.

Artikel 164

1. Heeft een echtgenoot een rechtshandeling in strijd met het vorige artikel verricht dan kan de
andere echtgenoot haar door een tot de wederpartij bij die behandeling gerichte verklaring
vernietigen en de uit die nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.
2. De bevoegdheid van de andere echtgenoot tot vernietiging van de handeling vervalt na
verloop van een hem door een onmiddellijk belanghebbende daartoe gestelde redelijke termijn,
en in ieder geval een jaar nadat de handeling te zijner kennis is gekomen.

Artikel 165

1. Wanneer een der echtgenoten door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid
verkeert zijn goederen te besturen, of in ernstige mate tekort schiet in het bestuur van de
goederen van de gemeenschap, kan de kantonrechter op verzoek van de andere echtgenoot
aan deze het bestuur over die goederen of een deel daarvan met uitsluiting van
eerstgenoemde echtgenoot opdragen.
De rechter beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproep van beide echtgenoten en, zo
eerstgenoemde een vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook van deze. De rechter kan bij de
opdracht nadere regelen stellen omtrent het bestuur.
2. Artikel 161, leden 2-4 van dit boek is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 166

Wanneer de ene echtgenoot het bestuur van zijn goederen aan de andere overlaat, of
wanneer de rechter het bestuur van die goederen aan de andere echtgenoot heeft opgedragen, is
laatstgenoemde als een lasthebber voor het door hem gevoerde bestuur aansprakelijk, met
inachtneming van de bijzondere verhoudingen tussen de echtgenoten en de aard van de goederen.

Artikel 167

Deze titel is niet van toepassing op van tafel en bed gescheiden echtgenoten.

ZESDE TITEL127

DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN

AFDELING I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 168

Vanaf het ogenblik van voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van
rechtswege algehele gemeenschap van goederen, voor zover daarvan bij huwelijkse voorwaarden
niet is afgeweken.

Artikel 169

1. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen
der echtgenoten, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste
wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.
2. Zij omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering
van schulden, die betrekking hebben op goederen ten aanzien waarvan door de erflater of
schenker het beding van het vorige lid is gemaakt.
3. Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht
zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet
verzet.

Artikel 170
1. Voor een schuld van een echtgenoot, die in de gemeenschap is gevallen, kunnen zowel de
goederen van de gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen.
2. De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld van de gemeenschap is voldaan, heeft
deswege recht op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap.

Artikel 171

1. Ook voor een schuld van een echtgenoot, die niet in de gemeenschap is gevallen, kunnen de
goederen van de gemeenschap worden uitgewonnen, tenzij de andere echtgenoot eigen
goederen van eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden. Goederen waarover
een rechtsgeschil bestaat of die buiten Suriname zijn gelegen, komen niet voor aanwijzing in
aanmerking.
2. De echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen van de
gemeenschap is voldaan, is deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap.

AFDELING 2

HET BESTUUR VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 172

1. Een goed van de gemeenschap staat onder het bestuur van ieder der echtgenoten, voorzover
niet de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen of de rechter
met toepassing van artikel 165 anders heeft bepaald. Het bestuur houdt de bevoegdheid in
om met betrekking tot dat goed daden van beheer en beschikking te verrichten.
2. Nochthans behoeft de ene echtgenoot de medewerking van de andere echtgenoot voor de
navolgende handelingen:
a. vervreemding of bezwaring van zaken die tot het beroep of bedrijf van de andere
echtgenoot behoren;
b. vervreemding of bezwaring van vorderingen en aandelen, die niet aan toonder luiden en
van rechten op voortbrengselen van de geest, een en ander voor zover die goederen van
de zijde van de andere echtgenoot in de gemeenschap zijn gevallen of diens naam zijn
gesteld;
c. verwerping van een aan de andere echtgenoot opgekomen nalatenschap of legaat of
afstand van een van zijn zijde opgekomen aandeel in een huwelijksgemeenschap;
d. aantasting van makingen of schenkingen, wanneer zij aan het wettelijk erfdeel van de
andere echtgenoot te kort doen;
e. verdeling van een boedel waarvan een aandeel aan de andere echtgenoot is opgekomen;
f. gelden door de andere echtgenoot bij een bank of giro-instelling geplaatst.
3. Voor vervreemding en bezwaring van andere registergoederen dan bedoeld in het tweede lid
onder a van dit artikel, is steeds de medewerking van beide echtgenoten vereist, tenzij de ene
echtgenoot daarvan zijn beroep of bedrijf maakt en de handeling geschiedt in de normale
Onder registergoederen wordt verstaan goederen voor welker overdracht of vestiging een
overschrijving of inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is.
4. Is de andere echtgenoot afwezig of in de onmogelijkheid zijn wil te verklaren of weigert
hij zijn medewerking, dan kan de kantonrechter de ene echtgenoot op diens verzoek, na
verhoor of behoorlijke oproep van de andere echtgenoot tot zodanige handeling
machtigen.

Artikel 173

1. Heeft een echtgenoot een rechtshandeling in strijd met het vorige artikel verricht, dan kan de
andere echtgenoot haar door een tot de wederpartij bij die handeling gerichte verklaring
vernietigen en de uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen, tenzij de
wederpartij te goeder trouw was en de rechtshandeling niet een gift was.
Rechten door derden te goeder trouw anders dan om niet verkregen, worden nochthans
geëerbiedigd.
2. De bevoegdheid van de andere echtgenoot tot vernietiging van de handeling vervalt na
verloop van een hem door een onmiddellijk belanghebbende daartoe gestelde redelijke
termijn, en in ieder geval een jaar nadat de handeling te zijner kennis is gekomen.

Artikel 174

De ene echtgenoot is gehouden de andere echtgenoot in te lichten omtrent het door hem
gevoerde bestuur over de goederen van de gemeenschap en omtrent de daartoe behorende stand
van goederen en schulden.

AFDELING 3

ONTBINDING VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 175

De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden:
a. door het eindigen van het huwelijk;
b. door scheiding van tafel en bed;
c. door een vonnis dat de gemeenschap opheft;
d. door opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden.

Artikel 176

1. Na de ontbinding van de gemeenschap wordt de gemene boedel bij helfte tussen de man
en de vrouw of hun erfgenamen verdeeld.
2. De regelen die zijn vastgesteld in de zestiende titel van het tweede boek, handelende van
boedelscheiding, zijn op de verdeling toepasselijk.

Artikel 177

Na de ontbinding van de gemeenschap heeft ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te
zijnen gebruike strekkende kleren en kleinodiën alsmede zijn beroeps- en bedrijfsmiddelen en de
papieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs over te nemen.

Artikel 178

1. Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk
voor de gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was.
Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft aansprakelijk.
2. De echtgenoot die een schuld van de gemeenschap voor meer dan de helft voldoet, heeft
voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot.

Artikel 179

1. Ieder der echtgenoten heeft het recht van de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede
strijdige overeenkomsten zijn nietig.
2. Het deel van de gemeenschap waarvan afstand wordt gedaan, wast aan bij het deel van de
andere echtgenoot.
3. De echtgenoot die de afstand heeft gedaan, kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan
alleen zijn bed met bijbehorend beddegoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk
gebruik nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende,
tegen de geschatte prijs overnemen.
4. Door deze afstand wordt hij ontheven van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor
schulden van de gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding van de gemeenschap niet
aansprakelijk was.
5. Hij blijft aansprakelijk voor de schulden van de gemeenschap waarvoor hij vóór de
ontbinding van de gemeenschap aansprakelijk was.
Indien hij een schuld, waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding van de gemeenschap
voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij voor
het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot.
6. Indien de andere echtgenoot een schuld van de gemeenschap, waarvoor hij vóór de
ontbinding van de gemeenschap niet aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan,
heeft hij deswege verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan.
Heeft hij een schuld, waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding van de gemeenschap
voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan heeft hij voor het
meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan.

Artikel 180

1. De echtgenoot die van het bij het vorige artikel omschreven voorrecht wil gebruik maken, is
verplicht binnen drie maanden na de ontbinding van de gemeenschap een akte van afstand te
doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 192 van dit boek,
op verbeurte van dit voorrecht.
2. Indien de gemeenschap door de dood van de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de
termijn van drie maanden te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil
gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de gemeenschap door
opheffing of door scheiding van tafel en bed is ontbonden, eindigt de termijn drie maanden
nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 181

De erfgenamen van een echtgenoot, door wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden,
of die binnen de in het vorige artikel gestelde termijn is overleden zonder afstand te hebben
gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in het vorige artikel omschreven wijze afstand
te doen binnen drie maanden nadat zij met het overlijden bekend zijn geworden.

Artikel 182

De kantonrechter van de plaats waar de akte van afstand moet worden ingeschreven, kan
de voor de inschrijving gestelde termijn voor de afloop daarvan een of meer malen op grond van
bijzondere omstandigheden verlengen.
Artikel 183
1. De echtgenoot of zijn erfgenaam, die zich de goederen van de gemeenschap heeft
aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer
doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet
teweeg.
2. Hij die na gedane afstand goederen van de gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de
bevoegdheid artikel 179, lid 4 van dit boek in te roepen.

Artikel 184

1. Afstand van de gemeenschap, door een echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot
gedaan nadat door de andere echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd
gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel 179, leden 2 en 3 van dit boek en
verplicht hen die tot de gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen.
De wetsbepalingen betreffende de vereffening van een onder voorrecht van
boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing.
2. Indien hij die tot vereffening van de gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de
rekening en verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze verplichting te
voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 179, lid 4 van dit boek in te roepen.
3. De termijn van drie maanden, genoemd in artikel 1063 van het tweede boek begint met de
aanvang van de dag waarop hij aan artikel 180, lid 1 van dit boek heeft voldaan. De
kantonrechter kan de termijn op zijn verzoek op grond van bijzondere omstandigheden
verlengen; deze verlenging kan ook na verloop van de termijn nog worden verzocht.

AFDELING 4

OPHEFFING VAN DE GEMEENSCHAP BIJ VONNIS

Artikel 185

Een echtgenoot kan opheffing van de gemeenschap vorderen wanneer de andere
echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen van de gemeenschap verspilt, of
zonder redelijke grond weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen
van de gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde
bestuur.

Artikel 186

1. De eis tot opheffing van de gemeenschap moet openlijk worden bekend gemaakt en in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 192 van dit boek worden ingeschreven.
2. De echtgenoot die de opheffing van de gemeenschap vraagt, kan tot behoud van zijn recht
maatregelen nemen, die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader zijn
aangegeven.

Artikel 187

1. Het vonnis, waarbij de eis tot opheffing van de gemeenschap is toegewezen, werkt terug tot
de dag waarop aan het eerste lid van het vorige artikel is voldaan, vanaf welke dag de
echtgenoten worden geacht te zijn gehuwd met uitsluiting van gemeenschap van goederen
onder al zodanige bedingen als het vonnis zal hebben vastgesteld.
2. Indien de echtgenoot tegen wie de eis is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld
doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, goederen van de gemeenschap heeft verspild of een rechtshandeling
als bedoeld in de artikelen 163 en 172 van dit boek zonder de vereiste toestemming of
medewerking heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te
vergoeden.
3. Een op het vorige lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren
nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 188

De opheffing van de gemeenschap moet, om tegen derden die daarvan onkundig waren te
werken, openlijk worden bekendgemaakt en nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan,
worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 192 van dit boek.

Artikel 189

Is de gemeenschap door opheffing ontbonden, dan kunnen de echtgenoten daarna, echter
alleen bij huwelijkse voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen.

ZEVENDE TITEL128

HUWELIJKSE VOORWAARDEN

AFDELING 1

HUWELIJKSE VOORWAARDEN IN HET ALGEMEEN

Artikel 190

Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van
het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.

Artikel 191

1. Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden
aangegaan.
2. Een volmacht tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend
en moet de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.
Artikel 192
1. Bepalingen in huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren
slechts worden tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar
huwelijksgoederenregister, gehouden ter Griffie van het kantongerecht binnen welker
rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of indien het huwelijk buiten Suriname is
aangegaan, ter Griffie van het kantongerecht in het Eerste Kanton.
2. De wijze van inrichting en raadplegen van het register wordt nader bij staatsbesluit geregeld.

Artikel 193

1. Huwelijkse voorwaarden vóór het huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien
zij, van wie toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun toestemming tot de
huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben gegeven.
2. Is de toestemming van de kantonrechter nodig, dan kan worden volstaan met vasthechting
van zijn beschikking aan de minuut van de akte. Op het verzoek tot toestemming van de
kantonrechter zijn de artikelen 91 en 94 van dit boek van overeenkomstige toepassing.
3. Voor het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip van
de voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen.

Artikel 194

1. Na de huwelijksvoltrekking kunnen huwelijkse voorwaarden slechts gemaakt of gewijzigd
worden, wanneer het huwelijk ten minste een jaar heeft bestaan.
2. Een echtgenoot die onder curatele staat, kan hiertoe slechts met toestemming van zijn curator
en zijn toeziende curator overgaan.
Artikel 195
1. Het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk behoeft de
goedkeuring van de kantonrechter. Bij het verzoekschrift van de echtgenoten wordt een
ontwerp van de notariële akte overgelegd.
2. De kantonrechter kan, alvorens op het verzoek te beslissen, bevelen dat het in twee door hem
dagbladen wordt bekend gemaakt. In de bekendmaking moeten de door de
kantonrechter aangewezen dag en uur worden opgenomen, waarop schuldeisers zullen
worden gehoord en moet worden vermeld dat het ontwerp van de akte op de Griffie ter
inzage ligt.
3. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een redelijke grond voor het maken of wijzigen van
de huwelijkse voorwaarden ontbreekt, of indien er gevaar voor benadeling van schuldeisers
bestaat.
4. Hoger beroep van de eindbeschikking moet worden ingesteld binnen twee maanden na haar
dagtekening.
5. Indien de akte niet is verleden binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking
waarbij de goedkeuring is verleend, vervalt deze.

Artikel 196

1. Tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken
op de dag, volgende op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip is
aangewezen.
2. Bepalingen in deze huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren,
slechts worden tegengeworpen, indien zij tenminste veertien dagen in het
huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.
3. De rechter kan bij de goedkeuring, bedoeld in het vorige artikel, bepalen dat de inschrijving
moet worden bekend gemaakt in één of meer door hem aangewezen dagbladen en in het
Advertentieblad van de Republiek Suriname.
In dat geval werken de ingeschreven bepalingen ten nadele van derden die daarvan onkundig
waren, ook niet voor deze bekendmaking.

Artikel 197

1. Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden afwijken van de regels van de wettelijke
gemeenschap, mits die voorwaarden niet met dwingende wettelijke bepalingen, de goede
zeden of de openbare orde strijden.
2. Zij kunnen niet bepalen dat een hunner tot een groter aandeel in de schulden zal zijn
gehouden, dan zijn aandeel in de goederen van de gemeenschap beloopt.
3. Zij kunnen niet afwijken van de rechten die uit de ouderlijke macht voortspruiten, noch van
de rechten die de wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.
4. Zij kunnen niet in algemene bewoordingen bepalen dat de verhouding der echtgenoten zal
worden geregeld door een buitenlandse of een afgeschafte wet.

Artikel 198

De bepalingen van de vorige titel zijn van toepassing, voor zover niet uitdrukkelijk of
door de aard der bedingen, bij de huwelijkse voorwaarden gemaakt, is afgeweken.

Artikel 199

Een echtgenoot kan tegen derden zijn aanbreng van bij huwelijkse voorwaarden buiten de
gemeenschap gehouden goederen, voor wat betreft rechten aan toonder en roerende zaken, slechts
bewijzen door hun vermelding in de akte van huwelijkse voorwaarden of in een door de partijen
en de notaris ondertekende aan de minuut van die akte vastgehechte beschrijving.
Indien de vermelding van een goed geen afdoende omschrijving daarvan biedt, kan
aanvullend bewijs door alle middelen worden geleverd; ten aanzien van goederen die een
echtgenoot buiten diens weten opgekomen waren, kan het bewijs door alle middelen worden geleverd.
Artikel 200

Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder
of andere roerende zaak toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dat goed bewijzen, dan
wordt dat goed als gemeenschapsgoed aangemerkt, wanneer tussen hen een gemeenschap bestaat,
die dit goed kan omvatten; bestaat er geen zodanige gemeenschap, dan wordt het goed geacht aan
ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.
Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten.

AFDELING 2

GIFTEN BIJ HUWELIJKSE VOORWAARDEN

Artikel 201

1. Echtgenoten of aanstaande echtgenoten mogen bij huwelijkse voorwaarden aan elkaar, of
een van beiden aan de andere, giften doen.
2. Deze giften kunnen tot onderwerp hebben tegenwoordige en bij de akte nauwkeurig
omschreven goederen, of de gehele of gedeeltelijke nalatenschap; onder een gift van de
gedeeltelijke nalatenschap is begrepen de gift van een of meer bepaalde goederen uit de
nalatenschap.
3. Deze giften kunnen slechts worden herroepen, wanneer de begiftigde in gebreke is hem bij
de gift opgelegde verplichtingen na te komen.
4. Deze giften zijn van waarde zonder uitdrukkelijke aanneming door degene, aan wie zij
gemaakt zijn.
5. Zij kunnen plaatshebben onder voorwaarden waarvan de uitvoering van de wil van de
schenker afhangt.
6. De giften van de tegenwoordige en nauwkeurig omschreven goederen zijn niet onderworpen
aan de voorwaarde van overleving van de begiftigde, tenzij de voorwaarde uitdrukkelijk
mocht zijn gemaakt.

Artikel 202

1. Giften van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap zijn slechts in dezelfde gevallen als
andere giften in huwelijkse voorwaarden herroepelijk.
2. De echtgenoot, die zijn gehele of gedeeltelijke nalatenschap heeft weggeschonken, kan over
de goederen, in die gift begrepen, niet om niet beschikken, behalve over geringe sommen tot
beloning of om andere redenen, door de rechter te beoordelen.
3. Een gift van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap strekt niet ten voordele van de kinderen
of andere rechtverkrijgenden van de begiftigde echtgenoot, wanneer deze vóór de schenker
mocht overlijden.

Artikel 203

Bij huwelijkse voorwaarden kunnen ook andere personen dan de echtgenoten of de
aanstaande echtgenoten aan dezen of aan een van hen giften doen, echter alleen van
tegenwoordige en bij de akte nauwkeurig omschreven goederen.
Op deze giften zijn de bepalingen van artikel 201 van dit boek van toepassing.
Artikelen 204 - 232129
Vervallen.

ACHTSTE TITEL

Artikelen 233 - 238130

Vervallen.

NEGENDE TITEL

Artikelen 239 - 251131

Vervallen.

TIENDE TITEL

VAN DE ONTBINDING VAN HET HUWELIJK

EERSTE AFDELING

VAN DE ONTBINDING VAN HET HUWELIJK IN HET ALGEMEEN

Artikel 252-132

Het huwelijk wordt ontbonden:

1°. Door de dood;
2°. Door afwezigheid van een der echtgenoten gedurende tien jaren, en een daarop
gevolgd nieuw huwelijk van de andere echtgenoot, overeenkomstig de bepalingen van de
vijfde afdeling van de achttiende titel;
3°. Door rechterlijk vonnis na scheiding van tafel en bed en inschrijving van de
daarbij uitgesproken ontbinding van het huwelijk in de registers van de burgerlijke stand,
overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van deze titel;
4°. Door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeling van deze titel.

TWEEDE AFDELING

VAN DE ONTBINDING VAN HET HUWELIJK,

NA DE SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

Artikel 253133

Wanneer echtgenoten van tafel en bed zijn gescheiden, hetzij uithoofde van artikel 286,
hetzij op beider verzoek, en de scheiding gedurende twee volle jaren, zonder verzoening der
partijen, heeft standgehouden, zal het aan ieder hunner vrijstaan om de andere in rechte op te
roepen, en te eisen dat het huwelijk wordt ontbonden.
De termijn van twee jaren kan worden bekort tot ten minste één jaar:
a. indien de andere echtgenoot zich gedurig in zodanige mate aan wangedrag schuldig maakt, dat
van de echtgenoot, die de eis heeft ingesteld, in redelijkheid niet kan worden geverfd het
huwelijk te doen voortbestaan;
b. indien de echtgenoten te zamen verzoeken, dat het huwelijk wordt ontbonden, in welk geval
de rechter dit verzoek zal toewijzen.

Artikel 254-134

1. Indien als gevolg van de in artikel 253 bedoelde eis een bestaand vooruitzicht op uitkeringen
aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot, die de eis heeft ingesteld, zou
teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen
deze eis verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat daaromtrent een
voorziening is getroffen, welke – gelet op de omstandigheden van het geval – ten opzichte
van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2. Het in het vorige lid bepaalde is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te verwachten is, dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval
voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de andere echtgenoot zich gedurig in zodanige mate aan wangedrag schuldig
maakt, dat van de echtgenoot die de eis heeft ingesteld, in redelijkheid generlei
verstrekking van levensonderhoud kan worden gevergd.

Artikel 255-135

De rechter zal de echtgenoten bevelen om tezamen, en in persoon, voor een of meer van
zijn leden te verschijnen, die hen tot een verzoening zullen trachten over te halen.
Indien de poging daartoe niet mocht gelukken, zal de rechter een nieuwe verschijning
bevelen, ten minste drie, en ten hoogste zes maanden na de eerste, en zullen daarbij worden
opgeroepen de naaste bloedverwanten in de opgaande linie der beide echtgenoten.

Artikel 256-136

Wanneer ook deze verschijning vruchteloos mocht aflopen, hetzij de bloedverwanten, bij
het vorige artikel vermeld, al of niet verschenen zijn, zal de rechter, uitspraak doen, en zal de eis
worden toegewezen, indien behoorlijk aan al de formaliteiten, hierboven omschreven, is voldaan.
Het staat niettemin aan de rechter vrij zijn uitspraak, gedurende de tijd van zes maanden
na het voldingen van de zaak, aan te houden, indien het mocht zijn gebleken, dat er nog
waarschijnlijkheid van verzoening bestaat.

Artikel 257-137

Tegen de uitspraak wordt uiterlijk gedurende dertig dagen beroep op het Hof van Justitie
toegelaten.

Artikel 258-138

Het huwelijk wordt ontbonden door het vonnis en de inschrijving van de daarbij
uitgesproken ontbinding in de registers van de burgerlijke stand.
De inschrijving moet geschieden op dezelfde wijze, binnen dezelfde termijn en op
dezelfde straffen als, ten aanzien van de echtscheiding, bij art. 274 is bepaald.

Artikel 259-139

Door de ontbinding van het huwelijk wordt geen inbreuk gemaakt op de gevolgen, welke
bij de artikelen 275 tot en met 281 en bij artikel 284 zijn geregeld en krachtens artikel 299 ook op
de scheiding van tafel en bed toepasselijk zijn, noch op de voorwaarden welke in geval van
minnelijke scheiding naar aanleiding van artikel 290 door de echtgenoten zowel te hunnen
opzichte als ten aanzien van de zorg voor het onderhoud en de opvoeding der kinderen zijn
vastgesteld.
Bij het uitspreken van de ontbinding benoemt de rechter degene der ouders die de
ouderlijke macht uitoefende tot voogd, en voorziet tevens in de toeziende voogdij na verhoor of
behoorlijke oproeping der bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarigen.
Op verzoek van beide of een der ouders kan de kantonrechter, op grond van
omstandigheden ontstaan nadat het vonnis tot ontbinding van het huwelijk in kracht van gewijsde
is gegaan, de beschikking krachtens het voorgaande lid gegeven en de in het eerste lid bedoelde
voorwaarden ten aanzien der kinderen wijzigen, na verhoor of behoorlijke oproeping van de
ouders, de voogden, de toeziende voogden en de bloedverwanten of aangehuwden der
minderjarigen. Deze beschikking kan uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande
verzet of beroep, met of zonder borgtocht.
Tegen deze beschikking kan diegene der ouders, die het verzoek niet heeft gedaan en die
op de oproeping niet is verschenen, in verzet komen binnen veertien dagen nadat de beschikking
of enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan hem in
persoon is betekend, of na het plegen door hem van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit,
dat de beschikking of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is. Hij wiens verzoek is
afgewezen en hij die niettegenstaande tegenspraak in het ongelijk is gesteld, gelijk mede hij
wiens verzet is afgewezen, kunnen in hoger beroep komen.
Indien de aan een der ouders opgedragen voogdij door diens dood is geëindigd en de
langstlevende der ouders niet van de ouderlijke macht of van de voogdij is ontheven of ontzet of
niettegenstaande wettiging de ouderlijke macht of de voogdij niet heeft gekregen, voorziet de
kantonrechter op verzoek van de langstlevende der ouders, van de toeziende voogden of zelfs
ambtshalve in de voogdij, na verhoor of behoorlijke oproeping van de langstlevende der ouders,
de toeziende voogden en de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen.
De langstlevende der ouders wordt, indien hij zulks verzoekt, tot voogd benoemd, tenzij
er gegronde vrees bestaat, dat de kinderen bij inwilliging van het verzoek zullen worden
verwaarloosd.
Op de beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, is de laatste zin van het
derde lid en het vierde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
De kantonrechter kan, op grond van gewijzigde omstandigheden, ontstaan nadat een
krachtens het vijfde lid van dit artikel gegeven beschikking, waarbij een ander dan de
langstlevende der ouders tot voogd is benoemd, in kracht van gewijsde is gegaan, op verzoek van
die langstlevende, na verhoor of behoorlijke oproeping van de voogden, de toeziende voogden en
de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen, de
langstlevende alsnog tot voogd benoemen.
De langstlevende der ouders, wiens verzoek is afgewezen en hij, die niettegenstaande
tegenspraak in het ongelijk is gesteld, kunnen in hoger beroep komen.
Ten aanzien van de verhoren van bloedverwanten of aangehuwden in dit artikel

voorgeschreven gelden de artikelen 385 en 386.
Indien de minderjarigen zich niet reeds bevinden in de feitelijke macht van degene, welke
ingevolge een der bepalingen van dit artikel met de voogdij is belast, wordt in het vonnis of in de
beschikking tevens de afgifte der kinderen bevolen. De bepalingen van het tweede, derde, vierde
en vijfde lid van artikel 371e bis zijn ten deze toepasselijk.

Artikel 259a-140

De bepaling van artikel 285a is insgelijks toepasselijk op personen, die met elkander
hertrouwen, nadat hun vorig huwelijk is ontbonden overeenkomstig de voorafgaande
artikelen.

Artikel 259b-141

Bij het uitspreken van de ontbinding of bij de beschikkingen in het derde en vijfde lid van
artikel 259 bedoeld, kan de kantonrechter, wanneer er gegronde vrees bestaat, dat degene der
ouders, aan wie de voogdij niet is opgedragen, niet voldoende tot het onderhoud en de opvoeding
der minderjarige kinderen zal bijdragen, tevens het bevel geven in artikel 283b bedoeld, op de
wijze en met de gevolgen in dat artikel bepaald en met de gevolgen in dat artikel en in artikel
283d omschreven.
Bij gebreke van zodanig bevel is het Bureau voor Familierechtelijke Zaken bevoegd, deze
uitkering in rechte te vorderen, nadat het vonnis tot ontbinding van het huwelijk is ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand.

DERDE AFDELING

VAN ECHTSCHEIDING

Artikel 260-142

De vordering tot echtscheiding wordt ingesteld bij de kantonrechter, binnen wiens
rechtsgebied de gedaagde op het ogenblik van de indiening van het in artikel 700 van het
Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde verzoekschrift hoofdverblijf, of,
bij gebreke daarvan, werkelijk verblijf had.
Indien de gedaagde op het ogenblik van de indiening van bovengemeld verzoekschrift een
bekend hoofdverblijf of werkelijk verblijf binnen Suriname niet had, wordt de vordering
ingesteld bij de kantonrechter van de plaats, waar de verzoeker op dat ogenblik aldaar
hoofdverblijf, of bij gebreke daarvan werkelijk verblijf had.

Artikel 261

Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben.

Artikel 262-143

Echtscheiding kan alleen worden gevorderd, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Artikel 263-144

De vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in
overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, en de andere
echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.

Artikel 264-145

1. Indien als gevolg van de gevorderde echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen
aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot, die de vordering heeft
ingesteld, zou teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot
deswege tegen deze vordering verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat
daaromtrent een voorziening is getroffen, welke – gelet op de omstandigheden van het geval
– ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn
stellen.
2. Het in het vorige lid bepaalde is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te verwachten is, dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval
voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de andere
echtgenoot te wijten is.

Artikel 265-146

Een der echtgenoten bij de echtscheiding kan met toestemming van de rechter gedurende
het echtscheidingsgeding ontheven worden van de verplichting tot samenwoning.

Artikel 266-147

De ene echtgenoot is bevoegd een uitkering tot onderhoud te vorderen, welke door de
rechter bepaald zijnde, de andere echtgenoot verplicht is hem gedurende het rechtsgeding te
voldoen.

Artikel 267-148

Het staat aan de kantonrechter vrij, hangende het geding de uitoefening van de ouderlijke
macht geheel of gedeeltelijk te schorsen en aan de andere der ouders of een ander door de
kantonrechter aan te wijzen persoon of aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken zodanige
bevoegdheden ten aanzien van de persoon en de goederen der kinderen toe te kennen als hij zal
oirbaar achten.
Tegen deze beschikkingen is generlei voorziening toegelaten. Zij behouden hare kracht,
totdat de uitspraak, waarbij de eis tot echtscheiding is afgewezen, kracht van gewijsde heeft
verkregen, of, in geval van toewijzing van die eis, een maand is verlopen, nadat de
dientengevolge gegeven beschikking tot voorziening in de voogdij kracht van gewijsde heeft verkregen.

Artikel 268-149

1. De echtgenoot die de echtscheiding vraagt, kan tot behoud van zijn recht de

maatregelen nemen die in het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn aangegeven.
2. De echtgenoot wiens rechten opzettelijk zijn verkort door rechtshandelingen van de
andere echtgenoot, kan de nietigheid van die handelingen inroepen.

Artikel 269

Het recht om echtscheiding te vorderen vervalt door de verzoening der echtgenoten, om
het even of die verzoening hebbe plaats gehad, nadat de ene echtgenoot had kennis gedragen van
de daadzaken, welke grond tot de rechtsvordering hadden kunnen opleveren, dan wel, nadat de
eis tot echtscheiding in rechte gedaan is.
De wet vooronderstelt die verzoening, wanneer man en vrouw weder samenwonen, nadat
laatstgemelde de gemeenschappelijke woning, op verlof van de rechter, had verlaten.

Artikel 270-150

De echtgenoot, die een nieuwe rechtsvordering aanvangt, op grond van een, na de
verzoening opgekomen, nieuw feit, dat tot duurzame ontwrichting aanleiding geeft, mag tot
staving van zijn eis van de oude feiten gebruik maken.

Artikel 271-151

Vervallen.

Artikel 272-152

Vervallen.

Artikel 273

De rechtsvordering tot echtscheiding vervalt, indien een der beide echtgenoten vóór de
uitspraak is overleden.

Artikel 274-153

Het huwelijk wordt ontbonden door het vonnis en de inschrijving van de daarbij
uitgesproken echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen, of van een derzelve, in de registers van
de burgerlijke stand van de plaats, waar het huwelijk is voltrokken.
Is het huwelijk buiten Suriname voltrokken, dan geschiedt de inschrijving in de registers
van de burgerlijke stand van Paramaribo.
De inschrijving moet geschieden binnen de termijn van zes maanden, te rekenen van de
dag, waarop het vonnis voor geen wettelijk beroep vatbaar is.
Indien de inschrijving binnen die termijn niet is geschied, vervalt daardoor de kracht van
het vonnis, waarbij de echtscheiding is uitgesproken.

Artikel 275
De echtgenoot aan wie de eis tot echtscheiding is toegewezen, behoudt al de voordelen,
hem door de andere echtgenoot terzake van het huwelijk toegezegd, al ware het dat deze
voordelen wederkerig bedongen mochten zijn.

Artikel 276

Daarentegen verliest de echtgenoot, tegen wie de echtscheiding uitgesproken is, al de
voordelen, welke de andere echtgenoot terzake van het huwelijk aan hem had toegezegd.

Artikel 277

Door echtscheiding worden niet dadelijk opvorderbaar de bedongen voordelen, welke
eerst na de dood van een der echtgenoten gevolg moesten hebben; maar hij, aan wie de eis tot
echtscheiding is toegewezen, kan zijn recht tot die voordelen eerst na het overlijden van de
wederpartij doen gelden.

Artikel 278-154

De rechter kan bij het echtscheidingsvonnis of bij latere uitspraak aan de echtgenoot, die
niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan
verwerven, op diens vordering onderscheidenlijk verzoek ten laste van de andere echtgenoot een
uitkering tot levensonderhoud toekennen indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in
overwegende mate aan deze laatste te wijten is onderscheidenlijk is geweest.

Artikel 279-155

Vervallen.

Artikel 280-156

De verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud houdt op door de dood van een
der echtgenoten.
Deze verplichting eindigt eveneens, indien de partij, die levensonderhoud ontvangt,
opnieuw in het huwelijk treedt, dan wel met een andere is gaan samenleven, als waren zij
gehuwd.

Artikel 281

De uitkeringen, welke door derden bij een huwelijks-contract zijn besproken, blijven bij
voortduring verschuldigd aan degene der gescheiden echtgenoten, ten wiens behoeve dezelve
beloofd waren.

Artikel 282-157

Bij het uitspreken van de echtscheiding bepaalt de kantonrechter de dag waarop de ouders
en de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarige kinderen zullen worden gehoord omtrent
de voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij.
Na verhoor of behoorlijke oproeping van de ouders en de bloedverwanten of
aangehuwden der minderjarigen ingevolge het voorgaande lid, beslist de kantonrechter ten
aanzien van ieder kind wie der ouders, behoudens het geval dat deze beide van de ouderlijke
macht zijn ontheven of ontzet, of niettegenstaande wettiging niet de ouderlijke macht hebben
gekregen, daarover de voogdij zal uitoefenen, met inachtneming van vroegere rechterlijke
uitspraken waarbij zij van de ouderlijke macht mochten zijn ontheven of ontzet of van de
omstandigheid dat zij niettegenstaande wettiging niet de ouderlijke macht hebben gekregen, en
voorziet tevens in de toeziende voogdij.
Deze beschikking werkt niet vroeger dan de dag, waarop de uitspraak der echtscheiding
kracht van gewijsde heeft verkregen. Vóór die dag geschiedt geen betekening en staat verzet noch
hoger beroep open.
Tegen de beschikking kan diegene der ouders, die niet tot voogd is benoemd, in verzet
komen, wanneer hij op de in het tweede lid bedoelde oproeping niet is verschenen. Dit verzet
moet worden gedaan binnen veertien dagen nadat de beschikking aan hem is betekend.
Diegene der ouders die, op de oproeping verschenen niet tot voogd is benoemd, of wiens
verzet is afgewezen kan binnen dertig dagen na de dag in het derde lid bedoeld van de beschikking
in hoger beroep komen.

Artikel 283-158

De kantonrechter kan, op grond van omstandigheden ontstaan nadat het vonnis tot
echtscheiding in kracht van gewijsde is gegaan, de krachtens het tweede lid van het voorgaande
artikel gegeven beschikkingen wijzigen op verzoek van beide of een der ouders, na verhoor of
behoorlijke oproeping van beide ouders, de toeziende voogden en de bloedverwanten of
aangehuwden der minderjarigen. Op deze beschikking is artikel 259, vierde lid, toepasselijk. Zij
kan uitvoerbaar worden verklaard bij voorraad niettegenstaande verzet, of beroep, met of zonder
borgtocht.
Indien de aan een der ouders opgedragen voogdij door diens dood is geëindigd en de
langstlevende der ouders niet van de ouderlijke macht of van de voogdij is ontheven of ontzet of
niettegenstaande wettiging de ouderlijke macht of de voogdij niet heeft gekregen, voorziet de
rechter op verzoek van de langstlevende der ouders, van de toeziende voogden of zelfs
ambtshalve in de voogdij, na verhoor of behoorlijke oproeping van de langstlevende der ouders,
de toeziende voogden en de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen.
De langstlevende der ouders wordt, indien hij zulks verzoekt, tot voogd benoemd, tenzij
er gegronde vrees bestaat, dat de kinderen bij inwilliging van het verzoek zullen worden
verwaarloosd.
Op de beschikkingen bedoeld in het tweede lid van dit artikel zijn de laatste twee zinnen
van het eerste lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
De kantonrechter kan, op grond van gewijzigde omstandigheden, ontstaan nadat een
krachtens het tweede lid van dit artikel gegeven beschikking, waarbij een ander dan de
langstlevende der ouders tot voogd is benoemd, in kracht van gewijsde is gegaan, op verzoek van
die langstlevende, na verhoor of behoorlijke oproeping van de voogden, de toeziende voogden en
de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen, de langstlevende alsnog tot voogd
benoemen.
De langstlevende der ouders, wiens verzoek is afgewezen en hij die niettegenstaande
tegenspraak in het ongelijk is gesteld kunnen in hoger beroep komen.
Ten aanzien van de verhoren van bloedverwanten of aangehuwden in dit en het
voorgaande artikel voorgeschreven gelden de artikelen 385 en 386.
Artikel 283a159
Indien de minderjarigen zich niet reeds bevinden in de feitelijke macht van degene, die
ingevolge artikel 282 of artikel 283 met de voogdij is belast of van degene der ouders, de andere
persoon of het Bureau voor Familierechtelijke Zaken aan wie de kinderen mochten zijn
toevertrouwd krachtens artikel 267, eerste lid, wordt in de beschikking tevens de afgifte der
kinderen bevolen.
De bepalingen van het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 371e bis zijn ten
deze toepasselijk.

Artikel 283b-160

Bij de beschikkingen, bedoeld in het tweede lid van artikel 282 en in het eerste en tweede
lid van artikel 283 kan de kantonrechter, na verhoor of behoorlijke oproeping als in genoemde
artikelen bedoeld en na verhoor van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, wanneer er
gegronde vrees bestaat, dat degene der ouders, aan wie de voogdij niet is opgedragen, niet
voldoende tot het onderhoud en de opvoeding der minderjarige kinderen zal bijdragen, tevens
bevelen, dat deze ten behoeve van het onderhoud en de opvoeding van een of meer dier kinderen
een daarbij te bepalen bedrag wekelijks, maandelijks of driemaandelijks aan het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken zal uitkeren.
De bepalingen van het derde, vierde en vijfde lid van artikel 282 zijn mede op dit bevel
toepasselijk.

Artikel 283c-161

Bij gebreke van een bevel als in het eerste lid van het vorige artikel bedoeld is het Bureau
voor Familierechtelijke Zaken bevoegd deze uitkering in rechte te vorderen, nadat het vonnis van
de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Artikel 283d-162

Vervallen.

Artikel 284

De ontbinding van het huwelijk door echtscheiding zal de kinderen, uit dat huwelijk
geboren, van geen der voordelen versteken, die hun door de wetten, of door de huwelijksbedingen
van hun ouders, verzekerd waren.
Echter zullen de kinderen daarop geen aanspraak hebben, dan op dezelfde manier en in
dezelfde omstandigheden, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad.

Artikel 285

Indien de gescheiden echtgenoten in gemeenschap van goederen getrouwd waren, zal de
verdeling der goederen plaats hebben, op de voet en de wijze als bij de zesde titel is bepaald.

Artikel 285a-163

Indien de gescheiden echtgenoten met elkaar hertrouwen, herleven alle gevolgen van het
huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de
geldigheid van rechtshandelingen die tussen de echtscheiding en het nieuwe huwelijk zijn
verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling.
Op het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden voor het aangaan van het nieuwe
huwelijk vindt artikel 195 van dit boek overeenkomstige toepassing.
De ouderlijke macht herleeft echter slechts voor de ouders, indien niet aan een ander de
voogdij mocht zijn opgedragen of voorzover zij niet van de voogdij zijn ontheven of ontzet.
Indien de voogdij aan een ander is opgedragen, kan de niet van de voogdij ontheven of
ontzette ouder aan de kantonrechter verzoeken met de ouderlijke macht te worden bekleed. De
kantonrechter beslist op het verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de verzoeker, de
voogd, de toeziende voogd, de andere ouder van het kind en het Bureau voor Familierechtelijke
Zaken. Hij staat het verzoek toe, tenzij er gegronde vrees bestaat, dat het kind door de vader of de
moeder zal worden verwaarloosd.
De ouder, die van de voogdij was ontheven of ontzet, kan op de voet van artikel 438b van
dit Wetboek met de ouderlijke macht worden bekleed.
Alle hiermede strijdende bedingen tussen de echtgenoten zijn nietig.

ELFDE TITEL

VAN DE SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

Artikel 286-164

Scheiding van tafel en bed kan op dezelfde grond als echtscheiding worden gevorderd.

Artikel 287
Zij wordt op dezelfde wijze als die tot echtscheiding aangelegd, voortgezet en uitgewezen.

Artikel 288-165

De echtgenoot, welke een rechtsvordering tot scheiding van tafel en bed heeft
aangevangen, is niet ontvankelijk om uithoofde van dezelfde feiten, welke duurzame
ontwrichting van het huwelijk ten gevolge hebben, echtscheiding te vragen.

Artikel 289-166

Scheiding van tafel en bed kan ook door de rechter worden uitgesproken, op het verzoek,
door de beide echtgenoten tezamen gedaan, zonder dat deze gehouden zijn de duurzame
ontwrichting van het huwelijk op te geven.
Zodanige scheiding zal niet kunnen worden toegestaan, tenzij de echtgenoten gedurende
de tijd van twee jaren zijn getrouwd geweest.

Artikel 290-167

Alvorens scheiding van tafel en bed te vragen, zijn de echtgenoten verplicht bij een
authentieke akte, alle de voorwaarden dier scheiding te regelen, zowel te hunnen opzichte als ten
aanzien van de uitoefening van de ouderlijke macht en de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van hun kinderen.
De schikkingen tussen hen beraamd, om plaats te hebben gedurende het rechterlijk
onderzoek, moeten aan de bekrachtiging van de kantonrechter worden onderworpen, om,
desnoods, door deze geregeld te worden.

Artikel 291-168

Bij de aanvraag der beide echtgenoten moet worden overgelegd afschrift van de
huwelijksakte en van de overeenkomst, waarvan bij het eerste lid van het vorige artikel wordt gesproken.

Artikel 292-169

De kantonrechter beveelt daarop aan de beide echtgenoten om tezamen en in persoon voor
hem te verschijnen, teneinde hun de nodige vertogen te doen.
Indien de echtgenoten bij hun voornemen volharden, zal de rechter een nieuwe
verschijning, na verloop van zes maanden, bevelen.

Artikel 293-170

De kantonrechter zal zes maanden na de tweede verschijning uitspraak doen, na verhoor
of behoorlijke oproeping der naaste bloedverwanten van de echtgenoten in de opgaande linie.
Het bepaalde in de artikelen 283b en 283c vindt overeenkomstige toepassing jegens de
vader of de moeder, die niet met de uitoefening van de ouderlijke macht is belast.

Artikel 294-171

Bij weigering van de gedane aanvraag, kunnen de echtgenoten tezamen, uiterlijk binnen
dertig dagen na de uitspraak, daartegen bij het hof van justitie in beroep komen.

Artikel 295

Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet ontbonden, maar zijn de
echtgenoten daardoor van de verplichting tot samenwoning ontheven.

Artikel 296-172

Vervallen.

Artikel 297-173

Vervallen.

Artikel 298-174

De vonnissen tot scheiding van tafel en bed zullen openlijk worden bekend gemaakt en in
het huwelijksgoederen-register, aangewezen in artikel 192 van dit boek, worden ingeschreven.
Zolang deze openlijke bekendmaking en inschrijving niet heeft plaats gehad, kan het
vonnis tot scheiding van tafel en bed niet tegen derden die hiervan onkundig waren, werken.

Artikel 299-175

De bepalingen van de artikelen 263 tot en met 273 en 275 tot en met 281 en artikel 284
zijn insgelijks toepasselijk op de scheiding van tafel en bed door de ene jegens de andere
echtgenoot gevraagd.
Bij het uitspreken van de scheiding van tafel en bed bepaalt de rechter de dag waarop de
ouders en de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarige kinderen zullen worden gehoord
omtrent de voorziening in de ouderlijke macht.
Na verhoor of behoorlijke oproeping van de ouders en de bloedverwanten of
aangehuwden der minderjarigen ingevolge het voorgaande lid, beslist de kantonrechter ten
aanzien van ieder kind wie der ouders, behoudens het geval dat deze beide van de ouderlijke
macht zijn ontheven of ontzet of niettegenstaande wettiging niet de ouderlijke macht hebben
gekregen, daarover de ouderlijke macht zal uitoefenen, met inachtneming van vroegere
rechterlijke uitspraken waarbij zij van de ouderlijke macht mochten zijn ontheven of ontzet of
van de omstandigheid dat zij niettegenstaande wettiging niet de ouderlijke macht hebben
gekregen.
Deze beschikking werkt niet vroeger dan de dag, waarop de uitspraak van de scheiding
van tafel en bed kracht van gewijsde heeft verkregen. Vóór die dag geschiedt geen betekening en
staat verzet noch hoger beroep open.
Tegen de beschikking kan diegene der ouders, die niet met de uitoefening van de
ouderlijke macht is belast, in verzet komen, wanneer hij op de in het derde lid bedoelde
oproeping niet is verschenen. Dit verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen nadat de
beschikking aan hem is betekend.
Diegene der ouders die, op de oproeping verschenen niet met de uitoefening van de
ouderlijke macht is belast, of wiens verzet is afgewezen, kan binnen dertig dagen na de dag in het
vierde lid bedoeld van de beschikking in hoger beroep komen.
Het bepaalde in de artikelen 283b en 283c vindt overeenkomstige toepassing jegens de
vader of de moeder, die niet met de uitoefening van de ouderlijke macht is belast.

Artikel 299a-176

De kantonrechter kan, op grond van omstandigheden ontstaan nadat het vonnis tot
scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde is gegaan, de krachtens het derde lid van het
voorgaande artikel gegeven beschikkingen wijzigen op verzoek van beide of een der ouders, na
verhoor of behoorlijke oproeping van beide ouders en van de bloedverwanten of aangehuwden
der minderjarigen. Op deze beschikking is artikel 259, vierde lid, toepasselijk. Zij kan uitvoerbaar
worden verklaard bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep, met of zonder borgtocht.
Indien degenen der van tafel en bed gescheiden ouders, aan wie ingevolge de beschikking
bedoeld in artikel 299 of in het vorig lid van dit artikel de uitoefening van de ouderlijke macht is
opgedragen, overlijdt en de langstlevende der ouders niet van de ouderlijke macht is ontheven of
ontzet of niettegenstaande wettiging de ouderlijke macht niet heeft gekregen, voorziet de
kantonrechter op verzoek van de langstlevende der ouders of ambtshalve in de voogdij, na
verhoor of behoorlijke oproeping van de langstlevende der ouders en de bloedverwanten of
aangehuwden der minderjarigen.
De langstlevende der ouders wordt, indien hij zulks verzoekt, tot voogd benoemd, tenzij
er gegronde vrees bestaat dat de kinderen bij inwilliging van het verzoek zullen worden
verwaarloosd.
Op de beschikkingen bedoeld in het tweede lid van dit artikel zijn de laatste twee zinnen
van het eerste lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
De kantonrechter kan, op grond van gewijzigde omstandigheden, ontstaan nadat een
krachtens het tweede lid van dit artikel gegeven beschikking, waarbij een ander dan de
langstlevende der ouders tot voogd werd benoemd, in kracht van gewijsde is gegaan, op verzoek
van die langstlevende, na verhoor of behoorlijke oproeping van de voogden, de toeziende
voogden en de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen, de langstlevende alsnog tot
voogd benoemen.
De langstlevende der ouders, wiens verzoek is afgewezen, en hij die niettegenstaande
tegenspraak in het ongelijk is gesteld, kunnen in hoger beroep komen.
Ten aanzien van de verhoren van bloedverwanten of aangehuwden in dit en het
voorgaande artikel voorgeschreven gelden de artikelen 385 en 386.

Artikel 299b-177

Indien de minderjarigen zich niet reeds bevinden in de feitelijke macht van degene, die
ingevolge artikel 299 en 299a met de uitoefening van de ouderlijke macht of met de voogdij is
belast of van degene der ouders, de andere persoon of het Bureau voor Familierechtelijke Zaken,
aan wie de kinderen mochten zijn toevertrouwd ingevolge het eerste lid van artikel 299
overeenkomstig artikel 267, wordt in de beschikking tevens de afgifte der kinderen bevolen.
De bepalingen van het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 371e bis zijn ten
deze toepasselijk.

Artikel 300-178

Wanneer de rechter, na de overeenkomst te hebben overwogen, waarvan in het eerste lid
van artikel 290 gesproken wordt, de scheiding van tafel en bed op verzoek der beide echtgenoten
toestaat, zal die scheiding al de gevolgen hebben, welke bij de overeenkomst zijn bedongen.
Indien degene der van tafel en bed gescheiden ouders, aan wie bij de overeenkomst,
waarvan in het eerste lid van artikel 290 gesproken wordt, de uitoefening van de ouderlijke macht
is opgedragen, overlijdt, vinden artikel 299a, tweede tot en met laatste lid en artikel 299b
overeenkomstige toepassing.

Artikel 301

De scheiding van tafel en bed gaat, van rechtswege, te niet door de verzoening der
echtgenoten; deze doet al de gevolgen van het huwelijk herleven, behoudens nochtans jegens
derden de voortdurende kracht van de handelingen, welke gedurende het tijdvak tussen de
scheiding en de verzoening mochten hebben plaats gehad.
Alle hiermede strijdende bedingen tussen de echtgenoten zijn nietig.

Artikel 302-179

Wanneer het vonnis, waarbij de echtgenoten van tafel en bed zijn gescheiden, openlijk is
bekend gemaakt of in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 192 van dit boek is
ingeschreven, kunnen de echtgenoten de gevolgen van hun verzoening niet tegen derden, die
hiervan onkundig waren, doen werken, wanneer zij niet insgelijks op dezelfde manier openlijk
bekend hebben doen maken of in dat register hebben doen inschrijven, dat de scheiding heeft
opgehouden te bestaan.

TWAALFDE TITEL

VAN HET VADERSCHAP EN DE AFSTAMMING DER KINDEREN

EERSTE AFDELING

VAN WETTIGE KINDEREN

Artikel 303

Het kind, hetwelk staande huwelijk is geboren of verwekt, heeft de man tot vader.

Artikel 304

De wettigheid van een kind, hetwelk vóór de honderd tachtigste dag van het huwelijk
geboren is, kan door de man worden ontkend. Nochtans zal de ontkenning geen plaats kunnen
hebben in de navolgende gevallen:
1°. Wanneer de man, vóór het huwelijk, van de zwangerschap heeft kennis gedragen;
2°. Wanneer hij bij het opmaken van de akte van geboorte is tegenwoordig geweest, en
deze akte door hem is ondertekend, of een door hem gegeven verklaring inhoudt dat hij niet kan tekenen;
3°. Wanneer het kind niet levend is ter wereld gekomen.

Artikel 305-180

De man kan de wettigheid van het kind ontkennen, indien hij bewijst, dat hij sedert de
driehonderdzesde tot de honderdtachtigste dag vóór de geboorte van het kind, hetzij uithoofde
van verwijdering, hetzij door de gevolgen van enig toeval, in de natuurlijke onmogelijkheid
geweest is met zijn vrouw gemeenschap te hebben.
De man kan, door zich op zijn natuurlijke onmacht te beroepen, niet ontkennen dat het
kind het zijne is.

Artikel 306

De man kan de wettigheid van het kind niet ontkennen op grond van overspel, tenware de
geboorte voor hem zij verborgen gehouden; in welk geval hij zal worden toegelaten, om het
bewijs, dat hij de vader van het kind niet is, tot volkomenheid te brengen.

Artikel 307-181

Hij kan de wettigheid ontkennen van een kind, hetwelk geboren is driehonderdzes dagen
na dien, waarop een vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft verkregen,

onverminderd het vermogen van de vrouw om alle zodanige daadzaken aan te voeren, welke
geschikt mochten zijn tot bewijs, dat haar man de vader van het kind is.
Wanneer de ontkenning is geldig verklaard, zal door de verzoening der echtgenoten het
kind geen wettige staat kunnen verkrijgen.

Artikel 308-182

Het kind, hetwelk driehonderdzes dagen na de ontbinding van het huwelijk wordt geboren
is onwettig.
Indien ouders van een kind, hetwelk wordt geboren drie honderdzes dagen na de
ontbinding van hun huwelijk, met elkander hertrouwen, kan het kind op geen andere wijze een
wettige staat verkrijgen dan overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van de
twaalfde titel van dit boek.

Artikel 309

In de gevallen bij de artikelen 304, 305, 306 en 307 voorzien, zal de man de wettigheid
van het kind moeten ontkennen binnen een maand, indien hij zich bevindt op de geboorteplaats
van het kind, of binnen de omtrek daarvan;
Binnen twee maanden na zijn terugkomst, indien hij afwezig is;
Binnen twee maanden na de ontdekking van het bedrog, indien men de geboorte van het
kind voor hem had verborgen gehouden.
Alle buiten rechte verleden akten, inhoudende de ontkenning van de man, zijn
krachteloos, zo zij niet binnen twee maanden van een rechtsvordering zijn achtervolgd.
Indien de man, na de ontkenning, bij een buiten rechte verleden akte, te hebben gedaan,
komt te overlijden binnen de voorschreven termijn, zal aan zijn erfgenamen een nieuwe termijn
van twee maanden geopend zijn, ten einde hun rechtsvordering aan te vangen.

Artikel 310

De rechtsvordering, door de man aangevangen, vervalt, indien de erfgenamen dezelve niet
voortzetten binnen twee maanden, te rekenen van het overlijden van de man.

Artikel 311

Wanneer de man is overleden, voordat hij zijn recht te dezen opzichte heeft doen gelden,
maar terwijl de tijd daartoe nog lopende was, zullen de erfgenamen de wettigheid van het kind
niet kunnen ontkennen, dan alleen in het geval van artikel 305.
De rechtsvordering tot het betwisten van de wettigheid van het kind zal moeten worden
aangevangen binnen de tijd van twee maanden, te rekenen van het tijdstip waarop het kind zich
zal hebben in het bezit gesteld van de goederen van de man, of van het tijdstip waarop de
erfgenamen in dat bezit door het kind gestoord zijn.

Artikel 312

In de gevallen, waarin de erfgenamen, naar aanleiding van de artikelen 309, 310 en 311,
bevoegd zijn om een rechtsvordering tot het betwisten van de wettigheid van een kind aan te
vangen of te vervolgen, zullen zij een termijn hebben van zes maanden, indien een of meer
hunner buiten Suriname woonachtig zijn.
Indien een of meer hunner buiten Amerika woonachtig zijn, zullen zij een termijn van een
jaar hebben.
Ingeval van oorlog ter zee, zullen de termijnen van zes maanden en van een jaar worden
verdubbeld.

Artikel 313

Alle rechtsvordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind zal gericht moeten
worden tegen een bijzondere aan het kind toe te voegen voogd, en zal de moeder behoorlijk in het
geding moeten worden opgeroepen.

Artikel 314

De afstamming van wettige kinderen wordt bewezen door de akten van geboorten, in de
registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
Bij gebreke van zodanige akten, is het ongestoord bezit van de staat van wettig kind
voldoende.

Artikel 315

Het bezit van die staat wordt bewezen door daadzaken, welke, hetzij tezamen, hetzij
afzonderlijk, de betrekking van afstamming en verwantschap tussen een bepaalde persoon en het
geslacht, tot hetwelk hij beweert te behoren, aantonen.
De voornaamste van deze daadzaken zijn, onder andere:
Dat die persoon altijd de naam heeft gedragen van de vader, van wie hij beweert af te
stammen;
Dat de vader hem als zijn kind heeft behandeld, en als zodanig in zijn opvoeding, zijn
onderhoud en zijn kostwinning heeft voorzien;
Dat hij aanhoudend als zodanig in de maatschappij erkend is;
Dat de nabestaanden hem als zodanig erkend hebben.

Artikel 316

Niemand kan zich op een staat beroepen, die strijdig is met die, welke zijn akte van
geboorte en het bezit, met die akte overeenstemmende, hem geven; en wederkerig kan niemand
de staat betwisten van degene, die een bezit heeft, overeenkomstig zijn akte van geboorte.

Artikel 317

Bij gebreke van zodanige akte en onafgebroken bezit van staat, of wanneer het kind onder
valse namen, of als geboren uit een vader en een moeder die onbekend zijn, in de registers is
ingeschreven, kan de afstamming door getuigen bewezen worden.
Dit bewijs kan nochtans niet worden toegelaten, dan wanneer er een begin is van bewijs
door geschrifte, of wanneer de vermoedens of aanwijzingen, voortvloeiende uit daadzaken die
reeds onbetwistbaar zijn, als genoegzaam zwaarwichtig kunnen worden beschouwd om zodanig
middel van bewijs toe te laten.

Artikel 318

Het begin van bewijs bij geschrifte vloeit voort uit familiebescheiden, uit registers en
huiselijke papieren van de vader of de moeder, of ook wel uit openbare of onderhandse akten,
voortkomende van iemand, die in het geschil betrokken is, of, nog in leven zijnde, daarbij belang
zou hebben gehad.

Artikel 319

Het tegenbewijs kan bestaan in alle zodanige middelen als geschikt zijn om aan te tonen,
dat degene, die zich op zijn afstamming beroept, het kind niet is van de moeder, welke hij
voorgeeft te hebben, of ook, het moederschap bewezen zijnde, dat hij het kind niet is van de man
van die moeder.

Artikel 320

De burgerlijke rechter alleen is bevoegd om kennis te nemen van rechtsvorderingen,
waarbij men zich op enige staat beroept.

Artikel 321-183

De strafvervolging wegens het misdrijf van verduistering van staat kan niet worden
aangevangen, voordat het eindvonnis over het geschil van die staat is uitgesproken.
Het staat evenwel aan het openbaar ministerie vrij om, wanneer de belanghebbende
partijen stilzitten, een strafvervolging uithoofde van verduistering van staat aan te vangen, mits er
een begin van bewijs bij geschrifte, overeenkomstig artikel 318, aanwezig zij, en over het
aanwezen van dat begin van bewijs aanvankelijk zij beslist.
In het laatste geval, zal de voortzetting van de strafvervolging door geen burgerlijk geding
kunnen worden geschorst.

Artikel 322

De rechtsvordering tot inroeping van de staat is, ten opzichte van het kind, aan geen
verjaring onderworpen.

Artikel 323

Deze rechtsvordering kan door de erfgenamen van het kind, hetwelk zijn staat niet heeft
ingeroepen, niet worden aangevangen, tenware het kind minderjarig, of binnen drie jaren na zijn
meerderjarigheid mocht overleden zijn.

Artikel 324

De erfgenamen kunnen echter zodanige rechtsvordering voortzetten, wanneer zij door het
kind is aangelegd, tenzij hetzelve het geding drie jaren na de laatste procesakte hebben
onvervolgd gelaten.

Artikel 324a-184

Degeen, aan wie een vordering tot in roeping van de staat of tot het ontkennen van de
wettigheid van een kind is toegewezen, doet het vonnis, nadat het in kracht van gewijsde is
gegaan, inschrijven in de lopende registers van geboorten van de plaats, waar de geboorte is
ingeschreven. Hiervan wordt melding gemaakt op de kant van de geboorte-akte.

TWEEDE AFDELING185

VAN DE WETTIGING VAN KINDEREN

Artikel 325-186

Een natuurlijk kind wordt door het huwelijk van zijn ouders gewettigd, indien het voor of
bij de huwelijksvoltrekking door de vader is erkend.

Artikel 326-187

Vervallen.

Artikel 327-188

Indien de vader verzuimd heeft zijn kind voor of bij de voltrekking van zijn huwelijk te
erkennen, kunnen de ouders van de President brieven van wettiging verzoeken.

Artikel 328-189

Op gelijke wijze kan een door zijn vader erkend kind gewettigd worden, nadat het
voorgenomen huwelijk van zijn ouders door de dood van een hunner onmogelijk is geworden; in
dit geval kan het verzoek daartoe zowel door de langstlevende ouder als door het kind worden
gedaan.

Artikel 329-190

Over het verzoek om brieven van wettiging wint de President het advies in van het Hof
van Justitie. Het Hof zal de bloedverwanten der verzoekers horen of doen horen; het Hof kan ook
bevelen, dat het verzoek door aan te wijzen nieuwsbladen wordt bekend gemaakt.

Artikel 330-191

Wettiging, hetzij door het opvolgend huwelijk der ouders, hetzij, in het geval van artikel
327, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat op de kinderen dezelfde
wetsbepalingen toepasselijk zijn, alsof zij sedert het huwelijk waren geboren.
Er bestaat echter slechts ouderlijke macht voor de ouders, indien niet aan een ander de
voogdij mocht zijn opgedragen, of voorzover zij niet van de voogdij zijn ontheven of ontzet.
Indien de voogdij aan een ander is opgedragen, kan de niet van de voogdij ontheven of
ontzette vader of moeder aan de kantonrechter verzoeken met de ouderlijke macht te worden
bekleed.
Degene der ouders, die van de voogdij was ontheven of ontzet, kan op de voet van artikel
438b van dit Wetboek met de ouderlijke macht worden bekleed.
Is het huwelijk ontbonden, dan kan de niet van de voogdij uitgesloten, noch ontheven of
ontzette vader of moeder in het geval, bedoeld in het tweede lid, verzoeken te worden benoemd
tot voogd. De kantonrechter beslist op het verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de
verzoeker, de voogd, de toeziende voogd, de andere ouder van het kind en het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken. Hij staat het verzoek toe, tenzij er gegronde vrees bestaat, dat het kind
door de vader of de moeder zal worden verwaarloosd.

Artikel 331-192

In het geval bij artikel 328 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht van de dag, waarop
de brieven door de President zijn verleend; zij kan alzo, ten aanzien van de erfopvolging, niet
strekken ten nadele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van
andere bloedverwanten, dan voor zoverre dezelve in het verlenen der brieven van wettiging
hebben toegestemd.
Door de wettiging wordt de overlevende vader of moeder, zo deze niet reeds voogd is,
van rechtswege voogd over de gewettigde kinderen, tenzij aan een ander de voogdij mocht zijn
opgedragen of hij van de voogdij mocht zijn uitgesloten of daarvan zijn ontheven of ontzet.
Indien de voogdij aan een ander is opgedragen, kan de niet van de voogdij uitgesloten,
noch ontheven of ontzette vader of moeder aan de kantonrechter verzoeken in de plaats van die
ander tot voogd te worden benoemd. De kantonrechter beslist op het verzoek na verhoor of
behoorlijke oproeping van de verzoeker, de voogd, de toeziende voogd en het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken. Hij staat het verzoek toe, tenzij er gegronde vrees bestaat, dat het kind
door de vader of de moeder zal worden verwaarloosd.

Artikel 332

Op gelijke wijze en onder dezelfde bepalingen, als bij de vorige artikelen is vermeld,
kunnen ook reeds overleden kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden,
in welk geval de wettiging ten voordele van die afkomelingen strekt.

Artikel 332a-193

Hij die, overeenkomstig het in de artikelen 327 en 328 bepaalde, wettiging heeft
verkregen, doet het feit van de wettiging inschrijven in de lopende registers van geboorten van de
plaats, waar de geboorte is ingeschreven. Van de wettiging wordt mede melding gemaakt op de
kant van de geboorte-akte.

DERDE AFDELING194

VAN NATUURLIJKE KINDEREN EN HUN ERKENNING

Artikel 333-195

Onder natuurlijke kinderen worden in dit wetboek verstaan alle kinderen, die niet
krachtens de artikelen 303 tot en met 332a wettig of gewettigd zijn.

Artikel 334-196
Een natuurlijk kind en zijn afstammelingen staan in familierechtelijke betrekkingen tot de
moeder en haar bloedverwanten en, na erkenning, ook tot de vader en diens bloedverwanten.

Artikel 335-197

Erkenning kan geschieden:
bij akten van geboorte en huwelijk;
door een akte van erkenning, overeenkomstig artikel 30;
door alle andere authentieke akten.

Artikel 336-198

De erkenning is nietig, indien zij:
a. een gevolg is van dwang, dwaling of bedrog;
b. door een minderjarige tengevolge van verleiding gedaan is;
c. geschied is door iemand, die de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft, tenzij zij bij
de voltrekking van zijn huwelijk heeft plaats gehad;
d. bij het leven van de moeder zonder haar toestemming gedaan is; de toestemming kan
gegeven worden bij de akten, bedoeld in het voorgaand artikel;
e. is gedaan door de man, die krachtens de artikelen 83 en 84 niet met de moeder van het
kind in het huwelijk mag treden;
f. is gedaan door een gehuwde man, wiens huwelijk meer dan driehonderdzes dagen vóór
de geboortedag van het kind is voltrokken.
Indien de moeder de toestemming bedoeld in het vorige lid onder d, onthoudt op kennelijk
onredelijke gronden of zij haar wil niet kan verklaren, kan die toestemming op verzoek van de
vader worden vervangen door een verlof van de kantonrechter, binnen wiens gebied de
woonplaats van het kind is gelegen.
Op het verzoek wordt niet beslist dan nadat in elk geval het kind, indien het meerderjarig
is, de verzoeker en zo mogelijk ook de moeder zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.
Indien de kantonrechter het in het tweede lid bedoelde verlof heeft verleend omdat de
moeder de toestemming op kennelijk onredelijke gronden heeft onthouden, kan zij uiterlijk op de veertiende dag na de beslissing bij verzoekschrift bij het

Hof van Justitie in beroep komen.
Gedurende die termijn is het verlof niet uitvoerbaar. De ambtenaar van de burgerlijke stand
vergewist zich ervan of er gedurende die termijn beroep is ingesteld.
In het bevestigend geval wordt de beslissing van het Hof afgewacht.

Artikel 336a-199

De erkenning is eveneens nietig, indien zij, nadat het kind de meerderjarigheid heeft
bereikt, zonder diens toestemming is gedaan. De toestemming kan gegeven worden bij de akten,
bedoeld in artikel 335.

Artikel 337-200

Vervallen.

Artikel 338-201

De rechtsvordering tot inroeping van staat op grond van beweerd vaderschap wordt niet
toegelaten.
Indien echter tegen de moeder van een natuurlijk kind tussen de 307de en 179ste dag voor
diens geboorte een misdrijf gepleegd is, als voorzien bij de artikelen 295-298, 304 of 341 van het
Wetboek van Strafrecht, kan de schuldige op vordering van belanghebbenden verklaard worden
de vader van het kind te zijn.

Artikel 339-202

De rechtsvordering tot inroeping van staat op grond van beweerd moederschap wordt
toegelaten.
In dit geval moet het kind bewijzen het kind te zijn, waarvan de moeder bevallen is.
De bewijslevering is aan geen bepaald middel gebonden. Tegenbewijs is door alle
middelen toegelaten. De beslissende eed kan niet worden opgedragen.
De getuigenverhoren en pleidooien worden gehouden ter terechtzitting met gesloten
deuren. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 340-203

Erkenning en inroeping van staat kunnen door iedere belanghebbende, alsmede door het
openbaar ministerie, worden betwist.
Nadat een vonnis, waarbij de betwisting van een erkenning gegrond is verklaard, in kracht
van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer burgerlijke gevolgen te hebben
gehad. Te goeder trouw door derden verkregen rechten zullen hierdoor nochtans niet worden
geschaad.

VIERDE AFDELING204

VAN KINDEREN, TOT WIE DE OUDERS NIET IN BURGERLIJKE

BETREKKINGEN STAAN, EN VAN DERZELVER ONDERHOUD

Artikel 341-205

Vervallen.

Artikel 342-206

De vader van een natuurlijk niet-erkend kind is verplicht om gedurende de
minderjarigheid van dit kind naar draagkracht te voorzien in deszelfs verzorging en opvoeding.
Is het kind na de intrede van zijn meerderjarigheid door geestelijke of lichamelijke
gebreken buiten staat zich zelf te onderhouden, dan blijft de vader tot zijn onderhoud verplicht.

Artikel 342a-207

De op het eerste lid van het voorgaand artikel gegronde rechtsvordering wordt ingesteld
bij de kantonrechter van de woonplaats van het kind, de moeder of de verweerde.
Ook het Bureau voor Familierechtelijke Zaken is bevoegd de op het eerste lid van het
voorgaande artikel gegronde rechtsvordering in te stellen en van een vonnis, gewezen op een
zodanige door de voogd ingestelde rechtsvordering, in hoger beroep te komen.
Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken behoeft voor het instellen van de vordering de
toestemming van de moeder, tenzij deze haar wil niet kan verklaren. Indien de moeder
minderjarig is, is bovendien de toestemming van haar wettelijke vertegenwoordiger vereist.

Artikel 342b-208

Bij toewijzing van de vordering wordt de vader veroordeeld tot een wekelijkse,
maandelijkse of driemaandelijkse uitkering. Zo mogelijk worden tevens de waarborgen bepaald
die hij ter verzekering dezer uitkering moet stellen.
De vader kan ook, indien daartoe gronden zijn, tot de betaling van een som ineens
veroordeeld worden.
Er is geen uitkering verschuldigd over de tijd, die op het ogenblik van het instellen van de
rechtsvordering reeds meer dan vijf jaren is verstreken.

Artikel 342c-209

De vader van een natuurlijk niet-erkend kind is - zelfs al ware het dood geboren -
verplicht om aan deszelfs moeder de kosten van haar bevalling en van haar onderhoud gedurende
de eerste zes weken na de bevalling te vergoeden.
De vergoeding voor deze kosten begroot de rechter naar billijkheid en met inachtneming
van het plaatselijk gebruik.
De vordering wordt ingesteld bij de kantonrechter van de woonplaats van de moeder, het
kind, of de verweerder.
Het vorderingsrecht vervalt na verloop van een jaar, te rekenen van de dag van de
bevalling.

Artikel 342d-210

Hij die zijn in artikel 342 en 342c bedoelde verplichting heeft erkend, kan door de
kantonrechter in elke stand van de zaak worden veroordeeld tot een voorlopige uitkering,
gedurende het rechtsgeding door hem te voldoen; onverminderd, ingeval van onverwijlde spoed,
de mogelijkheid om in kortgeding een voorlopige uitkering te vorderen.

Artikel 342e-211

Vader van een niet-erkend kind wordt vermoed te zijn diegene, die tussen de 307de en
179ste dag voor de geboorte met de moeder gemeenschap heeft gehad.
De op grond van artikel 342 of 342c tegen hem ingestelde vordering wordt evenwel
afgewezen;
a. indien hij bewijst, dat de moeder in bedoeld tijdvak ook met een ander gemeenschap
gehad heeft, tenzij mocht blijken, dat het kind daaruit niet kan zijn ontvangen;
b. indien de rechter in gemoede overtuigd is, dat de verweerder niet de vader van het kind
is.

Artikel 342f-212

Het bewijs van het vaderschap is aan geen bepaald middel gebonden. Tegenbewijs is door
alle middelen toegelaten. De beslissende eed kan niet worden opgedragen. Artikel 1945 is niet
van toepassing. De moeder, die als voogdes over haar kind de in artikel 342 bedoelde
rechtsvordering tegen diens vader instelt, kan niettemin als getuige gehoord worden.
Alvorens op een rechtsvordering, gegrond op artikel 342, eerste lid, een einduitspraak te
doen hoort de kantonrechter het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, die hij daartoe in elke
stand van het geding kan doen oproepen. De oproeping geschiedt door de griffier, en wel
schriftelijk, tenzij de rechter een andere wijze van oproeping beveelt.
De verhoren en pleidooien worden gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren. De
uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 342g-213

De uitkering of som ineens, bedoeld in artikel 342b, wordt ten behoeve van het kind aan
het Bureau voor Familierechtelijke Zaken uitbetaald.

Artikel 342h-214

Vervallen.

Artikel 342i-215

De erfgenamen van de in artikel 342 bedoelde vader kunnen terzake van het onderhoud
van het kind na het overlijden van de erflater, tot niets anders verplicht worden dan tot betaling
van een som ineens, welke het wettelijk erfdeel, waartoe het kind als natuurlijk erkend kind ware
gerechtigd geweest, niet overtreft. De kantonrechter bepaalt deze som op verzoek van het kind of
van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. Op straffe van verval der aanspraken moet het
verzoek worden ingediend binnen twee jaren na het overlijden van de vader. Overigens zijn de
artikelen 342a en 342d van overeenkomstige toepassing.

Artikel 342j-216

Bij niet geregelde voldoening van de krachtens de artikelen dezer afdeling of artikel 381b
vastgestelde uitkering is ook het Bureau voor Familierechtelijke Zaken bevoegd, het vonnis of de
beschikking ten uitvoer te leggen op de wijze bepaald in de derde afdeling van de Tweede Titel
van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

TWAALFDE TITEL A217

VAN ADOPTIE

Artikel 342k

1. Adoptie geschiedt door een rechterlijke uitspraak, waarbij een verzoek van een echtpaar, om
een kind te mogen adopteren, wordt ingewilligd.
2. Is een der echtgenoten overleden, dan kan het verzoek om adoptie door de overblijvende
echtgenoot worden ingediend, mits het in overeenstemming met de wensen van de overledene
is te achten.
3. in de volgende bepalingen worden onder adoptanten verstaan: zij die een verzoek om adoptie
hebben ingediend, met inbegrip van de echtgenoot die reeds vóór de dag van het verzoek is
overleden.

Artikel 342l

1. een verzoek om adoptie kan slechts worden ingewilligd, indien:
a. de gevraagde adoptie kennelijk in het belang van het te adopteren kind is,
b. het kind op de dag van het verzoek minderjarig is en, zo het op die dag zestien jaar of ouder
is, zelf met de adoptie instemt,
c. het kind geen wettige of natuurlijke afstammeling van een der adoptanten is, en
d. geen van beide adoptanten minder dan achttien jaar ouder is dan het kind, en bovendien de
man niet meer dan vijftig en de vrouw niet meer dan veertig jaar met het kind in leeftijd
verschilt.
2. Adoptie wordt in geen geval geacht in het belang van het kind te zijn, wanneer de moeder, of
de vader tot wie het in burgerlijke betrekkingen staat, bereid en bij machte is het naar behoren
te verzorgen en op te voeden.
3. Een verzoek om adoptie wordt in elk geval afgewezen, wanneer na verloop van zes maanden
sedert de dag van het verzoek nog aan geen van beide adoptanten de voogdij over het kind is
opgedragen, dan wel binnen die termijn afwijzend is beschikt op een verzoek om een van hen
tot voogd over het kind te benoemen.

Artikel 342m

1. Tenzij eerder blijkt, dat een verzoek om adoptie niet voor inwilliging vatbaar is, wordt de
beslissing daarop aangehouden, indien en zo lang:
a. de moeder van het kind minderjarig is en de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;
b. nog geen twee jaren zijn verstreken sedert de dag, waarop de moeder van het kind, of de
vader tot wie het in burgerlijke betrekkingen bestaat, mondeling of schriftelijk tegenover de
rechter een verklaring van bezwaar tegen de adoptie heeft afgelegd;
c. nog geen drie jaren zijn verstreken sedert de dag, waarop de adoptanten met elkander in het
huwelijk zijn getreden;
d. de voogdij over het kind aan geen van beide adoptanten is opgedragen en nog geen zes
maanden zijn verstreken sedert de dag van het verzoek;
e. het kind nog niet door de adoptanten gezamenlijk - of, wanneer een van hen is overleden,
door de ander - feitelijk is verzorgd en opgevoed gedurende een tijdvak van:
1o. zes maanden in gevallen, waarin het kind op de dag van het verzoek jonger dan drie
jaar is;
2o. een jaar in gevallen, waarin het kind op die dag wel de leeftijd van drie, maar nog niet
die van zes jaar heeft bereikt;
3o. twee jaar in alle andere gevallen.
2. Een verklaring van bezwaar, als bedoeld in het vorige lid onder b, kan niet worden afgelegd
door de moeder of vader die van het gezag over het kind is ontzet.
3. Het eerste lid van dit artikel, aanhef en onder b, vindt geen verdere toepassing, wanneer degene
die de verklaring van bezwaar heeft afgelegd:
a. overlijdt of van het gezag over het kind wordt ontzet;
b. als meerderjarige, dan wel na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, de verklaring
tegenover de rechter intrekt.

Artikel 342n

1. Door adoptie verkrijgt de geadopteerde de staat van wettig kind van de adoptanten.
2. Door adoptie vervallen de burgerlijke betrekkingen, die tevoren bestonden tussen de
geadopteerde en zijn bloed- en aanverwanten in de opgaande linie en in de zijlinie.
3. Voor de vaststelling van de rechten op een nalatenschap, opengevallen na de dag van de
adoptie, wordt de geadopteerde beschouwd als een kind uit het huwelijk van de adoptanten, ook wanneer een van hen reeds vóór die dag is overleden.

Artikel 342o

1. De adoptie heeft haar gevolgen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak, strekkend tot
inwilliging van het verzoek van de adoptanten, kracht van gewijsde heeft gekregen; aan de
uitspraak kan geen terugwerkende kracht worden gegeven.
2. De adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou de rechter de in artikel 342l gestelde
voorwaarden ten onrechte als vervuld hebben aangenomen, dan wel een in artikel 342m
gestelde termijn niet in acht hebben genomen, onverminderd nochtans de mogelijkheid van
request-civiel.

Artikel 342p

1. De adoptie kan door een rechterlijke uitspraak, op verzoek van de geadopteerde, worden
herroepen.
2. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de herroeping in het belang van het kind is,
de rechter van de redelijkheid van de herroeping in gemoede overtuigd is, en het verzoek is
ingediend niet eerder dan twee jaren en niet later dan drie jaren na de dag waarop de
geadopteerde meerderjarig is geworden.

Artikel 342q

1. Door herroeping van de adoptie heeft de geadopteerde niet langer de staat van wettig kind van
de adoptanten.
2. De burgerlijke betrekkingen, die krachtens deze staat bestonden tussen de geadopteerde, zijn
echtgenoot en zijn kinderen enerzijds, en de adoptanten en hun bloed- en aanverwanten
anderzijds, houden op te bestaan.
3. De burgerlijke betrekkingen, die door de adoptie hebben opgehouden te bestaan, herleven door
de herroeping.
4. Artikel 342o vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige toepassing.

DERTIENDE TITEL

VAN BLOEDVERWANTSCHAP EN ZWAGERSCHAP

Artikel 343

Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tussen personen welke de een van de andere
afstammen, of een gemene stamvader hebben.
De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal van de geboorten;
elke geboorte wordt een graad genoemd.

Artikel 344

De opvolging van graden maakt de linie.
Men noemt een rechte linie de opvolging van graden tussen personen, die de een van de
andere afstammen; zijlinie, de opvolging van graden tussen personen, die niet van elkander
afstammen, maar die een gemene stamvader hebben.

Artikel 345

De rechte linie wordt onderscheiden in rechte nederdalende, en rechte opgaande linie.
De eerste maakt het verband tussen de stamvader en die van hem afstammen; de laatste
verbindt een persoon met diegene, van welke hij afstamt.

Artikel 346

In de rechte linie rekent men, dat er tussen de personen zovele graden zijn als er

geboorten bestaan: zo staat, in de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot de vader, in de
eerste graad; de kleinzoon in de tweede; en zo voorts; en wederkerig staan, in de opgaande linie,
de vader en grootvader met betrekking tot de zoon en kleinzoon, in de eerste of tweede graad, en
zo vervolgens.

Artikel 347

In de zijlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tussen de ene
bloedverwant en de naaste gemene stamvader, en vervolgens tussen deze en de andere
bloedverwant; zo bestaan twee broeders elkander in de tweede graad, ooms en neven in de derde,
volle neven in de vierde, en zo vervolgens.

Artikel 348

Zwagerschap bestaat in de betrekking, welke door aanhuwelijking geboren wordt tussen
de ene der echtgenoten en de bloedverwanten van de andere.
Er bestaat geen zwagerschap tussen de wederzijdse bloedverwanten der echtgenoten.

Artikel 349

De graden van zwagerschap worden op dezelfde manier als die der bloedverwantschap
berekend.

Artikel 350

Door de ontbinding van het huwelijk wordt de zwagerschap tussen de ene der echtgenoten
en de bloedverwanten van de andere niet opgeheven.

VEERTIENDE TITEL218

VAN DE OUDERLIJKE MACHT

EERSTE AFDELING219

VAN DE GEVOLGEN VAN DE OUDERLIJKE MACHT TEN OPZICHTE

VAN DE PERSOON VAN HET KIND

Artikel 351-220

Een kind, van welke ouderdom ook, is eerbied en ontzag aan zijn ouders verschuldigd.
De ouders zijn verplicht hun minderjarige kinderen te onderhouden en op te voeden.
Verlies of ontstentenis van de ouderlijke macht of de voogdij ontheft hen niet van de verplichting
om tot de kosten van onderhoud en opvoeding naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen.
Ten aanzien van de meerderjarigen gelden de bepalingen voorkomende in de derde afdeling van
deze titel.

Artikel 352-221

Gedurende het huwelijk der ouders staat het kind tot aan zijn meerderjarigheid onder hun
macht, voorzover zij daarvan niet zijn ontheven of ontzet of voorzover zij niet bij plaats gehad
hebbende wettiging niet de ouderlijke macht hebben gekregen.

Artikel 353-222

Behoudens het geval van ontheffing of ontzetting het geval, dat niettegenstaande
wettiging de vader niet de ouderlijke macht heeft gekregen en de bepalingen betreffende
scheiding van tafel en bed, oefent de vader alleen deze macht uit.
Indien de vader buiten de mogelijkheid is de ouderlijke macht uit te oefenen, wordt die
macht, behoudens in geval van scheiding van tafel en bed, uitgeoefend door de moeder.
Is ook deze daartoe niet in staat of niet bevoegd, dan wordt door de kantonrechter een
voogd benoemd overeenkomstig artikel 410.

Artikel 354-223

Onverminderd het bepaalde in geval van ontbinding van het huwelijk na scheiding van
tafel en bed, echtscheiding en scheiding van tafel en bed zijn de ouders verplicht ten behoeve van
het onderhoud en de opvoeding van hun minderjarig kind, indien zij de ouderlijke macht of de
voogdij over dat kind niet bezitten zonder daarvan te zijn ontheven of ontzet, wekelijks,
maandelijks, of driemaandelijks zoveel aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken uit te keren
als de rechter op diens vordering zal hebben bepaald.

Artikel 355-224

Wanneer hij die de ouderlijke macht uitoefent, gewichtige redenen van misnoegen heeft
over het gedrag van zijn kind, kan de kantonrechter, op zijn verzoek en te zijnen koste, na
verhoor van het kind, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den andere der ouders wanneer
deze de ouderlijke macht niet heeft verloren, dat kind voor een bepaalde tijd doen opnemen in
een voor dat doel bij wet aangewezen inrichting.
Indien de rechter bij het geven van zijn beschikking beslist, dat hij, die de ouderlijke
macht uitoefent, niet in staat is de kosten aan de opneming verbonden te betalen, komen deze ten
laste van Suriname.

Artikel 356-225

Vervallen.

Artikel 357-226

Hij die de ouderlijke macht uitoefent blijft altijd meester om de in het bevel tot opneming
bepaalde tijd te verkorten. Om verlenging van de duur der opneming te verkrijgen, zal opnieuw
het bepaalde bij artikel 355 moeten worden in acht genomen.

Artikel 358-227

Natuurlijke kinderen staan uitsluitend onder voogdij. Een natuurlijk kind, van welke
ouderdom ook, is eerbied en ontzag verschuldigd aan zijn moeder en tevens aan zijn vader, indien
deze het kind heeft erkend. De moeder van een natuurlijk kind en de vader, indien deze het kind
heeft erkend, zijn verplicht het kind gedurende zijn minderjarigheid te onderhouden en op te
voeden. De derde en de vierde zin van artikel 351 zijn van toepassing.
Artikel 354 is toepasselijk ten aanzien van de moeder van een minderjarig natuurlijk kind
en van de vader, mits deze het kind heeft erkend, indien zij de voogdij over dat kind niet bezitten
zonder daarvan te zijn ontheven of ontzet.

TWEEDE AFDELING228

VAN DE GEVOLGEN VAN DE OUDERLIJKE MACHT

TEN OPZICHTE VAN DE GOEDEREN VAN HET KIND

Artikel 359-229

Hij die over een minderjarig kind de ouderlijke macht uitoefent heeft het bewind over de
aan dat kind toebehorende goederen, behoudens de bepalingen van artikel 290 en het laatste lid
van artikel 371c.
Deze bepaling is echter niet toepasselijk op zodanige goederen, welke, hetzij bij akte
onder de levenden, hetzij bij een uiterste wilsbeschikking, aan de kinderen zijn geschonken of
gemaakt, onder bepaling dat het bewind daarover wordt gevoerd door een of meer daarbij
aangewezen bewindvoerders, buiten hem die de ouderlijke macht uitoefent.
Wanneer zodanig gesteld bewind, om welke redenen ook, mocht vervallen, gaan de
bedoelde goederen over onder het beheer van hem die de ouderlijke macht uitoefent.
Niettegenstaande de aanstelling van bijzondere bewindvoerders, in voege voorschreven,
heeft hij die de ouderlijke macht uitoefent het recht om, gedurende de minderjarigheid van zijn
kind, van eerstgemelde rekening en verantwoording te vragen.

Artikel 360-230

Hij die krachtens de ouderlijke macht het bewind over de goederen van zijn kinderen
heeft is verantwoordelijk, zo voor de eigendom der goederen als voor de vruchten van zodanige
goederen waarvan hij het genot niet heeft.
Wat de goederen betreft, waarvan de wet hem het vruchtgenot toekent, is hij alleen
verantwoordelijk voor derzelver eigendom.

Artikel 361-231

Hij kan over de goederen van zijn minderjarige kinderen niet beschikken dan met
inachtneming der regelen, welke ten opzichte van het vervreemden van goederen, aan
minderjarigen toebehorende, in de vijftiende titel van het eerste boek zijn voorgeschreven.

Artikel 362-232

In alle gevallen waarin hij een tegenstrijdig belang met dat van zijn minderjarige kinderen
mocht hebben, zullen laatstgemelde worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator,
daartoe door de kantonrechter te benoemen.
Het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 178 zijn van toepassing.

Artikel 363-233
De vader of de moeder die de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent heeft het
vruchtgenot van de goederen der kinderen.
In het geval, dat zowel de een als de ander der ouders van de ouderlijke macht of de
voogdij ontheven zijn, hebben beide ouders het vruchtgenot van het vermogen hunner
minderjarige kinderen.
De ontheffing van de vader of de moeder, die de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent
terwijl de andere der ouders overleden of van de ouderlijke macht of de voogdij ontzet is, heeft
geen gevolgen ten aanzien van het vruchtgenot.

Artikel 364

Met dat vruchtgenot zijn de volgende lasten verbonden:
1°. De zodanige, waartoe de vruchtgebruikers verplicht zijn;
2°. Het onderhoud en de opvoeding der kinderen, overeenkomstig het vermogen van
` laatstgemelden;
3°. De betaling van renten en van interesten van hoofdsommen;
4°. De begrafeniskosten van het kind.

Artikel 365

Het vruchtgenot heeft geen plaats:
1°. Ten opzichte van zodanige goederen, welke de kinderen door afzonderlijke arbeid en
vlijt mochten hebben verkregen;
2°. Ten opzichte van de goederen, welke aan hen bij akte onder de levenden of bij uiterste
wilsbeschikking zijn geschonken of gemaakt, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de ouders
daarvan het vruchtgenot niet zouden bekomen.

Artikel 366

Het vruchtgenot houdt op door het overlijden der kinderen.

Artikel 367

De langstlevende der echtgenoten, welke mocht verzuimd hebben om, overeenkomstig
artikel 180, een inventaris te doen opmaken, zal door dat verzuim het vruchtgenot verliezen
van al de goederen, welke aan de minderjarige kinderen toebehoren.

Artikel 368-234

Vervallen.

Artikel 369-235

Vervallen.

Artikel 370-236

Wanneer het vruchtgenot krachtens artikel 367 is verloren, heeft de kantonrechter de
bevoegdheid om aan de langstlevende der ouders uit de inkomsten der kinderen een jaarlijkse
uitkering toe te leggen, teneinde gedurende hun minderjarigheid tot bevordering van hun
opvoeding te worden besteed.
Het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 178 zijn van toepassing.

Artikel 371-237

De vader noch de moeder van een onwettig kind heeft het vruchtgenot van diens
vermogen.

TWEEDE AFDELING A238

VAN DE ONTHEFFING EN DE ONTZETTING

VAN DE OUDERLIJKE MACHT

Artikel 371a-239

Hij die de ouderlijke macht uitoefent kan, hetzij ten aanzien van alle, hetzij ten aanzien
van een of meer kinderen, op verzoek van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of op
vordering van het openbaar ministerie van de ouderlijke macht worden ontheven op grond dat hij
ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, en het belang der
kinderen zich niet uit andere hoofde tegen die ontheffing verzet.
Indien de rechter het in het belang der kinderen noodzakelijk oordeelt, kan ieder der
ouders, voorzover hij de ouderlijke macht nog niet verloren heeft, op verzoek van de andere der
ouders, van een der bloedverwanten of aangehuwden der kinderen tot de vierde graad ingesloten,
van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of op de vordering van het openbaar ministerie van
de ouderlijke macht over alle of over een of meer kinderen worden ontzet op grond van:
1°. misbruik van de ouderlijke macht of grove verwaarlozing van de verplichting tot
onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen;
2°. slecht levensgedrag;
3°. onherroepelijke veroordeling wegens het opzettelijk deelnemen aan enig misdrijf met
een aan zijn gezag onderworpen minderjarige;
4°. onherroepelijke veroordeling wegens enig misdrijf, omschreven in de Titels XIII,
XIV, XV, XVIII, XIX en XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd
tegen een aan zijn macht onderworpen minderjarige;
5°. onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf van twee jaren of langer;
6°. het terugeisen van een kind van anderen, die onderhoud en opvoeding van dat kind op
zich hebben genomen, terwijl gegronde vrees bestaat, dat bij inwilliging van de eis het kind zal
worden verwaarloosd.
Behalve door de personen in dit artikel reeds genoemd kan het verzoek om ontzetting in
het onder 6o bedoelde geval ook geschieden door hen, die onderhoud en opvoeding van het kind op zich hebben genomen;
7°. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of
belemmeren van een krachtens het bepaalde in de artikelen 372q en 372r bevolen opneming.
Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid aan en poging tot
misdrijf.

Artikel 371b-240

De verzoeken of vorderingen in het vorig artikel bedoeld bevatten de feiten en
omstandigheden waarop zij zijn gegrond, en worden met de tot staving daarvan dienende
bescheiden ingediend bij de kantonrechter van de woon- of verblijfplaats van het kind. Tenzij het
verzoek tot ontheffing of ontzetting van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken is uitgegaan,
worden de verzoeken of vorderingen met de bovenbedoelde bescheiden door de griffier ten
spoedigste in afschrift medegedeeld aan die raad.
Bij het verzoek of de vordering tot ontheffing wordt, zoveel mogelijk, tevens vermeld op
welke wijze hetzij in de uitoefening van de ouderlijke macht hetzij in de voogdij is te voorzien,
en bij alle verzoeken of vorderingen in het vorige artikel bedoeld geschiedt tevens opgave van de
namen der ouders en van hun woonplaats en verblijfplaats, voorzover die bekend zijn, van de
namen en woonplaatsen der bloedverwanten of der aangehuwden, die overeenkomstig artikel 385
moeten worden opgeroepen, zomede van de getuigen, die de feiten in het verzoek of de vordering
gesteld zouden kunnen staven.
Ontheffing wordt niet uitgesproken indien hij die de ouderlijke macht uitoefent zich
daartegen verzet.
Deze regel lijdt uitzondering:
1o. indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een
opneming krachtens het bepaalde in de artikelen 372q en 372r van meer dan een jaar en zes
maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel, door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen,

onvoldoende is om het kind voor zedelijke of lichamelijke ondergang te behoeden;
2o. indien, zonder de ontheffing van de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de
kinderen niet aan diens invloed zou onttrekken;
3o. indien de geestvermogens van de ouder zodanig zijn gestoord, dat hij niet in staat is
zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.

Artikel 371c-241

De kantonrechter doet uitspraak na verhoor of behoorlijke oproeping van de ouders en de
bloedverwanten of aangehuwden der kinderen en van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken.
Indien de kantonrechter het nodig oordeelt, kan hij het horen van getuigen bevelen.
Gedurende het onderzoek kan ieder tot de uitoefening van de voogdij bevoegde
ingezetene van Suriname en het bestuur van elke der in artikel 418 genoemde verenigingen,
stichtingen en instellingen van weldadigheid zich tot de kantonrechter wenden met een
verzoekschrift om met de voogdij te worden belast. De kantonrechter kan hun oproeping bevelen
om over dit verzoekschrift te worden gehoord.
Ingeval het verzoek of de vordering wordt toegewezen oefent de echtgenoot van hem
wiens ontheffing of ontzetting uitgesproken is, van rechtswege de ouderlijke macht uit, tenzij hij
eveneens daarvan was ontheven of ontzet of niettegenstaande wettiging de ouderlijke macht niet
heeft gekregen.
Niettemin kan de kantonrechter hem, op verzoek van het Bureau voor Familierechetlijke
Zaken, op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve mede van de ouderlijke macht
ontheffen, indien daartoe termen zijn. Op deze ontheffing is het laatste lid van artikel 371b
toepasselijk.
Bij zodanige ontheffing, zomede indien de echtgenoot reeds van de ouderlijke macht is
ontheven of ontzet, voorziet de kantonrechter tevens in de voogdij en de toeziende voogdij over
de kinderen die aan de ouderlijke macht worden onttrokken.
In de beschikking waarbij de ontheffing of de ontzetting wordt uitgesproken, zal hij die de
uitoefening van de ouderlijke macht verliest, worden veroordeeld om rekening en verantwoording
van zijn beheer te doen aan de andere echtgenoot of de voogd.
De kantonrechter kan bovendien, indien de kinderen die onder de ouderlijke macht of de
voogdij van verschillende personen komen, goederen gemeen hebben, één dezer of een ander
persoon aanwijzen om onder de nodige door de kantonrechter te stellen waarborgen het bewind
over die goederen waar te nemen, totdat scheiding en deling heeft plaats gehad overeenkomstig
de 16de titel van het tweede boek.

Artikel 371c bis-242

Alle oproepingen geschieden door de griffier van het kantongerecht bij aangetekende
brief uiterlijk op de tweede dag, nadat het verhoor is bepaald, te verzenden; indien echter
oproeping moet plaats hebben van een persoon, wiens verblijfplaats niet bekend is, dan wordt zij
onverwijld door de griffier geplaatst in een of meer door de kantonrechter aan te wijzen
nieuwsbladen. De oproeping van hem wiens ontheffing of ontzetting van de ouderlijke macht
wordt verzocht of gevorderd, gaat, tenzij zijn verblijfplaats niet bekend is, vergezeld van een
beknopte opgave van de inhoud van het verzoek of de vordering.

Artikel 371d-243

De behandeling van de zaak geschiedt ter terechtzitting met gesloten deuren
De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. Zij kan uitvoerbaar verklaard worden
bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep, met of zonder borgtocht.
Wanneer hij, wiens ontheffing of ontzetting is verzocht of gevorderd, op de oproeping
niet is verschenen, kan hij tegen zijn ontheffing of ontzetting in verzet komen, binnen veertien
dagen nadat de beschikking of enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan
strekkende akte aan hem in persoon is betekend of na het plegen door hem van enige daad
waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat de beschikking of de aangevangen tenuitvoerlegging hem
bekend is.
Hij wiens verzoek, of het openbaar ministerie welks vordering tot ontheffing of ontzetting
van de ouderlijke macht is afgewezen, en hij die, op de oproeping verschenen, van de ouderlijke
macht is ontheven, of ontzet, gelijk mede hij wiens verzet is afgewezen, kan in hoger beroep
komen.
Wanneer het verzoek of de vordering strekt tot ontzetting van de ouderlijke macht, staat
het aan de kantonrechter vrij, gedurende het onderzoek de uitoefening van de ouderlijke macht
geheel of gedeeltelijk te schorsen en aan de andere der ouders of aan een ander door het hof aan
te wijzen persoon of aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken zodanige bevoegdheden ten
aanzien van de persoon en de goederen der kinderen toe te kennen als hij zal oirbaar achten.
Tegen de in het voorgaande lid bedoelde beschikkingen is generlei voorziening
toegelaten. Zij behouden hun kracht totdat de uitspraak omtrent de ontzetting kracht van gewijsde
heeft verkregen.
De kosten voor het onderhoud en de opvoeding der minderjarigen, ingevolge het vijfde lid
gemaakt door de persoon door de kantonrechter aangewezen of door het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken, kunnen door deze op de goederen en inkomsten der minderjarigen en
bij onvermogen der kinderen op die hunner ouders worden verhaald; de laatsten zijn hoofdelijk
voor voldoening van die kosten aansprakelijk.
Hij die tot zulk verhaal in rechten optreedt, wordt geacht van de kantonrechter vergunning
te hebben verkregen kosteloos te procederen. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van degene,
die zijn reeds vroeger afgewezen vordering andermaal aanhangig maakt.

Artikel 371e-244

Hij, die van de ouderlijke macht is ontheven of ontzet, kan, zowel op eigen verzoek als op
verzoek van hen, die ingevolge artikel 371a bevoegd zijn ontheffing of ontzetting te verzoeken,
zomede op de vordering van het openbaar ministerie, door de kantonrechter in de ouderlijke
macht worden hersteld of tot voogd over zijn minderjarige kinderen worden benoemd, indien
blijkt, dat zijn gedrag of zijn ongeschiktheid of onmacht geen beletsel zijn hem de ouderlijke
macht of voogdij op te dragen. Eveneens kan hij, die van de voogdij of toeziende voogdij over
eigen kinderen is ontheven of ontzet en daarna met zijn voormalige echtgenoot is hertrouwd,
gedurende dat huwelijk hersteld worden in de ouderlijke macht.
Het verzoek of de vordering wordt ingediend bij de kantonrechter, die van het verzoek of
de vordering tot ontheffing heeft kennis genomen.
De kantonrechter doet uitspraak, na verhoor of behoorlijke oproeping zo mogelijk van
beide ouders, van de bloedverwanten of aangehuwden der kinderen, alsmede van het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken en, indien de kinderen onder voogdij staan, van de voogd of het bestuur
van de vereniging, stichting of instelling van weldadigheid waaraan de voogdij is opgedragen en
de toeziende voogd. Indien de rechter het nodig oordeelt, is hij bevoegd het horen van getuigen te
bevelen.
De behandeling van de zaak geschiedt ter terechtzitting met gesloten deuren.
De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. Zij kan uitvoerbaar worden verklaard
bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep, met of zonder borgtocht.
Tegen de beschikking, waarbij het verzoek of de vordering wordt toegewezen, kan
diegene der ouders, die daardoor de uitoefening van de ouderlijke macht of de voogdij verliest,
indien hij op de oproeping niet is verschenen, in verzet komen binnen veertien dagen nadat de
beschikking of enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan
hem in persoon is betekend of na het plegen door hem van enige daad waaruit noodzakelijk
voortvloeit, dat de beschikking of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.
Hoger beroep kan worden ingesteld door hem wiens verzoek, of door het openbaar
ministerie welks vordering, zomede door hem wiens verzet is afgewezen, benevens door degenen,
die zijn gehoord en ondanks wier tegenspraak het verzoek of de vordering is toegewezen.

Artikel 371e bis-245

Indien de minderjarigen zich niet reeds bevinden in de feitelijke macht van de persoon of
van het Bestuur van de vereniging, stichting of instelling van weldadigheid, aan welke ingevolge
enige rechterlijke beschikking in deze afdeling bedoeld de uitoefening van de ouderlijke macht of
de voogdij toekomt, of van de persoon of van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, aan
welke de kinderen mochten zijn toevertrouwd krachtens de beschikking bedoeld in artikel 371d,
vierde lid, wordt in dezelfde rechterlijke beschikking tevens de afgifte der kinderen aan degene,
wie het gezag over de minderjarigen tengevolge van zulke beschikking toekomt, bevolen.
Wordt de afgifte der minderjarigen door hem, in wiens feitelijke macht deze zich
bevinden, geweigerd, dan kan degene, aan wie krachtens rechterlijke beschikking het gezag over
hen toekomt, hun overbrenging doen geschieden door de deurwaarder, aan wie door hem deze
tenuitvoerlegging van de beschikking is opgedragen.
Deze tenuitvoerlegging geschiedt niet dan nadat de beschikking is betekend aan hem, aan
wie het gezag over de minderjarigen is onttrokken, zomede aan hem, onder wiens feitelijke macht
zich de minderjarigen mochten bevinden.
Ingeval van feitelijke wederstand kan de deurwaarder de hulp van de openbare burgerlijke
macht inroepen.
De deurwaarder zal elke plaats kunnen betreden, waar de minderjarigen zich bevinden of
vermoed worden zich te bevinden; indien echter de minderjarigen zich bevinden of vermoed
worden zich te bevinden in een woning, waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd
of waarvan de deuren gesloten zijn, zal de deurwaarder zich vervoegen te Paramaribo bij de
Commissaris van Politie en in één buitendistrict bij de District-Commissaris, in wiens
tegenwoordigheid het binnentreden van de woning zal geschieden. Van de tegenwoordigheid van
deze ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn uit kracht van dit artikel is verricht, zal melding
worden gemaakt in het proces-verbaal van tenuitvoerlegging, welk stuk door die ambtenaar mede
zal worden ondertekend.

Artikel 371f-246

De procureur-generaal is bevoegd op grond van de feiten die tot ontzetting van de
ouderlijke macht aanleiding kunnen geven, minderjarigen voorlopig aan de macht van hem, die
de ouderlijke macht uitoefent te onttrekken en aan de zorg van het Bureau voor Familierechtelijke
Zaken toe te vertrouwen totdat door de rechter in de ouderlijke macht of de voogdij zal zijn
voorzien, of door de rechter zal zijn beslist dat geen voorziening nodig is en deze beschikking
kracht van gewijsde zal hebben verkregen. De bepalingen van het zevende en het achtste lid van
artikel 371d zijn ten deze toepasselijk.
Bijaldien de procureur-generaal van bovenbedoelde bevoegdheid gebruik maakt vóór een
verzoek of vordering tot ontzetting bij de rechter is ingediend, is hij verplicht zonder verwijl tot
de indiening van die vordering over te gaan.
Indien de afgifte der minderjarigen aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken wordt
geweigerd, kan de Procureur-Generaal hun overbrenging doen geschieden door de deurwaarder
of dienaar van de openbare macht door hem belast met de tenuitvoerlegging van zijn bevelschrift.
De bepalingen van het derde, vierde en vijfde lid van artikel 371ebis vinden overeenkomstige
toepassing.

Artikel 371g-247

Hij, die van de ouderlijke macht is ontheven of ontzet, is verplicht, ten behoeve van het
onderhoud en de opvoeding der aan zijn macht onttrokken kinderen, wekelijks, maandelijks of
driemaandelijks zoveel aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken uit te keren als de rechter
op diens verzoek zal hebben bepaald.
Is door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken bij een verzoek tot ontheffing of
ontzetting van de ouderlijke macht, of wel gedurende het onderzoek, bedoeld in artikel 371c, de
bepaling van de uitkering aan de kantonrechter verzocht, dan geschiedt die bepaling in de
beschikking, waarbij de ontheffing of de ontzetting wordt uitgesproken.

Artikel 371h-248

Iedere uitspraak houdende ontheffing of ontzetting van de ouderlijke macht wordt
onmiddellijk door de griffier van het kantongerecht in afschrift medegedeeld aan hem op wie de
uitoefening van de ouderlijke macht overgaat of die met de voogdij wordt belast, alsmede aan het
Bureau voor Familierechtelijke Zaken.
Gelijke mededeling geschiedt door de griffier van de rechterlijke beschikkingen in het
voorgaande artikel bedoeld.

Artikel 371i-249

Vervallen.

Artikel 371k-250

De Procureur-Generaal, de districts-commissarissen en de ambtenaren van de burgerlijke
stand zijn verplicht zoveel in hun vermogen is, aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken
kosteloos alle inlichtingen te verschaffen. De ambtenaren van de burgerlijke stand zijn voorts
gehouden kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers te verstrekken, welke het
Bureau voor Familierechtelijke Zaken in het belang van de hem opgedragen taak van hen vraagt;
de te verstrekken afschriften en uittreksels zijn vrij van zegel.

Artikel 371l-251

Alle verzoekschriften, vorderingen, beschikkingen, exploiten en alle andere stukken,
opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van deze afdeling zijn vrij van zegel.
Alle verzoeken in deze afdeling bedoeld, welke uitgaan van het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken, worden kosteloos behandeld en de door die raad in het belang van de
hem opgedragen taak gevraagde grossen, afschriften en uittreksels worden hem door de griffiers
vrij van alle kosten uitgereikt.

TWEEDE AFDELING B252

VAN DE ONDERTOEZICHTSTELLING VAN ONDER

DE OUDERLIJKE MACHT STAANDE KINDEREN

Artikel 372-253

1. Indien een kind zodanig opgroeit, dat het met zedelijke of lichamelijke ondergang wordt
bedreigd, kan de kantonrechter het onder toezicht stellen.
2. Hij kan dit doen op verzoek van een van de ouders die de ouderlijke macht uitoefent, een van
de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of het Bureau voor Familierechtelijke
Zaken, dan wel op vordering van het openbaar ministerie.
3. De kantonrechter kan, een verzoek of een vordering tot ontheffing of ontzetting van de
ouderlijke macht afwijzend, indien het gehouden onderzoek daartoe aanleiding geeft, bij
dezelfde beschikking het kind op de in het eerste lid omschreven grond ambtshalve onder
toezicht stellen.

Artikel 372a-254

1. De verzoeken of vorderingen in het vorige artikel bedoeld omschrijven de feiten en
omstandigheden waarop zij zijn gegrond, en worden met de tot staving daarvan dienende
bescheiden ingediend bij de kantonrechter van de woonplaats of, bij gebreke van een
woonplaats hier te lande, van de verblijfplaats van de minderjarige.
2. Op het verzoek of de vordering tekent de griffier de datum van indiening aan. Tenzij het
verzoek van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken is uitgegaan, worden de verzoeken
of vorderingen met de bovenbedoelde bescheiden door de griffier ten spoedigste in
afschrift aan die raad medegedeeld.
3. Bij de verzoeken of vorderingen geschiedt tevens opgave van de namen der ouders en hun
woonplaats of verblijfplaats, en, voor zover die bekend zijn, van de namen en woonplaatsen
der bloedverwanten of aangehuwden, die overeenkomstig artikel 385 moeten worden
opgeroepen, zomede van de getuigen, die de in het verzoek of de vordering gestelde feiten
zouden kunnen staven.

Artikel 372b

1. De kantonrechter doet uitspraak na verhoor of behoorlijke oproeping van het kind, de ouders,
de bloed- of aanverwanten van het kind en het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. Indien
hij het nodig oordeelt, kan hij het horen van getuigen bevelen.
2. De voor het verhoor bestemde dag wordt niet later gesteld dan veertien dagen, nadat het
verzoek of de vordering is ingediend, indien de ouders of een van hen in Suriname verblijven,
en niet later dan twee maanden, indien beide buiten Suriname verblijven.

Artikel 372c

1. De oproepingen geschieden door de griffier bij aangetekende brief, te verzenden uiterlijk op
de tweede dag, nadat het verhoor is bepaald; indien het echter betreft oproeping van een
persoon wiens verblijfplaats niet bekend is, wordt zij onverwijld door de griffier in een of
meer door de kantonrechter aan te wijzen nieuwsbladen geplaatst.
2. De oproeping van degene die de ouderlijke macht uitoefent, gaat, tenzij het verzoek tot
ondertoezichtstelling van hemzelf is uitgegaan of zijn verblijfplaats niet bekend is, vergezeld
van een beknopte opgave van de inhoud van het verzoek of de vordering.
3. Bij niet-verschijning van het kind op de dag voor het verhoor bepaald, kan de kantonrechter
een nadere dag bepalen en bevelen, dat het kind tegen die dag door een deurwaarder of dienaar van de openbare macht voor hem wordt gebracht; het openbaar

ministerie verleend daarbij, zo nodig, zijn medewerking. Verschijnt het kind alsdan wederom niet, dan wordt de zaak zonder hem behandeld.

Artikel 372d

1. De behandeling van de zaak geschiedt ter terechtzitting met gesloten deuren, waartoe de
kantonrechter om bijzondere redenen toegang kan verlenen.
2. Binnen veertien dagen na het laatste verhoor wordt de met redenen omklede beschikking in het
openbaar uitgesproken.
3. De beschikking kan bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard, niettegenstaande verzet of
hoger beroep, met of zonder borgtocht.

Artikel 372e

1. Bij zijn beschikking tot ondertoezichtstelling benoemt de kantonrechter, een gezinsvoogd, die
onder zijn leiding op het kind toezicht houdt.
2. In de regel wint de kantonrechter, alvorens tot de benoeming over te gaan, het gevoelen in van
een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, stichting of instelling van weldadigheid, die
aan daartoe door de President te stellen eisen voldoet. Hij roept zoveel mogelijk de
medewerking van zodanige instelling in bij het uitoefenen van de leiding van het toezicht.
3. Bij toepassing van de vorige leden let de kantonrechter op de godsdienstige gezindheid van het
kind en van het gezin waartoe het behoort.

Artikel 372f

1. Bij de uitspraak brengt de kantonrechter, onder mededeling van de naam van de gezinsvoogd,
de ouder die de ouderlijke macht uitoefent, in herinnering:
a. dat bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige hij de aanwijzingen van de
gezinsvoogd moet opvolgen;
b. dat bij meningsverschil met dezelve hij zich op hem, de kantonrechter, kan beroepen.
2. Indien hij die de ouderlijke macht uitoefent, niet bij de uitspraak tegenwoordig is, wordt hij bij
aangetekende brief van de griffier opgeroepen om voor de kantonrechter te verschijnen. Het in
het vorige lid bepaalde wordt hem bij de latere verschijning medegedeeld.
3. Verschijnt hij niet voor de rechter op de oproeping bedoeld in het tweede lid, dan wordt een en
ander hem bij exploit betekend.

Artikel 372g

1. Wanneer hij die de ouderlijke macht uitoefent, op de oproeping, bedoeld bij artikel 372b, niet
is verschenen, kan hij, tenzij het verzoek tot ondertoezichtstelling van hemzelf is uitgegaan, in
verzet komen binnen veertien dagen, nadat hem overeenkomstig artikel 372f is medegedeeld,
wie met de gezinsvoogdij is belast, of nadat de beschikking of enige uit kracht daarvan
opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan hem in persoon is betekend, of na
het plegen door hem van enige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat de beschikking of
de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.
2. Hij wiens verzoek, of het openbaar ministerie welks vordering, is afgewezen, kan in hoger
beroep komen.
3. Gelijk recht van hoger beroep komt toe, tenzij het verzoek van deze zelf is uitgegaan, aan
degene die de ouderlijke macht uitoefent, indien hij bij de oproeping bedoeld bij artikel 372b
is verschenen of bij niet-verschijning zijn verzet is afgewezen.

Artikel 372h

1. De gezinsvoogd dient de ouder die de ouderlijke macht uitoefent, van raad bij de
verzorging en opvoeding, en tracht hem te overreden hiertoe het nodige te doen.
2. Bij de verzorging en opvoeding van het onder toezicht gestelde kind moet de ouder die de
ouderlijke macht uitoefent, zich naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd gedragen.

Artikel 372i
1. De kantonrechter kan, hangende het onderzoek, het kind voorlopig onder toezicht stellen. Dit
voorlopig toezicht blijft gelden, totdat omtrent de ondertoezichtstelling bij gewijsde is beslist.
2. Tegen deze beschikking is generlei voorziening toegelaten.

Artikel 372j

1. De kantonrechter bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op een termijn van ten hoogste
een jaar.
2. De duur van de ondertoezichtstelling kan door de kantonrechter, na verhoor of behoorlijke
oproeping van degene die de ouderlijke macht uitoefent en van de gezinsvoogd, telkens met
ten hoogste een jaar worden verlengd.
3. Van elke verlenging wordt, met opgave van redenen, onverwijld bij exploit kennis gegeven
aan degene die de ouderlijke macht uitoefent; deze kan daartegen in hoger beroep komen.

Artikel 372k

1. De kantonrechter kan de ondertoezichtstelling te allen tijde opheffen.
2. Zij eindigt door de meerderjarigjeid van het kind.

Artikel 372l
1. De gezinsvoogd zoekt zoveel mogelijk persoonlijke aanraking met het kind en met het
gezin waartoe het behoort.
2. Hij bevordert het geestelijk, lichamelijk en toekomstig welzijn van het kind.

Artikel 372m

1. De gezinsvoogd dient de ouder die de ouderlijke macht uitoefent, van raad bij de
verzorging en opvoeding, en tracht hem te overreden hiertoe het nodige te doen.
2. Bij de verzorging en opvoeding van het onder toezicht gestelde kind moet de ouder die de
ouderlijke macht uitoefent, zich naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd gedragen.

Artikel 372n

1. Ingeval van verschil tussen de gezinsvoogd en degene die de ouderlijke macht uitoefent, ten
aanzien van de in het belang van het kind te nemen maatregelen, beslist de kantonrechter.
2. Zodanige beslissing wordt op schriftelijk verzoek van een der partijen, nadat ook de andere
partij in de gelegenheid is gesteld haar gevoelen voor de kantonrechter toe te lichten, met de
meeste spoed genomen.
3. Van deze beschikking, die bij voorraad uitvoerbaar is, kan de ouder die de ouderlijke macht
Uitoefent, in hoger beroep komen.
4. Aanwijzing tot het nemen van maatregelen, die kosten zullen veroorzaken, kan de gezinsvoogd
slechts met machtiging van de kantonrechter geven.

Artikel 372o

De kantonrechter kan te allen tijde bevelen, dat het kind door de gezinsvoogd voor hem
wordt gebracht; het openbaar ministerie verleent daarbij, zo nodig, zijn medewerking.

Artikel 372p

Plaatsing van het kind buiten het gezin kan, behoudens in de gevallen, dat de ouder die
de ouderlijke macht uitoefent, daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogd overgaat, alleen
krachtens de artikelen 372q en 372r geschieden.

Artikel 372q

1. De kantonrechter kan het kind tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid
voor ten hoogste drie maanden in een ziekenhuis doen opnemen; het openbaar ministerie
verleent daarbij, zo nodig, zijn medewerking.
2. De kantonrechter kan, indien het belang van het kind het noodzakelijk maakt, de termijn van
opneming eenmaal met ten hoogste twee maanden verlengen.
3. Beschikkingen krachtens de voorgaande leden van dit artikel kunnen zonder voorafgaand
verhoor worden gegeven.
Tot verlenging van de plaatsing in het ziekenhuis besluit de kantonrechter niet, dan na
inlichtingen bij het hoofd van de inrichting te hebben ingewonnen.
4. Tegen de in dit artikel bedoelde beschikkingen kan de ouder die de ouderlijke macht uitoefent,
in hoger beroep komen.

Artikel 372r

1. Indien dit in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, kan de kantonrechter
het kind in een der tot dit doel door de President aan te wijzen inrichtingen of elders dan in een
inrichting doen opnemen.
2. Bij zijn keuze let de kantonrechter op de wensen van hen die het gezag uitoefenen, en op de
godsdienstige gezindheid van het kind en het gezin waartoe het behoort.
3. De kantonrechter bepaalt de duur van de opneming op een termijn van ten hoogste een jaar. Hij
kan deze termijn te allen tijde verkorten, maar tot ten hoogste twee jaren verlengen.
4. Verdere verlenging, telkens ten hoogste met een jaar, is slechts mogelijk:
a. wanneer het kind de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
b. wanneer het kind de leeftijd van dertien jaren heeft bereikt, doch alleen indien de
verlenging bepaaldelijk ter wille van de voortzetting van een aangevangen opleiding
noodzakelijk is;
c. indien de verlenging bepaaldelijk ter wille van de voortzetting van een aangevangen
behandeling van medische aard noodzakelijk is.
5. Opneming in een in het eerste lid bedoelde inrichting eindigt mede door een besluit van de
Minister van Justitie en Politie, de kantonrechter gehoord, wanneer de minister dit in verband
met een juiste verdeling der in de aangewezen inrichtingen beschikbare plaatsruimte
noodzakelijk oordeelt.
6. De beschikkingen krachtens de voorgaande leden van dit artikel worden niet gegeven, dan
nadat ook de gezinsvoogd gehoord of behoorlijk opgeroepen is. Artikel 372q derde lid, tweede
volzin, en vierde lid is van toepassing.

Artikel 372s

De kosten van de maatregelen, bedoeld bij de artikelen 372n vierde lid, 372q en 372r,
komen ten laste van de ouders of, voor zover deze onvermogend zijn, ten laste van het kind; voor
zover ook het kind onvermogend is, blijven die kosten ten laste van het Land.

Artikel 372t

Door de President worden voorschriften gegeven ten aanzien van alles, wat in verband
met de uitvoering van het bepaalde in deze afdeling nog nadere voorziening behoeft.

Artikel 372u

1. Alle verzoekschriften, vorderingen, beschikkingen, exploiten en alle andere stukken,
opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van deze afdeling, zijn vrij van zegel.
2. Alle verzoeken in deze afdeling bedoeld, welke uitgaan van het Bureau voor Familierechtelijke
Zaken, worden kosteloos behandeld en de door die raad in het belang van de hem opgedragen
taak gevraagde grossen, afschriften en uittreksels worden hem door de griffiers vrij van alle
kosten uitgereikt. Artikel 371k is te dezen eveneens van toepassing.

DERDE AFDELING

VAN DE WEDERZIJDSE VERPLICHTINGEN TUSSEN DE OUDERS OF

VOOROUDERS EN DE KINDEREN EN VERDERE AFKOMELINGEN

Artikel 373-255

Een kind heeft geen rechtsvordering tegen zijn ouders tot het bekomen van een gevestigde
stand, door huwelijksuitzet of op een andere wijze.

Artikel 373a-256

De kinderen zijn verplicht hun ouders en andere bloedverwanten in de opgaande linie,
wanneer zij behoeftig zijn, te onderhouden.

Artikel 374

Schoonzoons en schoondochters moeten insgelijks, en in dezelfde gevallen, aan hun
schoonouders onderhoud verschaffen; doch deze verplichting houdt op:
1°. Wanneer de schoonmoeder tot een tweede huwelijk is overgegaan;
2°. Wanneer diegene der echtgenoten, door wie de zwagerschap bestond, en de kinderen,
uit deszelfs huwelijksvereniging met de andere echtgenoot gesproten, overleden zijn.

Artikel 375

De verplichtingen, welke uit de bepalingen der twee voorgaande artikelen voortvloeien
zijn wederkerig.

Artikel 376-257

Vervallen.

Artikel 377-258

Vervallen.

Artikel 378-259

Wanneer degene, die tot het geven van onderhoud verplicht is, bewijst buiten staat te zijn
het geld, daartoe vereist, op te brengen, kan de kantonrechter, na onderzoek van zaken, bevelen,
dat hij degene, aan wie hij onderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het
nodige voorzien.

Artikel 379

Wanneer de vader of de moeder aanbiedt om het kind, aan hetwelk zij onderhoud
verschuldigd zijn, bij zich in huis te voeden en te onderhouden, zijn zij daardoor vrijgesteld van
de gehoudenis om aan die verplichting op een andere wijze te voldoen.

Artikel 380-260

Tussen een natuurlijk kind en zijn moeder bestaat de wederkerige verplichting elkaar in
geval van behoeftigheid te onderhouden.
Tussen een natuurlijk kind en zijn vader bestaat zodanige wederkerige verplichting slechts
wanneer de vader het kind erkend heeft; de vader kan zijnerzijds echter geen aanspraak op
onderhoud maken, wanneer hij het kind na diens meerderjarigheid heeft erkend.

Artikel 381

Alle overeenkomsten, waarbij zou worden afgezien van het recht om onderhoud te
genieten, zijn nietig en van onwaarde.

VEERTIENDE TITEL A261

VAN DE BEPALING, WIJZIGING EN INTREKKING VAN

UITKERINGEN TOT ONDERHOUD

Artikel 381a

Het krachtens dit boek verschuldigde onderhoud, daaronder begrepen het verschuldigde
voor onderhoud en opvoeding van een minderjarige, wordt bepaald naar evenredigheid der
behoeften van de tot onderhoud gerechtigde enerzijds en het inkomen en vermogen van de tot
uitkering verplichte, in verband met het getal en de hoedanigheid der andere personen, wier
onderhoud volgens dit boek te zijnen laste komt, anderzijds.

Artikel 381b

De rechter is bevoegd, de beslissing over de uitkering op vordering van de tot onderhoud
veroordeelde of van degene aan wie de betaling moet geschieden te wijzigen of in te trekken.
De wijziging of intrekking moet zijn gegrond op de overweging, dat de feitelijke
verhouding bestaande tussen de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde enerzijds en het
inkomen en vermogen van de tot onderhoud veroordeelde in verband met de op hem rustende
lasten anderzijds sedert het ogenblik, waarop bedoelde beslissing is gegeven, zo aanmerkelijk is
veranderd, dat had deze gewijzigde verhouding bestaan op genoemd ogenblik, de beslissing een
andere zou zijn geweest.
De rechter is bevoegd om op overeenkomstige wijze een door partijen getroffen regeling
terzake van onderhoud krachtens dit Boek verschuldigd, te wijzigen of in te trekken.

VIJFTIENDE TITEL

VAN MINDERJARIGHEID EN VOOGDIJ

EERSTE AFDELING

VAN DE MINDERJARIGHEID

Artikel 382-262

Minderjarigen zijn de zodanigen, die de volle ouderdom van een en twintig jaren niet
hebben bereikt en niet vroeger in de echt zijn getreden.
Wanneer het huwelijk vóór hun volle ouderdom van een en twintig jaren is ontbonden,
keren zij niet tot de staat van minderjarigheid terug.
Minderjarigen die niet staan onder de ouderlijke macht, staan onder voogdij, op de voet en
de wijze als bij de derde, vierde, vijfde en zesde afdeling van deze titel is voorgeschreven.

Artikel 382a-263

Bij het ontbreken van een bekende woonplaats binnen Suriname worden de voogden over
de minderjarige ingezetenen van Suriname geacht ten aanzien der voogdij woonplaats te hebben
bij de toeziende voogd.
Wordt de toeziende voogd door een ander vervangen, dan houdt deze woonplaats stand
totdat de toeziende voogdij van de nieuw benoemde begint.
Brengt de toeziende voogd zijn woonplaats naar het buitenland over, dan houdt het
voogdij-domicilie stand totdat de minderjarige een andere woonplaats binnen Suriname verkrijgt.

Artikel 382b-264

1. Er is een Bureau voor Familierechtelijke Zaken, waaraan - behalve de in dit wetboek of in
andere wetten uitdrukkelijk genoemde bemoeienissen - is opgedragen de zorg voor de
minderjarigen, die bij rechterlijk vonnis of anderszins aan de zorg van het Bureau zijn
toevertrouwd.
2. Taak en bevoegdheden van het Bureau worden, voor zover dit niet in dit Wetboek of in andere
wettelijke regelingen heeft plaatsgehad, bij Staatsbesluit geregeld.
3. Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken draagt zorg, dat de gelden, aan het Bureau betaald
door personen, die krachtens dit Wetboek of een andere wettelijke regeling tot een uitkering
tot onderhoud en opvoeding van hun kinderen verplicht zijn, overeenkomstig hun bestemming
worden besteed.

Artikel 382c-265

Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken kan in rechte optreden ten behoeve van
minderjarigen, die in Suriname hun woonplaats dan wel hun werkelijk verblijf hebben of hun
woonplaats gehad hebben.

Artikel 382d-266

1. Alle vorderingen strekkende tot vaststelling van een bedrag tot onderhoud en opvoeding van
minderjarige kinderen en vorderingen strekkende tot wijziging van een dergelijk bedrag
kunnen door de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige, na intrede van de
meerderjarigheid door het kind zelf en door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken worden
ingesteld. Ze kunnen van een ter zake gegeven beslissing in verzet of hoger beroep gaan.
2. Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken behoeft voor het instellen van een in het vorige lid
bedoelde vordering en voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de in dat lid bedoelde
beslissingen schriftelijke toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger van de
minderjarige en zo dat de moeder niet is, tevens van de moeder, behalve wanneer zij haar wil
niet kan verklaren.
3. Bij niet geregelde voldoening van de bedragen door de rechter vastgesteld na een verzoek als
bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan, ongeacht wie het verzoek heeft gedaan, het Bureau
voor Familierechtelijke Zaken het vonnis of de beschikking ten uitvoer leggen op de wijze
bedoeld in de Derde Afdeling van de Tweede Titel van het Tweede Boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
4. De uitkeringen, bedoeld in het eerste lid worden aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken
uitbetaald, tenzij uit desbetreffende wettelijke bepalingen het tegendeel blijkt of met de
wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige anders is overeengekomen.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VOOGDIJ IN HET ALGEMEEN

Artikel 383-267

In iedere voogdij is slechts één voogd en één toeziende voogd, behoudens de bepalingen
van de artikelen 403 en 415.
De voogdij of toeziende voogdij van kinderen van dezelfde ouders wordt gerekend voor
een enkele voogdij of toeziende voogdij, voorzover die kinderen een zelfde voogd of toeziende
voogd hebben.

Artikel 383a-268

De voogdij begint:
1°. indien een voogd benoemd is door de rechter, van het ogenblik van zijn benoeming
indien deze in zijn tegenwoordigheid heeft plaats gehad, of anders op de dag volgende op die,
waarop de kennisgeving van de griffier omtrent zijn benoeming aan hem is verzonden:
2°. indien een voogd benoemd is door een der ouders, van het ogenblik dat de benoeming
door het overlijden van kracht is geworden en de benoemde verklaard heeft dat hij de benoeming op zich neemt;
3°. indien een gehuwde vrouw tot voogdes is benoemd hetzij door de rechter hetzij door
een der ouders, van het ogenblik dat zij met bijstand of machtiging van haar man of met
machtiging van de rechter verklaard heeft de voogdij op zich te nemen;
4°. indien een vereniging, stichting of instelling van weldadigheid anders dan op eigen
verzoek of bereidverklaring tot voogd is benoemd, van het ogenblik dat zij verklaard heeft de
voogdij op zich te nemen;
5°. in het geval bedoeld in artikel 409, van het ogenblik van de bekrachtiging;
6°. indien een voogd van rechtswege optreedt, van het ogenblik waarop het feit waaruit
deze voogdij voortvloeit heeft plaats gehad.
De kennisgeving van de griffier onder 1°. bedoeld moet onverwijld bij geadviseerde
dienstbrief geschieden.

Artikel 383b-269

Indien over minderjarigen die onder voogdij staan een andere voogd benoemd is of van
rechtswege optreedt, eindigt de bediening van de eerste voogd op het ogenblik dat die van de
andere begint, tenzij door de rechter een ander tijdstip mocht zijn bepaald.
De voogdij eindigt:
1°. indien minderjarigen, na onder voogdij te hebben gestaan, weder onder de ouderlijke
macht terugkeren omdat de vader of de moeder in die macht wordt hersteld, zodra de daartoe
strekkende beschikking aan de voogd zal zijn betekend;
2°. Indien minderjarigen, na onder voogdij te hebben gestaan, weder onder de ouderlijke
macht terugkeren krachtens de artikelen 259a of 285a, op het ogenblik van de
huwelijksvoltrekking.
3°. Indien minderjarige natuurlijke wettig erkende kinderen door wettiging van
rechtswege onder ouderlijke macht komen, op het ogenblik van het voltrekken van het huwelijk,
waardoor de wettiging ontstaat, of van het verlenen der brieven van wettiging in het geval,
voorzien bij artikel 327; indien echter ouderlijke macht door de rechter wordt verleend krachtens artikel 330, derde en vierde lid, op het ogenblik, dat de

rechterlijke beschikking in gewijsde is gegaan, tenzij door de rechter een ander tijdstip mocht zijn bepaald;
4°. indien in het geval voorzien in artikel 506 hij die onder curatele heeft gestaan weder
de uitoefening van de ouderlijke macht verkrijgt, op het ogenblik dat de curatele is opgeheven.

Artikel 384-270

Behoudens het bepaalde in het volgende artikel is een ieder die niet, naar aanleiding van
de achtste en van de negende afdeling van deze titel, van de voogdij is uitgesloten of verschoond,
verplicht dezelve op zich te nemen.
Wanneer de benoemde voogd weigerachtig of in gebreke is de voogdij uit te oefenen, zal
daarin door de kantonrechter worden voorzien door de benoeming van een bewindvoerder, in de
plaats en ten koste van de voogd.
In dat geval is de voogd verantwoordelijk voor de verrichtingen van de bewindvoerder,
behoudens zijn verhaal jegens laatstgemelde.

Artikel 384a-271

Noch de door een der ouders benoemde voogd, noch de tot voogdes benoemde gehuwde
vrouw is verplicht de voogdij op zich te nemen. Hun benoeming heeft geen gevolg, tenzij zij
verklaren de voogdij op zich te nemen. Deze verklaring moet worden afgelegd ter griffie van het
kantongerecht der woonplaats van de minderjarige, binnen één maand nadat de benoeming aan
hen zal zijn betekend indien zij zich in Suriname, binnen drie maanden indien zij zich daarbuiten
bevinden.
Betekening wordt niet vereist, indien ter griffie van het kantongerecht de verklaring is
afgelegd, dat de benoeming wordt geweigerd.
De voorafgaande bepalingen zijn op verenigingen, stichtingen en instellingen van
weldadigheid bedoeld in artikel 418 toepasselijk, tenzij haar de voogdij op eigen verzoek of
bereidverklaring is opgedragen.

Artikel 384b-272

Vervallen.

Artikel 384c-273

De toeziende voogdij begint van het ogenblik van de benoeming van de toeziende voogd
indien die benoeming in zijn tegenwoordigheid heeft plaats gehad, of anders op de dag, volgende
op die, waarop de kennisgeving van de griffier omtrent zijn benoeming aan hem is verzonden.
Het laatste lid van artikel 383a is ten deze van toepassing.

Artikel 384d-274

Het in artikel 383b bepaalde omtrent het eindigen van de bediening van de voogd en van
de voogdij, is mede toepasselijk op de bediening van de toeziende voogd en op de toeziende
voogdij.

Artikel 385-275

Wanneer, naar aanleiding der bepalingen van de voorgaande, deze en de volgende titel, de
tussenkomst van bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige vereist wordt, zullen deze
steeds ten getale van vier worden opgeroepen, en uit de naaste, en zoveel mogelijk in de beide
liniën, worden gekozen; met dien verstande, dat slechts die bloedverwanten en aangehuwden
voor de rechter zullen geroepen worden, welke wonen binnen diens ressort, en zullen de elders
woonachtige bloedverwanten en aangehuwden, wanneer de rechter het dienstig acht hen te
raadplegen, tot dat einde worden opgeroepen voor een te delegeren ambtenaar, die het deswege
op te maken proces-verbaal aan de rechter, die in de zaak uitspraak doen moet, zal doen
toekomen.
Indien enig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet verschijnt, kan de rechter de
verschijning gelasten van een ander bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verdere graad.
Die bloedverwanten of aangehuwden moeten zijn meerderjarig en binnen Suriname
woonachtig.
Wanneer zich geen genoegzaam getal bloedverwanten of aangehuwden binnen Suriname
bevindt, is de rechter slechts gehouden zodanige te horen of te doen horen, die binnen dezelve
woonachtig zijn. Bij algeheel ontbreken van bloedverwanten of aangehuwden binnen Suriname
beslist de rechter zonder verhoor van bloedverwanten of aangehuwden.

Artikel 386-276

Telken reize wanneer de tegenwoordigheid, hetzij van de toeziende voogd, hetzij van
bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige, gevorderd wordt, zullen zij zich door een
bijzondere gevolmachtigde kunnen laten vertegenwoordigen. De schriftelijke volmacht is vrij van
zegel.
De gevolmachtigde zal slechts in de naam van één persoon kunnen optreden.
De kantonrechter kan gelasten, dat hij, die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon
verschijnt.

Artikel 386a-277

Wanneer naar aanleiding der bepalingen van de voorgaande, deze of de volgende titel het
verhoor van de toeziende voogd vereist wordt of wel diens oproeping is bevolen, zal zulks niet
behoeven plaats te hebben, indien de toeziende voogdij openstaat ten dage, dat het verzoek of de
vordering, naar aanleiding waarvan het verhoor of de oproeping zoude moeten geschieden, bij de
kantonrechter wordt ingediend.
Behalve in de gevallen bedoeld in de artikelen 436, derde lid, en 438a, zal het de
kantonrechter evenwel vrij staan te bepalen, dat op het verzoek niet zal worden beschikt voor de
benoeming van de toeziende voogd heeft plaatsgevonden.

Artikel 387-278

Alle voogden, met uitzondering van de in artikel 418 vermelde verenigingen, stichtingen
en instellingen van weldadigheid, zijn verplicht, tot zekerheid van hun beheer, hypotheek te
geven tot beloop van een aan het beheer van de voogdij geëvenredigde geldsom.
Tot dat einde zal de kantonrechter onverwijld, na verhoor of behoorlijke oproeping van de
voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige, de
hoegrootheid van die som bepalen, en daarbij achtslaan op de aard der goederen, de minderjarige
toebehorende, op derzelver opbrengst, en op de verantwoordelijkheid, welke ten laste van de
voogd uit het beheer van die goederen zoude kunnen voortvloeijen.
De kantonrechter zal, bij het daarvan op te maken proces-verbaal, summiere opgaven
doen van de onderscheidene geuite meningen, en de redenen van zijn beslissing vermelden.
De uitspraak van de kantonrechter zal, na acht dagen, door de zorg van de toeziende
voogd, en op deszelfs verantwoordelijkheid, bij voorraad worden tenuitvoergelegd,
niettegenstaande het beroep, waarvan in artikel 390 wordt gesproken.

Artikel 388-279

De kantonrechter zal, na verhoor van de personen in het tweede lid van artikel 387
aangeduid, kunnen bevelen dat de effecten aan toonder, aan de minderjarige toebehorende, in de
consignatiekas in bewaring worden gegeven; in welk geval de waarde van die effecten, bij het
bepalen van de hoegrootheid van de hypotheek, niet zal in aanmerking worden genomen.

Artikel 389-280

Indien de voogd, op het ogenblik waarop hij verplicht is hypotheek te geven, geen of geen
genoegzame goederen bezit, welke voor zodanig verband vatbaar zijn, is hij gehouden aan zijn
verplichting, voor het geheel of voor het ontbrekende, te voldoen, zodra hij goederen van dien
aard verkregen heeft.
De kantonrechter zal kunnen bevelen dat de voogd inmiddels de door hem te stellen
hypotheek vervange of aanvulle door een andere zekerheid, door de kantonrechter te bepalen,
welke zal kunnen bestaan, hetzij in hypotheek op de goederen van een derde daarin
toestemmende persoon, hetzij in borgtocht van een of meer personen van voldoende gegoedheid,
hetzij in ten behoeve van de minderjarige verbonden inschrijvingen op het grootboek van de
nationale schuld of inlagen in de Surinaamse postspaarbank, hetzij in bewaargeving van effecten
aan toonder in de consignatie-kas op gelijke voet als die, waarvan in artikel 388 wordt gehandeld,
hetzij in twee of meer dezer waarborgen gezamenlijk. Bij gebreke daarvan kan de kantonrechter
de voogd gelasten de som, ingevolge het tweede lid van artikel 387 bepaald, inmiddels te storten
in de consignatie-kas.

Artikel 390-281

De voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden, die tot het uiten
van hun gevoelen gehoord zijn, kunnen tegen de beslissingen van de kantonrechter, in de drie
vorige artikelen bedoeld, bij verzoekschrift, in hoger beroep komen bij het hof van justitie,
hetwelk, desnoods na verhoor van de voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of
aangehuwden, zonder verdere vorm van proces, bij uiterlijk gewijsde, het geven van zekerheid
zal regelen.

Artikel 391-282

Wanneer gedurende de voogdij de gegoedheid van de minderjarige merkelijk toeneemt,
zal de kantonrechter, na verhoor van de personen, bij artikel 387 vermeld, bevelen dat de
zekerheid worde vergroot met een door hem te bepalen som, behoudens het beroep, waarover in
het vorige artikel gesproken wordt.
De voogd zal vermindering van de zekerheid mogen vragen, indien buiten zijn schuld,
gedurende zijn beheer, de gegoedheid van de minderjarige een aanmerkelijke vermindering heeft
ondergaan.

Artikel 392

Alle geschillen over de waarde der tot hypotheek aangeboden goederen zullen door de
kantonrechter worden beslist, na verhoor of behoorlijke oproeping der bij artikel 387 vermelde
personen, en behoudens het beroep aan het hof van justitie, hetwelk zal handelen zoals bij artikel
390 is voorgeschreven.

Artikel 393

De hypotheek zal worden gesteld, hetzij bij de akte van de benoeming van de voogd of bij
zijn eedsaflegging, hetzij bij elke andere authentieke akte.

Artikel 394-283

De kantonrechter zal aan de voogd kunnen toestaan om de hypotheek, waartoe hij
verplicht is, of welke hij reeds heeft gesteld, te vervangen, hetzij door hypotheek op de goederen
van een derde daarin toestemmende persoon, hetzij door borgtocht van een of meer personen van
voldoende gegoedheid, hetzij door ten behoeve van de minderjarige verbonden inschrijvingen op
het grootboek van de nationale schuld of inlagen in de Surinaamsche postspaarbank, hetzij door
bewaargeving van effecten aan toonder in de consignatiekas op gelijke voet als die, waarvan in
artikel 388 wordt gehandeld, hetzij door twee of meer waarborgen gezamenlijk.
De krachtens het eerste lid gestelde waarborgen kunnen binnen de daarbij gestelde
grenzen met verlof van de kantonrechter worden vervangen.

Artikel 395-284

De waarborg houdt op en de hypothecaire inschrijvingen of verbanden op het grootboek
of de Surinaamsche postspaarbank zullen, ten koste van de minderjarige, worden doorgehaald of
opgeheven, zodra het beheer van de voogd geëindigd en door het afleggen van de rekening, de
overgifte der bescheiden en de betaling van de slotsom, de verantwoordelijkheid is opgehouden.

Artikel 396

De akten, waarbij de zekerheid , voor het beheer van de voogd gevorderd, wordt gesteld,
of waarbij de verplichtingen, hieruit voortvloeiende, worden opgeheven, zijn aan geen rechten of
belasting onderworpen, behoudens het salaris van de ambtenaar, dat ten laste van de minderjarige
komt.

DERDE AFDELING

VAN DE VOOGDIJ VAN DE VADER EN DE MOEDER

Artikel 397-285

Na de dood van een der ouders behoort de voogdij van de minderjarige echte kinderen
van rechtswege aan de langstlevende der ouders.
Deze bepaling vindt geen toepassing indien:
1°. het huwelijk der ouders door echtscheiding of na scheiding van tafel en bed is
ontbonden en de langstlevende op het tijdstip van het overlijden van de ander de voogdij niet
heeft;
2°. de ouders van tafel en bed waren gescheiden en de langstlevende op het tijdstip van
het overlijden van de ander de ouderlijke macht niet uitoefent;
3°. de langstlevende der ouders van de ouderlijk macht is ontheven of ontzet of
niettegenstaande wettiging de ouderlijk macht niet heeft gekregen.

Artikel 398-286

Vervallen.

Artikel 399-287

Vervallen.

Artikel 400

Indien, na het overlijden van de man, de vrouw verklaart of, daartoe wettig opgeroepen,
erkent zwanger te zijn, zal door de kantonrechter een curator over de ongeboren vrucht worden
benoemd, op de wijze als ten opzichte van de benoeming van voogden is voorgeschreven.
Deze curator is verplicht alle nodige en dringende maatregelen in het werk te stellen,
welke tot het behoud en beheer der goederen vereist worden, en zulks zowel ten bate van het
kind, indien hetzelve levend ter wereld komt, als van alle andere belanghebbende personen.
Wanneer het kind levend ter wereld komt, wordt die curator van rechtswege deszelfs
toeziende voogd, tenware reeds voor de andere kinderen een zodanige toeziende voogd mocht
bestaan.

Artikel 401-288

Vervallen.

Artikel 402-289

Vervallen.

Artikel 403-290

Wanneer de moeder-voogdes tot een huwelijk overgaat, is haar man, tenzij hij van de
voogdij uitgesloten of ontzet is, gedurende het huwelijk, zolang geen scheiding van tafel en bed
of van goederen tussen de echtgenoten bestaat, van rechtswege medevoogd en benevens zijn
vrouw hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk wegens alle handelingen, na het aangaan van het
huwelijk verricht
De medevoogdij van de man vervalt, zodra hij daarvan is ontzet of de moeder ophoudt
voogd te zijn.

Artikel 404-291

De vader-voogd of de moeder-voogdes die een huwelijk aangaat is verplicht om, wanneer
de toeziende voogd dit verlangt, voor of na het aangaan van dat huwelijk aan hem aan te bieden
een behoorlijke staat waaruit het vermogen van de minderjarige blijkt.
Bij niet voldoening binnen veertien dagen aan het in het voorgaande lid bedoelde
verlangen, zal de toeziende voogd, onder overlegging van het bewijs van de uitnodiging, zich tot
de kantonrechter kunnen wenden met verzoek de voogd te ontslaan. De kantonrechter zal
overeenkomstig dit verzoek beschikken, tenzij de voogd alsnog binnen een door de kantonrechter
te bepalen, aan de voogd te betekenen, termijn de verlangde staat aan hem overlegt; hij beslist
zonder vorm van proces doch behoudens beroep op de hogere rechter.
Zodra de termijn van beroep verlopen of de beschikking bevestigd is wordt door hem een
nieuwe voogd benoemd.

Artikel 405-292

Over een natuurlijk kind is de moeder van rechtswege voogdes, tenzij zij bij haar
bevalling van de voogdij was uitgesloten.
De moeder van een natuurlijk kind, die ten tijde van haar bevalling van de voogdij over
hetzelve was uitgesloten, verkrijgt deze voogdij van rechtswege, indien dezelve openstaat op het
tijdstip waarop de uitsluiting van de voogdij een einde neemt.
Indien op bedoeld tijdstip de voogdij niet open staat, kan de moeder de kantonrechter
verzoeken haar tot voogdes te benoemen.
Wanneer de vader voogd over het kind is, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de
kantonrechter zulks in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
Wanneer een derde voogd is, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
De kantonrechter beslist op het verzoek van de moeder na verhoor of behoorlijke
oproeping van de vader indien deze het kind heeft erkend, de voogd, de toeziende voogd, de echtgenoot
van de moeder indien zij gehuwd is en het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, en
behoudens beroep op de hogere rechter.

Artikel 405a-293

Vervallen.

Artikel 405b-294

De vader die zijn natuurlijk kind heeft erkend. kan, indien hij niet van de voogdij is
uitgesloten, de kantonrechter verzoeken hem tot voogd over hetzelve te benoemen.
Wanneer de voogdij openstaat, dan wel een derde daarmee belast is, wordt het verzoek
slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind
zouden worden verwaarloosd.
Wanneer de moeder voogdes van het kind is, wordt het verzoek slechts ingewilligd,
indien de kantonrechter zulks in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
De kantonrechter beslist op het verzoek van de vader na verhoor of behoorlijke oproeping
van de moeder, de voogd, de toeziende voogd, de echtgenote van de vader, indien hij gehuwd is
en het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, en behoudens beroep op de hogere rechter.

Artikel 405c-295

Indien de voogdij over een natuurlijk kind openvalt, kan zowel de vader, die het erkend
heeft, als de moeder - voorzover zij niet van de voogdij zijn uitgesloten - de kantonrechter
verzoeken daarmede te worden belast.

Artikel 405d-296

Een verzoek, als in het voorgaand artikel bedoeld, wordt slechts afgewezen, indien
gegronde vrees bestaat, dat bij inwilliging daarvan de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
Hebben beide ouders zodanig verzoek ingediend, dan willigt de rechter het verzoek van
degeen in, wiens voogdij hij het meeste in het belang van het kind oordeelt.
Indien, voordat over het verzoek van een ouder is beslist de andere ouder van rechtswege
voogd over het kind wordt willigt de kantonrechter het verzoek in, indien hij zulks in het belang

van het kind wenselijk oordeelt.
Het laatste lid van artikel 405 of, indien het een verzoek van de vader betreft, het laatste
lid van artikel 405b, is van toepassing, met dien verstande, dat verhoor of behoorlijke oproeping
van de voogd slechts geschiedt in het geval bedoeld in het vorig lid.

Artikel 405e-297

De beslissing, waarbij ingevolge een bepaling dezer afdeling de voogdij over een
natuurlijk kind aan diens vader of moeder is opgedragen, ontnomen of geweigerd, kan door de
kantonrechter worden gewijzigd.
Hij doet zulks op verzoek van een der ouders en niet dan op grond van omstandigheden,
waarmede de rechter, die de te wijzigen beslissing gegeven heeft, geen rekening heeft kunnen
houden. Het laatste lid van artikel 405 of, indien het een verzoek van de vader betreft, het laatste
lid van artikel 405b, is van toepassing.

VIERDE AFDELING

VAN DE VOOGDIJ, DOOR DE VADER OF DE MOEDER OPGEDRAGEN

Artikel 406-298

Ieder der ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over een of meer van zijn kinderen
uitoefent, heeft het recht een voogd over die kinderen te benoemen voor het geval dat na zijn
overlijden de voogdij niet van rechtswege of door een der in de artikelen 259, zesde lid, 283,
derde lid, 299a, derde lid, 300, tweede lid, of 405, 405b, 405c of 405e bedoelde rechterlijke
beschikkingen aan de andere der ouders behoort.
Rechtspersonen mogen niet tot voogd worden benoemd.
De benoeming geschiedt bij uiterste wil of bij uitsluitend daartoe opgemaakte notariële
akte.
Daarbij kunnen ook meer personen benoemd worden, van wie, naar de orde waarin dit is
geschied, de later genoemde als voogd optreedt wanneer de voorgaande ontbreekt.

Artikel 407-299

De benoeming van een voogd heeft geen gevolg, indien degene der ouders die de
benoeming gedaan heeft, op het tijdstip van zijn overlijden de voogdij over zijn kinderen niet
bezit of de ouderlijke macht niet uitoefent.

Artikel 408-300

De artikelen 259, achtste lid, 283, vijfde lid, 299a, vijfde lid, 300, tweede lid, 330, derde
lid, 331, derde lid, en 438b, blijven, ook indien een voogd door een der ouders benoemd is
opgetreden, van kracht.
Indien gedurende de curatele van een der ouders die op geen andere wijze de ouderlijke
macht of de voogdij verloren had, de ander een voogd had benoemd en overleden is, eindigt,
zodra de curatele is opgeheven, de voogdij van de benoemde voogd van rechtswege.

Artikel 409-301

Vervallen.

VIJFDE AFDELING.

VAN DE VOOGDIJ DOOR DE RECHTER OPGEDRAGEN

Artikel 410-302

Over alle minderjarigen die niet staan onder de ouderlijke macht en in wier voogdij niet
reeds op wettige wijze is voorzien, wordt een voogd benoemd door de kantonrechter.
Is voorziening nodig wegens tijdelijke onmogelijkheid om de ouderlijke macht of de
voogdij uit te oefenen of omdat de in artikel 384a bedoelde verklaringen nog niet zijn afgelegd,
dan wordt evenzeer door de kantonrechter een voogd benoemd voor zolang die onmogelijkheid
bestaat of de verklaring niet zal zijn afgelegd. Deze voogd wordt op verzoek van degene die hij
vervangt zodra de redenen, die tot zijn benoeming aanleiding gaven, hebben opgehouden te
bestaan, weder door de kantonrechter ontslagen.
Is voorziening nodig op grond, dat het bestaan of het verblijf van de vader of de moeder
onbekend is, dan wordt mede door de kantonrechter een voogd benoemd. Deze voogd kan op
verzoek van degene, die hij vervangt, zodra de redenen, die tot zijn benoeming aanleiding gaven,
hebben opgehouden te bestaan, weder door de kantonrechter worden ontslagen.
De kantonrechter beslist op dit verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de
verzoeker, van de voogd, van de toeziende voogd, van de bloedverwanten of aangehuwden van
de minderjarige, alsmede van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken; betreft het verzoek de
voogdij over een natuurlijk kind, dan beslist de kantonrechter na verhoor of behoorlijke
oproeping van de verzoeker, van de voogd, van de toeziende voogd, van de echtgenoot van de
verzoeker, indien deze gehuwd is, en, wanneer de andere van de ouders mede het kind heeft
erkend, en in leven is, van deze, alsmede van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. Hij staat
het verzoek toe, tenzij er gegronde vrees bestaat, dat het kind door de vader of de moeder zal
worden verwaarloosd.
Hoger beroep kan worden ingesteld, bij afwijzing door de verzoeker, bij toewijzing door
hen, die op het verzoek zijn gehoord en ondanks wier tegenspraak het is toegewezen.
Gedurende de voogdij in het tweede en derde lid bedoeld, is de uitoefening van de
ouderlijke macht geschorst.

Artikel 411

De kantonrechter zal te dien einde doen oproepen de bloedverwanten of aangehuwden van
de minderjarige, teneinde tezamen te worden geraadpleegd over de persoon, wiens benoeming het
meest met de belangen van de minderjarige zoude stroken.
Hij zal daarvan een proces-verbaal opmaken, bevattende de verschillende gevoelens der
verschijnende personen, en voorts dadelijk de voogd benoemen.

Artikel 412

Wanneer de kantonrechter de persoon benoemt, welke door de meerderheid der leden van
de familie is aangeduid, zal de benoeming dadelijk van kracht zijn.
Indien daarentegen de keus op een andere persoon valt dan die door de meerderheid is
opgegeven, zal de kantonrechter, wanneer de een of andere der tegenwoordig zijnde
bloedverwanten of aangehuwden zulks vordert, verplicht zijn het proces-verbaal onverwijld aan
het hof van justitie in te zenden, hetwelk, na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde
nabestaanden, de benoeming zal moeten goedkeuren, of wel zelf een voogd aanstellen.

Artikel 413

Wanneer geen bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige binnen Suriname
aanwezig zijn, of ook wel wanneer geen der nabestaanden, behoorlijk opgeroepen, verschijnt, zal
de kantonrechter alleen tot de keus van de voogd overgaan.
Indien de opgeroepen nabestaanden slechts gedeeltelijk zijn opgekomen, zal de
benoeming plaats hebben na verhoor der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden.

Artikel 414-303

De benoeming van een voogd geschiedt op het verzoek van de bloedverwanten van de
minderjarige, van zijn schuldeischers, of andere belanghebbende partijen, of zelfs ambtshalve
door de kantonrechter van de woonplaats van de minderjarige.
Indien de minderjarige geen woonplaats heeft binnen Suriname of indien zijn woonplaats
niet bekend is, geschiedt de benoeming door de kantonrechter van zijn laatste woonplaats aldaar,
en indien ook deze ontbreekt, door de kantonrechter van het Eerste Kanton.
De ambtenaar van de burgerlijken stand zal verplicht zijn de kantonrechter onverwijld
kennis te geven van het overlijden van alle personen welke minderjarigen mochten nalaten, en
van de aangifte en de voltrekking van elk huwelijk van ouders, die minderjarige kinderen hebben.
Indien een huwelijk van een overledene, die minderjarige kinderen uit het huwelijk nalaat,
door echtscheiding of na scheiding van tafel en bed is ontbonden of indien zij die dat huwelijk
hadden aangegaan van tafel en bed waren gescheiden, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand,
zo de andere der ouders nog in leven is, van een en ander bij de in het vorig lid bedoelde
kennisgeving mededeling doen.
Ingeval de ambtenaar van de burgerlijke stand de zekerheid mist aan welk van de
kantongerechten hij de kennisgeving heeft te richten, geschiedt de kennisgeving aan alle
kantongerechten.
In de gevallen in het vierde lid bedoeld, zullen de kantonrechter of de kantonrechters, die
de kennisgeving ontvangen, haar doorzenden aan de rechter, die de echtscheiding, de scheiding
van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed heeft
uitgesproken.

Artikel 415-304

Indien de minderjarige goederen bezit, hetzij in Nederland, hetzij elders binnen het
Koninkrijk dan waar hij gevestigd is, zal het beheer over die goederen, op verzoek van de voogd,
aan een bewindvoerder aldaar ter plaatse kunnen worden toevertrouwd.
In dat geval is de voogd wegens de verrichtingen van die bewindvoerder niet
verantwoordelijk.
De bewindvoerder wordt op dezelfde wijze als de voogd gekozen.
Artikel 416305
De voogd is verplicht onverwijld na het begin van de voogdij in handen van de
kantonrechter of van een daartoe door die rechter te delegeren ambtenaar, de eed af te leggen, dat
hij de aan hem toevertrouwde voogdij naar behoren en getrouwelijk zal waarnemen.

Artikel 417-306

Behoudens het bepaalde in de voorgaande artikelen wordt in de voogdij over natuurlijke
kinderen door de kantonrechter, zonder enig voorafgaand verhoor, voorzien.

ZESDE AFDELING307

VAN DE VOOGDIJ VAN VERENIGINGEN, STICHTINGEN OF

INSTELLINGEN VAN WELDADIGHEID

Artikel 418-308
In alle gevallen waarin de rechter een voogd te benoemen heeft, kan de voogdij worden
opgedragen aan een in Suriname gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of aan
een aldaar gevestigde stichting of instelling van weldadigheid, wier statuten, stichtingsbrieven of
reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven.
Artikel 416 blijft buiten toepassing.
De vereniging, stichting of instelling van weldadigheid heeft ten aanzien van de haar
opgedragen voogdij dezelfde bevoegdheden en verplichtingen die aan de voogd zijn toegekend of
opgedragen, tenzij de wet anders bepaalt.
De leden van het bestuur zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de uitoefening
van de voogdij, voor zoverre deze door het bestuur geschiedt en voor zoverre de leden van het
bestuur niet ten genoegen van de rechter aantonen, het hunne gedaan te hebben tot behoorlijke
uitoefening van de voogdij, of wel buiten staat te zijn geweest daarvoor te waken.
Het bestuur kan een of meer van zijn leden schriftelijk machtigen tot de uitoefening van
de voogdij over de in die machtiging genoemde minderjarigen.

Artikel 418a-309

De griffier doet van de opdracht schriftelijk mededeling aan het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken en aan de procureur-generaal.
Het bestuur van de vereniging, stichting of instelling van weldadigheid doet schriftelijk
mededeling van de opneming van minderjarigen in woningen of gestichten aan het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken en aan de procureur-generaal. De hierbedoelde woningen en gestichten
worden ter beoordeling van de toestand der daarin geplaatste minderjarigen door de procureurgeneraal
en het Bureau voor Familierechtelijke Zaken bezocht telkens wanneer deze zulks nodig
of geraden oordelen.
De toeziende voogd wordt desverlangd in de gelegenheid gesteld de minderjarigen, over
wie hij de toeziende voogdij uitoefent, eenmaal 's weeks te bezoeken.

ZEVENDE AFDELING

VAN DE TOEZIENDE VOOGD

Artikel 419-310

In elke voogdij wordt, op de wijze als bij de vijfde afdeling van deze titel is
voorgeschreven, een toeziende voogd benoemd door de kantonrechter.

Artikel 420-311

De voogden, welke in de derde en vierde afdeling van deze titel zijn aangeduid, zijn
verplicht, onverwijld na het begin van de voogdij, een toeziende voogd te doen benoemen; bij
gebreke van die, kunnen zij van de voogdij worden ontzet, onverminderd vergoeding van kosten,
schaden en interessen.

Artikel 421-312

Wanneer de voogdij door de rechter is opgedragen, zal de benoeming van de toeziende
voogd onmiddellijk na die van de voogd plaats hebben, en zo mogelijk bij dezelfde akte geschieden.

Artikel 421a-313

De voogd is verplicht om onverwijld, bij overlijden of ontstentenis van de toeziende
voogd de benoeming van een andere te verzoeken en, bijaldien zich ten aanzien van de toeziende
voogd een der in artikel 410, bedoelde gevallen voordoet, hem op de daar omschreven wijze te
doen vervangen; bij gebreke van die kan hij van de voogdij worden ontzet, onverminderd
vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Artikel 422-314

Indien de toeziende voogd mocht in gebreke blijven zijn betrekking uit te oefenen, zal hij,
te zijnen koste, en onverminderd zijn gehoudenis tot vergoeding van kosten, schaden en
interessen jegens de minderjarige, door een andere persoon, op de wijze bij artikel 384
voorgeschreven, worden vervangen; onverlet zijn verhaal op laatstgemelden.

Artikel 423-315

De toeziende voogd zal, onverwijld na het begin van de toeziende voogdij, in handen van
de kantonrechter of van een daartoe door die rechter te delegeren ambtenaar de eed moeten
afleggen, dat hij zijn plicht deugdelijk en getrouwelijk zal waarnemen.

Artikel 424

De verplichtingen van de toeziende voogd bestaan in het waarnemen van de belangen van
de minderjarige, wanneer dezelve met die van de voogd in tweestrijd zijn.

Artikel 425-316

Hij is, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verplicht toe te zien,
dat de voogd aan zijn verplichting voldoet door het stellen van zekerheid, of door dezelve, zo
daartoe termen zijn, aan te vullen, overeenkomstig artikel 387 en volgende van deze titel,
mitsgaders dat de gestelde hypotheek behoorlijk worde ingeschreven.
Hij is insgelijks, en op dezelfde straffe, gehouden de voogd te noodzaken tot het maken

van inventaris of boedelbeschrijving, in al de nalatenschappen, welke aan de minderjarige zijn
opgekomen.
Artikel 426

Hij zal van de voogd (behalve vader en moeder) jaarlijks een summiere rekening en
verantwoording vorderen, en zich doen vertonen de effecten en bescheiden aan de minderjarige
toebehorende.
Hij zal deze summiere rekening, die zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en
overgegeven zonder enige kosten en zonder gerechtelijke vorm, voor gezien tekenen, met vermelding
van de dagtekening.
Tot hetgeen, waartoe de toeziende voogd telken jare verplicht is, is te allen tijde de
procureur-generaal ambtshalve bevoegd.

Artikel 427

Wanneer de voogd weigerachtig is om aan het voorschrift van het vorige artikel te
voldoen, of wanneer de toeziende voogd in die summiere rekening sporen van ontrouw of grove
nalatigheid ontdekt, zal hij de afzetting van de voogd moeten vorderen.
Hij zal die afzetting insgelijks moeten verzoeken in alle andere gevallen bij de wet
bepaald.
De procureur-generaal is ambtshalve tot hetzelfde bevoegd.

Artikel 428-317

Wanneer de voogdij opengevallen of door de afwezigheid van de voogd verlaten is, of de
voogd tijdelijk buiten de mogelijkheid is om de voogdij uit te oefenen, zal de toeziende voogd, op
straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, de benoeming hetzij van een nieuwe,
hetzij van een tijdelijke voogd moeten doen bewerkstelligen, en verplicht zijn inmiddels alle
zodanige daden van voogdij te verrichten welke geen uitstel kunnen lijden.

Artikel 429-318

De toeziende voogdij eindigt op hetzelfde tijdstip als de voogdij.
ACHTSTE AFDELING

VAN DE REDENEN, DIE VAN DE VOOGDIJ EN DE TOEZIENDE

VOOGDIJ VERSCHONEN

Artikel 430-319

Vervallen.

Artikel 431-320

Van de voogdij en de toeziende voogdij kunnen zich verschoonen:
1°. Zij, die zich in dienst van den lande buiten Suriname bevinden;
2°. Krijgslieden in werkelijke land- of zeedienst;
De personen, bij de twee vorige nommers vermeld, kunnen zich van de voogdij of
toeziende voogdij doen ontslaan, indien de daarbij vermelde redenen van verschoning na hun
benoeming zijn ontstaan;
3°. Zij, die de volle ouderdom van vijfenvijftig jaren hebben bereikt; wanneer zij vroeger
benoemd zijn, kunnen zij zich op hun zestigste jaar van de voogdij of toeziende voogdij doen
ontslaan;
4°. Zij, die door een zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld zijn.
Deze kunnen hun ontslag verzoeken, wanneer de ziekelijkheid of het ongemak, na hun
benoeming als voogd of toeziende voogd, is ontstaan;
5°. Zij, die, kinderloos zijnde, met twee voogdijen of toeziende voogdijen belast zijn;
6°. Zij, die een of meer kinderen hebbende, met één voogdij of toeziende voogdij zijn
belast;
7°. Zij, die, op de dag van hun benoeming, vijf wettige kinderen hebben, daaronder
begrepen die, welke in de krijgsdienst van het Koninkrijk gestorven zijn;
8°. Vrouwen;
De vrouw, die in ongehuwde staat een voogdij of toeziende voogdij heeft op zich
genomen, kan zich, nadat zij in het huwelijk is getreden, van de voogdij of toeziende voogdij
doen ontslaan;
9. Zij, die de minderjarige niet als bloedverwant of aangehuwde bestaan, wanneer zich
binnen het gebied van het kantongerecht alwaar de voogdij is opgedragen, bloedverwanten of
aangehuwden bevinden, welke in staat zijn de voogdij of toeziende voogdij uit te oefenen.
De vader en de moeder kunnen, om geen der redenen hierboven vermeld, zich van de
voogdij over hun eigen kinderen doen ontslaan.

Artikel 432-321

Hij, die zich van een voogdij of toeziende voogdij wil verschonen, vraagt ontslag van de
rechter die de voogdij of toeziende voogdij heeft opgedragen, of, indien geen rechterlijke
benoeming is voorafgegaan, van de kantonrechter van zijn woonplaats.
Met uitzondering van de in artikel 431 onder nummers 1 tot en met 4 genoemde personen,
is de verzoeker verplicht, op straffe van het verlies van zijn bevoegdheid daartoe, zijn verzoek te
doen binnen één maand na de dag waarop de voogdij of toeziende voogdij aanvangt indien hij
zich in Suriname, binnen drie maanden indien hij zich buiten Suriname bevindt.
De verzoeker is niet ontvankelijk, indien de voogdij of toeziende voogdij is aangevangen
tengevolge van zijn verklaring dat hij de voogdij of toeziende voogdij op zich neemt.
De rechter beslist zonder vorm van proces en zonder beroep.
De rechter kan echter ook op een, na het verstrijken van bovengemelde termijn, gedaan
verzoek tot ontslag acht slaan, wanneer de benoemde aantoont, niet intijds van de plaats gehad
hebbende benoeming kennis te hebben gedragen.
Niettegenstaande het aanvoeren van redenen tot verschoning, is de voogd of de toeziende
voogd verplicht bij voorraad de voogdij of toeziende voogdij waar te nemen, totdat deswege zal
zijn beslist.

Artikel 433

Van de aanneming of van de voortdurende waarneming van de voogdij of toeziende
voogdij kunnen, met uitzondering van de vader of van de moeder, op hun verzoek ook ontslagen
worden zij, die Suriname metterwoon verlaten.
Bij de beoordeling van het verzoek neemt de rechter in aanmerking het belang van de
minderjarigen, en de moeilijkheid, welke de aanneming of de voortdurende waarneming van de
voogdij of toeziende voogdij voor de benoemde zoude opleveren.

NEGENDE AFDELING322

VAN DE UITSLUITING, DE ONTHEFFING EN DE

ONTZETTING VAN DE VOOGDIJ OF TOEZIENDE VOOGDIJ EN

VAN DE ONDERTOEZICHTSTELLING VAN ONDER VOOGDIJ

STAANDE MINDERJARIGEN

Artikel 434-323

Van de voogdij of toeziende voogdij zijn uitgesloten:
1°. krankzinnigen;
2°. minderjarigen;
3°. onder curatele gestelden;
4°. zij, die hetzij van de ouderlijke macht, hetzij van de voogdij of toeziende voogdij zijn
ontzet; dezulken echter alleen ten opzichte van die minderjarigen, over wie bij zodanige
rechterlijke beschikking de ouderlijke macht, de voogdij of toeziende voogdij voor hen is
verloren gegaan en behoudens het bepaalde in de artikelen 371e en 438b;
5°. zij die niettegenstaande wettiging van hun kinderen, de ouderlijke macht of de voogdij
over die kinderen niet hebben gekregen; dezulken echter alleen ten opzichte van die kinderen,
over wie zij niettegenstaande wettiging de ouderlijke macht of voogdij niet hebben gekregen en
behoudens het bepaalde in de artikelen 330 en 331.
Van de toeziende voogdij zijn buitendien uitgesloten zij die niet ingezetenen van
Suriname zijn.

Artikel 435-324

Indien de rechter het in het belang der minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kunnen van
de voogdij of de toeziende voogdij over alle of over een of meer der tot eenzelfde voogdij
behorende minderjarigen worden ontzet:
1°. zij die een slecht levensgedrag leiden;
2°. zij die in de waarneming van de voogdij of van de toeziende voogdij onbekwaamheid
aan de dag leggen, van hun bevoegdheid misbruik maken, of hun verplichtingen verwaarlozen;
3°. zij die ontzet zijn van een andere voogdij of toeziende voogdij krachtens No. 1 of 2
van dit artikel of van de ouderlijke macht krachtens 371a, tweede lid No. 1 of 2;
4°. zij die in staat van faillissement verkeren;
5°. zij die in persoon of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen tegen de minderjarige
een rechtsgeding voeren, waarin de staat van de minderjarige, zijn fortuin of een aanmerkelijk
gedeelte van zijn goederen betrokken is;
6°. zij die onherroepelijk zijn veroordeeld wegens het opzettelijk deelnemen aan enig
misdrijf met een aan hun gezag onderworpen minderjarige;
7°. zij die onherroepelijk zijn veroordeeld wegens enig misdrijf omschreven in de Titels
XIII, XIV, XV, XVIII, XIX en XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht,
gepleegd tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige;
8°. zij die onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaren of langer;
9°. Zij die een kind terugeisen van anderen, die onderhoud en opvoeding van dat kind op
zich hebben genomen, terwijl gegronde vrees bestaat, dat bij inwilliging van de eis het kind zal
worden verwaarloosd;
10°. zij die in ernstige mate de aanwijzingen van de gezinsvoogd veronachtzamen of een
krachtens het bepaalde in de artikelen 372q en 372r bevolen opneming belemmeren.

De vader en de moeder kunnen noch in de gevallen genoemd onder 4°. en 5°., noch op
grond van onbekwaamheid worden ontzet.
Een vereniging, stichting of instelling van weldadigheid kan, indien de rechter oordeelt
dat het in het belang der minderjarigen noodzakelijk is, van de voogdij worden ontzet in de
gevallen genoemd onder 2°.,3°.,4°.en 5°.
Zij kan mede worden ontzet, indien zij de schriftelijke mededeling bedoeld in artikel
418a, 2e lid, verzuimt, of indien de bezoeken aldaar voorgeschreven worden verhinderd.
Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid aan en poging tot
misdrijf.

Artikel 436-325

De ontzetting van een voogd of toeziende voogd geschiedt door de kantonrechter van de
woonplaats of, bij gebreke daarvan, van de laatste woonplaats van hem, wiens ontzetting wordt
gevraagd, op verzoek van de toeziende voogd of de voogd of van een der bloedverwanten of
aangehuwden van de minderjarige tot de vierde graad ingesloten, van het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken of op de vordering van het openbaar ministerie. Behalve door deze kan
het verzoek om ontzetting in het geval, bedoeld in het vorig artikel 9¬, ook geschieden door hen,
die onderhoud en opvoeding van het kind op zich hebben genomen.
Het verzoek of de vordering bevat de feiten en omstandigheden, waarop het is gegrond, en
houdt tevens in een opgave van de namen der ouders, van de voogd, van de toeziende voogd en
van woon- of verblijfplaatsen, voor zover die bekend zijn, van de namen en woon- of
verblijfplaatsen der bloedverwanten of der aangehuwden, die overeenkomstig artikel 385 moeten
worden opgeroepen, zomede van de getuigen, die de in het verzoek of in de vordering gestelde
feiten zouden kunnen staven. Tenzij het verzoek tot ontzetting van het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken is uitgegaan, deelt de griffier het verzoek of de vordering met de tot
staving daarvan ingezonden bescheiden ten spoedigste in afschrift aan die raad mede. De griffier
tekent op het verzoek of op de vordering de dag van indiening aan.
De kantonrechter doet uitspraak na verhoor of behoorlijke oproeping van de ouders, van
de voogd en de toeziende voogd, van de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen en
van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. Indien de kantonrechter het nodig oordeelt, kan hij
het horen van getuigen bevelen.
Gedurende het onderzoek tot ontzetting van een voogd kan ieder tot de uitoefening van de
voogdij bevoegde ingezetene van Suriname en het bestuur van elke der in artikel 418 genoemde
verenigingen, stichtingen en instellingen van weldadigheid zich tot de kantonrechter wenden met
een verzoekschrift om met de voogdij te worden belast. De kantonrechter kan hun oproeping
bevelen om over hun verzoekschrift te worden gehoord.
Ingeval het verzoek of de vordering wordt toegewezen, voorziet de kantonrechter in de
voogdij of toeziende voogdij. Blijkt bij de voorziening in de voogdij, dat ook de toeziende
voogdij openstaat, dan voorziet de kantonrechter tevens in deze laatste.
In het vonnis waarbij de voogd wordt afgezet, zal hij tevens worden veroordeeld om
rekening en verantwoording van zijn beheer aan zijn opvolger te doen.
Artikel 371c bis is van toepassing.

Artikel 437-326

De behandeling van de zaak geschiedt ter terechtzitting met gesloten deuren.
De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. Zij kan uitvoerbaar verklaard worden
bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep, met of zonder borgtocht.
Het staat aan de kantonrechter vrij gedurende het onderzoek de uitoefening van de
voogdij of de toeziende voogdij geheel of gedeeltelijk te schorsen en aan een door hetzelve aan te
wijzen persoon of aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken zodanige bevoegdheid ten
aanzien van de persoon en de goederen der minderjarigen toe te kennen als hij zal oirbaar achten.
Tegen de in het voorgaande lid bedoelde beschikkingen is generlei voorziening
toegelaten. Zij behouden hare kracht tot dat de uitspraak betreffende de ontzetting kracht van
gewijsde heeft verkregen.
De bepalingen van het zevende en het achtste lid van artikel 371d zijn ten deze
toepasselijk.

Artikel 437a-327

De procureur-generaal is bevoegd minderjarigen, zowel op grond van de feiten, die tot
ontzetting aanleiding kunnen geven, als op grond dat zij noch onder ouderlijke macht noch onder
voogdij staan, dan wel verlaten of zonder toezicht zijn, voorlopig aan de zorg van het Bureau
voor Familierechtelijke Zaken toe te vertrouwen, totdat door de rechter in de voogdij over hen zal
zijn voorzien of door de rechter zal zijn beslist dat geen voorziening nodig is en deze beschikking
kracht van gewijsde zal hebben verkregen. De bepalingen van het zevende en achtste lid van
artikel 371d zijn ten deze toepasselijk.
Bijaldien de procureur-generaal van de bovenbedoelde bevoegdheid gebruik maakt vóór
een verzoek of vordering tot ontzetting van of tot voorziening in de voogdij is ingediend, is hij
verplicht zonder verwijl het nodige te verrichten, opdat door de bevoegde rechter in de voogdij
worde voorzien.
Indien de afgifte der minderjarigen aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken wordt
geweigerd, kan de Procureur-Generaal hunne overbrenging doen geschieden door de deurwaarder
of dienaar van de openbare macht door hem belast met de tenuitvoerlegging van zijn bevelschrift.
De bepalingen van het derde, vierde en vijfde lid van artikel 371e bis vinden overeenkomstige
toepassing.

Artikel 438-328

Wanneer hij wiens ontzetting is verzocht of gevorderd, op de oproeping niet is
verschenen, kan hij tegen zijn ontzetting in verzet komen binnen veertien dagen nadat de beschikking
of enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan hem in
persoon is betekend of na het plegen door hem van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit,
dat de beschikking of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.
Hij wiens verzoek, of het openbaar ministerie welks vordering tot ontzetting is afgewezen
en hij die, ondanks zijn tegenspraak, van de voogdij of de toeziende voogdij is ontzet, gelijk
mede hij wiens verzet is afgewezen, kan in hoger beroep komen.

Artikel 438a-329

De vader-voogd en de moeder-voogdes kunnen hetzij ten aanzien van alle hetzij ten
aanzien van een of meer van hun kinderen, op verzoek van het Bureau voor Familierechtelijke
Zaken of op de vordering van het openbaar ministerie, door de kantonrechter van hun
woonplaats, of, bij gebreke hiervan, van hun laatste woonplaats van de voogdij worden ontheven
op grond dat zij ongeschikt of onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen
en het belang der kinderen zich niet uit andere hoofde tegen die ontheffing verzet. Bij het verzoek
of de vordering tot ontheffing wordt zoveel mogelijk tevens vermeld op welke wijze in de
voogdij is te voorzien. Deze ontheffing wordt niet uitgesproken indien hij wiens ontheffing wordt
verzocht of gevorderd zich daartegen verzet.
Artikel 371b derde lid onder 1° en 3° is van overeenkomstige toepassing.
Andere voogden kunnen op eigen schriftelijk verzoek door de kantonrechter hunner
woonplaats ten aanzien van alle, van een of van meerder onder hun gezag gestelde minderjarigen
van de voogdij worden ontheven, indien een tot de uitoefening van de voogdij bevoegde
ingezetene van Suriname of het bestuur van een der in artikel 418 genoemde verenigingen,
stichtingen of instellingen van weldadigheid zich schriftelijk bereid verklaart haar over te nemen
en de kantonrechter die overneming in het belang van de minderjarigen acht.
De kantonrechter beslist na verhoor of behoorlijke oproeping der ouders, van de toeziende
voogd, van de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen en van het Bureau voor Familierechtelijke
Zaken, en voorziet, indien het verzoek of de vordering wordt toegestaan,
tegelijkertijd in de voogdij; blijkt bij de voorziening in de voogdij, dat ook de toeziende voogdij
openstaat dan voorziet de kantonrechter tevens in deze laatste. Het bepaalde in het tweede lid van
artikel 436 is ten deze toepasselijk. Indien de kantonrechter het nodig oordeelt, kan hij het horen
van getuigen bevelen.
De behandeling van de zaak vindt plaats ter terechtzitting met gesloten deuren. De
beschikking wordt in het openbaar uitgesproken en kan uitvoerbaar verklaard worden bij
voorraad niettegenstaande verzet of beroep, met of zonder borgtocht.
Wanneer hij wiens ontheffing krachtens het eerste lid is verzocht of gevorderd, op de
oproeping niet is verschenen, kan hij tegen zijn ontheffing in verzet komen binnen veertien dagen
nadat de beschikking aan hem in persoon is betekend of na het plegen door hem van enige daad
waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat de beschikking of de aangevangen tenuitvoerlegging hem
bekend is. Hij wiens verzoek, of het openbaar ministerie, welks vordering tot ontheffing is
afgewezen, en hij die, op de oproeping verschenen, van de voogdij of toeziende voogdij is
ontheven, gelijk mede hij wiens verzet is afgewezen, kan in hoger beroep komen.
Tegen de beslissingen bedoeld in het tweede lid is geen hoger beroep toegelaten.
Artikel 438b330
De vader of de moeder, die van de voogdij over eigen kinderen is ontheven of ontzet, kan,
zowel op eigen verzoek als op verzoek van hen, die bevoegd zijn ontheffing of ontzetting te
verzoeken, zomede op vordering van het openbaar ministerie, in de voogdij worden hersteld,
indien blijkt, dat hun gedrag of hun ongeschiktheid of onmacht daartegen geen beletsel zijn. Het
verzoek of de vordering wordt ingediend bij de kantonrechter, die van het verzoek of van de
vordering tot ontheffing of ontzetting heeft kennis genomen, tenzij het huwelijk van de onthevene
of ontzette is ontbonden door echtscheiding, in welk geval het verzoek of de vordering wordt
ingediend bij de kantonrechter, die van de eis tot echtscheiding heeft kennisgenomen.
De kantonrechter doet uitspraak, na verhoor of behoorlijke oproeping zo mogelijk van
beide ouders, alsmede van de voogd of het bestuur van de vereniging, stichting of instelling van
weldagdigheid waaraan de voogdij is opgedragen, van de toeziende voogd, de bloedverwanten of
aangehuwden der kinderen en van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. Indien de
kantonrechter het nodig oordeelt, kan hij het horen van getuigen bevelen.
Het derde, vierde, vijfde en zesde lid van artikel 371e zijn ten deze toepasselijk.

Artikel 438b bis-331

Indien de minderjarigen zich niet reeds bevinden in de feitelijke macht van de persoon of
van het bestuur van de vereniging, stichting of instelling van weldadigheid, aan welke ingevolge
enige rechterlijke beschikking in deze afdeling bedoeld de voogdij toekomt, of van de persoon of
van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, aan welke de kinderen mochten zijn toevertrouwd
krachtens de beschikking bedoeld in artikel 437, derde lid, wordt in dezelfde rechterlijke beschikking
tevens de afgifte der kinderen aan degene, aan wie het gezag over de minderjarigen
tengevolge van zulke beschikking toekomt, bevolen. De bepalingen van het tweede, derde, vierde

en vijfde lid van artikel 371e bis zijn ten deze toepasselijk.

Artikel 438c-332

Het bepaalde in artikel 371g geldt mede bij ontheffing of ontzetting van de vader of de
moeder van de voogdij over eigen kinderen.

Artikel 438d-333

Kinderen die onder voogdij van natuurlijke personen staan, kunnen onder toezicht worden
gesteld.
Op deze ondertoezichtstelling zijn de bepalingen der artikelen 372 tot en met 372r en 372t
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze ondertoezichtstelling ook door de
voogd of de toeziende voogd kan worden verzocht.
Tot de verhoren, voorafgaande aan de beschikkingen, bedoeld in de artikelen 372, 372j,
372n tweede en derde lid, 372q tot en met 372r, is oproeping van de toeziende voogd niet vereist.

Artikel 438e-334

De kosten, bedoeld in artikel 372s, komen ten laste van de ouders of, indien deze
onvermogend dan wel overleden zijn, ten laste van het kind; voor zover ook het kind
onvermogend is, blijven zij ten laste van het Land.

Artikel 438f-335

Alle verzoekschriften, vorderingen, beschikkingen, exploiten en alle andere stukken,
opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van deze afdeling, zijn vrij van zegel.
Alle verzoeken in deze afdeling bedoeld, welke uitgaan van het Bureau voor
Familierechtelijke Zaken, worden kosteloos behandeld en de door die raad in het belang van de
hem opgedragen taak gevraagde grossen, afschriften en uittreksels worden hem door de griffiers
vrij van alle kosten uitgereikt.

TIENDE AFDELING

VAN HET TOEZICHT VAN DE VOOGD OVER DE PERSOON

VAN DE MINDERJARIGE

Artikel 439-336

De voogd zal voor het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige overeenkomstig
diens vermogen zorg dragen, en denzelven in alle burgerlijke handelingen vertegenwoordigen.
De minderjarige is aan zijn voogd eerbied verschuldigd.

Artikel 440-337

Wanneer de voogd gewichtige redenen van misnoegen heeft over het gedrag van de
minderjarige kan de kantonrechter, op zijn verzoek en ten koste van hem of van de minderjarige,
de minderjarige voor een bepaalde tijd doen opnemen in een voor dat doel bij wet aangewezen
inrichting.
De kantonrechter kan de opneming niet gelasten dan na verhoor of behoorlijke oproeping
van de toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige, mitsgaders
na verhoor van de minderjarige.
Er zal te dezen opzichte geen gerechtelijke formaliteit worden in acht genomen, behalve
het bevel tot opneming, waarin echter de redenen niet zullen worden uitgedrukt.
Indien de kantonrechter bij het geven van zijn beschikking beslist, dat de voogd en de
minderjarige niet in staat zijn de kosten aan de opneming verbonden te betalen, komen deze ten
laste van den Lande.
De voogd blijft altijd meester om de in het bevel tot opneming bepaalde tijd te verkorten.
Om verlenging van de duur van de opneming te verkrijgen, zal opnieuw het bepaalde in de
voorgaande leden van dit artikel moeten worden in acht genomen.

ELFDE AFDELING

VAN HET BESTUUR VAN DE VOOGD

Artikel 441

De voogd moet de goederen van de minderjarige als een goed huisvader besturen, en is
verantwoordelijk voor de kosten, schade en interesten, die uit zijn slecht beheer zouden kunnen
voortvloeien.
Indien aan de minderjarige, hetzij bij akte onder de levenden, hetzij bij een uiterste
wilsbeschikking, goederen zijn geschonken of gemaakt, en het bewind daarover aan een of meer
daartoe aangestelde bewindvoerders is opgedragen, zijn de bepalingen omtrent de vader, in
artikel 359 voorkomende, op de voogd toepasselijk.

Artikel 442-338

De voogd zal, binnen tien dagen na het begin van de voogdij, de ontzegeling vorderen,
indien de verzegeling heeft plaats gehad; en dadelijk, in tegenwoordigheid van de toeziende
voogd, overgaan of doen overgaan tot het inventariseren der goederen van de minderjarige.
De inventaris of boedelbeschrijving zal ook onderhands kunnen worden opgemaakt, en
door de voogd en toeziende voogd moeten worden ondertekend; in alle gevallen zal de
deugdelijkheid daarvan door de voogd onder ede, ten overstaan van de kantonrechter moeten
bevestigd worden: wanneer de inventaris onderhands is opgemaakt, zal dezelve ter griffie van de
kantonrechter moeten worden overgebracht.

Artikel 443

Indien de minderjarige iets aan de voogd verschuldigd is, zal deze zulks bij de inventaris
moeten opgeven; bij gebreke van die opgave, kan de voogd hetgeen aan hem mocht verschuldigd
zijn niet vorderen, voordat de minderjarige meerderjarig geworden zal zijn: hij zal bovendien
verliezen de achterstallige renten en interesten van de hoofdsom, vervallen sedert het opmaken
van de inventaris tot op het tijdstip dat de minderjarige zal zijn meerderjarig geworden:
behoudens echter, dat gedurende dat tussenvak de verjaring tegen de voogd niet zal lopen.

Artikel 444-339

Na het begin van elke voogdij, met uitzondering van die welke door de vader of de
moeder gevoerd wordt, zal de kantonrechter, na verhoor van de toeziende voogd, en na oproeping

der bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige, bij raming, en naar gelang der
goederen die bestuurd moeten worden, het beloop van de som bepalen, welke de minderjarige
jaarlijks zal kunnen verteren, gelijk mede de kosten welke op het beheer der goederen kunnen
vallen; alles behoudens het beroep aan het hof van justitie, indien de kantonrechter zich niet met
de mening van het merendeel der verschenen nabestaanden verenigd heeft.
Bij dezelfde akte zal ook worden bepaald, of de voogd gemachtigd is, om zich in zijn
beheer te bedienen van een of meer bijzondere loontrekkende bewindvoerders, onder zijn
verantwoordelijkheid de zaken waarnemende. Het loon van deze bewindvoerders wordt door de
kantonrechter bepaald.

Artikel 445

De voogd is verplicht al de meubelen of huisraad, die de minderjarige bij de opening van
de voogdij, of gedurende derzelver loop, tebeurtvallen, mitsgaders de roerende goederen, welke
geen vruchten, inkomsten of voordelen opleveren, te doen verkopen, met uitzondering van de
zodanige, welke, met bewilliging van de kantonrechter, en na verhoor of behoorlijke oproeping
van de toeziende voogd, mitsgaders van de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige,
in natura mogen bewaard blijven.
Die verkoop moet geschieden in het openbaar en door een bevoegde ambtenaar, met
inachtneming der plaatselijke gebruiken, tenware de kantonrechter, na verhoor of oproeping
alsvoren, mocht bevelen, dat deze of gene bepaaldelijk aan te wijzen voorwerpen, in het belang
van de minderjarige, onder de hand worden verkocht, voor of boven de prijs, waarop dezelve
door daartoe te benoemen deskundigen mochten geschat zijn.
De kantonrechter kan ook na hetzelfde verhoor, de openbare of onderhandse verkoop
toestaan van roerende goederen, welke, naar aanleiding van het eerste lid van dit artikel, in natura
bewaard zijn, indien het belang van de minderjarige zulks vordert.
Koopmanschappen kunnen door de voogd onder de hand tegen de koers, stapelproducten
bij inschrijving, na voorafgaande aankondiging in een der nieuwsbladen, en alle andere vruchten
van plantages of gronden, ter markte of anderszins, tegen de marktprijs worden verkocht.

Artikel 446

De vader en de moeder, voor zoverre zij het wettelijk vruchtgenot hebben van de
goederen aan de minderjarige toebehorende, zijn vrijgesteld van de verplichting om de meubelen
of andere roerende goederen te verkopen, zo zij verkiezen dezelve te bewaren, teneinde die
naderhand in natura terug te geven.
In dat geval zullen zij, ten hunnen koste, die goederen naar derzelver oprechte waarde
doen schatten door een deskundige, die door de toeziende voogd zal worden benoemd, en bij de
kantonrechter de eed zal afleggen. Zij zullen de begrote waarde van zodanige goederen moeten
opleggen, welke zij niet in natura mochten kunnen opleveren.

Artikel 447-340

De voogd is verplicht tot de belegging van de kapitalen, en van de inkomsten zodra van
deze meer in kas is dan volgens artikel 444 voor de behoeften van een jaar wordt vereist.
Hij mag de penningen van de minderjarige op geen andere wijze beleggen dan:
1°. Door de aankoop van inschrijvingen op het grootboek van de nationale schuld;
2°. Door de aankoop van onroerende goederen;
3°. In rentgevende schuldbrieven, gehypothekeerd op vaste goederen, welker
onbezwaarde waarde ten minste de helft boven de te beleggen som bedraagt, en die, voor zover zij geen plantages of gronden zijn, op soliede wijze tegen

brandschade moeten zijn verzekerd. Wanneer de penningen niet binnen twee maanden, te rekenen van de dag waarop zij in

zijn bezit zijn gekomen, overeenkomstig het voorschrift van dit artikel, zijn belegd, is de voogd
verplicht die penningen zonder verder verwijl in de consignatiekas te storten, bij nalatigheid
waarvan hij, onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de wettelijke interesten, van de voogdij
zal kunnen worden ontzet.
Indien de belegging niet binnen drie maanden na de storting in de consignatiekas heeft
plaats gehad overeenkomstig no. 2 of 3, moet zij in inschrijving op het grootboek geschieden,
tenzij door de kantonrechter een verlenging van de duur van de storting worde toegestaan.
Het tweede, derde, vierde en vijfde lid van artikel 178 zijn van toepassing.

Artikel 448

De voogd zal tot de belegging overeenkomstig no. 2 of 3 van het voorgaande artikel niet
mogen overgaan, dan met toestemming van de kantonrechter, die de toeziende voogd, en, des
nodig oordelende, de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige zal horen of
behoorlijk oproepen.
De goedkeuring van de kantonrechter ontheft de voogd niet van zijn aansprakelijkheid
terzake van valse voorgevens, verberging van de waarheid of grove nalatigheid bij zijn
voordracht tot de belegging.

Artikel 449

Indien zich onder de goederen van de minderjarige bevinden certificaten van de nationale
schuld, zijn de voogden verplicht de overschrijving daarvan op het grootboek, ten name van de
minderjarige, te doen bewerkstelligen.
De toeziende voogd zal voor de uitvoering van deze maatregel moeten zorg dragen, op
straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten.

Artikel 450-341

De voogd zal ten behoeve van de minderjarige geen geld mogen opnemen, noch diens
onroerende goederen vervreemden of verpanden, noch deszelfs effecten, schuldvorderingen en
actiën verkopen of overdragen, zonder daartoe door de kantonrechter van de woonplaats van de
minderjarige te zijn gemachtigd. De kantonrechter zal deze macht niet verlenen dan uithoofde
van een volstrekte noodzakelijkheid of van een klaarblijkelijk voordeel, en na verhoor of na
behoorlijke oproeping of van de toeziende voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van
de minderjarige.

Artikel 451-342

Ingeval van verkoop van onroerende goederen zal de voogd bij zijn verzoekschrift moeten
overleggen een staat van al de goederen van de minderjarige, met opgave van de zodanige, welke
hij zoude wensen te vervreemden.
De kantonrechter is bevoegd om de verkoop toe te staan, hetzij van de aangewezen
goederen, hetzij van zodanige andere, wier vervreemding aan hetzelve min bezwarend in het
belang van de minderjarige mocht toeschijnen.

Artikel 452

De verkoop moet geschieden in het openbaar, ten overstaan van de toeziende voogd, door
middel van een bevoegde ambtenaar, en volgens de plaatselijke gebruiken.

Artikel 453-343

De kantonrechter is bevoegd om, in buitengewone gevallen, en wanneer het belang van
een minderjarige zulks vordert, verlof te verlenen tot de onderhandse verkoop van een onroerend
goed.
Dat verlof zal echter niet worden toegestaan dan op een met redenen bekleed verzoek van
de voogd, en met eenparig goedvinden van de toeziende voogd, en van de bloedverwanten of
aangehuwden van de minderjarige.
Indien de opgeroepen bloedverwanten of aangehuwden niet allen verschijnen, zal het
eenparig goedvinden van degenen, die opkomen, voldoende zijn.
Het onroerend goed zal voor geen lagere prijs mogen worden verkocht, dan waarop
hetzelve, vóór het verleend verlof, zal zijn geschat geworden door drie deskundigen, door de
kantonrechter te benoemen.

Artikel 454

De formaliteiten, bij artikel 450 voorgeschreven, zijn niet toepasselijk, wanneer bij een
vonnis, op verzoek van een der medeëigenaars van een onverdeeld stuk goed, de verkoop bevolen
mocht zijn, behoudens echter dat die verkoop steeds in het openbaar zal moeten geschieden.

Artikel 455

Indien de rechter, naar aanleiding van artikel 450, verlof verleent tot de verkoop van
effecten, aan de minderjarige toebehorende, kan hij tevens bepalen, dat die verkoop onder de
hand geschiede, mits de effecten van dien aard zijn, dat derzelver waarde, op de dag van de
verkoop, door gewone prijscouranten kan worden aangetoond.

Artikel 456-344

De voogd vermag geen onroerend goed van de minderjarige op een andere wijze dan in de
openbare veiling te kopen.
In dat geval zal de koop echter niet van kracht zijn, dan tengevolge van de goedkeuring
van de kantonrechter, verleend overeenkomstig de voorschriften en onder de bepalingen van het
tweede, derde en vierde lid van artikel 435.

Artikel 457

De voogd vermag de goederen van de minderjarige niet voor zich zelf te huren of in pacht
te nemen, tenzij de voorwaarden door de kantonrechter, na verhoor of behoorlijke oproeping van
de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige, mitsgaders van de toeziende voogd,
zullen zijn goedgekeurd; in welk geval laatstgemelde bevoegd is, om de overeenkomst met de
voogd te sluiten.
Hij vermag, zonder dezelfde goedkeuring, geen opdracht aan te nemen van rechten of
schuldvorderingen jegens de onder zijn voogdij staande persoon.
Artikel 458
De voogd vermag een erfenis, aan de minderjarige opgekomen, niet anders te aanvaarden
dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

Hij vermag geen erfenis te verwerpen, zonder daartoe, op de wijze bij artikel 450
vermeld, verlof bekomen te hebben.

Artikel 459

Hetzelfde verlof wordt vereist tot het aannemen van een gift aan een minderjarige gedaan;
zij zal ten opzichte van de minderjarige dezelfde gevolgen hebben als ten opzichte van een
meerderjarig persoon.

Artikel 460

Alvorens een rechtsvordering voor de minderjarige in te stellen, of zich op een
rechtsvordering, tegen dezelven ingesteld, te verdedigen, kan de voogd, te zijner verantwoording,
zich daartoe doen machtigen door de kantonrechter, die daarop het gevoelen van de toeziende
voogd, en, des nodig oordelende, dat van de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige
inneemt.
De voogd, die, niet voorzien van dit verlof, een rechtsvordering heeft ingesteld, of zich
daartegen verdedigt, kan door de rechter tot de betaling der proceskosten uit eigen beurs worden
verwezen, indien wordt bevonden, dat hij zonder redelijke grond het rechtsgeding aangevangen
of volgehouden heeft; onverminderd zijn gehoudenheid tot verdere vergoeding van kosten,
schade en interesten, zo daartoe gronden zijn.
Hetzelfde kan plaats hebben, indien mocht blijken, dat de voogd door valse voorgevens,
of verberging van de waarheid, zodanig verlof mocht hebben verkregen.

Artikel 461

Het staat aan de voogd niet vrij in een rechtsvordering, tegen de minderjarige ingesteld, te
berusten, zonder daartoe gemachtigd te zijn door de kantonrechter, op de wijze als in de aanvang
van het vorige artikel is vermeld.

Artikel 462

Hetzelfde verlof wordt vereist, wanneer de voogd een scheiding of verdeling wil vragen;
doch kan hij, zonder dat verlof, antwoorden op een eis tot scheiding of verdeling tegen de
minderjarige gedaan.

Artikel 463

De regelen, welke ten opzichte van de scheiding en verdeling van goederen, waarbij
minderjarigen belang hebben, zullen moeten worden in acht genomen, zijn bepaald bij de
zestiende titel van het tweede boek, handelende van boedelscheiding.
Artikel 463a-345

Indien minderjarigen die onder voogdij staan van verschillende voogden, goederen
gemeen hebben, kan de kantonrechter een van hen of een ander persoon aanwijzen om, onder de
nodige door de kantonrechter te stellen waarborgen, het bewind over die goederen waar te nemen
totdat de scheiding en deling heeft plaats gehad.

Artikel 464

De voogd kan, zonder het verlof waarvan bij artikel 450 wordt gesproken, in de naam van
de minderjarige geen dading aangaan, noch de beslissing van een zaak aan scheidsmannen
opdragen.

Artikel 465-346

Indien de vader of de moeder met de voor-overleden echtgenoot in algehele of in beperkte
gemeenschap is getrouwd geweest, kan dezelve, na verhoor of behoorlijke oproeping van de
bloedverwanten of aangehuwden, mitsgaders van de toeziende voogd, door de kantonrechter
worden gemachtigd om de goederen, de nering, het bedrijf, de handel, de fabriek of dergelijke,
gedurende een bepaalde tijd, en zelfs tot de meerderjarigheid, in gemeenschap met de
minderjarigen te mogen aanhouden.
Dit verlof kan niet worden toegestaan, tenzij aan de kantonrechter, na inzage van de
boedelbeschrijving, zij gebleken van het aanmerkelijk belang der minderjarigen, en van de
waarborg, die de voogd of de voogdesse oplevert. Hetzelve zal, op verzoek van de voogd of van
de toeziende voogd, na verhoor alsvoren, kunnen worden ingetrokken.

TWAALFDE AFDELING

VAN DE REKENING EN VERANTWOORDING VAN DE VOOGDIJ

Artikel 466

Elke voogd is, bij het eindigen van zijn beheer, verplicht tot het doen van een slotrekening
en verantwoording.

Artikel 467-347

Die rekening en verantwoording zal ten koste van de minderjarige gedaan worden, aan
hem zodra hij zijn meerderjarigheid heeft bereikt, of aan zijn erfgenamen zodra de minderjarige
is overleden, of aan de opvolger in het beheer.
De voogd zal de kosten daartoe voorschieten.
Men zal daarin aan de voogd goeddoen alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk
gerechtvaardigde uitgaven.

Artikel 468-348

De voogd is bevoegd als loon te berekenen een en een half ten honderd van het gerede
geld, vijf ten honderd van de boekschulden die geïnd worden, drie ten honderd van de ontvangst
van alle andere kapitalen met uitzondering van de zodanige die afgelost worden na door de voogd
te zijn uitgezet, en vijf ten honderd van alle onzuivere inkomsten; tenware hij verkiezen mocht
het loon te genieten, hetwelk hem bij uiterste wilsbeschikking, of bij de in artikel 406 vermelde
authentieke akte, mocht zijn toegelegd.
Bovenstaande bepalingen zijn mede toepasselijk op bewindvoerders, zo dikwerf daarvan
sprake is in deze titel, behoudens het bepaalde aan het slot van artikel 444.
Wanneer goederen van minderjarigen onder het beheer van bewindvoerders gesteld zijn,
berekent de voogd zijn loon alleen over het batige slot van de rekening door deze aan hem
uitgekeerd.
Bij opvolging van voogden of bewindvoerders in het beheer van plantages of gronden, is
de bepaling van het derde lid van artikel 1814 van toepassing.

Artikel 469

Elke overeenkomst, rakende de voogdij of de voogdijrekening, welke tussen de voogd en
de minderjarige, meerderjarig geworden zijnde, mocht plaats hebben, is nietig en van onwaarde,
wanneer dezelve niet is voorafgegaan van een behoorlijke rekening en verantwoording, met
overlegging der nodige bewijsstukken; van welk alles zal moeten blijken door een schriftelijke
erkentenis van degene, aan wie de rekening gedaan is, ten minste tien dagen vóór de
overeenkomst afgegeven.

Artikel 470

Het slot van rekening, door de voogd verschuldigd, zal, zonder dat zulks geëist wordt,
renten dragen van de dag af dat de rekening gesloten is.
De renten van hetgeen de minderjarige aan de voogd schuldig blijft zullen niet lopen, dan
van de dag van de aanmaning tot betaling, na het sluiten van de rekening en verantwoording
gedaan.

Artikel 471

Alle rechtsvordering van de minderjarige tegen zijn voogd, betrekkelijk de verrichtingen
van de voogdij, verjaart met tien jaren, te rekenen van de dag van de meerderjarigheid.

VIJFTIENDE TITEL A349

OMGANG EN INFORMATIE

Artikel 471a-350

1. Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar.
2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd,
een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet
voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4. a. Tot kennisneming van de in dit artikel bedoelde verzoeken is de kantonrechter van de
woonplaats van de minderjarige bevoegd.
b. Indien de minderjarige geen woonplaats heeft binnen Suriname is artikel 414 tweede
lid van het Surinaams Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
c. Onverminderd het bepaalde in sub a en b kan, indien reeds een procedure inzake de
voorziening in de voogdij na echtscheiding of de voorziening in de ouderlijke macht
na scheiding van tafel en bed aanhangig is, een verzoek tot vaststelling van een
omgangsregeling in verband daarmee aan dezelfde kantonrechter worden gedaan.

Artikel 471b-351

1. De ouder, die alleen met het gezag is belast, is gehouden de andere ouder op de hoogte te
stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen
van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over
daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een
regeling vaststellen.
2. Indien het belang van een kind zulks vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het
gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat lid 1 van dit artikel buiten toepassing blijft.
3. De artikelen 471a lid 4 en 471e zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 471c-352

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 471b wordt de niet met het gezag belaste ouder
desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke
feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding
betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze
zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind
zijn werkelijke verblijfplaats heeft, of zwaarwegende belangen van het kind zich tegen het
verschaffen van informatie verzetten.
2. Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in lid 1 van dit artikel
bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden
verstrekt; de rechter wijst het verzoek af, indien zwaarwegende belangen van het kind zich
tegen het verschaffen van de informatie verzetten.
3. Artikel 471a lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 471d-353

1. Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel, begint de uitoefening van het recht op
omgang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien zij
uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de griffier van de beschikking mededeling
heeft gedaan aan de ouder aan wie de uitoefening is opgedragen.
2. De uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens een beschikking inzake het
gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of
voor de derde die met de voogdij is belast het gezag is begonnen.

Artikel 471e-354

.

De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang
wijzigen op grond van het feit dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen
van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Artikel 471f-355

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 471a, kan de rechter op verzoek een omgangsregeling
vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het
kind en die bloedverwant in de tweede graad is van het kind of die de verwekker is van het
kind, dan wel het kind anders dan als ouder als behorende tot het gezin gedurende ten minste
een jaar heeft verzorgd en opgevoed; de rechter wijst het verzoek af, indien het belang van
het kind zich tegen toewijzing verzet of indien het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar
maakt.
2. Het bepaalde in de artikelen 471a lid 4, 471d en 471e is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 471g-356

De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt,
ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 471a, 471b of 471f, dan wel
zodanige beslissing op de voet van artikel 471e wijzigen.

Artikel 471h-357

1. Ingeval van ouderlijke macht, behoudens die gevallen waarin deze door de rechter aan een
der ouders is opgedragen, kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een
regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn
werkelijke verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie aan dan wel het
raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 471b lid 1 dan wel inzake het verschaffen van
informatie als bedoeld in artikel 471c leden 1 en 2.
2. De artikelen 471a lid 4, 471e en 471g zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 471i-358

Alle vorderingen strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling, een regeling inzake het op
de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het
vermogen van het kind en het raadplegen van de andere ouder als bedoeld in artikel 471b lid 1 en
een regeling inzake het verschaffen van informatie als bedoeld in artikel 471c leden 1 en 2
kunnen door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken worden ingesteld namens
belanghebbende; dit bureau kan van een ter zake gegeven beslissing in verzet of in hoger beroep
gaan.

ZESTIENDE TITEL

VAN HANDLICHTING

Artikel 472

Door handlichting kan de minderjarige meerderjarig worden verklaard, of kunnen aan
hem bepaalde rechten van meerderjarigheid worden toegekend.

Artikel 473

De handlichting, door welke de minderjarige meerderjarig wordt, wordt verkregen door
venia aetatis of brieven van meerderjarigverklaring, te verlenen door het hof van justitie, die
echter niet van kracht zijn, dan nadat dezelve door de President zullen zijn goedgekeurd, en te
dien einde aan hem door het hof opgezonden.

Artikel 474

Het verzoek om brieven van meerderjarigverklaring kan aan het hof van justitie worden
gedaan door de minderjarige, wanneer deze de volle ouderdom van twintig jaren heeft bereikt.
Bij het verzoekschrift moet een akte van geboorte, of, wanneer die niet geleverd kan
worden, een ander deugdelijk blijk van de vereiste ouderdom worden overgelegd.

Artikel 475-359

Het hof van justitie neemt geen beslissing dan na verhoor of behoorlijke oproeping van
beide ouders van de minderjarige of van de langstlevende hunner en, indien de minderjarige
onder voogdij staat, van zijn voogd, toeziende voogd en zijn bloedverwanten of aangehuwden.

Artikel 476

Wanneer de woonplaats der bij het voorgaande artikel vermelde personen is buiten
Paramaribo, zal het hof van justitie het horen van die personen aan zodanige ambtenaar kunnen
opdragen als het raadzaam mocht achten.
Het verbaal van dit verhoor zal alsdan aan het hof van justitie worden ingezonden, met
bijvoeging van al de inlichtingen en aanmerkingen, welke de ambtenaar, die met het verhoor is
belast, zal nodig oordelen.

Artikel 477-360

De meerderjarig verklaarde staat in alles met de meerderjarige gelijk.
Ten opzichte van het aangaan van een huwelijk blijft hij echter in de verplichting om,
volgens de bepalingen van de artikelen 88, 90 en 92, de toestemming van zijn ouders of
grootouders of het verlof van de kantonrechter of het hof van justitie te verkrijgen, totdat hij de
volle ouderdom van een en twintig jaren zal hebben bereikt, terwijl ten aanzien van natuurlijke
erkende kinderen artikel 93, lste lid, blijft gelden totdat zij de volle ouderdom van een en twintig
jaren zullen hebben bereikt.

Artikel 478-361

Het staat aan het hof van justitie vrij, om in het belang van de minderjarige, in de brieven
van meerderjarigverklaring de bepaling te voegen, dat hij, aan wie dezelve verleend worden,
desniettegenstaande, totdat hij de volle ouderdom van 21 jaren heeft bereikt, zijn onroerende
goederen niet anders zal mogen vervreemden of bezwaren, dan met toestemming van het hof, na

verhoor of behoorlijke oproeping van beide ouders of van de langstlevende hunner, of, deze beide
ontbrekende, van de bloedverwanten of aangehuwden.
Ingeval van verkoop mag het hof ook toestaan, dat dezelve onderhands geschiede.
Artikel 479362
Handlichting, waarbij aan een minderjarige bepaalde rechten van meerderjarigheid
worden toegekend, kan, wanneer de minderjarige de volle ouderdom van achttien jaren bereikt
heeft, op zijn verzoek door de kantonrechter worden verleend.
Tegen de wil van degene der ouders, die de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent,
worden zij niet verleend.

Artikel 480-363

De kantonrechter neemt geen beslissing dan na verhoor of behoorlijke oproeping van
beide ouders, indien de minderjarige onder de ouderlijke macht staat, of, indien deze onder
voogdij staat, van zijn voogd, toeziende voogd en zijn bloedverwanten of aangehuwden, alsmede
van beide ouders of van de langstlevende hunner, wanneer een ander dan een der ouders de
voogdij over de minderjarige uitoefent.
De kantonrechter kan alvorens te beslissen de persoonlijke verschijning van de
minderjarige gelasten.
Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de kantonrechter de dag, waarop hij zijn
beschikking geven zal.
De minderjarige en ieder die op het verzoek gehoord is, zijn bevoegd tegen de beslissing
van de kantonrechter bij het hof van justitie in beroep te komen.
Een nieuw verhoor kan in hoger beroep worden bevolen.
Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op het beroep niet beslist zonder
dat hij is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden.

Artikel 481

Bij de in de twee vorige artikelen vermelde beschikking moet uitdrukkelijk worden
bepaald en omschreven, welke rechten van meerderjarigheid aan de minderjarige worden
toegekend.

Artikel 482

De minderjarige, die dusdanige handlichting heeft bekomen, wordt als meerderjarige
beschouwd, alleen opzichtelijk de daden en verrichtingen, uitdrukkelijk, invoege voormeld, aan
hem opgedragen, en kan daartegen, op grond van minderjarigheid, niet in zijn geheel worden
hersteld. Voor het overige blijft hij in de volstrekte toestand van minderjarigheid.

Artikel 483-364

De bevoegdheid en de rechten, uit kracht der artikelen 479, 480 en 481 aan de
minderjarige toe te kennen, mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de
gehele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijn inkomsten, het sluiten van
verhuringen, het bebouwen van zijn landerijen, en het uitoefenen van zodanige bedrijven als
daartoe noodzakelijk zijn, het uitoefenen van enig handwerk, het oprichten van, of deelnemen in
enige fabriek, en eindelijk tot het drijven van nering en handel.

In de beide laatste gevallen is de minderjarige bevoegd om, evenals een meerderjarige,
alle verbintenissen te sluiten tot die fabriek, nering en handel betrekkelijk, met uitzondering van
de vervreemding en de bezwaring van zijn vaste goederen en van de vervreemding of verpanding
van zijn rentegevende effecten, inschrijvingen in grootboeken van openbare schuld, hypothecaire
schuldvorderingen en aandelen in naamloze of andere vennootschappen.
Hij kan ter zake der handelingen, waartoe hij krachtens de verkregen handlichting
bevoegd was, hetzij eisende of verwerende in rechte optreden

Artikel 484-365

De handlichting, bij de vijf vorige artikelen omschreven, kan door de kantonrechter
worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat
dat hij dit doen zal.
De intrekking geschiedt, wanneer beide ouders in leven zijn, op verzoek van de vader of,
zo de ouderlijke macht door de moeder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze. Wanneer de
minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van de voogd of toeziende voogd.
Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de
minderjarige en van de voogd, indien het verzoek door de toeziende voogd of van deze, indien
het verzoek door de voogd is gedaan. De kantonrechter kan gelasten, dat ook de bloedverwanten
of aangehuwden en de vader of de moeder, zo een van beiden in leven mocht zijn, zonder met de
voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden. Hij beslist zonder
hoger beroep.

Artikel 485

Alle handlichting in deze titel vermeld, gelijk ook de intrekking volgens het voorgaande
artikel, moet openbaar bekend worden gemaakt, op zodanige wijze als de rechter zal hebben
bepaald.
In de bekendmaking van de handlichting moet nauwkeurig worden vermeld hoedanig, en
tot welk einde, dezelve is verleend. Vóór deze bekendmaking, werkt zomin de handlichting als de
intrekking van dezelve tegen derden.

ZEVENTIENDE TITEL

VAN CURATELE

Artikel 486-366

Een meerderjarige kan onder curatele worden gesteld:
1°. wegens het zich bevinden in een gedurige staat van onnozelheid, krankzinnigheid of
razernij, al is het dat hij bij tussenpozing het gebruik van zijn verstandelijke vermogens bezit;
2°. wegens verkwisting;
3°. indien hij tengevolge van gewoonte van drankmisbruik:
a. zijn belangen niet behoorlijk waarneemt;
b. in het onderhoud van zich of de zijnen niet behoorlijk voorziet;
c. in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft; of
d. eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt;
4°. indien hij op grond van zwakheid van vermogens niet in staat is om zijn eigen
belangen behoorlijk waar te nemen.

Artikel 487-367

De curatele, bedoeld onder 1°. van het vorig artikel, kan worden verzocht door de
echtgenoot, door de bloedverwanten in de rechte linie en die in de zijlinie tot de vierde graad
ingesloten, en door het openbaar ministerie.
De curatele, bedoeld onder 2°. en 3°. van het vorig artikel, kan bovendien worden
verzocht door de onder curatele te stellen persoon zelf.
De curatele, bedoeld onder 4°. van het vorig artikel, kan alleen worden verzocht door de
onder curatele te stellen persoon zelf.

Artikel 488-368

Indien, in geval van razernij, de curatele niet door andere daartoe bevoegde personen is
verzocht, is het openbaar ministerie daartoe verplicht.

Artikel 489-369

Alle verzoeken tot curatele moeten worden ingediend bij de kantonrechter van de
woonplaats van hem, tegen wie het gericht is.

Artikel 490-370

Verzoekschriften, welke niet van de onder curatele te stellen persoon zelf uitgaan bevatten
bepaaldelijk de daadzaken, waaruit van de grond tot curatele blijkt; daarbij worden gevoegd
zowel de bewijsstukken als een opgave der getuigen.

Artikel 491-371

Indien de kantonrechter van oordeel is, dat die daadzaken genoegzaam gewichtig zijn om
tot curatele te kunnen aanleiding geven, zal hij de echtgenoot en de bloedverwanten of
aangehuwden moeten horen.

Artikel 492-372

De kantonrechter zal, na verhoor of behoorlijke oproeping van de personen, bij het vorige
artikel aangeduid, degene wiens curatele verzocht is, moeten ondervragen; wanneer deze buiten
staat mocht zijn om zich te kunnen verplaatsen, zal de ondervraging in zijn woning moeten
geschieden door de rechter, vergezeld van de griffier.
De ondervraging zal niet vroeger plaats kunnen hebben, dan nadat zowel het
verzoekschrift als het verslag, bevattende de door de echtgenoot en de bloedverwanten of
aangehuwden geuitte gevoelens, aan degene, wiens curatele verzocht is, zullen zijn betekend
geworden.

Artikel 493-373

Indien de kantonrechter, na verhoor of behoorlijke oproeping van de echtgenoot en de
bloedverwanten of aangehuwden, en na verhoor van degene wiens curatele verzocht is, oordeelt
genoegzaam te zijn ingelicht, zal hij, zonder enige verdere formaliteiten, op het verzoekschrift
kunnen beschikken; in het tegenovergestelde geval zal de kantonrechter het horen van getuigen
bevelen, ten einde de aangevoerde daadzaken tot klaarheid te brengen.

Artikel 494-374

Na de ondervraging in artikel 492 vermeld, zal de kantonrechter, zo daartoe gronden zijn,
een provisionele bewindvoerder benoemen, om voor de persoon en de goederen van degene,
wiens curatele verzocht is, zorg te dragen.

Artikel 495-375

Het vonnis op een verzoek om curatele zal niet anders dan in een openbare terechtzitting
kunnen worden uitgesproken, na verhoor of behoorlijke oproeping der partijen.

Artikel 496

Ingeval van beroep kan de hogere rechter, zo daartoe gronden zijn, degene, wiens curatele
is verzocht, opnieuw ondervragen of doen ondervragen.

Artikel 497

Alle vonnissen, waarbij curatele verleend wordt, zullen vanwege de verzoekers aan de
wederpartij moeten betekend, en verder openbaar gemaakt worden, binnen de tijd en op de wijze
door de rechter te bepalen; alles op straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten, zo
daartoe gronden zijn.

Artikel 498-376

Wanneer de curatele gevraagd is door de onder curatele te stellen persoon zelf, hoort de
kantonrechter de echtgenoot en de bloedverwanten of aangehuwden. De artikelen 492 tot en met
496 vinden overeenkomstige toepassing; de griffier zorgt voor de openbaarmaking van de
uitspraak, op de wijze in artikel 497 voorgeschreven.

Artikel 499-377

De curatele zal aanvangen te werken, te rekenen van de dag dat het vonnis zal zijn
uitgesproken.
Alle handelingen, die daarna door de onder curatele gestelde zijn verricht, zijn van
rechtswege nietig.
Nochtans behoudt degene, die uithoofde van verkwisting of gewoonte van drankmisbruik
is onder curatele gesteld, het vermogen om uiterste wilsbeschikkingen te maken.

Artikel 500

Alle handelingen, welke mochten hebben plaats gehad vóór het verlenen van de curatele,
op grond van onnozelheid, krankzinnigheid of razernij uitgesproken, zullen kunnen worden
vernietigd, indien de oorzaak van de curatele blijkbaar bestond op het tijdstip, waarop die
handelingen verricht zijn.

Artikel 501

Na iemands dood kunnen de door hem verrichte handelingen, de uiterste
wilsbeschikkingen alleen uitgezonderd, op grond van onnozelheid, krankzinnigheid of razernij,
niet worden bestreden, dan ingeval de curatele vóór zijn overlijden mocht zijn verleend of
verzocht geworden, tenware het bewijs van de kwaal uit de bestreden handeling zelve
voortvloeide.

Artikel 502-378

Zodra de uitspraak tot curatele kracht van gewijsde bekomen heeft, zullen door de
kantonrechter een curator en een toeziende curator over de onder curatele gestelde worden
benoemd, met inachtneming der bepalingen bij de vijfde afdeling van de vijftiende titel van dit
boek voorgeschreven, terwijl ook de echtgenoot van de onder curatele gestelde zal worden
gehoord.
In dat geval houden de bemoeienissen van de provisionele bewindvoerder op, en is deze
verplicht aan de curator rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen; wanneer hij
zelf tot curator benoemd wordt, zal de aflegging van die rekening aan de toeziende curator
geschieden.

Artikel 503-379

Tenzij gewichtige redenen er toe leiden een ander tot curator te benoemen, wordt de ene
echtgenoot tot curator over de andere echtgenoot benoemd. In elk geval zal bij het vonnis,
waarbij de curator wordt benoemd tevens, na verhoor of oproeping van de bloedverwanten of
aangehuwden van de onder curatele gestelde, een toeziende curator worden genoemd.

Artikel 504-380

Na het aangaan van een huwelijk kan de onder curatele gestelde de kantonrechter
verzoeken zijn echtgenoot in de plaats van de tegenwoordige curator tot curator te benoemen.
Gelijk verzoek kan van de echtgenoot zelf uitgaan.
De kantonrechter beslist niet dan nadat de onder curatele gestelde, de echtgenoot, de
curator en de toeziende curator zijn gehoord, althans door de griffier daartoe zijn opgeroepen. De
eerste zin van het voorgaande artikel vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 505-381

De onder curatele gestelde staat gelijk met een minderjarige.
De uit hoofde van verkwisting, gewoonte van drankmisbruik of zwakheid van vermogens
onder curatele gestelde behoeft om een huwelijk aan te gaan de toestemming van de curator en de
toeziende curator; de artikelen 91, tweede lid, en 204 vinden overeenkomstige toepassing.
De wetsbepalingen omtrent de voogdij over minderjarigen in de artikelen 383 tot 396, 421
tot 441, 442, 443, 444, 447 en volgende van de elfde en twaalfde afdeling van de vijftiende titel
voorkomende, gelden insgelijks bij de curatele.

Artikel 506-382

Indien de onder curatele gestelde persoon minderjarige kinderen heeft over wie hij de
ouderlijke macht uitoefent, en de andere echtgenoot van de ouderlijke macht is ontheven of
ontzet, niettegenstaande wettiging niet de ouderlijke macht heeft gekregen, krachtens artikel 299
niet met uitoefening van de ouderlijke macht is belast, of buiten de mogelijkheid is die macht uit
te oefenen, gelijk mede indien de onder curatele gestelde persoon voogd is over zijn echte
kinderen, is de curator van rechtswege voogd over die minderjarigen totdat de curatele is
opgeheven, of de andere der ouders, ingevolge de beschikking bedoeld in artikelen 259 en 283 de
voogdij mocht hebben verkregen of zich ingevolge artikel 299a, de uitoefening van de ouderlijke
macht mocht zijn toegekend, of ingevolge artikel 330 alsnog met de ouderlijke macht of de
voogdij mocht zijn bekleed, of in de ouderlijke macht of de voogdij mocht zijn hersteld.
Artikel 507
De inkomsten van degene, die, uithoofde van onnozelheid, krankzinnigheid of razernij,
onder curatele is gesteld, moeten bijzonderlijk besteed worden om diens lot te verzachten en zijn
genezing te bevorderen.
Artikel 508-383

Vervallen.

Artikel 509-384

Vervallen.

Artikel 510-385

De kantonrechter heeft mede het vermogen om de persoon, die, uit hoofde van gewoonte
van drankmisbruik onder curatele is gesteld, hetzij tegelijk met deze voorziening, hetzij daarna,
uiterlijk voor een jaar, doch, zo nodig, telkens uiterlijk voor een jaar te verlengen, in een
verbeterhuis te doen plaatsen, wanneer blijkt, dat hij in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft
of eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. Indien er onverwijlde noodzakelijkheid
bestaat, en de vertraging tot de afloop van het rechterlijk onderzoek zoude kunnen gevaarlijk zijn,
is de kantonrechter bevoegd om, hangende dat onderzoek zodanige voorlopige behoedmiddelen,
en, desnoods, de vastzetting te bevelen, als de omstandigheden vorderen.

Artikel 511-386

Het verzoek tot vastzetting kan aan de kantonrechter worden gedaan door de echtgenoot
van de onder curatele te stellen of gestelde persoon, door zijn bloedverwanten in de rechte linie,
en door die in de zijlinie tot de derde graad ingesloten, door zijn curator, en door het openbaar
ministerie.

Artikel 512-387

Het gedaan verzoek tot zodanige vastzetting, of tot de verlenging van deze, moet betekend
worden aan hem, tegen wie het is gericht.
Hij is bevoegd om daartegen zijn bezwaren bij de kantonrechter in te brengen, terwijl het
echter aan de rechter vrijstaat om, daartoe billijke gronden zijnde, zijn bevel bij voorraad
uitvoerbaar te verklaren.
De opheffing van de vastzetting kan mede door hem gevraagd worden, en de
kantonrechter moet, alvorens deze te verlenen, daarop horen allen, die, volgens het vorige artikel,
de bevoegdheid zouden hebben om de vastzetting te verzoeken.

Artikel 513

Een minderjarig kind van een onder curatele gestelde persoon kan geen huwelijk aangaan,
noch bedingen deswege maken, dan met inachtneming der voorschriften van de artikelen 91 en

Artikel 514

Niemand, uitgezonderd echtgenoten en bloedverwanten in de opgaande of nederdalende
linie, is verplicht een curatele of toeziende curatele langer dan acht jaren te behouden; na verloop
van die tijd kan de curator of de toeziende curator zijn ontslag vorderen, en moet hem dit worden
verleend.

Artikel 515

De curatele eindigt, wanneer de oorzaken ophouden, die daartoe hebben aanleiding
gegeven; nochtans zal de opheffing van dezelve niet worden verleend dan met inachtneming der
formaliteiten, bij de wet voorgeschreven om curatele te bekomen, en zal degene, die onder
curatele gesteld is, de uitoefening van zijn rechten niet kunnen hervatten, voordat het vonnis tot
opheffing van de curatele kracht van gewijsde zal hebben verkregen.
Bij dit vonnis wordt tevens bepaald, op welke wijze de opheffing van de curatele moet
worden bekend gemaakt.

Artikel 516-388

Vervallen.

ACHTTIENDE TITEL

VAN AFWEZIGHEID

EERSTE AFDELING

VAN VOORLOPIGE VOORZIENINGEN

Artikel 517-389

Indien iemand zijn woonplaats verlaten heeft, zonder volmacht tot het waarnemen van
zijn zaken en belangen, of orde op het beheer derzelve gesteld te hebben, of wel indien de door
hem gegeven volmacht is vervallen, en indien er noodzakelijkheid is om in dat beheer geheel of
gedeeltelijk te voorzien, of hem te doen vertegenwoordigen, zal, op verzoek van
belanghebbenden, of ook van het openbaar ministerie, door de kantonrechter een bewindvoerder
worden benoemd, om zijn goederen en belangen geheel of gedeeltelijk te beheren en waar te
nemen, voor zijn rechten op te komen, en hem daarbij te vertegenwoordigen.
Alles onverminderd de bijzondere wetsbepalingen, voor het geval van faillissement.

Artikel 518-390

De bewindvoerder is verplicht om, desnoods na verzegeling, te maken behoorlijke
beschrijving van de goederen, waarover hem het beheer is toevertrouwd. Hij zal het gerede geld,
daarbij gevonden, of hetwelk naderhand door hem mocht worden geïnd, storten in de kas der
gerechtelijke consignatiën, en verder zich regelen naar de voorschriften omtrent het beheer van
goederen aan minderjarigen toebehorende, voor zoverre die op zijn bewind van toepassing
kunnen worden gemaakt, tenware omtrent dit een of ander door de kantonrechter anders mocht
zijn bepaald.

Artikel 519-391

De bewindvoerder is verplicht aan de procureur-generaal jaarlijks, en daarenboven zo
dikwijls deze zulks vordert, te doen summiere rekening en verantwoording, en te vertonen de
effecten en bescheiden tot zijn beheer behorende. Deze rekening zal worden opgemaakt op
ongezegeld papier, en overgegeven zonder enige gerechtelijke vorm. De procureur-generaal kan
daarop zodanige voordracht aan de kantonrechter doen, als hij in het belang van de afwezige zal
nodig oordelen.
De goedkeuring dezer rekening brengt geen nadeel toe aan het recht, hetwelk de afwezige,
of andere belanghebbenden, tegen dezelve mochten kunnen doen gelden.

Artikel 520

De bewindvoerder is bevoegd, bij het doen van zijn jaarlijkse rekening, als loon te
berekenen hetgeen de voogd bij artikel 468 is toegekend.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VERKLARING VAN VERMOEDELIJK OVERLIJDEN

Artikel 521-392

Indien iemand zijn woonplaats heeft verlaten, zonder volmacht tot het waarnemen van
zijn zaken gegeven, of orde op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer vijf jaren
zijn verlopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding, waaruit kon blijken dat hij in leven was,
zonder dat in die vijf jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn overlijden, om het
even of er voorlopige voorzieningen zijn bevolen dan niet, zal zodanige afwezige, ten verzoeke
van belanghebbenden, op daartoe bekomen verlof van de kantonrechter van de door hem verlaten
woonplaats, voor die kantonrechter, kunnen worden opgeroepen, bij een openbare oproeping,
lopende op een termijn van drie maanden, of zoveel langer als door die rechter mocht worden
bevolen.
Wanneer op die oproeping noch de afwezige, noch iemand voor hem, opkomt, die van
zijn aanwezen doet blijken, zal verlof tot een tweede dergelijke oproeping en op deze tweede, in
het geval alsvoren, verlof tot een derde dergelijke oproeping worden verleend.
Deze oproepingen moeten telkens worden geplaatst in zodanige nieuwspapieren en
worden aangeplakt op zodanige plaatsen, als de kantonrechter, bij het verlenen van het eerste
verlof, uitdrukkelijk zal hebben aangewezen.

Artikel 522-393

De in artikel 521 aangegeven termijn van vijf jaren wordt beperkt tot één jaar:
1°. wanneer de afwezige tot de bemanning of passagiers blijkt behoord te hebben van een
vaartuig, waarvan gedurende die tijd geen berichten zijn ingekomen;
2°. wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis aan
enig vaartuig, aan een deel van zijn bemanning of zijn passagiers overkomen.
Onder vaartuig is ook begrepen een luchtvaartuig.
De termijn van één jaar vangt aan:
in het onder 1° bedoelde geval met de laatste tijding van het vaartuig, en zo van geen
tijding blijkt, met de dag van het laatst in zee steken of opstijgen van het vaartuig;
in het onder 2° bedoelde geval met het tijdstip, waarop de gebeurtenis geacht moet
worden te hebben plaats gegrepen.
Indien zowel het onder 1° als het onder 2° genoemde geval zich voordoet, wordt voor de
berekening van de termijn het vroegste aanvangspunt genomen.

Artikel 523-394

Vervallen.

Artikel 524-395

Indien op de derde oproeping noch de afwezige, noch iemand voor hem, is opgekomen,
die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan door de kantonrechter op daartoe gedane eis,
worden verklaard, dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, sedert de dag nadat de afwezige
kan worden gerekend zijn woonplaats te hebben verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven,
en welke dag bepaaldelijk in het vonnis moet worden uitgedrukt.
In de gevallen, bedoeld in artikel 522, kan het in het eerste lid genoemde rechtsgevolg op
de aldaar gemelde wijze intreden, indien op de tweede, overeenkomstig artikel 521 gedane
oproeping noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn
aanwezen doet blijken, terwijl als tijdstip van overlijden, tevens in het vonnis op te nemen, alsdan
geldt het aanvangspunt volgens de bepalingen van artikel 522.

Artikel 525-396

De kantonrechter zal, alvorens op de eis uitspraak te doen, desnoods na een daartoe
bevolen getuigenverhoor, letten op de beweegredenen van de afwezigheid, op de oorzaken die het
ontvangen van tijdingen van de afwezige hebben kunnen verhinderen, en op alle andere
omstandigheden tot het vermoeden van overlijden betrekkelijk.
De kantonrechter kan, naar aanleiding van dit alles, het doen van uitspraak uitstellen tot
nog uiterlijk vijf jaren boven de tijd, in de artikelen 521 en 522 vermeld, en zodanige nadere
oproepingen en plaatsing daarvan in de nieuwspapieren bevelen, als hij in het belang van de
afwezige mocht nodig oordelen.

Artikel 526-397

Indien iemand bij het verlaten van zijn woonplaats een volmacht tot het waarnemen van
zijn zaken gegeven, of orde op het beheer derzelve heeft gesteld en er tien jaren zijn verlopen na
zijn vertrek of na de laatste tijding van zijn leven, zonder dat in die tien jaren bewijs van zijn
aanwezen of van zijn overlijden zal zijn ingekomen, welke termijn van tien jaren wordt beperkt
tot die van één jaar in de gevallen bedoeld bij artikel 522 en alsdan loopt van af het aldaar
omschreven aanvangspunt, kan zodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, worden
opgeroepen en kan worden verklaard dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, op de wijze
en volgens de voorschriften onderscheidenlijk in de artikelen 521, 524 en 525 vermeld. Dit
verloop van tien jaren of één jaar wordt gevorderd, al ware het ook dat de gegeven volmacht of
gestelde orde van de afwezige vroeger mocht zijn geëindigd.
In het laatste geval echter zal in het beheer worden voorzien op de wijze, als in de eerste
afdeling van deze titel is vermeld.

Artikel 527

De verklaring van vermoedelijk overlijden moet algemeen worden bekend gemaakt door
middel van dezelfde nieuwspapieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst geweest.

DERDE AFDELING

VAN DE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN VERMOEDELIJKE

ERFGENAMEN EN ANDERE BELANGHEBBENDEN, NA DE VERKLARING

VAN VERMOEDELIJK OVERLIJDEN

Artikel 528

De vermoedelijke erfgenamen van de afwezige, welke, hetzij volgens versterfrecht, hetzij
volgens uiterste wilsbeschikking, tot zijn nalatenschap gerechtigd zouden zijn geweest op de dag
in het vonnis uitgedrukt, zijn bevoegd van de bewindvoerder, indien deze bestaat, rekening,
verantwoording en afgifte te vorderen, en om de goederen van de afwezige in bezit te nemen;
alles tegen het stellen van persoonlijke of zakelijke, gerechtelijk goedgekeurde, zekerheid, dat die
goederen zullen worden gebruikt zonder dezelve te verslimmeren of te verwaarlozen, mitsgaders
voor de teruggave der goederen of van derzelver waarde, indien de aard der goederen dit mocht
medebrengen, en zulks ten behoeve van de afwezige, wanneer hij terug mocht komen, of van
andere erfgenamen, van wier beter recht daarna mocht blijken.
De vermoedelijke erfgenamen, mitsgaders alle belanghebbenden zijn diensvolgens
bevoegd om de opening der uiterste wilsbeschikkingen, zo die bestaan, te vorderen.

Artikel 529

Bij gebreke van het stellen van de zekerheid in het voorgaande artikel vermeld, zullen de
goederen onder het beheer van een derde worden gesteld, en kan ten opzichte van roerende
goederen verkoop worden bevolen, met inachtneming der voorschriften in de artikelen 813 en
814 voorkomende.

Artikel 530

De vermoedelijke erfgenamen hebben, ten opzichte van het genot van de goederen van de
afwezige, dezelfde rechten, en zijn aan dezelfde verplichtingen onderworpen, welke ten aanzien
van vruchtgebruikers zijn voorgeschreven, voor zover de bepalingen, op dat onderwerp gemaakt,
toepasselijk zijn, en daaromtrent hierna niet anders is voorzien.

Artikel 531

Op dezelfde voet als dit in de drie voorgaande artikelen omtrent de vermoedelijke
erfgenamen van de afwezigen is bepaald, kunnen de legatarissen, en alle anderen, die op de
goederen van de afwezige, na zijn overlijden, enig recht zouden gehad hebben, hetzelve bij
voorraad uitoefenen.

Artikel 532

Zij, die enige goederen van de afwezige onder hun bezit of beheer hebben verkregen, zijn,
ieder voor zoveel hem aangaat, daarvan aan de afwezige, wanneer hij terug mocht komen, of aan
andere erfgenamen of rechthebbenden, welke mochten opkomen, en van hun beter recht doen
blijken, rekening, verantwoording en afgifte schuldig.

Artikel 533

De vermoedelijke erfgenamen zijn dadelijk bij het inbezitnemen verplicht tot een
behoorlijke beschrijving van al de goederen, door de afwezige achtergelaten. Aan hen wordt het
voorrecht van boedelbeschrijving toegekend. Bij gebreke van zodanige boedelbeschrijving, en in
de gevallen bij artikel 1058 voorzien, verliezen zij het hierboven toegekend voorrecht,
onverminderd de verplichtingen in het vorige artikel omschreven.

Artikel 534

Behoudens de voorgaande bepalingen, en voor zover dientengevolge niet anders is
bevolen, kunnen de vermoedelijke erfgenamen de goederen van de afwezige, in welker bezit zij
zijn getreden, bij voorraad onder elkander verdelen, met inachtneming der voorschriften omtrent
boedelscheiding gemaakt.
De vaste goederen mogen nochtans, om tot de verdeling te geraken, niet worden verkocht,
maar zullen, in het geval dat zij niet kunnen worden verdeeld, of in een of andere kaveling
begrepen, onder sequestratie worden gesteld, en de inkomsten daarvan uitgekeerd, zoals bij de
verdeling zal worden overeengekomen.
Van alles moet een akte worden opgemaakt en getekend, waaruit tevens blijkt, wat aan
legatarissen of andere gerechtigden is uitgekeerd.

Artikel 535-398

De beschrijving en de akte, in het voorgaande artikel vermeld, mitsgaders de akte waarbij
zekerheid is gesteld, moeten worden gebracht en bewaard ter griffie van de rechter, die het vonnis
van vermoedelijk overlijden heeft gewezen.

Artikel 536-399

Zij, die, tengevolge van de voorgaande bepalingen, vaste goederen in hun aandeel hebben
gekregen, of met het beheer daarvan zijn belast, kunnen tot hun zekerheid vorderen, dat die
goederen worden opgenomen door deskundigen, daartoe te benoemen door de kantonrechter,
binnen wiens gebied zij gelegen zijn, en zal van derzelver gesteldheid beschrijving worden
gemaakt. Nadat de deskundigen verslag aan de rechter gedaan hebben en deze hetzelve zal
hebben goedgekeurd, moet de beschrijving met het verslag ter griffie worden bewaard.

Artikel 537-400

De vaste goederen van de afwezige, die aan iemand der vermoedelijke erfgenamen zijn
toebedeeld of onder deszelfs beheer zijn gesteld, mogen vervolgens niet worden vervreemd noch
bezwaard, voordat de tijd, in artikel 540 bepaald, zal zijn verlopen, tenzij om gewichtige redenen,
en met verlof van de kantonrechter.

Artikel 538

Indien de afwezige, na de verklaring van vermoedelijk overlijden, terugkeert, of er bewijs
inkomt dat hij nog in leven is, zijn zij, welke vruchten en inkomsten van zijn goederen hebben
getrokken, verplicht dezelve terug te geven, te weten, de helft wanneer de terugkomst plaats
heeft, of het bewijs van leven inkomt, binnen vijftien jaren na de dag van het vermoedelijk
overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of wel een vierde, wanneer zulks later, doch vóór het verloop
van dertig jaren na dat tijdstip, plaats heeft.
Alles echter met die bepaling, dat de rechter, die het vonnis van vermoedelijk overlijden
heeft uitgesproken, uit aanmerking van de geringheid der achtergelaten goederen, de teruggave
van vruchten en inkomsten anders mag regelen, of wel daarvan gehele ontheffing kan verlenen.

Artikel 539-401

Indien de afwezige in gemeenschap van goederen, of slechts van winst en verlies, of van
vruchten en inkomsten, is getrouwd, en zijn echtgenoot verkiest de bestaande gemeenschap te
laten voortduren, kan dezelve de provisionele inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen, en
de uitoefening der rechten, die eerst door de dood van de afwezige zouden worden geboren,
tegenhouden, en, onder de verplichting van de beschrijving in artikel 533 vermeld, het beheer der
goederen, vóór alle anderen, op zich nemen of behouden.
Doch kan de opschorting van die inbezitneming, en de verdere gevolgen daarvan, niet
langer plaats grijpen, dan gedurende tien volle jaren, te rekenen van de dag bij het vonnis
uitgedrukt, waarbij het vermoedelijk overlijden is verklaard.
Indien echter de echtgenoot zich niet tegen de inbezitneming der vermoedelijke
erfgenamen verzet, zal hij zijn aandeel in de gemeenschap, of eigen goederen, en al hetgeen
waartoe hij overigens mocht gerechtigd zijn, naar zich nemen, mits zekerheid stellende voor
zodanige goederen die voor teruggave vatbaar zijn.
De echtgenoot, de voortduring van de gemeenschap verkiezende, behoudt het recht om,
bij vervolg van tijd, van die gemeenschap afstand te doen.

Artikel 540

Wanneer dertig jaren zijn verlopen na de dag van het vermoedelijk overlijden, in het
vonnis uitgedrukt, of ook wanneer vroeger honderd volle jaren zijn verstreken sedert de geboorte
van de afwezige, zijn de borgen ontslagen, en blijft de verdeling van de achtergelaten goederen,
voor zover dezelve bereids heeft plaats gehad, standhouden, of kan anders door de vermoedelijke
erfgenamen tot een definitieve verdeling worden overgegaan, en kunnen alle andere rechten op
die nalatenschap definitievelijk worden uitgeoefend. Het voorrecht van boedelbeschrijving houdt
alsdan op, en kunnen de vermoedelijke erfgenamen tot aanvaarding of tot verwerping worden
verplicht, volgens de voorschriften op dat onderwerp bestaande.

Artikel 541

Indien vóór de tijd, in het voorgaande artikel uitgedrukt, tijding inkomt van het overlijden
van de afwezige, kunnen zij, die op het tijdstip van dat overlijden, uit kracht der wet, of uit
beschikkingen van de afwezige, rechten op zijn nalatenschap hebben verkregen, of in die rechten
zijn opgevolgd, rekening, verantwoording en afgifte vorderen, op de voet van de artikelen 532 en
538.
Artikel 542

Indien de afwezige mocht terugkomen of van zijn leven doen blijken, nadat dertig jaren
zijn verlopen sedert de dag van zijn vermoedelijk overlijden, bij het vonnis uitgedrukt, heeft hij
alleen recht om zijn goederen terug te vorderen, in de staat waarin zij zich alsdan bevinden,
mitsgaders de prijs van die goederen welke vervreemd zijn, of wel de zodanige welke uit de
opbrengst van zijn vervreemde goederen zijn aangekocht, alles echter zonder enige vruchten of
inkomsten.
Artikel 543

Eveneens zullen de kinderen en verdere afkomelingen van de afwezige zijn goederen
terugontvangen, voor zover zij mochten opkomen binnen dertig jaren na het tijdsverloop bij
artikel 540 vastgesteld.

Artikel 544

Wanneer bij vonnis rechtsvermoeden van overlijden is verklaard, moeten alle
rechtsvorderingen ten laste van de afwezige worden ingesteld tegen de vermoedelijke
erfgenamen, welke zijn goederen hebben inbezitgenomen; behoudens het vermogen van deze
laatsten om het voorrecht van boedelbeschrijving te doen gelden.

VIERDE AFDELING

VAN DE RECHTEN, OPGEKOMEN AAN EEN AFWEZIGE, WIENS

BESTAAN ONZEKER IS

Artikel 545

Hij, die aanspraak maakt op een recht, hetwelk van een afwezige op hem overgegaan
zoude zijn, doch hetwelk eerst aan de afwezige is opgekomen nadat zijn bestaan onzeker is
geworden, is verplicht te bewijzen, dat de afwezige heeft geleefd op het tijdstip, dat het recht aan
deze is opgekomen; zolang hij zulks niet bewijst, zal hij verklaard worden in zijn eis niet
ontvankelijk te zijn.

Artikel 546-402

Indien aan een afwezige, wiens bestaan onzeker is, een nalatenschap of een legaat
opkomt, waartoe, indien hij niet in leven ware, anderen zouden gerechtigd zijn, of waarin anderen
met hem zouden moeten delen, kan zodanige nalatenschap of legaat, of het gedeelte daarvan,
door die anderen in bezit worden genomen, even als of zodanig iemand overleden ware, zonder
dat zij verplicht zijn deszelfs overlijden te bewijzen; zij moeten echter daartoe vooraf vergunning
verkrijgen van de kantonrechter, binnen wiens rechtsgebied de erfenis is opengevallen, die
desnoods openbare oproepingen kan bevelen, en, in dat geval, ten behoeve der belanghebbenden
de nodige behoedmiddelen voorschrijven.

Artikel 547

De bepalingen van de twee voorgaande artikelen sluiten de bevoegdheid niet uit tot het
opvorderen van erfenissen en alle andere rechten, die aan de afwezige of aan zijn rechthebbenden
nader mochten blijken toe te komen. Die bevoegdheid en die rechten gaan alleen te niet door het
tijdsverloop tot verjaring vereist.

Artikel 548

Indien daarna de afwezige terugkomt, of zijn recht op zijn naam wordt vervolgd, kan de
teruggave van vruchten en inkomsten worden gevorderd, te rekenen van de dag dat aan de
afwezige het recht is opgekomen, op de voet en onder de bepalingen van artikel 538.

VIJFDE AFDELING403

VAN DE GEVOLGEN VAN DE AFWEZIGHEID MET BETREKKING TOT

HET HUWELIJK

Artikel 549-404

Indien, buiten het geval van kwaadwillige verlating, een der echtgenoten gedurende tien
volle jaren en in de gevallen bedoeld bij artikel 522 gedurende één jaar, van zijn woonplaats
afwezig is, zonder dat enige tijding van deszelfs leven of dood is ingekomen, is de
achtergebleven echtgenoot bevoegd, op daartoe bekomen verlof van de kantonrechter van de
laatste woonplaats van de afwezige, zodanige afwezige bij drie of bij twee opeenvolgende
openbare oproepingen op te roepen op de wijze onderscheidenlijk in de artikelen 521 en 524
omschreven.

Artikel 550-405

Indien op de derde, in de gevallen bedoeld in artikel 522 op de tweede oproeping, noch de
afwezige noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken,
kan de kantonrechter aan de achtergebleven echtgenoot vergunnen een ander huwelijk aan te
gaan. De bepalingen van artikel 525 zijn ten deze toepasselijk.

Artikel 551

Indien, na de verleende vergunning, doch vóór het aangaan van een ander huwelijk, de
afwezige mocht opkomen, of iemand het behoorlijk bewijs van deszelfs leven inbracht, vervalt de
verleende vergunning van rechtswege.
Na het aangaan van een ander huwelijk, heeft de afwezige recht om ook van zijn zijde een
ander huwelijk aan te gaan.

Artikelen 552 – 554-406

Vervallen.

Burgerlijk Wetboek

Boek II

TWEEDE BOEK

VAN ZAKEN

EERSTE TITEL

VAN DE ZAKEN EN DERZELVER ONDERSCHEIDING

EERSTE AFDELING

VAN ZAKEN IN HET ALGEMEEN

Artikel 555

De wet verstaat door zaken alle goederen en rechten, welke het voorwerp van eigendom
kunnen zijn.

Artikel 556

Al hetgeen door recht van natrekking tot een zaak behoort, daaronder begrepen de
vruchten, zowel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zolang deze tak- of
wortelvast, of aan de grond gehecht zijn, maakt een gedeelte van de zaak uit.

Artikel 557

De burgerlijke vruchten worden alleen geacht een gedeelte van de zaak uit te maken,
zolang deze niet opeisbaar zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen en overeenkomsten.

Artikel 558

Natuurlijke vruchten zijn:
1°. Degene, welke de aarde uit haar zelf voortbrengt:
2°. Al hetgeen de beesten opleveren, of uit de beesten geboren wordt.
Vruchten van nijverheid, die uit de grond getrokken worden, zijn al hetgeen door
bebouwing verkregen wordt.
Burgerlijke vruchten zijn huur- en pachtpenningen, interesten van geldsommen en
verschuldigde renten.

TWEEDE AFDELING

VAN DE ONDERSCHEIDING DER ZAKEN

Artikel 559

Zaken zijn lichamelijk of onlichamelijk.

Artikel 560

Zaken zijn roerend of onroerend, volgens de bepalingen der twee volgende afdelingen.

Artikel 561

Roerende zaken zijn verbruikbaar of onverbruikbaar; verbruikbaar zijn de zodanige, die
door gebruik verloren gaan.

DERDE AFDELING

VAN ONROERENDE ZAKEN

Artikel 562

Onroerende zaken zijn:
1°. Gronderven en hetgeen daarop gebouwd is;
2°. Molens, met uitzondering van zodanige waarvan in artikel 566 wordt gehandeld;
3°. Bomen en veldgewassen, die met hun wortels in de grond vast zijn, onafgeplukte
boomvruchten, mitsgaders delfstoffen, als steenkolen, veen en dergelijke, zolang deze
voorwerpen nog niet van de grond gescheiden en uitgedolven zijn;
4°. Schaarhout van kapbossen en hout van hoogstammige bomen, zolang deze niet gekapt
is;
5°. Buizen of goten, die tot waterleiding in een huis of op een erf dienen;
En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is.

Artikel 563

Door bestemming worden onder onroerende zaken begrepen:
1°. Bij fabrieken, trafieken, molens, smederijen en dergelijke onroerende zaken, de
persen, distilleerketels, ovens, kuipen, vaten, en verdere gereedschappen, bepaaldelijk tot
derzelver wezen behorende, al waren die voorwerpen niet aard- of nagelvast. Bij plantages
bovendien de vaartuigen die daaraan verbonden zijn, de reservestukken van machinerieën en
fabrieken, alsmede het werk- en trekvee;
2°. Bij woonhuizen, de spiegels, schilderijen en andere sieraden, wanneer het hout of
muurwerk waarop deze zijn vastgemaakt, een gedeelte is van het beschot, de muur of het
pleisterwerk van het vertrek; al waren die voorwerpen overigens niet nagelvast;
3°. De bouwstoffen, welke van de afbraak van een gebouw voortkomen, indien zij
bestemd zijn om het gebouw weder op te trekken;
En, in het algemeen, alle zodanige voorwerpen, welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan
zijn onroerende zaak verbonden heeft.
De eigenaar wordt geacht zodanige voorwerpen tot een blijvend gebruik aan zijn
onroerende zaak verbonden te hebben, wanneer deze daaraan zijn vastgehecht door aard-,
timmer- of metselwerk, of wanneer zij daarvan niet kunnen worden losgemaakt zonder deze te
breken of te beschadigen, of zonder het gedeelte van het onroerend voorwerp, waaraan zij zijn
vastgehecht, te breken of te beschadigen.

Artikel 564

Zijn alsmede onroerende zaken de navolgende rechten:
1°. Het vruchtgebruik en gebruik van onroerende zaken;
2°. De erfdienstbaarheden;
3°. Het recht van opstal;
4°. Het erfpachtsrecht;
5°. Grondrenten, hetzij in geld of in natura verschuldigd;
6°. De rechtsvorderingen, dienende om onroerende zaken terug te eisen of te doen
leveren.

VIERDE AFDELING

VAN ROERENDE ZAKEN

Artikel 565

Roerende zaken uit haar aard zijn de zodanige, die zich zelf kunnen verplaatsen, of die
verplaatst kunnen worden.

Artikel 566

Schepen, schuiten, ponten, op vaartuigen geplaatste of andere losse molens en baden, en
dergelijke voorwerpen, zijn roerende zaken.

Artikel 567

Als roerende zaken door wetsbepaling worden beschouwd:
1°. Het vruchtgebruik en gebruik van roerende zaken;
2°. Gevestigde renten, hetzij altijddurende of lijfrenten;
3°. Verbintenissen en vorderingen, die opeisbare geldsommen of roerende goederen tot
onderwerp hebben;
4°. Actiën of aandelen in maatschappijen van geldhandel, koophandel of nijverheid, zelfs
wanneer onroerende goederen, tot die ondernemingen betrekkelijk, aan die maatschappijen
toebehoren. Deze actiën of aandelen worden geacht roerende zaken te zijn, doch ten opzichte van ieder der deelgenoten alleen, zolang de gemeenschap duurt;
5°. Aandelen in 's rijks schuld, hetzij deze bestaan in inschrijvingen op het grootboek,
hetzij in certificaten, schuldbekentenissen, obligaties of andere effecten, met de daartoe
behorende coupons of rentebewijzen;
6°. Actiën in of coupons van obligaties van alle andere geldleningen, daaronder begrepen
die welke door vreemde mogendheden zijn aangegaan.

Artikel 568-407

Indien bij de wet, of in enige burgerlijke handeling, de uitdrukking wordt gebezigd van
roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad, stoffering, of een huis met al hetgeen zich
daarin bevindt, zonder enige bijvoeging, uitlegging, uitbreiding of beperking, worden de
voorzeide uitdrukkingen geacht de voorwerpen te bevatten, welke bij de volgende artikelen zijn
aangeduid.

Artikel 569

De uitdrukking roerende goederen bevat, zonder uitzondering, alles wat, volgens de
hierboven vastgestelde regelen, voor roerend wordt gehouden.

Artikel 570-408

De uitdrukking inboedel bevat alles wat invoege voorschreven voor roerend wordt
gehouden, met uitzondering van het gereed geld, van actiën, schuldvorderingen en andere
rechten, bij artikel 567 vermeld, van koopmanschappen en grondstoffen, van werktuigen tot
fabrieken, trafieken, of de landbouw behorende, van bouwstoffen tot het opbouwen bestemd of
van afbraak afkomstig, mitsgaders van schepen en van aandelen in schepen.

Artikel 571

De uitdrukking meubelen of huisraad bevat al hetgeen, wat volgens het voorzeide artikel,
tot de inboedel behoort, met uitzondering van paarden en levende have, van rijtuigen met hun
toebehoren, van edelgesteenten, boeken en handschriften, tekeningen, prenten, schilderijen,
beelden, gedenkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen, en andere
kostbaarheden en zeldzaamheden, van lijflinnen, wapens, granen, wijnen, en andere
levensmiddelen.

Artikel 572

De uitdrukking een huis met al hetgeen zich daarin bevindt bevat alles wat, volgens
artikel 569, voor roerende goederen wordt gehouden, en in het huis gevonden, met uitzondering
van het gereed geld en van de inschulden en andere rechten, waarvan de bescheiden zich in het
huis mochten bevinden.

Artikel 573

De uitdrukking stoffering bevat alleen die meubelen, welke tot gebruik en versiering der
vertrekken dienen, als behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels,
porseleinen en andere voorwerpen van dien aard.
Schilderijen en beelden, welke een gedeelte van de meubelen van een vertrek uitmaken,
zijn daaronder insgelijks begrepen, doch geenszins de verzamelingen van schilderijen, prenten en
beelden, die op kunstgalerijen en bijzondere vertrekken geplaatst zijn.
Hetzelfde geldt omtrent porseleinen; alle de zodanige die een gedeelte uitmaken van de
sieraden van een vertrek, zijn onder de uitdrukking van stoffering begrepen.

Artikel 574

De uitdrukkingen een gemeubileerd huis of een huis met zijn meubelen, bevat alleen de
stoffering.

VIJFDE AFDELING

VAN ZAKEN, MET BETREKKING TOT DERZELVER BEZITTERS

Artikel 575

Er zijn zaken, die aan niemand toebehoren;
de overige zijn het eigendom of van het land of van gemeenschappen of van bijzondere personen.

Artikel 576

Gronderven en andere onroerende zaken, die onbeheerd zijn en geen eigenaar hebben,
gelijk mede de zaken van degene, die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is verlaten,
behoren aan het land.

Artikel 577

Insgelijks behoren aan het land de wegen en straten, welke te zijnen laste zijn, de stranden
van de zee, de bevaarbare en vlotbare stromen en rivieren met hun oevers, de grote en kleine
eilanden en de platen welke in die wateren opkomen, gelijk ook de havens en reden;
onverminderd de door titel of bezit verkregen rechten van bijzondere personen of
gemeenschappen.

Artikel 578

Door oevers worden in het vorige artikel verstaan, de boorden van rivieren, meren of
stromen, welke bij gewone tijden, als het water op het hoogste is, door dat water overdekt
worden, en niet hetgeen door watervloeden overstroomd is.

Artikel 579

Als eigendom van het land worden insgelijks aangemerkt alle gronden en getimmerten,
welke tot 's lands vestingwerken behoren, en gevolgelijk alle gronden, waarop enige werken van
verdediging zijn aangelegd geworden, als: wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen,
glaciën of vooruitspringende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn, liniën,
posten, verschansingen, redouten, dijken, sluizen, kanalen en hun boorden; insgelijks
onverminderd de door titel of bezit verkregen rechten van bijzondere personen of
gemeenschappen.

Artikel 580

In alle vestingen van het land wordt als militaire landsgrond aangemerkt de gehele
oppervlakte, begrepen:
1°. In vestingen van bedekte wegen en glacis voorzien, tussen de voet van de glooiing van
de hoofdwal en de teen van de bedekte weg en zo deze van een voorgracht is voorzien, tot en met de buitenboord van deze gracht. De walgang der bolwerken is

hieronder begrepen, volgens een getrokken lijn door de kelen van de ene gordijn tot de andere;
2°. In vestingen zonder bedekte wegen of glacis, van de binnenteen van de hoofdwallen
tot en met de overboord der grachten van de enveloppen of buitenwerken;
3°. In vestingen zonder enige buitenwerken, van de binnenvoet van de walgangen tot aan
en met de overboord der daarom gelegen grachten;
4°. Eindelijk, indien er zich achter de binnenvoet der walgangen scheidsloten, bermen
enz. mochten bevinden, zullen ook deze stroken gronden, met hun boomgewassen en andere
opstallen, gerekend worden tot de militaire landsgronden te behoren.

Artikel 581

Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, vooruitspringende posten, verschansingen,
liniën en batterijen, zijn geheel militaire landsgronden, met alle de zo achterwaarts als voorwaarts
en ter zijde gelegen gronden, bij derzelver aanleg door het gouvernement aangekocht.
Op al de bewoonde forten zijn de bepalingen toepasselijk in het voorgaande artikel
vermeld.

Artikel 582

Zaken aan een gemeenschap toebehorende zijn de zodanige, die het gezamenlijk
eigendom zijn van een zedelijk lichaam.

Artikel 583

Zaken aan bijzondere personen toebehorende, zijn de zodanige, die het afzonderlijk
eigendom zijn van een of meer enkele personen.
Artikel 584
Men kan op zaken hebben, hetzij een recht van bezit, hetzij een recht van eigendom, hetzij
een recht van erfgenaamschap, hetzij een vruchtgenot, hetzij een recht van erfdienstbaarheid,
hetzij een recht van pand of hypotheek.

TWEEDE TITEL

VAN BEZIT EN DE RECHTEN DIE DAARUIT VOORTVLOEIEN

EERSTE AFDELING

VAN DE AARD VAN HET BEZIT, EN DE VOORWERPEN DIE

DAARVOOR VATBAAR ZIJN

Artikel 585

Door bezit wordt verstaan het houden of genieten van een zaak, welke iemand, of in
persoon, of door een ander, in zijn macht heeft, alsof zij hem toebehoorde.

Artikel 586

Bezit is of te goeder trouw of te kwader trouw.

Artikel 587

Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de zaak bezit uit kracht van een wijze
van eigendomsverkrijging, waarvan de gebreken aan hem onbekend zijn.

Artikel 588

Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter kennis draagt, dat de zaak, welke hij
bezit, aan hem niet in eigendom toebehoort.
De bezitter wordt geacht te kwader trouw te zijn, van het ogenblik dat een rechtsvordering
tegen hem te dier zake is ingesteld, indien het geding te zijnen nadeel beslist wordt.

Artikel 589

De goede trouw van de bezitter wordt steeds voorondersteld; hij, die kwade trouw
beweert, moet deze bewijzen.

Artikel 590

Men wordt steeds geacht voor zichzelf te bezitten, zolang het niet bewezen is, dat men
heeft aangevangen voor een ander te bezitten.

Artikel 591

Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt men altijd
voorondersteld het bezit onder dezelfde titel voort te zetten, zo niet het tegendeel bewezen is.

Artikel 592

Men kan noch uit eigen wil, noch door enkel tijdsverloop, voor zichzelf de oorzaak en het
beginsel van zijn bezit veranderen.

Artikel 593

Zaken, welke niet in de handel zijn, kunnen geen voorwerp van bezit opleveren.
Hetzelfde geldt zowel ten opzichte van niet voortdurende als van niet zichtbare
erfdienstbaarheden, behoudens de bepalingen van artikel 609.

WEEDE AFDELING

VAN DE WIJZE WAAROP HET BEZIT WORDT VERKREGEN, WORDT

BEHOUDEN, EN VERLOREN GAAT

Artikel 594

Bezit wordt verkregen door de daad van een zaak onder zijn macht te brengen, met het
oogmerk om deze voor zich te behouden.

Artikel 595-409

Zinnelozen kunnen door zichzelf geen bezit verkrijgen.
Minderjarigen kunnen, door de daad, het bezit van een zaak verkrijgen.

Artikel 596

Men kan het bezit van een zaak verkrijgen, of door zichzelf, of door een ander, die in onze
naam heeft aangevangen te bezitten.
In het laatste geval verkrijgt men het bezit, zelfs alvorens men van het inbezitnemen van
de zaak kennis heeft bekomen.

Artikel 597

Het bezit van alles, wat een overledene heeft bezeten, gaat, van het ogenblik van zijn
overlijden, over tot zijn erfgenamen, met alle hoedanigheden en gebreken van hetzelve.

Artikel 598

Men behoudt het bezit, zolang het niet aan een ander is overgegaan, of kennelijk is
verlaten geworden.

Artikel 599

Men verliest het bezit vrijwillige, zodra men het aan een ander overdraagt.

Artikel 600

Men verliest het bezit, zelfs zonder de wil om de zaak aan een ander over te dragen,
wanneer men die kennelijk verlaat.

Artikel 601

Men verliest, tegen zijn wil, het bezit van een stuk land, erf of gebouw:
1¬. Wanneer een ander zich daarvan, tegen wil en dank van de bezitter, in het bezit stelt,
en gerustelijk het genot, gedurende de tijd van één jaar, behoudt;
2¬. Wanneer een erf door een buitengewoon toeval verdronken is.
Het bezit gaat door een tijdelijke overstroming niet verloren.
Men verliest het bezit van een algemeenheid van roerende zaken, op de wijze bij het
eerste lid van dit artikel omschreven.
Artikel 602

Het bezit van een roerende zaak wordt tegen de wil van de bezitter verloren:
1°. Wanneer de zaak is weggenomen of gestolen;
2°. Wanneer deze is verloren, en men niet weet op welke plaats zij zich bevindt.

Artikel 603

Men verliest het bezit van onlichamelijke zaken, wanneer gedurende één jaar, een ander
daarvan het rustig genot heeft gehad.

DERDE AFDELING

VAN DE RECHTEN DIE UIT HET BEZIT VOORTVLOEIEN.

Artikel 604

Het bezit te goeder trouw geeft, ten opzichte van de zaak, aan de bezitter het recht:
1°. Dat hij bij voorraad, en tot het tijdstip van de gerechtelijke terugvordering, als
eigenaar wordt aangemerkt;
2°. Dat hij de eigendom van de zaak, door middel van verjaring, verkrijgt;
3°. Dat hij tot op de gerechtelijke terugvordering de vruchten geniet, welke de zaak
oplevert;
4°. Dat hij in het bezit van de zaak moet worden gehandhaafd, wanneer hij daarin
gestoord wordt; of in het bezit moet worden hersteld, wanneer hij het verloren heeft.

Artikel 605

Het bezit te kwader trouw geeft aan de bezitter, ten opzichte van de zaak, het recht:
1°. Om bij voorraad, en tot op het tijdstip van de gerechtelijke terugvordering, als
eigenaar te worden aangemerkt;
2°. Om de vruchten van de zaak te genieten, doch onder gehoudenis om die aan de
rechthebbende terug te geven;
3°. Om in het bezit te worden gehandhaafd of hersteld, zoals in no. 4 van het vorige
artikel gezegd is.

Artikel 606

De rechtsvordering tot handhaving in het bezit heeft plaats, indien iemand is gestoord in
het bezit van een stuk land of erf, van een huis of gebouw, van een zakelijk recht of van een
algemeenheid van roerende zaken.

Artikel 607

Deze rechtsvordering wordt ook toegelaten, al was het bezit bekomen van iemand, die
onbekwaam was om te kunnen vervreemden.

Artikel 608

Zij heeft geen plaats tegen degene, die het recht tot een erfdienstbaarheid betwist, tenzij
het geschil een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid mocht gelden.
Artikel 609

Indien er geschil ontstaat over de geldigheid van de rechtstitel tot een niet voortdurende,
of tot een niet zichtbare erfdienstbaarheid, kan de rechter bevelen, dat de partij, die bij het
ontstaan van het geschil het genot daarvan heeft, dat genot gedurende het geding behoud.

Artikel 610

Er kan geen rechtsvordering tot handhaving in het bezit plaats hebben op zichtbare
voorwerpen, welke de bezitter niet wettelijk kan bezitten.

Artikel 611

Roerende lichamelijke zaken kunnen geen onderwerp uitmaken van een rechtsvordering
tot handhaving in derzelver bezit, behoudens de slotbepaling van artikel 606.
Artikel 612
Huurders, pachters en anderen, die houders van een zaak voor een ander zijn, kunnen
geen rechtsvordering tot handhaving in het bezit aanvangen.

Artikel 613

De rechtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd kan worden aangevangen
tegen elk en een ieder, die de bezitter in zijn bezit stoort, zelfs tegen de eigenaar, behoudens de
rechtsvordering van deze ten petitoire.
Indien niettemin dat bezit ter bede, heimelijk of door geweld verkregen is, kan de bezitter
de rechtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd niet aanvangen tegen degene, van wie
het bezit in dier voege is verkregen, of aan wie het is ontnomen.

Artikel 614

De rechtsvordering tot handhaving in het bezit moet worden aangevangen binnen het jaar,
te rekenen van de dag, waarop de bezitter in zijn bezit gestoord is geworden.

Artikel 615

Deze rechtsvordering strekt om de stoornis te doen ophouden en de bezitter in zijn bezit te
handhaven, met vergoeding van kosten, schade en interesten.

Artikel 616

Het bezit wordt gerekend steeds bij hem geweest te zijn, die, het recht van bezit niet
verloren hebbende, daarin door de rechter is gehandhaafd geworden, behoudens hetgeen nader
omtrent de vruchten is bepaald.

Artikel 617

Indien ter gelegenheid van een rechtsvordering tot handhaving in een bezit, hetgeen van
wederzijds gevorderd wordt, de rechter vermeent, dat het niet behoorlijk bewezen is, zal hij,
zonder over het bezitrecht uitspraak te doen, kunnen bevelen, of dat het voorwerp onder
gerechtelijke bewaring wordt gesteld, of dat de partijen ten petitoire zullen procederen, of hij zal
aan een der partijen het bezit bij voorraad toestaan.
Dat bezit geeft alleen het recht om het genot van de betwiste zaak te hebben gedurende
het geding over de eigendom, en onder gehoudenis om van de genoten vruchten rekening te doen.

Artikel 618

Indien de bezitter van een erf of van een gebouw daarvan het bezit zonder geweld
verloren heeft, kan hij tegen de houder een rechtsvordering aanvangen, strekkende, om in het
bezit hersteld en gehandhaafd te worden.

Artikel 619

Ingeval van gewelddadige ontzetting, heeft de rechtsvordering tot herstelling in het bezit
plaats, zowel tegen degenen, die de gewelddadigheid hebben gepleegd, als die deze hebben
bevolen.
Zij zijn allen hoofdelijk voor het geheel verantwoordelijk.
Om in die rechtsvordering ontvankelijk te zijn, behoeft de aanlegger slechts de daad van
de gewelddadige ontzetting te bewijzen.

Artikel 620

Diezelfde rechtsvordering kan worden aangevangen tegen al degenen, die zich te kwader
trouw van het bezit hebben ontdaan.

Artikel 621

De rechtsvordering tot herstelling en handhaving, waarvan in artikel 618 gesproken
wordt, moet worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van de dag waarop het bezit is
gestoord geworden; en, ingeval van gewelddadige ontzetting, moet de rechtsvordering tot
herstelling in het bezit worden aangevangen binnen dezelfde termijn, te rekenen van de dag
waarop het geweld heeft opgehouden.
Men is in die rechtsvordering niet meer ontvankelijk, zodra men een geding ten petitoire
heeft aangevangen.

Artikel 622

De rechtsvordering tot teruggave en herstelling in het bezit strekt altijd om de vorige
bezitter in zijn bezit te handhaven of te herstellen, en hem te doen beschouwen evenalsof hij het
bezit nimmer verloren had.
Artikel 623
Bij deze rechtsvorderingen zullen ten aanzien der bezitters, zo te goeder als te kwader
trouw, omtrent hun rechten aangaande het genot der vruchten en de gemaakte kosten gedurende
het bezit, de regelen gelden, welke hierna in de derde titel op dat stuk voor de opvordering van
eigendom zijn voorgeschreven.

Artikel 624

Ook na verloop van het jaar, hetwelk de wet toekent om de rechtsvordering tot herstelling
in het bezit aan te vangen, heeft degene, die op een gewelddadige wijze van zijn bezit is beroofd,
het recht om, bijwege van een gewone rechtsvordering, degene, die het geweld heeft gepleegd, te
doen veroordelen tot de teruggave van alles, wat hem ontnomen is, en tot de vergoeding der
kosten, schade en interesten, door die feitelijkheden veroorzaakt.

DERDE TITEL

VAN EIGENDOM

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 625-410

Eigendom is het recht om van een zaak het vrij genot te hebben en daarover op de
volstrektste wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt, strijdende tegen de wetten,
daargesteld door zodanige macht, die daartoe, volgens de Wet op de Staatsinrichting van
Suriname, de bevoegdheid heeft, en mits men aan de rechten van anderen geen hinder toebrengt;
alles behoudens de onteigening ten algemene nutte tegen voorafgaande schadevergoeding,
ingevolge de Wet op de Staatsinrichting van Suriname.

Artikel 626

De eigendom van de grond bevat in zich de eigendom van hetgeen op en in de grond is.
De eigenaar kan op de grond alle beplantingen doen en gebouwen stellen, welke hij
goedvindt; behoudens de uitzonderingen in de vierde en vijfde titel van dit boek gemaakt.
Onder de grond mag hij naar goedvinden bouwen en graven, en uit dat graven alle
vruchten trekken, welke het kan opleveren; behoudens de wijzigingen, uit de algemene wetten
van politie op het stuk der mijnen, uitvening en andere dergelijke voorwerpen voortvloeiende.

Artikel 627

Ieder eigendom wordt vermoed vrij te zijn.
Hij, die beweert enig recht op eens anders zaak te hebben, moet dat recht bewijzen.

Artikel 628

De verdeling van een zaak, welke aan meer dan een persoon toebehoort, geschiedt
overeenkomstig de regelen, ten opzichte van de scheiding en verdeling der nalatenschappen
voorgeschreven.

Artikel 629

De eigenaar heeft het recht om de aan hem toebehorende zaak van iedere houder terug te
vorderen in de staat waarin zij zich bevindt.

Artikel 630

De bezitter te goeder trouw heeft het recht om al de vruchten, welke hij van de
teruggevorderde zaak tot op de dag van de rechtsvordering genoten heeft, voor zich te behouden.
Hij is verplicht tot teruggave van al de vruchten sedert de aanvang dier rechtsvordering genoten,
onder aftrek van de kosten, tot de verkrijging dier vruchten, voor het bebouwen, bezaaien en
bearbeiden van de grond besteed.
Hij heeft wijders recht tot terugvordering der noodzakelijke uitgaven, tot het behoud en
ten nutte van de zaak aangewend, gelijk ook om de opgeëiste zaak onder zich te houden, zolang
de kosten en uitgaven, in dit artikel opgenoemd, niet aan hem zijn vergoed.

Artikel 631

Met hetzelfde recht, en op dezelfde wijze, kan de bezitter te goeder trouw, bij de
teruggave van de opgeëiste zaak, terugvorderen de door hem invoege alsvoren bestede kosten tot
het verkrijgen dier vruchten, welke, op het ogenblik van de teruggave, nog niet van de grond zijn
gescheiden.

Artikel 632

Hij heeft daarentegen geen aanspraak op de teruggave van zodanige kosten, als door hem
gemaakt zijn ter verkrijging van de vruchten, die hij ten gevolge van zijn bezit behoudt.

Artikel 633

Hij heeft evenmin recht om, bij de teruggave van de zaak, de kosten en uitgaven in
rekening te brengen, door hem gemaakt tot onderhoud van de zaak, als welke onder de uitgaven
tot behoud en ten nutte van de zaak, in artikel 630 vermeld, niet worden verstaan.
Wanneer er geschil ontstaat over hetgeen als kosten tot onderhoud moet worden
beschouwd, zullen de voorschriften omtrent het vruchtgebruik te dien aanzien gevolgd worden.

Artikel 634

De bezitter te kwader trouw is verplicht:
1¬. Om al de vruchten van de opgeëiste zaak met deze terug te geven, zelfs de zodanige
die niet genoten zijn, indien de eigenaar die had kunnen genieten; hij kan echter, zoals dit in
artikel 630 is bepaald, de kosten aftrekken of terugvorderen, welke door hem gedurende zijn bezit
tot behoud van de zaak zijn gemaakt, en ook de zodanige, die, tot de verkrijging der vruchten,
voor het bebouwen, bezaaien en bearbeiden van de grond zijn besteed;
2¬. Om alle kosten, schade en interesten te vergoeden;
3¬. Om, ingeval hij het goed niet mocht kunnen teruggeven, daarvan de waarde te
voldoen, zelfs wanneer dat goed buiten zijne schuld, of bij toeval, is verloren gegaan, tenzij hij
mocht kunnen bewijzen, dat de zaak evenzeer zou vergaan zijn, indien de eigenaar die had
bezeten.

Artikel 635

Hij, die zich op een gewelddadige wijze heeft in het bezit gesteld, kan de door hem
gedane uitgaven niet terugvorderen, al waren deze ook tot behoud van het goed noodzakelijk
geweest.

Artikel 636

De uitgaven tot nut en verfraaiing blijven ten laste van degene, die te goeder of te kwader
trouw bezeten heeft; doch hij heeft het recht om de door hem aangebrachte voorwerpen van nut
en verfraaiing tot zich te nemen, indien zulks kan geschieden zonder het goed te beschadigen.

Artikel 637-411

Hij, die de teruggave van een ontvreemde of verloren zaak vordert, is niet verplicht aan de
houder de door deze bestede koopprijs terug te geven, tenzij de houder de zaak op een jaar- of
een andere markt, of op een openbare veiling gekocht heeft.

Artikel 638

In zee geworpen en door de zee opgeworpen goederen kunnen door de eigenaar worden
teruggevorderd, met inachtneming der wettelijke voorschriften op dat stuk bestaande.

TWEEDE AFDELING

VAN DE WIJZE WAAROP EIGENDOM VERKREGEN WORDT

Artikel 639

Eigendom van zaken kan op geen andere wijze worden verkregen dan door toeëigening,
door natrekking, door verjaring, door wettelijke of testamentaire erfopvolging, en door opdracht
of levering tengevolge van een rechtstitel van eigendomsovergang, afkomstig van degene, die
gerechtigd was over de eigendom te beschikken.

Artikel 640

Roerende zaken, welke aan niemand toebehoren, worden het eigendom van degene, die
zich deze het eerst toeëigent.

Artikel 641

Het recht om zich het wild of de vissen toe te eigenen behoort, bij uitsluiting, aan de
eigenaar van de grond waarop zich het wild, of van het water waarin zich de vissen bevinden.

Artikel 642

De eigendom van een schat behoort aan degene, die deze op zijn eigen grond gevonden
heeft. Indien de schat op de grond van een ander gevonden wordt, behoort de ene helft aan de
vinder, en de wederhelft aan de grondeigenaar.
Men verstaat door een schat als zodanige verborgen of begraven zaak, waarop niemand
zijn recht van eigendom kan bewijzen, en die door een louter toeval ontdekt is.

Artikel 643

Al hetgeen met een zaak verenigd is, of met deze één lichaam uitmaakt, behoort aan de
eigenaar, volgens de regelen bij de volgende artikelen vastgesteld.

Artikel 644

Grote en kleine eilanden, en door aanslijking droog geworden platen, die zich in
onbevaarbare en onvlotbare rivieren nederzetten, behoren aan de eigenaars der oevers aan de
zijde, waar zij zich gevormd hebben. Indien het eiland zich niet aan één kant heeft opgeworpen,
behoort het aan de eigenaars der beide oevers, te rekenen van de lijn die men vooronderstelt in
het midden van de rivier getrokken te zijn.

Artikel 645

Indien een stroom of een rivier, door een nieuwe arm te maken, het aan de oever liggend
land van een eigenaar doorsnijdt en tot een eiland maakt, behoudt de eigenaar de eigendom van
zijn land, zelfs wanneer dat eiland zich in een stroom of in een bevaarbare en vlotbare rivier
gevormd had.

Artikel 646

De eigendom van stromen en rivieren brengt mede de eigendom van de grond, waarover
het water loopt.

Artikel 647-412

Indien een stroom of een rivier een nieuwe loop aanneemt en zijn oude beddingen verlaat,
nemen de eigenaars van de gronden, welke zij hierdoor verloren hebben, bezit van de verlaten
beddingen om zich schadeloos te stellen, een ieder naar evenredigheid van de grond, die hij
verloren heeft.

Artikel 648

De tijdelijke overstroming van een stroom of een rivier doet de eigendom noch verkrijgen
noch verloren gaan.

Artikel 649

Verdronken landen blijven aan de eigenaar toebehoren.
Niettemin, indien deze bepoldering of droogmaking door de President, voor het algemeen
belang, of tot beveiliging van nabijgelegen eigendommen, noodzakelijk wordt geacht, en door
deskundigen bewezen wordt, dat die verdronken landen voor bepoldering of droogmaking
vatbaar zijn, zullen derze eigenaars aangemaand worden om deze te bewerkstelligen of daaraan
deel te nemen, en, bij weigering of ontstentenis daarvan, van hen eigendom ten algemene nutte
kunnen worden onteigend, tegen voorafgaande voldoening van de waarde, waarop die gronden,
als verdronken land, zullen worden geschat.

Artikel 650

De aanslijkingen en aanwassen, welke natuurlijk, langzamerhand en ongemerkt, aan de
landen, bij een lopend water gelegen, aangroeien, worden aanspoelingen genoemd.
De aanspoeling komt ten voordele van de eigenaars van de oever, zonder onderscheid of
in de titel van eigendom al of niet melding wordt gemaakt van de hoegrootheid der landen;
behoudens de algemene wetten op zichtbare voet- en jaagpaden.

Artikel 651

De bij het tweede lid van het vorige artikel gemaakte bepaling is ook toepasselijk op
aanspoelingen, welke aan de oevers van bevaarbare meren plaats hebben.
Dezelfde bepaling is eindelijk ook toepasselijk op aanwassen, gorsingen en schorren, door
de zee aan de stranden en aan de oevers der rivieren, alwaar ebbe en vloed gaat, aangespoeld,
hetzij de oever aan het land, of wel aan bijzondere personen of gemeenschappen toebehoort.

Artikel 652

Aanspoeling heeft geen plaats ten aanzien van vijvers.
De eigenaars van deze behouden steeds de grond, die door het water bedekt wordt,
wanneer het tot die hoogte gekomen is, dat de vijver zich daarvan ontlast, ofschoon ook de
hoeveelheid van het water naderhand weder afneemt.
Zo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van de vijver geen recht op de landen aan de
oever gelegen, die door zijn water, bij buitengewone hoogte van hetzelf, overdekt worden.

Artikel 653

Het wordt als geen aanspoeling aangemerkt, indien een stuk land door het geweld van de
stroom ineens van het een land afgescheurd en aan het andere aangeworpen wordt, mits de
eigenaar zijn recht binnen drie jaren na die gebeurtenis doet gelden. Na dit tijdsverloop wordt ook
dat afgescheurde en niet gevorderde stuk grond het eigendom van degene, aan wiens land het
aangeworpen is.

Artikel 654

Al hetgeen op een erf geplant of gezaaid is, behoort aan de eigenaar van de grond.

Artikel 655

Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de grondeigenaar, mits het gebouwde met
de grond verenigd zij; behoudens de wijzigingen in de artikelen 657 en 658 voorkomende.

Artikel 656-413

De eigenaar van de grond, die met bouwstoffen, welke aan hem niet toebehoren, gebouwd
heeft, moet daarvan de waarde voldoen; hij kan tot vergoeding van kosten, schade en interesten
worden veroordeeld, indien daartoe gronden zijn, doch heeft de eigenaar der bouwstoffen geen
recht om deze weg te nemen.

Artikel 657

Indien iemand met zijn eigen bouwstoffen op de grond van een ander werken heeft
aangelegd, kan de grondeigenaar het gebouwde voor zich behouden, of de andere noodzaken om
het weg te nemen.
Indien de grondeigenaar vordert, dat het gebouwde wordt weggenomen, zal het afbreken
moeten geschieden ten koste van degene, die de werken gemaakt heeft, en deze laatste kan zelfs
tot vergoeding van kosten, schade en interesten worden veroordeeld.
Indien daarentegen de grondeigenaar het gebouwde wil aan zich behouden, moet hij de
waarde van de bouwstoffen, mitsgaders het werkloon betalen, zonder dat echter de meerdere
waarde van het erf daarbij in aanschouw zal kunnen worden genomen.

Artikel 658

Indien het bouwen door een bezitter te goeder trouw is verricht, kan de eigenaar niet
vorderen, dat het gebouwde wordt weggenomen; maar hij heeft de keus om, of de waarde der
bouwstoffen en het werkloon te voldoen, of een geldsom te betalen evenredig aan de meerdere
waarde van het erf.

Artikel 659

De drie bovenstaande artikelen zijn ook toepasselijk op de beplantingen en bezaaiingen.

Artikel 660

Hij, die van een niet aan hem toebehorende stof een voorwerp van een nieuwe soort
maakt, wordt eigenaar van dat voorwerp, mits hij de prijs van de stof betaalt, en, zo daartoe
gronden zijn, de kosten, schade en interesten vergoedt.

Artikel 661

Wanneer het nieuwe voorwerp zonder toedoen van de mens, en door de toevallige
vereniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehorende, is
voortgebracht, alsdan wordt het nieuwe voorwerp een tussen al de eigenaars gemeen zaak, naar
evenredigheid van de waarde der stoffen, welke oorspronkelijk aan ieder hunner hebben
toebehoord.

Artikel 662

Indien het nieuwe voorwerp is voortgebracht door de vereniging van onderscheidene
stoffen, aan verschillende eigenaars toebehorende, en door de daad van een van die eigenaars, zo
bekomt laatstgemelde daarvan de eigendom, onder gehoudenis om aan de anderen de waarde der
stoffen te voldoen, met vergoeding van kosten, schade en interesten, indien daartoe gronden zijn.

Artikel 663

Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen
gevoegelijk kunnen worden gescheiden, zal een ieder kunnen terugvorderen hetgeen hem
toebehoort.

Artikel 664

Eigendom wordt verkregen door verjaring, nadat men een zaak heeft bezeten gedurende
de tijd, welke de wet bepaalt, en overeenkomstig de voorwaarden en onderscheidingen, welke bij
de zevende titel van het vierde boek zijn vastgesteld.

Artikel 665

De wijze, waarop eigendom door middel van wettelijke erfopvolging of testamentaire
erfstelling verkregen wordt, is bij de elfde en twaalfde titel van dit boek behandeld.

Artikel 666

De levering van roerende zaken, onlichamelijke uitgezonderd, geschiedt door de enkele
overgave, welke door de eigenaar of in zijn naam is verricht, of door de sleutels van het gebouw,
waarin zich die zaken bevinden, over te geven.
De levering wordt niet vereist, indien de verkrijger de zaak reeds, uit kracht van een
andere titel, in zijn macht heeft.

Artikel 667-414

De levering van schuldvorderingen op naam en andere onlichamelijke zaken, geschiedt
door middel van een authentieke of onderhandse akte, waarbij de rechten op die voorwerpen aan
een ander worden overgedragen.
Die overdracht heeft ten aanzien van de schuldenaar geen gevolg, dan van het ogenblik
dat deze aan hem is betekend geworden, of dat hij de overdracht schriftelijk heeft aangenomen of
erkend.
De levering van schuldvorderingen aan toonder geschiedt door de overgave, die van
schuldvorderingen aan order door de overgave, na endossement, van het papier.

Artikel 668-415

Vervallen.

Artikel 669-416

Vervallen.

Artikel 670-417

De levering of opdracht van onroerende zaken geschiedt door de overschrijving van de
akte in de daartoe bestemde openbare registers.
De akten, waarbij onroerende zaken worden vervreemd, verdeeld of toegescheiden,
zomede die, waarbij zakelijke rechten op onroerend goed worden gevestigd of overgedragen,
moeten, op straffe van nietigheid, in authentieke vorm worden verleden, tenzij het land daarbij
partij is.
Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke niet tot de zaak betrekkelijk
zijn, is het voldoende om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al hetgeen die
zaak betreft, mits in dat geval de partijen, hetzij bij het opmaken van het uittreksel voor de notaris
en getuigen, hetzij bij een onderhandse verklaring, op het uittreksel te stellen, haar toestemming
geven, dat de overschrijving van de akte overeenkomstig dat uittreksel geschiedt.

VIERDE TITEL

VAN DE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN TUSSEN EIGENAARS VAN

NABURIGE ERVEN

Artikel 671

Er bestaan tussen de eigenaars van naburige erven rechten en verplichtingen, welke
voortvloeien, hetzij uit de natuurlijke ligging der erven, hetzij uit de bepalingen der algemene
wetten.

Artikel 672

Erven die lager liggen zijn, ten behoeve van degene die hoger gelegen zijn, verplicht het
water te ontvangen, hetwelk daarvan natuurlijk afloopt, zonder dat zulks door mensen toedoen
bevorderd wordt.
De eigenaar van het erf, dat lager ligt, mag geen dijk of dam opwerpen, waardoor deze
uitwatering belet wordt; daarentegen mag de eigenaar van het hoger gelegen erf niets in het werk
stellen, waardoor de toestand van hetgeen, dat lager ligt, verzwaard wordt.

Artikel 673

Die een waterbron op zijn erf heeft, mag daarvan, naar goeddunken, gebruik maken,
behoudens het recht, hetwelk de eigenaars van lager gelegen erven, hetzij door enige titel, hetzij
door verjaring, overeenkomstig artikel 744, mochten verkregen hebben.

Artikel 674

De eigenaar van de waterbron mag de loop van de bron niet veranderen, indien deze aan
de inwoners van een stad, een dorp of gehucht het voor hen noodzakelijke water verschaft.
In dat geval heeft de eigenaar aanspraak op een door deskundigen te regelen
schadeloosstelling, ten ware het gebruik van het water wettig verkregen of verjaard mocht zijn.

Artikel 675

Hij, wiens eigendom gelegen is aan de oever van een stromend water, hetwelk niet tot het
openbaar domein behoort, mag van dat voorbijlopend water tot bespoeling van zijn erf gebruik
maken.
Degene, wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag daarvan zelfs in de
tussenruimte, welke het water doorloopt, gebruik maken, mits hij, ter plaatse waar zijn erf
eindigt, aan het water van deze natuurlijke loop weergeeft.

Artikel 676

Wanneer er tussen eigenaars, aan welke die wateren enig nut kunnen verschaffen, geschil
ontstaat, moet de rechter, bij de beslissing daarvan, het belang van de landbouw met de
onschendbaarheid van het recht van eigendom trachten overeen te brengen, en zich, in alle
gevallen, gedragen naar de algemene wetten en de gewoonten opzichtelijk de loop, de hoogte en
het gebruik der wateren.

Artikel 677

Ieder eigenaar kan zijn nabuur noodzaken hun aan elkander grenzende eigendommen af te
scheiden.
De afscheiding moet ten gemenen koste gedaan worden.
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op plantages en gronden in de buitendistricten
gelegen.

Artikel 678

Ieder eigenaar mag zijn erf afsluiten, behoudens de uitzonderingen bij artikel 714
gemaakt.

Artikel 679

De eigenaar, die zijn erf heeft afgesloten, verliest het recht van klauwengang en
stoppelweide, naar evenredigheid van de grond, welke hij door de afsluiting aan de gemene
weiding onttrekt.

Artikel 680

Alle muren, dienende tot afscheiding tussen gebouwen, landerijen, hoven en tuinen,
worden gerekend gemene muren te zijn, tenzij er een titel of teken, het tegendeel aanduidend,
mocht bestaan.
Indien de gebouwen niet even hoog zijn, wordt de scheidsmuur slechts voorondersteld
gemeen te zijn tot de hoogte van het minst verheven gebouw.

Artikel 681

Het teken, dat een scheidsmuur niet gemeen is, bestaat onder andere daarin:
1°. Dat het bovenste van de muur aan ene kant opstaande en loodrecht met deszelfs
voetstuk is, en aan de anderen kant schuins afloopt;
2°. Dat de muur een gebouw of een terras steunt of schraagt, zonder dat er van de andere
kant een gebouw of ander werk aanwezig is;
3°. Dat bij het bouwen van de muur slechts aan de ene zijde, hetzij een kap, hetzij stenen
lijsten en vooruitstekende stenen, zijn geplaatst geworden.
In die gevallen wordt de muur gerekend bij uitsluiting toe te behoren aan de eigenaar, aan
wiens kant het gebouw, het terras, de lijsten en vooruitstekende stenen, of de goot van zodanige kappen, gevonden worden.

Artikel 682

De reparaties en wederopbouwing van de gemene scheidsmuur komen ten laste van al
degenen, die op de muur recht hebben, en zulks naar evenredigheid van ieders recht.
Niettemin kan elke medeëigenaar zich bevrijden om tot de kosten van reparatie en
wederopbouwing bij te dragen, door zijn recht van medeëigendom op de weder op te bouwen of
te herstellen muur te laten varen, mits de scheidsmuur geen aan hem toebehorend gebouw
schraagt of steunt, of in de steden en aaneen gebouwde voorsteden en dorpen niet tot afscheiding
verstrekt van aan elkander grenzende huizen, open plaatsen en tuinen.

Artikel 683

Elke medeëigenaar mag tegen de gemene muur aanbouwen, en in deze, tot op de helft van
de dikte, balken, ribben, ankers of andere ijzer- of houtwerken doen plaatsen, mits de muur zelf
daardoor geen schade lijdt.

Artikel 684

Ieder medeëigenaar mag de gemene scheidsmuur hoger doen optrekken, maar hij moet
alleen de kosten van verhoging dragen, mitsgaders de raparaties tot onderhoud van hetgeen zich
boven de hoogte van de gemene scheiding bevindt, en bovendien de vergoeding van de schade,
die door de zwaarte veroorzaakt wordt, naar evenredigheid van de last, en volgens de waarde.
Indien de gemene scheidsmuur niet in staat is om de verhoging te dragen, moet degene die
de muur wil optrekken deze voor zijn kosten geheel opnieuw doen opbouwen, en de meerdere
dikte moet van de grond aan zijn kant afgenomen worden.

Artikel 685

Ieder medeëigenaar van een gemene scheidsmuur mag op het gedeelte, hetwelk hem
toebehoort, een goot leggen, en het water doen uitlopen, hetzij op zijn erf, hetzij op de openbare
weg, indien zulks niet bij de wetten verboden is.

Artikel 686

De medeëigenaar van de muren, welke niet tot de verhoging heeft bijgedragen, kan de
medeëigendom van die verhoging verkrijgen, mits betalende de helft van de gemaakte onkosten,
mitsgaders de helft van de waarde van de grond, indien daarvan tot verbreding is gebruik
gemaakt.

Artikel 687

Geen muur kan zonder de wil van deszelfs eigenaar worden gemeen gemaakt.

Artikel 688

Geen der medeëigenaars mag, zonder toestemming van de anderen, in de gemene muur
enige diepte of holte maken, noch tegen deze enig werk aanbrengen of doen steunen.
In de gevallen, bij de artikelen 683 en 684 voorzien, kan de medeëigenaar vorderen, dat
vooraf door deskundigen de nodige middelen worden beraamd, teneinde het nieuwe werk aan zijn
rechten geen nadeel toebrengt.
Indien het nieuwe werk aan het eigendom van de nabuur nadeel veroorzaakt heeft, moet
hij daarvoor schadeloos worden gesteld; zullende echter de schade, toegebracht aan hetgeen tot
verfraaiing van de scheidsmuur heeft verstrekt, bij het opmaken van de schadeloosstelling niet in
aanmerking komen.

Artikel 689

Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijn nabuur
noodzaken om bij te dragen tot het opmaken of het stellen van afsluiting, dienende tot afscheiding
van hun huizen, open plaatsen en tuinen.
De wijze en de hoogte van de afsluiting zullen geregeld worden volgens de wetten en
plaatselijke gebruiken.

Artikel 690

Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van een gemene heining een gemene
muur zetten, maar geenszins een heining in plaats van een muur.

Artikel 691

Geen der naburen mag, zonder de toestemming van de andere, in de gemene scheidsmuur
enig venster of andere opening maken, op welke wijze het ook zijn moge. Hij mag dit echter doen
in dat gedeelte van de muur, hetwelk hij te zijnen koste optrekt, mits zulks dadelijk bij de
optrekking geschiedt, op de wijze bij de twee volgende artikelen omschreven.

Artikel 692

De eigenaar van een muur, die niet gemeen is, en waartegen het erf van een andere
onmiddellijk aanligt, mag in die muur lichten of vensters maken van dichte ijzeren traliën
voorzien, en met vaststaande ramen.
De traliën zullen ten hoogste één palm tussenruimte de een van de andere mogen hebben.

Artikel 693

Deze vensters of openingen mogen niet lager gemaakt worden dan vijfentwintig palmen
boven de vloer of grond van de kamer, welke men verlichten wil, indien deze met de straat
gelijkvloers is, en niet lager dan twintig palmen boven de vloer, voor hogere verdiepingen.

Artikel 694

Men mag over het afgesloten of onafgesloten erf van zijn naburen geen rechtstreekse
uitzichten hebben, noch vensters waardoor men op eens anders erf ziet, noch balkons of andere
dergelijke vooruitspringende werken, tenzij er een afstand van twintig palmen wordt gelaten
tussen de muur, waarin men zodanige werken maakt, en het erf.

Artikel 695

Terzijde of in de schuinte mag men op het erf van zijn nabuur geen uitzichten hebben,
tenzij op een afstand van vijf palmen.

Artikel 696

De afstand, waarvan in de twee voorgaande artikelen gesproken is, wordt gerekend van de
buitenkant van de muur, in welke de opening gemaakt wordt, en indien er balkons of soortgelijke
uitstekende werken zijn, van derzelver buitenste rand tot aan de scheidslinie der beide erven.

Artikel 697

De bepalingen in de artikelen 680 tot 696 vervat, zijn toepasselijk op iedere afsluiting van
hout, dienende tot scheiding tussen gebouwen, open plaatsen en tuinen.

Artikel 698

Wanneer het tot reparatie van enig gebouw noodzakelijk is om op de grond van de nabuur
enig steigerwerk te plaatsen, of daarover te gaan om bouwstoffen aan te brengen, is de eigenaar
van die grond verplicht zulks te dulden, behoudens schadeloosstelling, indien daartoe gronden
zijn.

Artikel 699

Elke eigenaar is verplicht zijn daken zodanig in te richten, dat het regenwater op zijn erf
of op de openbare weg afloopt, indien dit laatste niet bij de wetten is verboden; hij mag het water
niet op de grond van zijn nabuur doen uitlopen, alles volgens de op dit stuk bestaande wetten.

Artikel 700

Niemand mag water of vuilnis door de goten van eens anders erf te laten lopen, tenzij hij
daartoe het recht mocht hebben verkregen.

Artikel 701

Alle gebouwen, muren, heiningen of andere scheidingen, welke, hetzij door ouderdom,
hetzij uit andere hoofde, dreigen in te storten, en die het naburige erf in gevaar brengen, of over
hetzelf heen hangen, moeten afgebroken, opgebouwd of hersteld worden, op de eerste aanmaning
van de eigenaar van de naburige erven.

Artikel 702

Hij, die, in de nabijheid van een gemene of niet gemene muur, een put, een riool, of een
sekreet laat graven; die aldaar een schoorsteen of een stookplaats, een oven of fornuis wil
metselen; er een stal of mestbak tegen aan wil bouwen, of tegen die muur een magazijn of
pakhuis van zout, of een verzamelplaats van bijtende stoffen, wil aanleggen, of daartegen andere
schadelijke of gevaarlijke werken wil maken, is verplicht de tussenruimte te laten of te maken,
welke bij de wetten of de gebruiken te dien opzichte is voorgeschreven, of al zodanige werken
aan te leggen, als die wetten en gebruiken voorschrijven, teneinde alle schaden voor de naburige
erven te voorkomen.

Artikel 703

Regenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en dergelijke, tussen naburige erven gemeen,
moeten ten koste der eigenaars onderhouden, geruimd of gereinigd worden.

Artikel 704

De ruiming van gemene sekreten moet beurtelings, dan over het ene en dan over het
andere erf, geschieden.

Artikel 705

Alle grachten of sloten tussen twee erven worden voorondersteld gemeen te zijn, indien er
geen titel of teken van het tegendeel aanwezig is.
Op gelijke wijze worden voorondersteld gemeen te zijn de dammen, welke de landelijke
eigendommen van elkander scheiden.

Artikel 706

Het wordt, onder anderen, als een teken, dat de gracht of sloot niet gemeen is, beschouwd,
wanneer de kade of opgeworpen aarde alleen aan de ene zijde van de gracht of sloot gevonden
wordt.
In dat geval wordt de gracht of sloot gerekend voor het geheel aan degene toe te behoren,
aan wiens kant de opgeworpen aarde zich bevindt.

Artikel 707

De gemene grachten of sloten moeten op gezamenlijke kosten worden onderhouden.

Artikel 708

Ieder der aangrenzende eigenaars mag in de gemene gracht of sloot vissen, varen, zijn
beesten drenken, en daaruit tot zijn gebruik water scheppen.

Artikel 709

Iedere heg, welke twee erven van elkaar scheidt, wordt voorondersteld gemeen te zijn,
tenzij er titel, bezit of teken van het tegendeel mocht bestaan.
De bomen, die zich in de gemene heg bevinden, zijn gemeen, gelijk de heg zelf, en ieder
der eigenaars heeft het recht om te vorderen, dat die bomen omgehakt worden.

Artikel 710

De ene nabuur kan de andere noodzaken tot het planten van nieuwe heggen, ten gemene
koste, indien de vorige, gemeen zijnde geweest, tot aanwijzing van de scheidslinie tussen de
beide erven hebben verstrekt.

Artikel 711

Het wordt, onder andere, als een teken, dat de heg niet gemeen is, aangemerkt, wanneer
slechts een der erven afgesloten is.

Artikel 712

Het is niet geoorloofd hoogopschietende bomen of heggen te planten, dan op de afstand,
welke bij de wetten, of tengevolge van vaste en erkende gebruiken, bepaald is, en bij ontstentenis
van wetten of gebruiken, op de afstand van twintig palmen van de scheidslinie der beide erven,
voor zoverre de hoog opschietende bomen betreft, en op de afstand van vijf palmen, ten aanzien
der heggen.

Artikel 713

De nabuur heeft het recht om te vorderen, dat de bomen en heggen, op een kortere afstand
geplant, worden uitgeroeid.
Hij, op wiens erf de takken der bomen van zijn nabuur overhangen, kan de
laatstgenoemde noodzaken die takken af te snijden.
Indien de wortels der bomen op zijn erf doorschieten, heeft hij het recht om die aldaar zelf
weg te hakken; ook de takken mag hij zelfs afsnijden, indien de nabuur op zijn eerste aanmaning
geweigerd heeft zulks te doen, en mits hij niet op het eigendom van de nabuur treedt.

714

De eigenaar van een stuk land of erf, hetwelk tussen andere landen zodanig ligt
ingesloten, dat hetzelve geen toegang heeft tot de gemene weg of de gemene vaart, is bevoegd om
van de eigenaars der naastgelegen landen te vorderen, dat zij hem een uitweg, ten dienste van zijn
land of erf, aanwijzen, onder verplichting van een vergoeding, geëvenredigd aan de schade
daardoor te veroorzaken.

Artikel 715

Deze uitweg moet gemeenlijk genomen worden aan de zijde, waar de toegang van dit stuk
land of erf tot de gemene weg of de gemene vaart de kortste is, zó echter, dat altijd bij voorkeur
die richting genomen wordt, welke de minste schade veroorzaakt aan het land, waarover die
uitweg is verleend.

Artikel 716

Indien het recht tot schadevergoeding, aan het slot van artikel 714 vermeld, door verjaring
is te niet gegaan, blijft niettemin de uitweg voortduren.

Artikel 717

De verleende uitweg houdt op van het ogenblik, dat deze door het ophouden der
omstandigheden, bij artikel 714 vermeld, niet meer noodzakelijk is, en men kan zich op geen
verjaring beroepen, hoe lang de uitweg ook moge hebben bestaan.

Artikel 718

Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidene buren gemeen, en welke hun tot een uitweg
dienen, kunnen niet dan met gemene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander
gebruik gebezigd, dan waartoe deze zijn bestemd geweest.

Artikel 719

De rechten en verplichtingen ten openbare nutte daargesteld, ten onderwerp hebbende de
voet- en jaagpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het maken of het herstellen van wegen,
dijken en andere openbare werken, zijn bij wetten geregeld.

VIJFDE TITEL

VAN ERFDIENSTBAARHEDEN

EERSTE AFDELING

VAN DE AARD EN DE ONDERSCHEIDENE SOORTEN

VAN ERFDIENSTBAARHEDEN

Artikel 720

Erfdienstbaarheid is een last, waarmede een erf bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van
een erf, hetwelk aan een andere eigenaar toebehoort.
Deze mag, noch ten laste, noch ten behoeve van een persoon, daargesteld worden.

Artikel 721

Alle erfdienstbaarheden bestaan in de verplichting om iets te dulden of iets niet te doen.

Artikel 722

Erfdienstbaarheid geeft geen voorrang aan het ene erf boven het andere.

Artikel 723

De erfdienstbaarheden zijn voortdurende of niet voortdurende.
Voortdurende erfdienstbaarheden zijn de zodanige, welker gebruik voortduurt, of kan
voortduren, zonder dat daartoe 's mensen toedoen nodig zijn; van die aard zijn de waterlopen, het
gootrecht, het uitzicht en andere dergelijke.
Niet voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezulke, welke tot derzelver uitoefening 's
mensen toedoen nodig hebben, als daar zijn: het recht van overgang, van water te halen, beesten
te weiden en andere soortgelijke.

Artikel 724

De erfdienstbaarheden zijn zichtbaar of onzichtbaar.
Zichtbare erfdienstbaarheden zijn de zodanige, waarvan door uitwendige werken blijkt,
gelijk een deur, een venster, een waterleiding en soortgelijke.
Onzichtbare zijn dezulke, welke geen uitwendig teken van hun bestaan hebben, gelijk het
verbod om op een erf te bouwen, of om niet dan tot op een bepaalde hoogte te mogen bouwen,
het recht om beesten te weiden, en andere waartoe 's mensen toedoen nodig is.

Artikel 725-418

Wanneer men een muur of een gebouw opnieuw optrekt, blijven de heersende en lijdende
dienstbaarheden ten opzichte van de nieuwe muur of van het nieuwe gebouw voortduren, zonder
dat deze evenwel kunnen verzwaard worden, en mits de wederopbouwing geschiedt, voordat de
verjaring der dienstbaarheden plaats heeft gehad.

Artikel 726

Hij, die het recht van erfdienstbaarheid van uitzicht of van licht heeft, mag zovele vensters
of lichten maken, als hij goedvindt; maar hij mag, na te hebben gebouwd of van zijn recht gebruik
gemaakt, derzelver getal in het vervolg niet vermeerderen.
Door licht wordt alleen het nodige licht, zonder uitzicht, verstaan.

Artikel 727

Een ieder is bevoegd om zo hoog te bouwen als hem goeddunkt, mits de verhoging van
een gebouw niet ten behoeve van een ander erf verboden is. In dat geval heeft de eigenaar van het
heersende erf het recht om alle timmering of verhoging bij de titel verboden, te beletten of te
doen wegnemen.

Artikel 728
Onder de erfdienstbaarheid van waterloop en dorp verstaat men slechts het recht om
schoon water, maar niet om vuilnis te doen uitlopen.

Artikel 729

De dienstbaarheid van gootrecht is het recht om water en vuilnis te kunnen doen uitlopen.

Artikel 730

De eigenaar van een erf, die het recht heeft van inbalking of inankering in eens anders
muur, is bevoegd om nieuwe balken en ankers in de plaats der vergane te leggen; maar hij mag
derzelver getal niet vermeerderen, noch de plaatsing veranderen.

Artikel 731

Hij, die het recht heeft om op het water van een naburig erf te varen, moet bijdragen tot de
onkosten, welke noodzakelijk zijn om het water steeds vaarbaar te houden, tenzij hij mocht
verkiezen van zijn recht af te zien.

Artikel 732

De erfdienstbaarheid van voetpad is het recht om te voet over eens anders land te mogen
gaan.
Die van rijpad of dreef is het recht om daarover te paard te rijden, of beesten te drijven.
Die van weg is het recht om er met een wagen, een rijtuig enz., over te rijden.
Indien de breedte van het voetpad, van de dreef of van de weg niet bij de titel is bepaald,
wordt die breedte geregeld overeenkomstig de wetten of plaatselijke gebruiken.
Onder de erfdienstbaarheid van rijpad of dreef is die van voetpad, onder de
erfdienstbaarheid van weg die van rijpad, dreef en voetpad stilzwijgend begrepen.

Artikel 733

De erfdienstbaarheid van waterleiding is het recht om water uit of over enig naburig erf
naar het zijne heen te leiden.

Artikel 734

Hij, aan wie een erfdienstbaarheid verschuldigd is, heeft het recht om al zodanige werken
te maken, welke tot het gebruik en behoud dier erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
Die werken komen te zijnen koste, en niet ten koste van de eigenaar van het dienstbaar
erf.

Artikel 735

Ingeval de eigenaar van het dienstbaar erf bij de titel belast is om te zijnen koste de tot
gebruik en behoud van de erfdienstbaarheid noodzakelijke werken te maken, kan hij zich te allen
tijde van die last bevrijden, door aan de eigenaar van het goed, aan hetwelk de erfdienstbaarheid
verschuldigd is, zodanig gedeelte van het dienstbaar erf af te staan, als tot het genot van de
erfdienstbaarheid noodzakelijk is.

Artikel 736

Indien het heersende erf mocht worden verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid voor ieder
gedeelte verschuldigd, zonder dat evenwel de toestand van het dienstbaar erf moge verzwaard
worden.
Indien het alzo een recht van overgang geldt, zijn al de medeëigenaars van het verdeelde
erf verplicht, dat recht langs dezelfde weg als vóór de verdeling uit te oefenen.

Artikel 737

Hij, die een recht van erfdienstbaarheid heeft, mag daarvan slechts gebruik maken volgens
zijn titel, en, bij gebreke van titel, volgens de wetten of plaatselijke gebruiken, en in alle gevallen
op de minst bezwarende wijze.
Hij mag, noch op het dienstbare, noch op het heersende erf, enige verandering maken,
waardoor de toestand van het eerstgemelde zou verzwaard worden.

Artikel 738-419

De eigenaar van het dienstbare erf mag niets verrichten, hetgeen strekken mocht om het
gebruik van de erfdienstbaarheid te verminderen, of hetzelve ongemakkelijker te maken.
Hij mag noch de gesteldheid van de plaats veranderen, noch de uitoefening van de
erfdienstbaarheid verleggen naar een plaats, verschillende van die waarop de erfdienstbaarheid
oorspronkelijk gevestigd is, tenzij de verandering mocht kunnen geschieden zonder de eigenaar
van de heersende erfdienstbaarheid te benadelen.

Artikel 739

Die een recht van erfdienstbaarheid heeft, wordt geacht al datgene te hebben, hetgeen
noodzakelijk is om daarvan, op de minst bezwarende wijze voor de eigenaar van het dienstbare
erf, gebruik te maken. Alzo omvat het recht om uit eens anders bron water te halen noodzakelijk
het recht van toegang tot de bron over het dienstbare erf.

Artikel 740-420

Indien het dienstbare erf verdeeld wordt, blijft ieder gedeelte met de erfdienstbaarheid
bezwaard, voor zoveel tot derzelver uitoefening noodzakelijk is.

TWEEDE AFDELING

OP HOEDANIGE WIJZE ERFDIENSTBAARHEDEN

WORDEN DAARGESTELD

Artikel 741

Erfdienstbaarheden worden daargesteld, of door een titel, of door verjaring.

Artikel 742

De titel van aankomst van een erfdienstbaarheid moet in de daartoe bestemde openbare
registers worden overgeschreven.

Artikel 743

De voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden kunnen, zowel door verjaring, als door
titel, verkregen worden.

Artikel 744

Voor de eigenaar van een lager gelegen erf, die van de bron van een hoger liggend erf
gebruik maakt, begint de verjaring niet te lopen dan van het ogenblik, waarop hij zodanige
uiterlijke werken heeft gemaakt en voleind, welke tot bevordering van de val, of van de loop van
het water op zijn eigendom, bestemd zijn.

Artikel 745

De voortdurende en tegelijkertijd onzichtbare erfdienstbaarheden, zoals ook de niet
voortdurende, hetzij deze zichtbaar of onzichtbaar zijn, kunnen slechts bij een titel worden
daargesteld. Het genot, zelfs sedert onheuglijke jaren, is niet voldoende om deze te verkrijgen.

Artikel 746

Wanneer het bewezen is, dat tegenwoordig van elkaar gescheiden erven voorheen aan
dezelfde eigenaar hebben toebehoord, en dat deze zelf in zodanig een toestand gesteld heeft,
waaruit een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid zou zijn ontstaan, geldt deze
bestemming in plaats van een titel van erfdienstbaarheid.

Artikel 747

Indien de eigenaar van twee erven, tussen welke, vóór de verkrijging daarvan, een zichtbaar teken
van erfdienstbaarheid bestond, over een dezer erven beschikt, zonder dat de overeenkomst enige
bepaling omtrent deze erfdienstbaarheid behelst, zal deze, hetzij heersende, hetzij lijdende, ten
behoeve of ten laste van het vervreemde erf blijven bestaan.

Artikel 748

Een der medeëigenaars van een erf kan, door zijn toedoen alleen, buiten weten der andere,
het recht van erfdienstbaarheid voor hun gezamenlijke bezittingen verkrijgen.

DERDE AFDELING

OP HOEDANIGE WIJZE ERFDIENSTBAARHEDEN

TE NIET GAAN

Artikel 749

Erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer de zaken zich in zodanige staat bevinden, dat
men van deze geen gebruik meer kan maken.

Artikel 750

Indien het dienstbare of het heersende erf niet geheel en al te niet gegaan of vernield is,
blijft de erfdienstbaarheid voortduren, naarmate de gesteldheid der erven zulks toelaat.

Artikel 751

Erfdienstbaarheden, welke te niet zijn gegaan uithoofde van de oorzaak in artikel 749
vermeld, herleven, indien de zaken in zodanige staat hersteld zijn, dat men daarvan gebruik kan
maken, tenzij er een voldoende tijd verlopen is, waardoor, volgens artikel 753, de verjaring zou
plaats hebben.

Artikel 752

Alle erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer het heersende en het dienstbare erf in
dezelfde hand verenigd zijn; behoudens de bepaling van artikel 747.

Artikel 753

Erfdienstbaarheid gaat ook te niet, wanneer daarvan in dertig achtereenvolgende jaren
geen gebruik is gemaakt.
Deze dertig jaren beginnen niet te lopen dan van de dag, waarop men een blijkbare en met
de erfdienstbaarheid strijdige daad heeft verricht.

Artikel 754

Indien niettemin het heersende erf in zodanige een toestand is gesteld geweest, waardoor
de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden, heeft de verjaring plaats door
het enkele verloop van dertig jaren, te rekenen van het ogenblik, waarop het erf in dier voege
heeft kunnen hersteld zijn, dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid daardoor wederom zou
zijn mogelijk geworden.

Artikel 755

De wijze, waarop men van een erfdienstbaarheid kan gebruik maken, verjaart evenals de
erfdienstbaarheid zelf, en op gelijke manier.

Artikel 756

Indien het heersende erf aan verscheidene eigenaars onverdeeld toebehoort, belet het
genot van één der eigenaars de verjaring ten opzichte van al de overige.

ZESDE TITEL

VAN HET RECHT VAN OPSTAL
Artikel 757

Het recht van opstal is een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen op eens
anders grond te hebben.

Artikel 758

Hij, die het recht van opstal heeft, kan het zelf vervreemden en met hypotheek belasten.
Hij kan de goederen, aan het recht van opstal onderworpen, met erfdienstbaarheden
bezwaren, doch alleen voor het tijdvak, gedurende hetwelk hij het genot van dat recht bezit.

Artikel 759

De titel van aankomst van het recht van opstal moet in de daartoe bestemde registers
worden overgeschreven.

Artikel 760

Zolang het recht van opstal duurt, kan de grondeigenaar degene, die dat recht heeft, niet
beletten de gebouwen en andere werken te slopen, of de beplantingen te rooien, en een en ander
weg te nemen, mits laatstgemelde de prijs daarvan, tijdens het verkrijgen van het recht van opstal,
heeft voldaan, of wel de gebouwen, werken en beplantingen door hem zelf gesteld of gemaakt
zijn, en voorbehouden dat de grond zal moeten worden hersteld in de staat, waarin deze zich vóór
het opbouwen of beplanten bevond.

Artikel 761

Bij het eindigen van het recht van opstal treedt de grondeigenaar in de eigendom van de
gebouwen, werken en beplantingen, onder gehoudenis om de waarde daarvan op die tijd te
betalen aan degene, die het recht van opstal had, welke laatste recht van terughouding zal hebben,
totdat die betaling zal voldaan zijn.

Artikel 762

Indien het recht van opstal gevestigd is op een grond, waarop zich reeds gebouwen,
werken en beplantingen bevonden, welker waarde door de verkrijger van dat recht niet voldaan
is, zal de grondeigenaar, bij het eindigen van het recht van opstal, al die voorwerpen terugnemen,
zonder daarvoor tot enige schadeloosstelling gehouden te zijn.

Artikel 763

De wetten van deze titel zullen alleen van kracht zijn, voor zover daarvan door de
overeenkomsten der partijen niet is afgeweken.

Artikel 764

Het recht van opstal gaat, onder andere, verloren:
1°. Door vermenging;
2°. Door het te niet gaan van de grond;
3°. Door de verjaring van dertig jaren;
4°. Na verloop van de tijd, welke bij de vestiging van het recht bedongen of bepaald is.

Artikel 765

Indien geen bijzondere bedingen of bepalingen omtrent het eindigen van het recht van
opstal gemaakt zijn, zal de eigenaar van de grond hetzelf kunnen doen ophouden, doch niet
vroeger dan na verloop van dertig jaren, mits ten minste een jaar tevoren aan degene, die het recht
van opstal heeft, bij behoorlijk exploit, aanzegging te doen.

ZEVENDE TITEL

VAN HET ERFPACHTSRECHT

Artikel 766

Erfpachtsrecht is een zakelijk recht om het vol genot te hebben van een aan een ander
toebehorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelde, als een erkentenis van
deszelfs eigendom, een jaarlijkse pacht te voldoen, hetzij in geld, hetzij in voortbrengselen of
vruchten.
De titel van aankomst van het erfpachtsrecht moet in de openbare daartoe bestemde
registers worden overgeschreven.

Artikel 767

De erfpachter oefent al de rechten uit, welke aan de eigendom van het erf verknocht zijn,
doch hij mag niets verrichten, waardoor de waarde van de grond zou worden verminderd.
Hij mag alzo, onder andere, geen af- of uitgravingen doen van steen, steenkolen, turf, klei
of andere soortgelijke tot het erf behorende grondspeciën, tenzij de ontginning reeds mocht zijn
aangevangen, toen zijn recht is geboren.

Artikel 768

De grondeigenaar is tot generlei reparatie gehouden.
Daarentegen is de erfpachter verplicht het in erfpacht uitgegeven goed te onderhouden, en
daaraan de gewone reparaties te doen.
Hij mag door het stellen van gebouwen, of door het ontginnen of beplanten van gronden,
het erf verbeteren.

Artikel 769

Hij is bevoegd om zijn recht te vervreemden, met hypotheek te belasten, en de grond, in
erfpacht uitgegeven, met erfdienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zijn genot.

Artikel 770

Bij het eindigen van zijn recht, kan hij wegnemen alle zodanige door hem gestelde
gebouwen of gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht van de overeenkomst, niet gehouden
was; doch hij is verplicht de schade te vergoeden, welke door dat wegnemen aan de grond mocht
veroorzaakt zijn.
Niettemin heeft de grondeigenaar recht van terughouding op die voorwerpen, totdat de
erfpachter hem het verschuldigde volledig voldaan heeft.

Artikel 771

De erfpachter is onbevoegd om van de grondeigenaar te vorderen, dat hij de waarde
betaalt van de gebouwen, werken, betimmeringen en beplantingen, hoegenaamd, welke
eerstgemelde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen van de erfpacht op de grond bevinden.

Artikel 772

Hij draagt alle belastingen, welke op het erf zijn gelegd, hetzij gewone, hetzij
buitengewone, hetzij jaarlijkse, hetzij dezulke die slechts eenmaal moeten worden betaald.

Artikel 773

De verplichting om de erfpacht te voldoen is onsplitsbaar, blijvende ieder gedeelte van de
in erfpacht uitgegeven grond voor de gehele pacht aansprakelijk.

Artikel 774-421

De erfpachter kan generlei vrijstelling van betaling van de pacht vorderen, noch uithoofde
van vermindering, noch van het geheel ophouden van het genot.
Zo niettemin de erfpachter gedurende vijf achtereenvolgende jaren van het geheel genot is
beroofd geweest, zal hem kwijtschelding verschuldigd zijn voor de tijd van zijn gemis.

Artikel 775

Ter zake van elke overgang van het erfpachtsrecht of van verdeling van een gemeenschap,
is geen buitengewone uitkering daarvoor verschuldigd.

Artikel 776

Bij het eindigen van het erfpachtsrecht, heeft de eigenaar tegen de erfpachter een
personele rechtsvordering tot vergoeding der kosten, schade en interesten, veroorzaakt door
nalatigheid en gebrek van onderhoud van het erf, en voor de rechten, die de erfpachter door zijn
schuld mocht hebben laten verjaren.

Artikel 777

Wanneer het erfpachtsrecht door het verloop van de tijd is geëindigd, wordt hetzelve niet
stilzwijgend vernieuwd, doch kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot wederopzegging
toe.

Artikel 778

De erfpachter kan van zijn recht worden vervallen verklaard, terzake van merkelijke aan
het goed toegebrachte schade, of van het grovelijk misbruiken daarvan; onverminderd de
rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schade en interesten.
De vervallenverklaring kan ook worden uitgesproken terzake van wanbetaling van de
erfpacht, gedurende vijf op elkaar volgende jaren, en nadat de erfpachter vruchteloos tot de
betaling bij behoorlijk exploit zal zijn aangemaand, ten minste zes weken vóór het aanvangen van
de rechtsvordering.

Artikel 779

De erfpachter zal de vervallenverklaring, uithoofde van aan het goed toegebrachte schade
of misbruik van genot, kunnen verhinderen, wanneer hij de zaken in haar vorige staat herstelt, en
voor het vervolg voldoende zekerheid geeft.

Artikel 780

Al de bij deze titel vastgestelde wetten zullen alleen plaats grijpen, voor zover daarvan
door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken.

Artikel 781

Erfpachtsrecht gaat op dezelfde wijze te niet, als bij de artikelen 764 en 765 opzichtelijk
het recht van opstal bepaald.

ACHTSTE TITEL

VAN GRONDRENTEN

Artikel 782

Door grondrenten wordt verstaan een schuldplichtigheid, hetzij in geld, hetzij in
voortbrengselen of vruchten, welke de eigenaar van een stuk onroerend goed daarop vestigt, of
bij de vervreemding of vermaking van hetzelve, in zijn voordeel of ten voordele van een derde,
voorbehoudt.
De titel van aankomst zal in de daartoe bestemde openbare registers worden
overgeschreven.

Artikel 783

Indien een grondrente op een stuk goed is gevestigd, heeft de vorige eigenaar, aan wie de
rente verschuldigd is, geen recht om dat goed, uithoofde van wantbetaling van de rente, terug te
vorderen.

Artikel 784

De schuldplichtigheid van de grondrente rust bij uitsluiting op het goed zelf, en blijft,
ingeval van deling, ieder deel voor de gehele rente verbonden, zonder dat, in enig geval, de
persoon van de bezitter in zijn overige goederen daarvoor aansprakelijk is.

Artikel 785

De grondrenten kunnen altijd worden afgekocht, al was het tegendeel uitdrukkelijk
bedongen.
Het is echter geoorloofd de voorwaarden van de afkoop te bepalen, en zelfs te bedingen,
dat de rente niet kan worden afgekocht dan na een bepaald tijdsverloop, mits de tijd van dertig
jaren niet tebovengaande.

Artikel 786

Indien de afkoopprijs van grondrenten niet bepaald is bij de vestiging, noch daaromtrent
bij de afkoop tussen partijen wordt overeengekomen, zal deze geregeld worden op de navolgende
wijze.
Bij een grondrente in geld, kan de schuldplichtige volstaan met de oplegging van hetgeen
verkregen wordt door het bedrag van de grondrente met twaalf en een half te vermenigvuldigen.
Indien de grondrente niet in geld, maar in andere voorwerpen, verschuldigd is, bestaat de
afkoopprijs evenzeer uit het twaalf en een halfvoud van de jaarlijkse opbrengst, en wordt de
waarde daarvan geregeld volgens de landelijke marktprijzen der laatstverlopen tien jaren, door
elkander gerekend, en, bij gebreke van deze, bepaald bij deskundigen, door partijen of door de
rechter te benoemen.

Artikel 787

Het recht van grondrenten gaat verloren:
1°. Door vermenging, wanneer de renten en de eigendom van de grond in dezelfde hand
komen;
2°. Door onderlinge overeenkomst;
3°. Door afkoop, op de wijze hierboven omschreven;
4°. Door verjaring, wanneer hij, aan wie de grondrente verschuldigd was, dertig jaren
heeft laten verlopen, zonder van zijn recht gebruik te maken;
5°. Door het te niet gaan van de grond.
Echter gaat door overstroming, vergraving of uitveening het recht niet verloren, wanneer
de grond daarna door de natuur of door de arbeid weder droog wordt.

Artikel 788

De bepalingen, in deze titel voorkomende, zijn alleen toepasselijk op grondrenten, welke
na de invoering van dit Wetboek zullen worden gevestigd of voorbehouden.

NEGENDE TITEL

VAN HET VRUCHTGEBRUIK

EERSTE AFDELING

VAN DE AARD VAN HET VRUCHTGEBRUIK EN DE WIJZE

OM HETZELVE TE VERKRIJGEN

Artikel 789

Vruchtgebruik is een zakelijk recht om van eens anders goed de vruchten te trekken alsof
men zelf eigenaar daarvan was, mits zorgende dat de zaak zelf in stand blijft.

Artikel 790

Indien echter onder het vruchtgebruik verbruikbare zaken zijn begrepen, kan de vruchtgebruiker
volstaan met, bij het eindigen van het vruchtgebruik, een gelijke hoeveelheid, hoedanigheid en
waarde terug te geven, of de prijs te betalen, op welke de zaken bij de aanvang van het
vruchtgebruik mochten geschat zijn, of volgens de waarde van dat tijdstip mochten geschat
worden.

Artikel 791

Vruchtgebruik kan gevestigd worden ten behoeve van een of meer bepaalde personen,
teneinde daarvan het genot te hebben, hetzij gezamenlijk, hetzij bij opvolging.
Ingeval van genot bij opvolging, zal het vruchtgebruik alleen genoten worden door de
personen, welke in leven zijn op het ogenblik dat het recht van de eerste vruchtgebruiker zijn
aanvang neemt.

Artikel 792

Vruchtgebruik wordt verkregen door de wet, of door de wil van de eigenaar.

Artikel 793

De titel van vruchtgebruik van een onroerend goed moet in de openbare daartoe bestemde
registers worden overgeschreven.
Wanneer het een roerend goed geldt, wordt door de levering het zakelijk recht geboren.

TWEEDE AFDELING

VAN DE RECHTEN VAN DE VRUCHTGEBRUIKER

Artikel 794

De vruchtgebruiker heeft het recht om alle soorten van vruchten te genieten, die van het
goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, kunnen voortkomen, om het even of de
voortbrengselen bestaan in natuurlijke vruchten, in vruchten van nijverheid, of in burgerlijke
vruchten.

Artikel 795

De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, die bij de aanvang van het
vruchtgebruik nog aan bomen of wortels vast zijn, behoren aan de vruchtgebruiker.
Degene, die zich in dezelfde staat bevinden op het ogenblik dat het vruchtgebruik eindigt,
behoren aan de eigenaar, zonder vergoeding, van de ene of andere zijde, der kosten van
bearbeiding en bezaaiing, maar onverminderd dat gedeelte der vruchten, hetwelk aan een
deelhebbende pachter, hetzij bij het begin, hetzij bij het eindigen van het vruchtgebruik, mocht
toekomen.

Artikel 796

De burgerlijke vruchten worden gerekend van dag tot dag verkregen te worden, en
behoren aan de vruchtgebruiker naarmate zijn vruchtgebruik duurt, welk ook het tijdstip moge
wezen waarop deze betaalbaar zijn gesteld.

Artikel 797

Het vruchtgebruik van een lijfrente geeft ook aan de vruchtgebruiker, gedurende het
vruchtgebruik, het recht om de lopende renten te ontvangen.
Indien de voldoening van de lijfrente bij vooruitbetaling moet plaats hebben, is de
vruchtgebruiker gerechtigd tot de gehele termijn, welke gedurende het vruchtgebruik heeft
moeten voldaan worden.
Die het vruchtgebruik van een lijfrente heeft, zal nimmer tot enige teruggave verplicht
zijn.

Artikel 798

Indien het vruchtgebruik zaken bevat, die, zonder dadelijk te niet te gaan, echter
langzamerhand door het gebruik verminderen, zoals klederen, linnen, huisraad en andere
soortgelijke, heeft de vruchtgebruiker het recht om zich daarvan te bedienen tot het gebruik,
waartoe die zaken bestemd zijn, zonder evenwel verplicht te zijn, om, bij het eindigen van het
vruchtgebruik, die zaken in een andere staat terug te geven, dan in die waarin zij zich alsdan
bevinden, voor zover zij niet door de kwade trouw of schuld van de vruchtgebruiker mochten zijn
slechter geworden.

Artikel 799

De vruchtgebruiker kan in persoon het recht van zijn vruchtgebruik uitoefenen, of het
goed verhuren, of verpachten, of zelfs het vruchtgenot verkopen, bezwaren, of om niet afstaan.
Hij moet zich echter, hetzij bij eigen genot, hetzij ingeval van verhuring, verpachting of afstand,
ten aanzien van dat genot, gedragen naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte van de eigenaar,
zonder de bestemming van het goed ten nadele van de eigenaar te veranderen.
Ten aanzien van de tijd van de verhuring of verpachting, moet hij zich, volgens de
verschillende aard en de bestemming der zaken, mede gedragen naar de plaatselijke gebruiken en
de gewoonten van de eigenaar.
Bij gebreke van zodanige gebruiken of gewoonte, mogen huizen voor geen langere tijd
dan voor twee, en landerijen dan voor drie jaren worden verhuurd.

Artikel 800

Alle verhuringen of verpachtingen van in vruchtgebruik bezeten onroerende goederen,
aangegaan meer dan één jaar vóór het ingaan van de huur of de pacht, zullen ten verzoeke van de
eigenaar kunnen worden vernietigd, indien het recht van de vruchtgebruiker binnen die tijd
ophoudt.

Artikel 801

De vruchtgebruiker heeft het genot van de vermeerdering, welke aan het goed, waarvan
hij het vruchtgebruik heeft, door aanspoeling is aangekomen.
Hij heeft, even alsof hij zelf eigenaar was, het genot van de erfdienstbaarheden, en, in het
algemeen, van alle andere rechten, waarvan de eigenaar het genot kan hebben. Hij heeft alzo het
genot van de jacht en visserij.

Artikel 802

Hij heeft, op dezelfde wijze als de eigenaar, ook het genot van de mijnen, steen- of
kolengroeven en veenderijen, die bij de aanvang van het vruchtgebruik reeds ontgonnen waren.

Artikel 803

De vruchtgebruiker heeft geen recht, hoe ook genaamd, op mijnen, steen- of kolengroeven
en veenderijen, die nog niet ontgonnen zijn, en mag derhalve geen steenkolen, turf of andere
delfstoffen uit te graven, wanneer de ontginning of vervening nog niet begonnen is, tenzij het
tegendeel uit zijn titel blijkt.

Artikel 804

De vruchtgebruiker heeft geen recht op de schat, die, gedurende het vruchtgebruik, op het
erf, waarvan hij het genot heeft, door een ander mocht gevonden worden.
Indien hij zelf de schat vindt, mag hij zijn deel daarvan vorderen, overeenkomstig artikel

Artikel 805

De eigenaar is gehouden de vruchtgebruiker het vruchtgebruik te laten genieten, zonder
hem daarin enige belemmering toe te brengen.

Artikel 806

De vruchtgebruiker kan bij het eindigen van het vruchtgebruik geen schadeloosstelling
vorderen wegens verbeteringen, die hij mocht beweren gemaakt te hebben, al was het dat de
waarde van het goed daardoor mocht zijn vermeerderd.
Desniettegenstaande kunnen die verbeteringen in aanmerking worden genomen bij de
waardering der schaden, welke aan het goed mochten zijn aangebracht.

Artikel 807

De spiegels, schilderijen en andere sieraden, welke de vruchtgebruiker heeft aangebracht,
kunnen door hem of zijn erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haar vorige staat
worden hersteld.

Artikel 808

De vruchtgebruiker mag alle zakelijke rechtsvorderingen uitoefenen, welke de wet aan de
eigenaar toekent.

DERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE VRUCHTGEBRUIKER

Artikel 809

De vruchtgebruiker neemt de zaken over in de staat, waarin zij zich bij de aanvang van
het vruchtgebruik bevinden.
Hij moet deze bij het einde van het vruchtgebruik teruggeven in de staat, waarin zij zich
op dat tijdstip bevinden, behoudens de bepalingen van de artikelen 806 en 807, en de
schadeloosstellingen, welke aan de eigenaar, wegens aangebrachte schade, verschuldigd zijn.

Artikel 810

De vruchtgebruiker moet te zijnen koste, en in tegenwoordigheid van de eigenaar, of deze
ten minste behoorlijk opgeroepen zijnde, een beschrijving der roerende en een staat der
onroerende goederen, welke aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, laten opmaken.
Niemand kan van deze verplichting, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt
daargesteld, worden ontheven.
De beschrijving en staat kunnen onderhands worden opgemaakt, indien de eigenaar
tegenwoordig is.

Artikel 811

De vruchtgebruiker moet persoonlijke of zakelijke, gerechtelijk goedgekeurde, zekerheid
stellen, dat hij van de zaak, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, als een goed huisvader zal
gebruik maken, zonder deze te verslimmeren of te verwaarlozen, mitsgaders dat de goederen
zullen worden teruggegeven, of derzelver waarde, indien het goederen geldt waarvan bij artikel
790 wordt gehandeld.

Artikel 812

De vruchtgebruiker kan, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld, van de
verplichting om zekerheid te stellen worden ontheven.
Ouders, die het wettelijk vruchtgenot hebben van de goederen van hun kinderen, zoals
ook diegenen, welke hun goed onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten
geschenke gegeven, zijn daartoe niet gehouden.
Hetzelfde geldt ook omtrent de vruchtgebruiker van zaken, die onder het beheer van
andere personen gesteld zijn, behoudens voor zoveel deze aangaat, de bepaling van artikel 816.

Artikel 813

Zolang de vruchtgebruiker geen zekerheid stelt, heeft de eigenaar het recht om het aan
vruchtgebruik onderworpen goed zelf te besturen, mits van zijn zijde zekerheid stellende. Bij
gebreke van dit laatste, zullen de onroerende goederen verhuurd, verpacht of onder het beheer
van een derde gesteld worden; de geldsommen, onder het vruchtgebruik begrepen, zullen worden
belegd, en de eetwaren en andere zaken, waarvan men geen gebruik kan maken zonder die te
verteren, worden verkocht, teneinde de prijs, welke zij opbrengen, insgelijks belegd wordt.
De renten van deze geldsommen, mitsgaders de huur- en pachtpenningen, behoren aan de
vruchtgebruiker.

Artikel 814

Indien het vruchtgebruik, voor het geheel of gedeeltelijk, in roerende goederen bestaat,
welke door het gebruik verminderen, verliest de vruchtgebruiker, bij gebreke van het stellen van
zekerheid, het genot van die goederen niet, mits hij onder ede verklaart, dat hij geen zekerheid
heeft kunnen vinden, en belooft, dat hij de goederen, bij het einde van het vruchtgebruik, zal
terugleveren.
Niettemin mag de eigenaar vorderen, dat aan de vruchtgebruiker slechts dat gedeelte der
roerende goederen wordt overgelaten, hetwelk voor eigen gebruik noodzakelijk is, en dat het
overschot wordt verkocht, en de prijs daarvan belegd, gelijk in het voorgaande artikel gezegd is.

Artikel 815

Door de vertraging in het stellen van zekerheid wordt de vruchtgebruiker niet verstoken
van de vruchten waarop hij aanspraak kan maken, als welke hem verschuldigd zijn van het
ogenblik waarop het vruchtgebruik zijn aanvang heeft genomen.

Artikel 816

Zij, die benoemd zijn om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te besturen, zijn
gehouden, alvorens hun bewind te aanvaarden, persoonlijke of zakelijke, gerechtelijk goedgekeurde,
zekerheid te stellen.

Artikel 817

De bewindvoerders zijn verplicht de opbrengst van verkochte goederen te beleggen, op de
voet als ten aanzien van voogden is voorgeschreven.
Zij mogen loon voor hun moeite in rekening brengen, in de gevallen en op de wijze als ten
aanzien der uitvoerders van uiterste willen is bepaald.

Artikel 818

De bewindvoerders zijn verplicht ieder jaar aan de vruchtgebruiker rekening en
verantwoording te doen, mitsgaders het slot van rekening uit te keren.
Bij het eindigen van hun beheer moeten zij zowel aan de eigenaar, als aan de
vruchtgebruiker, rekening en verantwoording afleggen.
De eigenaar, die, naar aanleiding van het eerste lid van artikel 813, het bestuur der
goederen heeft, is gehouden, op dezelfde wijze, aan de vruchtgebruiker rekening en
verantwoording af te leggen.

Artikel 819

De bewindvoerders kunnen worden afgezet om dezelfde redenen als de voogden,
mitsgaders uithoofde van nalatigheid in de voldoening van de verplichting, aan hen bij het eerste
lid van het vorige artikel opgelegd.

Artikel 820

Indien, om welke redenen ook, het bewind ophoudt, treedt de vruchtgebruiker in al zijn
rechten terug.

Artikel 821

De vruchtgebruiker is alleen verplicht de reparaties tot onderhoud te doen.
De grove reparaties blijven ten laste van de eigenaar, tenzij deze veroorzaakt mochten zijn
door verzuim van gewoon onderhoud, sedert de aanvang van het vruchtgebruik, in welk geval, de
vruchtgebruiker ook daartoe gehouden is.

Artikel 822

Als grove reparaties worden aangemerkt:
Die van zware muren en gewelven;
De herstelling van balken en gehele daken;
De gehele herstelling van dijken, van kaden, gemetselde waterwerken, mitsgaders die van
steun- en scheidsmuren.
Alle andere reparaties worden als gewoon onderhoud gerekend.

Artikel 823

Met afwijking van het bij artikel 821 bepaalde, is de vruchtgebruiker van een plantage of
grond verplicht, zowel de grove reparaties als de reparaties tot onderhoud te doen.

Artikel 824

Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, is gehouden te doen opbouwen hetgeen door
ouderdom ingestort, of door toeval vernield is.

Artikel 825

De vruchtgebruiker is gehouden, gedurende zijn genot, voor zijn rekening te nemen alle
jaarlijkse en gewone lasten van het erf, gelijk grondrenten, belastingen, en andere, die gewoonlijk
als lasten der vruchten worden beschouwd.

Artikel 826

Wat de buitengewone lasten betreft, waarmede het goed, gedurende het vruchtgebruik,
mocht worden bezwaard, is de eigenaar verplicht deze te betalen, doch de vruchtgebruiker is
gehouden hem de interesten daarvan, gedurende het vruchtgebruik, te vergoeden.
Indien de vruchtgebruiker die lasten voorgeschoten heeft, mag hij deze, bij het eindigen
van het vruchtgebruik, terug te eisen, doch zonder enige interesten.

Artikel 827

Die een algemeen vruchtgebruik of een vruchtgebruik onder algemene titel heeft, moet
met en benevens de eigenaar de schulden betalen, op de wijze als volgt:
Men begroot de waarde van het goed, hetwelk aan het vruchtgebruik is onderworpen; men
bepaalt vervolgens, naar evenredigheid van die waarde, hetgeen tot de betaling der schulden door
het goed moet worden opgebracht.
Indien de vruchtgebruiker de som, welke van het goed moet worden opgebracht, wil
voorschieten, moet de hoofdsom, bij het eindigen van het vruchtgebruik, zonder enige renten, aan
hem worden teruggegeven.
Zo de vruchtgebruiker dit voorschot niet wil doen, heeft de eigenaar de keus, of om deze
som te betalen, in welk geval, de vruchtgebruiker de interesten daarvan, gedurende het
vruchtgebruik, aan hem schuldig wordt, of om een gedeelte der goederen, aan het vruchtgebruik
onderworpen, tot het beloop van de som die opgebracht moet worden, te doen bezwaren of verkopen.

Artikel 828

Hij, die onder een bijzondere titel een vruchtgebruik heeft, is niet gehouden de schulden
te voldoen, waarvoor het aan vruchtgebruik onderworpen erf verhypothekeerd is.
Indien hij deze betaalt om de gedwongen onteigening van het erf te voorkomen, heeft hij
zijn verhaal op de eigenaar.

Artikel 829

Een lijfrente of jaarwedde tot onderhoud, welke door een erflater is gemaakt, moet door
degene, aan wie het gehele vruchtgebruik is gemaakt, voor het geheel worden voldaan, en door
hem, aan wie slechts een gedeelte van het vruchtgebruik is nagelaten, naar evenredigheid van zijn
genot, zonder dat door een van beiden enige terugvordering mag worden gedaan.

Artikel 830

De vruchtgebruiker is alleen gehouden tot de kosten van rechtsgedingen, welke zijn
vruchtgebruik betreffen, en tot alle overige veroordelingen, waartoe die gedingen kunnen
aanleiding geven.
Indien het geschil tegelijkertijd de eigenaar en de vruchtgebruiker aangaat, en zij beiden
in het geding betrokken zijn, zullen zij tot de kosten bijdragen, in evenredigheid van hun
wederzijdse belangen, door de rechter te bepalen.

Artikel 831

Indien, gedurende het vruchtgebruik, een derde persoon zich enige onwettige aanmatiging
op het erf veroorlooft, of anderszins de rechten van de eigenaar tracht te verkorten, is de
vruchtgebruiker gehouden daarvan aan de eigenaar kennis te geven; bij gebreke hiervan is hij
verantwoordelijk voor alle schade, welke daardoor voor de laatstgenoemde zou mogen ontstaan,
op dezelfde wijze als hij zou moeten vergoeden het nadeel, door hem of door degenen, voor wie
hij moet instaan, toegebracht.

Artikel 832

Indien de goederen onder beheer van derden gebracht zijn, zijn de bewindvoerders, op
straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten, gehouden voor de rechten van de
eigenaar en voor die van de vruchtgebruiker te waken.
Zij kunnen voor de eigenaar of voor de vruchtgebruiker, noch eisende, noch verwerende,
in rechten optreden, zonder daartoe door degene, die de zaak aangaat, gemachtigd te zijn.

Artikel 833

Indien een kudde beesten, waarvan het vruchtgebruik is gegeven, door toeval of door
ziekte, en buiten de schuld van de vruchtgebruiker, geheel verloren gaat, is deze alleen verplicht
aan de eigenaar verantwoording te doen van de huiden, of van derzelver waarde.
Indien de kudde niet geheel is verloren gegaan, is de vruchtgebruiker gehouden het getal
der gestorven beesten uit de jongen aan te vullen.

Artikel 834

Indien het vruchtgebruik niet op een gehele kudde, maar op een of meer beesten is gelegd,
en een of meer derzelve, buiten de schuld van de vruchtgebruiker, zijn komen te sterven, is deze
niet verplicht deze aan te vullen, of de waarde daarvan uit te keren, maar hij moet alleen de
huiden of de waarde daarvan teruggeven.

Artikel 835

De vruchtgebruiker van een schip is verplicht om hetzelve, ingeval van een buitenlandse
reis, te laten verzekeren. Bij gebreke hiervan is hij verantwoordelijk voor alle schade, welke
daardoor voor de eigenaar zou mogen ontstaan.

VIERDE AFDELING

HOE HET VRUCHTGEBRUIK EINDIGT

Artikel 836

Vruchtgebruik eindigt:
1°. Door de dood van de vruchtgebruiker;
2°. Wanneer de tijd tot welke, of de voorwaarden waaronder hetzelve is toegestaan,
verlopen of vervuld zijn;
3°. Door vermenging, wanneer de blote eigendom en het vruchtgebruik zijn gekomen in
dezelfde hand;
4°. Door afstand van de vruchtgebruiker ten behoeve van de eigenaar;
5°. Door verjaring, wanneer de vruchtgebruiker gedurende dertig jaren van zijn recht geen
gebruik geeft gemaakt;
6°. Door de gehele ondergang van de zaak, waarop het vruchtgebruik is gevestigd.

Artikel 837

Vruchtgebruik, ten voordele van verscheidene personen gezamenlijk gegeven, houdt eerst
op door de dood van de laatsten.
Vruchtgebruik ten voordele van een zedelijk lichaam houdt op door ontbinding van
hetzelve.

Artikel 838

Het vruchtgebruik, hetwelk gegeven is totdat een derde persoon een zekere ouderdom zal
bereikt hebben, blijft tot dat tijdstip voortduren, al was het dat deze persoon vóór de vastgestelde
ouderdom mocht overleden zijn; behoudens hetgeen, bij de veertiende titel van het eerste boek,
aangaande het wettelijk genot van de ouders bepaald is.

Artikel 839

Geen vruchtgebruik kan aan een zedelijk lichaam langer dan voor dertig jaren worden
toegestaan.

Artikel 840

Indien slechts een gedeelte van de aan vruchtgebruik onderworpen zaak is te niet gegaan,
blijft het vruchtgebruik voor hetgeen overig is bestaan.
Overstroming van de grond doet het vruchtgebruik geenszins te niet gaan, voor zover de
vruchtgebruiker, naar de aard van de zaak, in staat is zijn recht uit te oefenen.
Het vruchtgebruik herleeft in zijn geheel, nadat de grond door de natuur of door de arbeid
weer zal zijn droog geworden; behoudens de bepaling van artikel 649.

Artikel 841

Indien het vruchtgebruik alleen op een gebouw gevestigd is, en dit gebouw door brand of
een ander toeval vernield, of door ouderdom is ingestort, heeft de vruchtgebruiker geen recht van
genot, noch op de grond, noch op de bouwstoffen.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op een stuk goed, waarvan het gebouw een gedeelte
uitmaakt, blijft de vruchtgebruiker in het genot van de grond, en mag zich van de bouwstoffen
bedienen, hetzij om hetgeen vernield is weer op te bouwen, hetzij om andere gebouwen te
herstellen, welke een gedeelte van het goed uitmaken.

Artikel 842

Het vruchtgebruik van een vaartuig gaat te niet, wanneer dit zich buiten staat bevindt om
hersteld te worden.
De vruchtgebruiker heeft geen recht op het wrak of de overblijfselen.

Artikel 843

Het vruchtgebruik van een rente, inschuld of verbintenis houdt niet op door de aflossing
van de hoofdsom.
De vruchtgebruiker heeft het recht om de wederbelegging daarvan in zijn voordeel te
vorderen.

Artikel 844

Het vruchtgebruik kan ook eindigen door het misbruik, hetwelk de vruchtgebruiker van
zijn genot maakt, hetzij door het goed te beschadigen, hetzij door hetzelve, bij gebreke van
genoegzame herstelling en onderhoud, te laten vervallen.

Artikel 845

De rechter kan, in die gevallen, en naar gelang der omstandigheden, hetzij de gehele
vernietiging van het vruchtgebruik uitspreken, hetzij de goederen onder het beheer van een derde
stellen, of wel deze aan de eigenaar doen overgeven, met last om jaarlijks aan de vruchtgebruiker
een bepaalde som te betalen, tot op het ogenblik toe, waarop het vruchtgebruik zou hebben
moeten ophouden.
Indien evenwel de vruchtgebruiker of deszelfs schuldeisers aanbieden om het gepleegde
misbruik dadelijk te herstellen, en voor het vervolg voldoende zekerheid te geven, zal de rechter
de vruchtgebruiker in het genot van zijn rechten kunnen handhaven.

Artikel 846

Het te niet gaan van het vruchtgebruik doet de huurcontracten, volgens artikel 799
aangegaan, niet ophouden.

TIENDE TITEL

VAN HET GEBRUIK EN DE BEWONING

Artikel 847

Het recht van gebruik en dat van bewoning zijn zakelijke rechten, welke verkregen
worden en te niet gaan op dezelfde wijze als het vruchtgebruik.

Artikel 848

De verplichting aan de vruchtgebruiker opgelegd om zekerheid te stellen, staat en
beschrijving te maken, als een goed huisvader te genieten, en de zaak terug te geven, is ook op
hem, die het recht van gebruik of bewoning heeft, toepasselijk.

Artikel 849

Het recht van gebruik en dat van bewoning worden geregeld naar de titel, waarbij deze
zijn daargesteld; indien bij de titel geen bepalingen omtrent de uitgestrektheid dier rechten
gemaakt zijn, worden deze overeenkomstig de volgende artikelen geregeld.

Artikel 850

Hij, die het recht van gebruik op een erf heeft, mag daarvan slechts zoveel vruchten
trekken, als hij voor zich en zijn huisgezin nodig heeft.

Artikel 851

Zaken, welke door het gebruik verloren gaan, kunnen geen onderwerp uitmaken van het
recht van gebruik; doch indien dat recht op soortelijke zaken is toegestaan, wordt hetzelve als
vruchtgebruik beschouwd.

Artikel 852

De gebruiker mag zijn recht aan geen ander afstaan of verhuren.

Artikel 853

Ten aanzien van beesten, heeft de gebruiker het recht om daarmede zijn werk te doen, en
de melk, voor zover de behoefte van hem en zijn huisgezin vordert, alsmede de mest, te gebruiken;
doch hij heeft geenszins het genot van de wol of de jongen der beesten.

Artikel 854

Het recht van gebruik, op een erf gevestigd, bevat de jacht en visserij, alsook het genot
der erfdienstbaarheden.

Artikel 855

Ten opzichte van een huis, bestaat er geen onderscheid tussen het recht van gebruik en dat
van bewoning.
Hij, die het recht van bewoning in een huis heeft, mag daarin met zijn huisgezin wonen,
zelfs indien hij op het tijdstip, waarop hem dat recht werd toegestaan, mocht zijn ongehuwd
geweest.
Dat recht bepaalt zich tot hetgeen noodzakelijk is ter bewoning van de gebruiker en van
zijn huisgezin.

Artikel 856

Het recht van bewoning mag niet worden afgestaan noch verhuurd.

Artikel 857

Indien de gebruiker al de vruchten van het erf geniet, of het gehele huis bewoont, is hij
evenals een vruchtgebruiker verplicht de kosten van bebouwing en de herstellingen tot
onderhoud, mitsgaders de belastingen en andere lasten, te dragen.
Indien hij slechts een gedeelte der vruchten geniet, of een deel van het huis bewoont, moet
hij tot die kosten en lasten bijdragen, naar evenredigheid van zijn genot.

Artikel 858

Het gebruik van bossen en beplantingen, aan een bijzondere persoon toegestaan, geeft aan
de gebruiker alleen het recht om zich van het dode hout te bedienen, en om van het hakhout te
nemen hetgeen voor hem en zijn huisgezin nodig is.

ELFDE TITEL

VAN ERFOPVOLGING BIJ VERSTERF

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 859

Erfopvolging heeft alleen door de dood plaats.

Artikel 860

Indien verscheidene personen, van welke de een tot van de andere erfenis geroepen is,
door een en hetzelfde ongeval, of op dezelfde dag, omkomen, zonder dat men weten kan wie het
eerst overleden is, worden zij vermoed op hetzelfde ogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen
overgang van erfenis van de een ten behoeve van de andere plaats.
Artikel 861-422

Tot de erfenis worden door de wet geroepen, zij die tot de overledene in familierechtelijke
betrekking stonden, en de langstlevende echtgenoot, volgens de hierna vastgestelde regelen;
Bij gebreke van zodanige personen als bedoeld in het eerste lid, vervallen de goederen aan
het land, onder de last om de schulden te voldoen, voor zover de waarde van die goederen
toereikend is.

Artikel 862

De erfgenamen treden van rechtswege in het bezit der goederen, rechten en
rechtsvorderingen van de overledene.
Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzo tot dat bezit bevoegd is, kan de rechter
bevelen, dat de goederen onder gerechtelijke bewaring zullen worden gesteld.
Het land moet zich door de rechter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van
vergoeding van kosten, schade en interesten, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en
een boedelbeschrijving te doen opmaken, in de vorm voor de aanvaarding van nalatenschappen
onder het voorrecht van boedelbeschrijving vastgesteld.

Artikel 863

De erfgenaam heeft een rechtsvordering tot verkrijging van de erfenis tegen al degenen,
die, hetzij onder die titel, of zonder titel, in het bezit zijn van de gehele nalatenschap, of van een
gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen, die met arglist hebben opgehouden te bezitten.
Hij kan deze rechtsvordering instellen voor het geheel, indien hij alleen erfgenaam is, en
voor zijn aandeel, zo er meerdere erfgenamen zijn.
Die rechtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welke titel ook, in de
nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling, volgens de regelen,
welke in de derde titel van dit boek ten aanzien van de opvordering van eigendom zijn
voorgeschreven.

Artikel 864

Die rechtsvordering verjaart door een tijdsverloop van dertig jaren, te rekenen van de dag
waarop de erfenis is opengevallen.
Artikel 865
Teneinde als erfgenamen te kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de
erfenis is opengevallen, met inachtneming van de regel bij artikel 3 vastgesteld.

Artikel 866-423

Als onwaardig om erfgenamen te zijn worden beschouwd, en als zodanig van de erfenis
uitgesloten:
1°. Hij, die veroordeeld is, terzake dat hij de overledene heeft omgebracht of getracht
heeft om te brengen;
2°. Hij, die bij rechterlijke uitspraak overtuigd is tegen de erflater lasterlijk te hebben
ingebracht een beschuldiging van een misdrijf, waartegen een vrijheidsstraf met een maximum
van ten minste vier jaren is bedreigd;
3°. Hij, die de overledene door geweld of feitelijkheid belet heeft zijn uiterste wil te
maken of te herroepen;
4°. Hij, die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.

Artikel 867

De erfgenaam, die uithoofde van onwaardigheid van de erfenis is uitgesloten, is gehouden
tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten, waarvan hij sedert het openvallen van de erfenis
genot heeft gehad.

Artikel 868

Kinderen van een onwaardig verklaarde persoon, uit eigen hoofde tot de erfenis komende,
zijn niet uitgesloten door de schuld van hun ouders; doch deze zijn in geen geval bevoegd om van
de goederen van die nalatenschap het vruchtgenot te vorderen, hetwelk de wet aan ouders op de
goederen van hun kinderen toekent.

Artikel 869

Plaatsvervulling geeft aan de vertegenwoordigende persoon het recht om te treden in de
plaats, in de graad en in de rechten van degene, die vertegenwoordigd wordt.

Artikel 870-424

Plaatsvervulling heeft in de rechte neergaande linie in het oneindige plaats.
Deze wordt in alle gevallen toegelaten, hetzij de kinderen van de overledene tezamen tot
de erfenis komen met de nakomelingen van een vooroverleden kind, hetzij, al de kinderen van de
overledene vóór hem gestorven zijnde, de nakomelingen van die vooroverleden kinderen zich
onderling in gelijke of ongelijke graden bestaan.

Artikel 871

Er bestaat geen plaatsvervulling ten opzichte van nabestaanden in de opgaande linie. De
naaste in ieder der beide liniën sluit te allen tijde degene uit, die in een verdere graad is.

Artikel 872

In de zijdlinie wordt de plaatsvervulling toegelaten ten voordele van kinderen en
nakomelingen van de overledene zijn broeders en zusters, hetzij die gezamenlijk met hun ooms of
moeijen tot de nalatenschap komen, hetzij dat, na het vooroverlijden der broeders en zusters van
de overledene, de erfenis overgaat tot dezelver nakomelingen, aan elkander in gelijke of in
ongelijke graden bestaande.

Artikel 873-425

Plaatsvervulling wordt ook toegelaten in de erfopvolging van zijdmagen, wanneer nevens
degene, die de erflater het naast in den bloede bestaat, er nog kinderen of afkomelingen aanwezig
zijn van vooroverleden broeders of zusters van eerstgemelden.

Artikel 874

In al de gevallen, waarin plaatsvervulling wordt toegelaten, heeft de verdeling bij staken
plaats; indien dezelfde staak verscheidene takken heeft voortgebracht, geschiedt de onderverdeling
in iedere tak wederom bij staken, en onder de personen in dezelfde tak geschiedt de
verdeling bij hoofden.

Artikel 875

Niemand kan voor een levende persoon bij plaatsvervulling optreden.

Artikel 876

Een kind ontleent niet van zijn ouders het recht om hen te vertegenwoordigen, en men kan
zelfs degene vertegenwoordigen, wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden.

Artikel 877

De wet slaat geen acht, noch op de aard, noch op de oorsprong der goederen, om de
erfopvolging in deze te regelen.

Artikel 878

Alle erfenissen, welke, hetzij geheel, hetzij voor een gedeelte, aan bloedverwanten in de
opgaande of zijdlinie tebeurtvallen, worden in twee gelijke delen gekloofd, waarvan het ene aan
de nabestaanden in de vaderlijke, en het andere aan die in de moederlijke linie, tebeurtvalt,
behoudens de bepalingen in de artikelen 882, 883 en 887 voorkomende.
De erfenis kan nimmer uit de ene linie tot de andere overgaan, dan wanneer er in één der
beide liniën, noch bloedverwant in de opgaande linie, noch zijdmaag gevonden wordt.

Artikel 879

Deze eerste verdeling tussen de vaderlijke en de moederlijke liniën daargesteld zijnde,
heeft er geen verdere kloving tussen de onderscheidene takken plaats; maar de helft, aan iedere
linie tebeurtgevallen, behoort aan de erfgenaam, of de erfgenamen, welke de overledene het naast
in graad bestaan, behoudens het geval van plaatsvervulling.

TWEEDE AFDELING426

VAN DE ORDE DER ERFOPVOLGING

Artikel 880-427

De kinderen of hun afstammelingen erven van hun ouders, grootouders, of verdere
bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderscheid van kunne of eerstgeboorte.
Zij erven voor gelijke delen bij hoofden, wanneer zij allen in de eersten graad zijn, en uit
eigen hoofde geroepen worden; zij erven bij staken, wanneer zij allen, of een gedeelte van hen,
bij plaatsvervulling opkomen.
Artikel 880a428
Voor zoveel betreft de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot wordt de
langstlevende echtgenoot voor de toepassing der bepalingen van deze titel met een kind van de
overledene gelijkgesteld.

Artikel 880b-429

Wanneer de langstlevende echtgenoot tezamen met anderen dan de nakomelingen van de
erflater die niet de nakomelingen van de langstlevende echtgenoot zijn erft, is hij bevoegd de
inboedel geheel of gedeeltelijk tot zich te nemen.

Artikel 881-430

Indien de overledene noch nakomelingen, noch echtgenoot, noch broeders of zusters
achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee gelijke delen tussen de bloedverwanten in de
vaderlijke, en die in de moederlijke opgaande linie verdeeld, behoudens de bepaling van artikel
De naaste in graad in de opgaande linie bekomt de helft aan zijn linie behorende, met
uitsluiting van alle anderen.
Bloedverwanten in de opgaande linie, van dezelfde graad, erven bij hoofde.

Artikel 882-431

Wanneer de vader en de moeder van een persoon, welke overleden is zonder
nakomelingen en zonder echtgenoot na te laten, hem overleven, bekomt ieder van hen een derde
gedeelte van de nalatenschap, indien de verstorvene slechts één broeder of één zuster heeft
achtergelaten, welke het overige derde gedeelte bekomt.
De vader en de moeder erven ieder voor een vierde gedeelte, indien de overledene
meerdere broeders of zusters heeft achtergelaten, en in dat geval vallen aan deze laatstgemelden
de twee overige vierde gedeelten te beurt.
Artikel 883432
Wanneer de vader of de moeder van iemand, overleden zonder nakomelingen en zonder
echtgenoot na te laten, vóór hem gestorven is, zal de langstlevende de helft van de nalatenschap
bekomen, indien de overledene slechts één broeder of één zuster achterlaat; één derde, indien hij
er twee achtergelaten heeft; en één vierde gedeelte, indien er meerdere broeders of zusters
achtergebleven zijn. De overige delen vallen aan de broeders en zusters te beurt.

Artikel 884-433

Indien vader en moeder van een persoon, welke gestorven is zonder nakomelingen en
zonder echtgenoot na te laten, vooroverleden zijn, worden de broeders en zusters tot de gehele
erfenis geroepen.

Artikel 885-434

De verdeling van al hetgeen, volgens de bepalingen der hierbovenstaande artikelen, aan
de broeders en de zusters toekomt, geschiedt onder hen in gelijke delen, indien zij allen van
hetzelfde bed zijn; doch indien zij uit verschillende huwelijken zijn voortgesproten, wordt
hetgeen zij erven in twee gelijke delen tussen de vaderlijke en de moederlijke liniën van de
overledene verdeeld; de volle broeders en zusters bekomen hun deel in beide de liniën, en die van
halve bedde slechts in de linie, tot welke zij behoren. Indien er niet dan halve broeders of zusters,
van één kant slechts, zijn achtergebleven, bekomen zij de gehele nalatenschap, met uitsluiting van
alle andere bloedverwanten in de andere linie.

Artikel 886

Bij gebreke van broeders en zusters, en tevens van nabestaanden in een der beide
opgaande liniën, komt de nalatenschap voor de ene helft aan de in leven zijnde bloedverwanten in
de opgaande linie, en voor de wederhelft aan de zijdmagen in de andere linie, met uitzondering
van het geval bij het volgende artikel vermeld.
Bij gebreke van broeders en zusters en van nabestaanden in de beide opgaande liniën,
worden in iedere zijdlinie de naaste bloedverwanten, ieder voor de helft, tot de erfenis geroepen.
Indien er in dezelfde zijdlinie bloedverwanten van dezelfde graad gevonden worden,
delen zij onder elkaar bij hoofden, behoudens de bepaling van artikel 873.

Artikel 887-435

De langstlevende vader of moeder erft alleen de gehele nalatenschap van zijn kind,
hetwelk zonder nakomelingen, echtgenoot, broeders of zusters na te laten overleden is.

Artikel 888-436

Onder de benaming van broeders en zusters, in deze afdeling voorkomende, worden
steeds de afstammelingen van ieder van hen begrepen.

Artikel 889-437

Bloedverwanten, welke de overledene verder dan in de zesde graad in de zijdlinie bestaan,
erven niet.
Indien in de ene linie geen bloedverwanten van de graad, waarin men erven kan,
gevonden worden, bekomen de bloedverwanten in de andere linie de gehele erfenis.

DERDE AFDELING438

VAN ERFOPVOLGING, WANNEER ER NATUURLIJKE KINDEREN

AANWEZIG ZIJN

Artikelen 890-901-439

Vervallen.

TWAALFDE TITEL

VAN UITERSTE WILLEN

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 902

De goederen, welke iemand bij zijn overlijden nalaat, behoren aan zijn wettelijke
erfgenamen, voor zover hij daarover niet bij uiterste wil wettelijk mocht hebben beschikt.

Artikel 903

Een testament of uiterste wil is een akte, houdende de verklaring van hetgeen iemand wil
dat na zijn dood zal geschieden, en welke akte door hem kan worden herroepen.

Artikel 904

Uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van goederen zijn, of algemeen, of onder een
algemene titel, of onder een bijzondere titel.
Elke van deze beschikkingen, hetzij deze gedaan is onder de benaming van erfstelling,
hetzij onder de benaming van legaat, of onder elke andere benaming, zal kracht hebben, volgens
de regelen bij deze titel voorgeschreven.

Artikel 905

Een uiterste wilsbeschikking ten voordele van de naaste bloedverwanten, of het naaste
bloed van de erflater, zonder verdere aanduiding, wordt geacht te zijn gemaakt ten voordele van
zijn door de wet geroepen erfgenamen.

Artikel 906

De uiterste wilsbeschikking ten voordele van de armen, zonder andere aanduiding, wordt
geacht gemaakt te zijn ten behoeve van al de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst,
welke in de plaats, alwaar de erfenis is opengevallen, door armeninrichtingen bedeeld worden.

Artikel 907

De erfstellingen over de hand of fidei-commissaire substitutiën zijn verboden.
Dienvolgens is, zelfs ten aanzien van de benoemde erfgenaam of legataris, nietig en van
onwaarde elke beschikking, waarbij deze belast wordt de erfenis of het legaat te bewaren, en aan
een derde, voor het geheel of voor een gedeelte, uit te keren.

Artikel 908

Van de bij het vorige artikel verboden erfstellingen over de hand zijn uitgezonderd die,
welke bij de zevende en achtste afdeling van deze titel zijn toegelaten.

Artikel 909-440

De bepaling, waarbij een derde, of, bij diens vooroverlijden, al zijn kinderen, reeds
geboren of die nog zullen worden geboren, zijn geroepen tot het geheel of tot een gedeelte van
hetgeen de erfgenaam of legataris, bij zijn overlijden, van de erfenis of van het legaat
onvervreemd of onverteerd zal overlaten, is geen verboden erfstelling over de hand.
Door zodanige erfstelling of legaat mag de erflater zijn erfgenamen, aan welke een
wettelijk erfdeel toekomt, niet benadelen.

Artikel 910

De beschikking, waardoor een derde tot een erfenis of een legaat geroepen wordt, in het
geval dat de geroepen erfgenaam of legataris deze niet geniet, is van waarde.

Artikel 911

Hetzelfde heeft plaats omtrent een uiterste wilsbeschikking, waarbij het vruchtgebruik aan
de ene, en de blote eigendom aan de andere gegeven wordt.

Artikel 912

De bepaling, waarbij de nalatenschap of het legaat, of wel een gedeelte van deze,
onvervreemdbaar is verklaard, wordt voor niet geschreven gehouden.

Artikel 913

Indien de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan
door uitlegging niet afwijken.

Artikel 914

Indien daarentegen de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking voor
onderscheidene opvattingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan, welke de bedoeling van de
erflater geweest is, dan zich, tegen die bedoeling, aan de letterlijke zin der woorden houden.

Artikel 915

In zodanig geval moeten ook de bewoordingen worden opgevat in de zin, die met de aard
van de beschikking en derzelver onderwerp het meest overeenkomt, en bij voorkeur in dier
voege, dat de beschikking enige uitwerking of gevolg heeft.

Artikel 916

In alle uiterste wilsbeschikkingen worden de voorwaarden, die onverstaanbaar of
onmogelijk zijn, of die met de wetten en goede zeden strijden, voor niet geschreven gehouden.

Artikel 917

De voorwaarden wordt gehouden voor vervuld, wanneer hij, die bij de niet-vervulling
daarvan belang mocht hebben, de vervulling heeft belet.

Artikel 918

De vermelding van een valse beweegreden wordt voor niet geschreven gehouden, tenzij
uit de uiterste wil blijken mocht, dat de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien
hij van de valsheid van de beweegreden kennis had gedragen.

Artikel 919

De vermelding van een, hetzij ware, hetzij valse, beweegreden, die echter met de wetten
of de goede zeden strijdt, maakt de erfstelling of het legaat nietig.

Artikel 920

Indien een ondeelbare last aan verscheidene erfgenamen of legatarissen is opgelegd
geworden, en een of meer van hen van de erfenis of het legaat afzien, of wel onbekwaam zijn om
het gemaakte te beuren, zal hij, die zich voor het geheel van de last wil kwijten, het hem
nagelaten gedeelte kunnen vorderen, en zijn verhaal hebben op de nalatenschap, voor hetgeen hij
voor de andere mocht hebben betaald.

Artikel 921

Uiterste willen, gemaakt tengevolge van dwang, bedrog of arglist, zijn nietig.

Artikel 922

Indien door een en hetzelfde ongeval, of op dezelfde dag, mochten omkomen de erflater
en de erfgenaam of de legataris of degene, die bij een geoorloofde ondererfstelling in plaats van
deze laatste zou zijn opgetreden, zonder dat men weten kan, wie van de alzo omgekomenen het
eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde ogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen
overgang van rechten tengevolge van de uiterste wil plaats.

TWEEDE AFDELING

VAN DE BEKWAAMHEID OM BIJ UITERSTE WIL TE BESCHIKKEN

OF DAARVAN VOORDEEL TE GENIETEN

Artikel 923

Tot het maken of herroepen van een uiterste wil moet men zijn verstandelijke vermogens
bezitten.

Artikel 924

Alle personen kunnen bij uiterste wil beschikken, en daaruit voordeel genieten,
uitgezonderd de zodanige, die, daartoe volgens de bepalingen van deze afdeling, zijn onbekwaam
verklaard.

Artikel 925

Minderjarigen, die de volle ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt, mogen geen
uiterste wil maken.

Artikel 926

De bekwaamheid van de erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin hij zich bevond
op het ogenblik dat de uiterste wil gemaakt is.

Artikel 927

Om uit kracht van een uiterste wil iets te kunnen genieten, moet men bestaan op het
ogenblik van de dood van de erflater, met inachtneming van de regel bij artikel 3 vastgesteld.
Deze bepaling is niet toepasselijk op personen, die geroepen zijn om uit stichtingen genot
te trekken.

Artikel 928-441

Vervallen.

Artikel 929

Een echtgenoot kan geen voordeel genieten door de uiterste wilsbeschikkingen van zijn
mede-echtgenoot, indien het huwelijk zonder behoorlijke toestemming mocht zijn aangegaan, en
de erflater gestorven is op een tijdstip, waarop de wettigheid van dit huwelijk te dier oorzaak nog
in rechten kon worden betwist.

Artikel 930-442

Vervallen.

Artikel 930a-443

Vervallen.

Artikel 931

Echtgenoten kunnen, ten opzichte van de goederen welke in gemeenschap zijn, niet verder
beschikken dan over het aandeel, dat ieder van hen in de gemeenschap heeft. Indien echter enig
goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de legataris hetzelve niet in natura vorderen, indien
dat goed niet aan de erfgenamen van de erflater is aanbedeeld. In dat geval wordt de legataris
schadeloos gesteld uit het aandeel in de gemeenschap, aan de erfgenamen van de erflater
aangekomen, en, bij ongenoegzaamheid, uit de goederen aan die erfgenamen persoonlijk
toebehorende.

Artikel 932-444

Een minderjarige, ofschoon de ouderdom van achttien jaren bereikt hebbende, kan bij
uiterste wil ten voordele van zijn voogd geen beschikking maken.
Meerderjarig geworden zijnde, kan hij zijn gewezen voogd niet bij uiterste wil
bevoordelen, dan na het afleggen en sluiten van de voogdijrekening.
Van de twee hierboven gemelde gevallen zijn uitgezonderd bloedverwanten van de
minderjarige in de opgaande linie, die zijn voogden zijn of geweest zijn.

Artikel 933

Minderjarigen kunnen niet bij uiterste wil beschikken ten voordele van hun leermeesters,
gouverneurs of gouvernanten, welke met hen tezamen wonen, noch ten voordele van hun
onderwijzers of onderwijzeressen, bij welke de minderjarigen in de kost besteed zijn.
Hiervan zijn uitgezonderd de beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze
van legaat gemaakt, met inachtneming echter zowel van de gegoedheid van de maker, als van de
diensten die aan denzelven zijn bewezen.

Artikel 934-445

De geneesheren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunde
uitoefenende, welke iemand, gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, bediend hebben,
alsmede de bedienaars van de godsdienst, welke hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan,
kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanige persoon
gedurende de loop van de ziekte, te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt.
Hiervan zijn uitgezonderd:
1°. De beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt,
evenals bij het vorige artikel is vastgesteld;
2°. De beschikkingen ten voordele van de echtgenoot van de erflater;
3°. De beschikkingen, zelfs algemene, gemaakt ten voordele van bloedverwanten tot de
vierde graad ingesloten, indien de overledene geen erfgenamen in de rechte linie mocht hebben
nagelaten; tenzij degene, te wiens voordele de beschikking gemaakt is, zelf onder het getal van
die erfgenamen mocht behoren.

Artikel 935

De notaris, die een uiterste wil bij openbare akte heeft verleden, en de getuigen, die
daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niets genieten van hetgeen aan hen bij die uiterste wil
mocht zijn gemaakt.

Artikel 936-446

Vervallen.

Artikel 937-447

Vervallen.

Artikel 938

Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt ten voordele van iemand, die onbekwaam is om te
erven, is nietig, zelfs wanneer de beschikking mocht zijn gemaakt op de naam van een tussen beiden
komende persoon.
Voor tussen beiden komende personen worden gehouden de vader en de moeder, de
kinderen en afstammelingen, en de echtgenoot van degene, die onbekwaam is om te erven.

Artikel 939

Hij, die veroordeeld is omdat hij de erflater heeft omgebracht; hij, die de uiterste wil van
de erflater heeft verdonkerd, vernietigd of vervalst, of die de erflater door geweld of
dadelijkheden heeft belet zijn uiterste wil te herroepen of te veranderen, zal, evenmin als zijn
mede-echtgenoot en zijn kinderen, uit de uiterste wil enig voordeel kunnen genieten.

DERDE AFDELING

VAN DE LEGITIEME PORTIE OF HET WETTELIJK

ERFDEEL, EN VAN DE INKORTING DER GIFTEN,

WELKE DIE PORTIE ZOUDEN VERMINDEREN

Artikel 940

De legitieme portie of het wettelijk erfdeel is een gedeelte der goederen, hetwelk aan de
bij de wet geroepen erfgenamen in de rechte linie wordt toegekend, en waarover de overledene,
noch bij gifte onder de levenden, noch bij uiterste wil, heeft mogen beschikken.

Artikel 941-448

In de neerdalende linie, indien de erflater slechts één kind nalaat, bestaat dat wettelijk
erfdeel in de helft van de goederen, welke het kind bij versterf zou hebben geërfd.
Indien er twee kinderen overblijven, is het wettelijk erfdeel voor ieder kind twee derde
gedeelte van hetgeen hetzelve bij versterf zou erven.
Ingeval de overledene drie of meer kinderen nalaat, zal het wettelijk erfdeel drie vierde
gedeelte bedragen van hetgeen elk kind bij versterf zou gehad hebben.
Onder de naam van kinderen worden begrepen de afstammelingen, in welke graad zij ook
zijn; echter worden deze alleen gerekend in plaats van het kind, hetwelk zij in de nalatenschap
van de erflater vertegenwoordigen.

Artikel 942

In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel altijd de helft van hetgeen, volgens de
wet, aan elke bloedverwant in die linie bij versterf toekomt.

Artikel 943-449

Vervallen.

Artikel 943a-450

In de gevallen, waarin voor het berekenen van de legitieme portie rekening moet worden
gehouden met erfgenamen, die wel zijn erfgenamen bij versterf, doch niet zijn legitimarissen, zal,
wanneer aan anderen dan bedoelde erfgenamen, hetzij bij akte onder de levenden, hetzij bij

uiterste wil, meer is geschonken dan het aandeel bedraagt, waarover men zou mogen beschikken,
indien zodanige erfgenamen niet aanwezig waren, bedoelde giften of schenkingen kunnen
worden verminderd tot genoemd bedrag, zulks op de vordering en ten bate van de legitimarissen
en van derzelver erfgenamen of rechthebbenden.
De artikelen 947-956 vinden overeenkomstige toepassing.

Artikel 944-451

Bij gebreke van legitimarissen mogen de giften, bij akte onder de levenden of bij uiterste
wil gedaan, het gehele beloop der goederen van de nalatenschap bevatten.

Artikel 945

Wanneer de beschikking, bij akte onder de levenden of bij uiterste wil gedaan, bestaat in
een vruchtgebruik of in een lijfrente, waarvan het beloop het wettelijk erfdeel benadeelt, hebben
de erfgenamen, aan welke dat erfdeel is toegekend, de keus, of om deze beschikking uit te
voeren, of wel om aan de begiftigden of legatarissen de eigendom van het beschikbaar gedeelte af
te staan.

Artikel 946

Het aandeel, waarover men beschikken mag, kan, hetzij in het geheel of gedeeltelijk, bij
akte onder de levenden of bij uiterste wil, aan vreemden, of wel aan kinderen of andere personen,
die tot een erfenis gerechtigd zijn, worden weggeschonken, behoudens de gevallen, waarin deze
laatste, naar aanleiding van de zestiende titel van dit boek, tot inbreng gehouden zijn.

Artikel 947

De giften of schenkingen, hetzij onder de levenden, hetzij bij uiterste wil, gemaakt, welke
aan het wettelijk erfdeel mochten te kort doen, zullen bij het openvallen van de nalatenschap
kunnen worden verminderd, doch alleen op de vordering van de legitimarissen, en van zijn
erfgenamen of rechthebbenden.
Desniettegenstaande zullen de legitimarissen van die vermindering niets kunnen genieten
ten nadele van de schuldeisers van de overledene.

Artikel 948

Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te bepalen, maakt men een opsomming van
al de goederen, die op het tijdstip van het overlijden van de gever of erflater aanwezig waren;
men voegt daarbij het beloop der goederen, waarover bij giften onder de levenden beschikt is,
berekend naar de staat, waarin zij zich op het tijdstip van de gift bevonden hebben, en hun waarde
op het ogenblik van het overlijden van de gever; men berekent over al die goederen, na de
schulden daarvan te hebben afgetrokken, hoeveel, naarmate van de betrekking der legitimarissen,
het erfdeel is, hetwelk zij kunnen vorderen, en men trekt daarvan af hetgeen deze, zelfs met
vrijstelling van inbreng, van de overledene hebben ontvangen.

Artikel 949

Alle vervreemding van enig goed, hetzij onder de last van een lijfrente, hetzij met
voorbehoud van vruchtgebruik, aan een der erfgenamen in de rechte linie gedaan, wordt
beschouwd als een gift.

Artikel 950

Indien de gegeven zaak vóór het overlijden van de schenker, buiten schuld van de
begiftigde, is verloren gegaan, zal zij niet worden begrepen onder de massa der goederen, over
welke het wettelijk erfdeel moet worden berekend.
De gegeven zaak zal onder de massa worden begrepen, indien zij ter oorzaak van het
onvermogen van de begiftigde niet kan worden terugverkregen.

Artikel 951

De giften onder de levenden zullen nimmer mogen worden verminderd, dan nadat al de
goederen, welke bij uiterste wil zijn weggemaakt, zullen bevonden worden niet genoegzaam te
zijn om het wettelijk aandeel te verzekeren. Wanneer alsdan een vermindering van de giften
onder de levenden moet plaats hebben, zal men deze aanvangen met de gift, welke het laatst
gedaan is, en alzo verder van deze tot de vroegere opklimmen.

Artikel 952

De teruggave van de onroerende goederen, welke naar aanleiding van het voorgaande
artikel moet plaats hebben, geschiedt in natura, niettegenstaande alle tegenstrijdige bepalingen.
Indien echter de vermindering moet worden toegepast op een erf, hetwelk niet gevoegelijk
kan worden verdeeld, zal de begiftigde, zelfs wanneer het een vreemde is, de bevoegdheid
hebben om in gereed geld op te leggen, hetgeen de legitimaris toekomt.

Artikel 953

De vermindering der bij uiterste wil gedane makingen zal geschieden zonder onderscheid
te maken tussen de erfstellingen en legaten, tenzij de erflater uitdrukkelijk mocht hebben bevolen,
dat deze of gene erfstelling of legaat bij voorkeur moest worden voldaan; in welk geval zodanige
erfstelling of legaat niet zal worden verminderd, dan ingeval de waarde van de andere makingen
niet mocht toereikend zijn om het wettelijk erfdeel op te leveren.

Artikel 954

De begiftigde zal de vruchten van hetgeen de gift meer bedraagt dan het gedeelte,
waarover beschikt kan worden, teruggeven, te rekenen van de dag dat de gever overleden is,
indien de eis tot vermindering is gedaan binnen het jaar, en anderszins van de dag dat die eis
gedaan is.

Artikel 955

De onroerende goederen, die uit kracht van vermindering in de boedel moeten terugkeren,
worden daardoor vrij van de schulden of hypotheken, door de begiftigde daarop gelegd.

Artikel 956-452

De rechtsvordering tot vermindering of teruggave kan door de erfgenamen vervolgd
worden tegen derde bezitters van de onroerende goederen, welke een gedeelte van het gegeven
uitmaken, en door de begiftigde vervreemd zijn, op dezelfde wijze en in dezelfde rangschikking
als tegen de begiftigde zelf.
Deze rechtsvordering moet aangelegd worden volgens de orde van de dagtekeningen van
die vervreemdingen, te beginnen met die vervreemdingen welke het laatst gedaan is.
Desniettemin zal de rechtsvordering tot vermindering of teruggave tegen derde verkrijgers
geen plaats hebben, dan voor zover de begiftigde geen andere goederen mocht hebben
overgehouden, welke in de gift begrepen waren, en deze niet genoegzaam zijn om het wettelijk
erfdeel in zijn geheel te voldoen, en indien de waarde der vervreemde goederen niet op zijn
persoonlijke goederen mocht kunnen worden verhaald.
Die rechtsvordering zal, in alle gevallen, verloren gaan door het tijdsverloop van drie
jaren, te rekenen van de dag waarop de legitmaris de erfenis heeft aanvaard.

VIERDE AFDELING

VAN DE VORM DER UITERSTE WILLEN

Artikel 957

Geen uiterste wil kan bij dezelfde akte door twee of meer personen gemaakt worden,
hetzij ten voordele van een derde, hetzij onder de titel van een wederkerige of onderlinge
beschikking.

Artikel 958

Een uiterste wil kan alleen worden gemaakt, of bij een olographiesche of eigenhandig
geschreven akte of bij een openbare akte, of bij een geheime of gesloten beschikking.

Artikel 959

Een olographiesche uiterste wil moet met de hand van de erflater geheel geschreven en
getekend zijn.
Deze moet door de erflater bij een notaris in bewaring worden gesteld.
De notaris, bijgestaan door twee getuigen, zal daarvan onmiddellijk een door hem met de
erflater en de getuigen getekende akte van bewaargeving opmaken, hetzij aan de voet van de
uiterste wil, indien deze open aan hem is terhandgesteld, hetzij afzonderlijk, indien het stuk
verzegeld aan hem mocht zijn aangeboden; in welk laatste geval de erflater, in tegenwoordigheid
van de notaris en de getuigen, op de omslag moet aantekenen, en door zijn ondertekening
bekrachtigen, dat hetzelve zijn uiterste wil bevat.
Ingeval de erflater door enige verhindering, die na de ondertekening van de uiterste wil of
van de omslag is opgekomen, de omslag of de akte van bewaargeving, of wel beiden, niet kan
tekenen, moet de notaris daarvan, evenals van de oorzaak van het beletsel, melding maken.

Artikel 960

Zodanige olographiesche uiterste wil, overeenkomstig het voorgaande artikel, door de
notaris zijnde in bewaring genomen, heeft dezelfde kracht als een bij openbare akte gemaakte
uiterste wil, en wordt gerekend gemaakt te zijn op de dag der akte van bewaargeving, zonder
aanzien van de dagtekening, welke zich in de uiterste wil zelf mocht bevinden.

Artikel 961

De erflater kan te allen tijde zijn olographiesch testament terugvorderen, mits hij, ter
verantwoording van de notaris, van de teruggave bij een authentieke akte doet blijken.
Door de teruggave wordt het olographiesch testament als herroepen beschouwd.

Artikel 962

Bij een enkel onderhands, door de erflater geheel geschreven, gedagtekend en
ondertekend stuk, kunnen, zonder verdere formaliteiten, beschikkingen na dode worden gemaakt,
doch alleen en bij uitsluiting ter aanstelling van executeuren, ter bestelling van begrafenis, tot het
maken van legaten van klederen, van lijfstoebehoren, van bepaalde lijfsieraden en van bijzondere
meubelen.
De herroeping van zodanig stuk kan op dezelfde wijze onder de hand geschieden.

Artikel 963

Indien zodanig stuk, als waarvan in het vorige artikel is gesproken, na het overlijden van
de erflater gevonden wordt, moet dit worden aangeboden aan de rechter van het kanton, alwaar
de erfenis is opengevallen; deze zal, indien het stuk verzegeld is, dit openen, en in alle gevallen
een proces-verbaal van de aanbieding, alsmede van de staat waarin het zich bevindt, opmaken; hij
zal eindelijk dat stuk aan een notaris terhandstellen, teneinde hetzelf onder zijn minuten te
bewaren.

Artikel 964

Een olographiesche uiterste wil, welke gesloten aan de notaris is terhandgesteld, zal, na de
dood van de erflater, aan de kantonrechter worden aangeboden welke zal handelen zoals bij
artikel 969, ten aanzien van besloten uiterste willen is voorgeschreven.

Artikel 965

Een uiterste wil bij openbare akte moet ten overstaan van een notaris, en in
tegenwoordigheid van twee getuigen, worden verleden.

Artikel 966

De notaris moet de wil van de erflater, zoals die zakelijk aan hem door de erflater is
opgegeven, in duidelijke bewoordingen schrijven of doen schrijven.
Indien de opgave buiten de tegenwoordigheid der getuigen is gedaan, en het opstel door
de notaris is gereed gemaakt, moet de erflater, alvorens de voorlezing daarvan geschiedt, zijn wil
nader zakelijk, in tegenwoordigheid der getuigen, opgeven.
Daarna zal, in tegenwoordigheid der getuigen, de uiterste wil door de notaris worden
voorgelezen, en na die voorlezing door hem aan de erflater worden afgevraagd, of het
voorgelezene zijn uiterste wil bevat.
Indien de uiterste wil in tegenwoordigheid der getuigen is opgegeven, en terstond is in
geschrift gebracht, zal gelijke voorlezing en afvraging in tegenwoordigheid der getuigen
geschieden.
De akte moet vervolgens door de erflater, de notaris en de getuigen worden ondertekend.
Indien de erflater verklaart, dat hij niet kan ondertekenen, of indien hij daarin verhinderd
wordt, moet ook die verklaring en de oorzaak van de verhindering in de akte worden vermeld.
Van de nakoming van al deze formaliteiten moet uitdrukkelijk worden melding gemaakt
in de akte van uiterste wil.

Artikel 967

Wanneer de erflater een besloten of geheim testament wil maken, zal hij verplicht zijn
zijn beschikkingen te ondertekenen, hetzij hij die zelf geschreven heeft, hetzij hij die door een
ander heeft laten schrijven; het papier hetwelk zijn beschikkingen bevat, of het papier hetwelk tot
een omslag dient, indien er een omslag gebruikt wordt, zal gesloten en verzegeld worden.
De erflater zal dit alzo gesloten en verzegeld aan de notaris, in tegenwoordigheid van vier
getuigen, aanbieden, of hij zal het in hun tegenwoordigheid moeten doen sluiten en verzegelen,
en moeten verklaren, dat in het gemelde papier zijn uiterste wil begrepen is, en dat die uiterste
wil, hetzij door hem zelf geschreven en door hem getekend is, of door een ander geschreven en
door hem getekend is. De notaris zal daarvan een akte van superscriptie opmaken, die op dat
papier, of op het papier tot omslag dienende, zal geschreven worden; deze akte zal zowel door de
erflater, als door de notaris, benevens de getuigen, ondertekend worden, en, ingeval de erflater
door enige verhindering, die na de ondertekening van de uiterste wil is opgekomen, de akte van
superscriptie niet kan ondertekenen, zal van de oorzaak van het beletsel melding gemaakt
worden.
Al de in tegenwoordigheid van de notaris en de getuigen in acht te nemen formaliteiten
moeten worden vervuld, zonder intussen tot enige ander akte over te gaan.
De besloten of geheime uiterste wil moet onder de minuten van de notaris blijven
berusten, die dat stuk ontvangen heeft.

Artikel 968

Ingeval de erflater niet kan spreken, maar wel schrijven, zal hij een besloten uiterste wil
kunnen maken, mits deze met zijn hand geheel geschreven, gedagtekend en ondertekend wordt,
hij deze zelf aan de notaris en de getuigen aanbiedt, en boven de akte van superscriptie in hun
tegenwoordigheid schrijft en ondertekent, dat het papier hetwelk hij hun aanbiedt zijn uiterste wil
is; waarna de notaris de akte van superscriptie zal schrijven en daarin melding maken, dat de
erflater die verklaring, in tegenwoordigheid van de notaris en de getuigen, geschreven heeft, en
zal bovendien worden in acht genomen al hetgeen bij het voorgaande artikel is bepaald.

Artikel 969

Na de dood van de erflater moet de besloten of geheime uiterste wil worden aangeboden
aan de rechter van het kanton, alwaar de erfenis is opengevallen; deze rechter zal die uiterste wil
openen, en proces-verbaal opmaken van de aanbieding en de opening van de uiterste wil, alsmede
van de staat, waarin zich deze bevindt, en dit stuk daarna aan de notaris, die de aanbieding heeft
gedaan, teruggeven.

Artikel 970

De notaris, die onder zijn minuten een uiterste wil, van welke aard ook, heeft, moet
daarvan, na de dood van de erflater, aan de belanghebbende personen kennis geven.

Artikel 971-453

De getuigen, die bij het maken van uiterste willen tegenwoordig zijn, moeten zijn
meerderjarig, en ingezetenen van Suriname. Zij moeten de taal verstaan waarin de uiterste wil is
opgesteld, of die waarin de akte van superscriptie of bewaargeving is geschreven.
Tot getuigen van een uiterste wil, bij openbare akte op te maken, kunnen niet genomen
worden de erfgenamen of de legatarissen, noch derzelver bloedverwanten of aangehuwden, tot in
de vierde graad ingesloten, noch de kinderen of kleinkinderen, of bloedverwanten in dezelfde
graad, noch de huisbedienden der notarissen, voor welke de uiterste wil verleden wordt.

Artikel 972

Een ingezetene van Suriname, die zich in een vreemd land bevindt, zal geen andere
uiterste wil kunnen maken dan bij authentieke akte, en met inachtneming van de formaliteiten,
welke in het land, alwaar de akte verleden wordt, gebruikelijk zijn.
Hij is echter bevoegd om bij een onderhands stuk te beschikken, op de voet en de wijze
als bij artikel 962 is omschreven.

Artikel 973

In tijd van oorlog kunnen de krijgslieden en andere personen tot de legers behorende, en
zich in het veld of wel in een belegerde plaats bevindende, hun uiterste wil maken ten overstaan
van een officier, of, zo er geen officier aanwezig is, van de persoon, die op de plaats het hoogste
militaire gezag uitoefent, en in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Artikel 974

De uiterste wil van personen, die zich, gedurende de loop van een reis, op zee bevinden,
kan verleden worden ten overstaan van de kapitein of de stuurman van het vaartuig, of, bij
gebreke van deze, voor degene, die hun plaats vervult, in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Artikel 975

In plaatsen, met welke alle gemeenschap, uithoofde van de pest of andere besmettelijke
ziekte, verboden is, of waar geen mogelijkheid bestaat om zich van het ministerie van een notaris
te bedienen, kunnen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar, in
tegenwoordigheid van twee getuigen.

Artikel 976

De uiterste willen, in de drie voorafgaande artikelen vermeld, zullen door de erflaters,
alsmede door degenen voor wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen,
ondertekend moeten worden.
Indien de erflater of een der getuigen verklaart, dat hij niet schrijven kan of belet wordt te
tekenen, zal van die verklaring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in de akte uitdrukkelijk
worden melding gemaakt.

Artikel 977

Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de erflater komt te sterven zes
maanden nadat de oorzaak, waarom deze in die vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden.

Artikel 978

In de gevallen, bij de artikelen 973, 974 en 975 voorzien, kunnen de daarbij vermelde
personen beschikken bij een onderhands stuk, mits dit geheel door de hand van de erflater is
geschreven, gedagtekend en ondertekend.

Artikel 979

Zodanige uiterste wil zal krachteloos zijn, indien de erflater is overleden drie maanden
nadat de oorzaak, in voorzeide drie artikelen vermeld, heeft opgehouden, tenzij dat stuk bij een
notaris mocht zijn in bewaring gegeven, op de wijze als bij artikel 959 is voorgeschreven.

Artikel 980

De formaliteiten, waaraan de onderscheidene uiterste willen, volgens de bepalingen van
deze afdeling, onderworpen zijn, moeten worden inachtgenomen, op straffe van nietigheid.

VIJFDE AFDELING

VAN DE ERFSTELLINGEN
Artikel 981

Erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen de
goederen geeft, welke hij bij zijn overlijden zal nalaten, hetzij in het geheel, hetzij voor een
gedeelte, zoals de helft, een derde.

Artikel 982

Bij het overlijden van de erflater, treden van rechtswege in het bezit van de nagelaten
goederen, zowel de bij uiterste wil benoemde erfgenamen, als degenen aan wie de wet een
gedeelte in de nalatenschap toekent.
De artikelen 863 en 864 zijn op hen toepasselijk.

Artikel 983

Indien er geschil ontstaat, wie erfgenaam en alzo tot het bezit bevoegd is, kan de rechter
bevelen dat de goederen onder gerechtelijke bewaring zullen worden gesteld.

ZESDE AFDELING

VAN LEGATEN

Artikel 984

Een legaat is een bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen
zekere bepaalde goederen geeft, of wel al zijn goederen van een zekere soort, als, bij voorbeeld,
al zijn roerende of onroerende goederen, of het vruchtgebruik van alle of van een gedeelte van
zijn goederen.

Artikel 985

Alle zuivere en onvoorwaardelijke legaten geven, van de dag van het overlijden van de
erflater af, aan de legataris het recht om de gelegateerde zaak te vorderen, welk recht op zijn
erfgenamen of rechtsverkrijgenden overgaat.

Artikel 986

De legataris zal de afgifte van de gelegateerde zaak aan de erfgenamen of legatarissen, die
daarmede belast zijn, moeten vragen.
Hij heeft recht op de vruchten of interesten, van de dag van het overlijden van de erflater
af, indien de eis tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak
vrijwillig heeft plaats gehad. Indien die eis later geschiedt, heeft hij slechts recht op de vruchten
en de interesten, te rekenen van de dag dat de eis gedaan is.

Artikel 987

De interesten of vruchten van de gelegateerde zaak lopen ten voordele van de legataris
van de dag van het overlijden, welk ook het tijdstip zij waarop hij de afgifte heeft geëist:
1¬. Wanneer de erflater zijn begeerte daaromtrent in de uiterste wil verklaard heeft;
2¬. Wanneer een lijfrente of een jaar-, maand- of weekgeld, onder de titel van
levensonderhoud, is gelegateerd.
Artikel 988

De belastingen, welke, onder welke benaming ook, op legaten ten behoeve van het land
gelegd zijn, komen ten laste van de legataris, tenzij de erflater het tegendeel heeft bevolen.

Artikel 989

Indien de erflater aan onderscheidene legatarissen de voldoening van een last heeft
opgelegd, zijn zij daartoe gehouden, elk in evenredigheid van de hoegrootheid van zijn legaat,
tenzij de erflater daaromtrent anders mocht hebben beschikt.

Artikel 990

De gelegateerde zaak zal worden uitgekeerd met al hetgeen daartoe behoort, en in de
staat, waarin zij zich op de dag van het overlijden van de erflater bevindt.

Artikel 991

Hetgeen echter de erflater, na het legateren van enig onroerend goed, tot vergroting van
hetzelve aangekocht of verkregen heeft, is, al was het ook daaraan grenzende, niet in het legaat
begrepen, tenzij de erflater anders had bevolen.
De verbeteringen, verfraaiingen of nieuwe opbouwingen, op de gelegateerde grond door
de erflater gemaakt, of de vergroting van de omtrek van een ingesloten grond, zullen zonder
nieuwe beschikking gerekend worden een gedeelte van het legaat uit te maken.

Artikel 992

Indien, vóór of na het maken van de uiterste wil, de gelegateerde zaak voor een schuld
van de nalatenschap, of ook voor de schuld van een derde, bij hypotheek verbonden of met een
vruchtgebruik belast is, is degene, die het legaat moet uitkeren, niet gehouden om het goed van
dat verband te ontheffen, tenzij hij bij een uitdrukkelijke beschikking van de erflater belast is
zulks te doen.
Indien echter de legataris de gehypothekeerde schuld mocht hebben voldaan, zal hij
deswege een verhaal hebben op de erfgenamen, overeenkomstig artikel 1133.

Artikel 993

Wanneer de erflater enig bepaald goed van een ander gelegateerd heeft, zal dit legaat
nietig zijn, hetzij de erflater al dan niet geweten heeft, dat dit goed hem niet toebehoorde.

Artikel 994

De bepaling van het vorige artikel belet echter niet dat aan de erfgenaam of legataris, als
voorwaarde de verplichting kan worden opgelegd, om aan derden zekere uitkeringen uit zijn
eigen goederen te doen, of schulden kwijt te schelden.

Artikel 995

Legaten van onbepaalde zaken, doch van een zeker geslacht, zijn bestaanbaar, hetzij de
erflater zodanige zaken heeft nagelaten of niet.

Artikel 996

Wanneer het legaat in een onbepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste
soort te geven, maar hij kan ook met het afgeven van de slechtste niet volstaan.

Artikel 997

Indien blotelijk de vruchten of inkomsten zijn gelegateerd, zonder dat de erflater het
woord vruchtgebruik of gebruik heeft gebezigd, blijft het goed onder het beheer van de
erfgenaam, die verplicht is de vruchten en inkomsten aan de legataris uit te keren.

Artikel 998

Een legaat, aan een schuldeiser gemaakt, wordt niet gerekend tot afdoening van de schuld
te zijn nagelaten, zomin als een legaat, aan dienstboden gemaakt, kan geacht worden tot betaling
van verdiend loon gegeven te zijn.

Artikel 999

Wanneer de nalatenschap niet voor het geheel of een gedeelte is aanvaard, of wanneer
deze is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, en de nagelaten goederen niet
voldoende zijn om de legaten in hun geheel te voldoen, zullen al de legaten, in evenredigheid van
hun hoegrootheid, worden verminderd, tenzij de erflater daaromtrent anders mocht hebben
beschikt.

ZEVENDE AFDELING

VAN DE GEOORLOOFDE ERFSTELLINGEN OVER

DE HAND, TEN BEHOEVE VAN KLEINKINDEREN EN

AFSTAMMELINGEN VAN BROEDERS EN ZUSTERS

Artikel 1000

De goederen, waarover ouders het recht van beschikking hebben, kunnen door hen, bij
uiterste wil, geheel of gedeeltelijk, worden gegeven aan een of meer van hun kinderen, met last
om die goederen uit te keren, zowel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die
welke nog geboren zullen worden.
Ingeval van vooroverlijden van een kind, zal dezelfde beschikking kunnen worden
gemaakt ten voordele van een of meer kleinkinderen, met last om de goederen aan hun kinderen,
welke reeds geboren zijn en nog geboren zullen worden, uit te keren.

Artikel 1001

Insgelijks zal de uiterste wilsbeschikking bestaanbaar zijn ten voordele van een of meer
broeders of zusters van de erflater, voor het geheel of een gedeelte der goederen, die bij de wet
niet buiten beschikking gehouden zijn, onder de last om de goederen uit te keren, zowel aan de
kinderen van zijn voorzeide broeders en zusters, welke reeds geboren zijn, als aan die welke nog
geboren zullen worden.
Dezelfde beschikking kan worden gemaakt ten voordele van een of meer kinderen van
vooroverleden broeders of zusters, onder de last om de goederen uit te keren, zowel aan derzelve
kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.

Artikel 1002

Indien de bezwaarde erfgenaam sterft, met achterlating van kinderen in de eerste graad, en
afkomelingen van een vooroverleden kind, zullen deze laatste, bij plaatsvervulling, het aandeel
van het vooroverleden kind genieten.
Hetzelfde zal plaats hebben, indien, al de kinderen in de eerste graad vooroverleden zijn,
degene, die met de overgave belast is, niet dan kleinkinderen nalaat.

Artikel 1003

De beschikkingen, bij de artikelen 1000 en 1001 toegelaten, zullen niet anders gelden dan voor
zover de erfstelling over de hand slechts zal zijn gemaakt voor één graad, en ten voordele van al
de kinderen van de bezwaarde persoon die reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden,
zonder uitzondering of voorrang van ouderdom of kunne.

Artikel 1004

De rechten van de bij erfstelling over de hand geroepen erfgenamen nemen aanvang op
het tijdstip dat het genot van de bezwaarde ophoudt.
De vrijwillige afstand van het genot, ten voordele van de verwachters gedaan, zal geen
nadeel kunnen toebrengen aan de schuldeisers van de bezwaarde persoon, wiens
shuldvorderingen ouder dan deze afstand zijn, noch aan de kinderen, die na die afstand mochten
geboren worden.

Artikel 1005

Hij, die de, volgens de voorgaande artikelen, geoorloofde beschikkingen maakt, mag bij
uiterste wil, of bij een latere notariële akte, het goed zelf, gedurende de tijd van het bezwaar,
onder het beheer stellen van een of meer bewindvoerders.
In dat geval zijn de bepalingen van de artikelen 816 en 817, van het eerste en tweede lid
van artikel 818, en van artikel 819 op de bewindvoerders toepasselijk.

Artikel 1006-454

Bij overlijden of bij gebreke van de gestelde bewindvoerder, benoemt de kantonrechter,
op verzoek van de bezwaarde of van andere belanghebbenden, of ook op vordering van het
openbaar ministerie, een andere in de plaats van de ontbrekende.

Artikel 1007

Binnen een maand na het overlijden van degene, die, onder de last van uitkering, over de
goederen beschikt heeft, zal, op verzoek van de gestelde bewindvoerder, van de belanghebbende,
of van het openbaar ministerie, een boedelbeschrijving worden gemaakt van al de goederen, die
de nalatenschap uitmaken.
Indien het gemaakte slechts in een legaat bestaat, zal er een bijzondere lijst worden
gemaakt van al de daaronder begrepen voorwerpen.
Deze boedelbeschrijving of lijst zal de begroting der roerende goederen bevatten.
Artikel 1008

De boedelbeschrijving of lijst zal gemaakt worden in tegenwoordigheid van de benoemde
bewindvoerder en andere belanghebbenden, of deze behoorlijk zijn opgeroepen.
Indien deze bij de boedelbeschrijving tegenwoordig zijn, kan deze onder de hand
geschieden; in welk geval dat stuk, binnen de tijd van veertien dagen na het voleindigen van de
boedelbeschrijving, ter griffie van het kantongerecht moet worden overgebracht.
De kosten, daarop vallende, komen ten laste der goederen, in de beschikking over de hand
begrepen.

Artikel 1009

Indien de erflater, geen bewindvoerder heeft benoemd, worden de goederen door de
bezwaarde erfgenaam beheerd, en is deze verplicht zekerheid te stellen voor de bewaring, het
behoorlijk gebruik en de wederoplevering der goederen, tenzij de erflater hem uitdrukkelijk van
alle verplichting tot het stellen van zekerheid had vrijgesteld.

Artikel 1010-455

De bezwaarde erfgenaam, die, in het geval van het vorige artikel, geen zekerheid kan
stellen, moet gedogen dat de goederen, op verzoek van belanghebbenden, of op de vordering van
het openbaar ministerie, worden gesteld onder het beheer van een bewindvoerder, door de
kantonrechter te benoemen, te wiens aanzien zullen gelden al de rechten en verplichtingen, ten
opzichte van voogden over minderjarigen vastgesteld. De slotbepaling van artikel 1005 is ook op
deze bewindvoerders toepasselijk.

Artikel 1011
De bezwaarde erfgenaam, die zelf het beheer heeft, moet het bezwaarde goed als een goed
huisvader gebruiken, en staat daaromtrent, alsmede ten aanzien van het dragen van kosten en
lasten, en het doen van reparaties, gelijk met een vruchtgebruiker.

Artikel 1012-456

De onroerende goederen, alsmede de renten en schuldvorderingen, mogen niet worden
vervreemd of bezwaard dan op verlof van de kantonrechter, na verhoor van de verwachter.
Dat verlof kan alleen verleend worden ingeval van volstrekte noodzakelijkheid, of van
blijkbaar voordeel, zowel van de verwachter als van de bezwaarde erfgenamen, en, ingeval van
vervreemding, tegen zekerheid van wederbelegging onder het fidei-commissair verband, indien
de bezwaarde het goed zelf beheert.

Artikel 1013

De erfstellingen over de hand, welke bij deze afdeling zijn geoorloofd, kunnen zelfs door
geen minderjarigen aan derden worden tegengeworpen, indien zij niet zijn openbaar gemaakt, te
weten: wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving in de daartoe bestemde registers;
en, voor zoveel gehypothekeerde schuldvorderingen aangaat, door een inschrijving op de
goederen, welke voor die schuldvorderingen verbonden zijn, of door een te doen vermelding
terzijde der reeds bestaande inschrijvingen.

Artikel 1014

De wettelijke of bij uiterste wil geroepen erfgenamen van degene, die de erfstelling over
de hand heeft gemaakt, zullen, in geen geval, aan de verwachters het gebrek van overschrijving,
inschrijving of vermelding, bij het vorige artikel bevolen, kunnen tegenwerpen.

Artikel 1015

De bewindvoerders zijn verplicht voor de overschrijving, inschrijving of vermelding, bij
artikel 1013 bevolen, te waken, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten.
Alle belanghebbenden hebben het recht te vorderen, dat aan de gezegde voorschriften
wordt voldaan.

ACHTSTE AFDELING

VAN DE ERFSTELLINGEN OVER DE HAND IN

HETGEEN DE ERFGENAAM OF LEGATARIS ONVERVREEMD

EN ONVERTEERD ZAL NALATEN

Artikel 1016

Ingeval van erfstelling of van legaat, op de voet als bij artikel 909 is vermeld, is de
bezwaarde erfgenaam of legataris bevoegd om het aan hem gemaakte te vervreemden en te
verteren, en zelfs bij schenking onder de levenden daarover te beschikken, tenzij dit laatste door
de erflater, voor het geheel of ten dele, mocht zijn verboden.

Artikel 1017

De verplichting tot het maken van een boedelbeschrijving of lijst, na het overlijden van de
erflater, en tot het overbrengen van die stukken ter griffie van het kantongerecht, bij de artikelen
1007 en 1008 voorgeschreven, is ook toepasselijk op de bezwaarde erfgenaam of legataris, van
welke bij deze afdeling wordt gehandeld, doch hij is niet gehouden om enige zekerheid te stellen.

Artikel 1018

Na het overlijden van de bezwaarde erfgenaam of legataris heeft de verwachter het recht
om de dadelijke afgifte te vorderen van hetgeen van de erfenis of van het legaat in natura mocht
zijn overgebleven.
Ten aanzien van de gerede penningen of van de opbrengst der vervreemde voorwerpen,
kan uit aantekeningen van de bezwaarde erfgenaam of legataris, uit huiselijke papieren of door
alle andere bewijsmiddelen worden opgemaakt, of, en in hoeverre, er iets van de erfenis of van
het legaat is overgebleven.

NEGENDE AFDELING

VAN HET HERROEPEN VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN

EN HET VERVALLEN VAN DEZE

Artikel 1019

Een uiterste wil kan, noch in zijn geheel, noch ten dele herroepen worden, dan bij een
latere uiterste wilsbeschikking, of bij een bijzondere notariële akte, waarbij de erflater de gehele
of gedeeltelijke intrekking van zijn vroegere uiterste wil te kennen geeft, onverminderd de
bepaling van artikel 961.

Artikel 1020

Indien een latere uiterste wil, welke de uitdrukkelijke herroeping van de vorige bevat, niet
is voorzien van de formaliteiten, welke tot de deugdelijkheid van een uiterste wil worden vereist,
maar wel van die, welke gevorderd worden tot de deugdelijkheid van een notariële akte, zullen de
vroegere beschikkingen, welke in de latere akte mochten zijn herhaald, niet als herroepen worden
beschouwd.

Artikel 1021

Een latere uiterste wil, waarbij de voorgaande niet op een uitdrukkelijke wijze herroepen
wordt, vernietigt alleen de beschikkingen, in die vroegere uiterste wil vervat, welke met de
nieuwe beschikkingen niet zijn overeen te brengen, of daarmede strijden.
De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de latere uiterste wil nietig is
uithoofde van gebrek in de vorm, al was deze ook geldig als notariële akte.

Artikel 1022

De herroeping, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, bij een latere uiterste wil gedaan,
zal volkomen van kracht zijn, ofschoon die nieuwe akte buiten gevolg blijft door de
onbevoegdheid van de gestelde erfgenaam of legataris, of door hun weigering om de erfenis te
aanvaarden.

Artikel 1023

Alle vervreemding, zelfs bij verkoop met vermogen van wederinkoop, of bij verruiling,
welke de erflater van het gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de herroeping van
het legaat, ten aanzien van al wat vervreemd of verruild is, met zich brengen, tenzij het
vervreemde goed in de erflaters boedel mocht zijn teruggekeerd.

Artikel 1024

Alle beschikkingen bij uiterste wil gedaan, onder een voorwaarde, van een onzekere
gebeurtenis afhangende, en van zodanige aard, dat de erflater gerekend moet worden aan het al of
niet voorvallen van die gebeurtenis de uitvoering van zijn beschikking verbonden te hebben, zal
vervallen, indien de gestelde erfgenaam of legataris vóór de vervulling van de voorwaarde komt
te overlijden.

Artikel 1025-457

Wanneer de voorwaarde, volgens de bedoeling van de erflater, alleen de uitvoering van de
beschikking opschort, belet zulks niet, dat de gestelde erfgenaam of legataris een verkregen recht
heeft, hetwelk hij aan zijn erfgenamen overdraagt.

Artikel 1026-458

Een legaat vervalt, wanneer het gelegateerde goed, bij het leven van de erflater, geheel is
te niet gegaan.
Hetzelfde heeft ook plaats, indien het goed, na zijn dood, zonder toedoen of schuld van de
erfgenaam of van andere personen, door welke het legaat verschuldigd is, te niet is gegaan,
ofschoon deze mochten hebben verzuimd dat goed op zijn tijd uit te keren, wanneer het in handen
van de legataris geweest zijnde, eveneens zou zijn te niet gegaan.

Artikel 1027

Een legaat van een rente, inschuld of andere schuldvordering op een derde, vervalt ten
aanzien van hetgeen gedurende het leven van de erflater daarop mocht zijn betaald.

Artikel 1028

Een beschikking, bij uiterste wil gedaan, vervalt, wanneer de gestelde erfgenaam of
legataris de erfenis of het legaat verwerpt, of onbekwaam bevonden wordt om deze te genieten.
Indien bij de beschikking voordelen aan derden waren gemaakt, zullen deze, in dat geval,
niet vervallen, maar zal degene, aan wie de erfenis of het legaat opkomt, daarmede belast blijven,
behoudens echter de bevoegdheid van deze, om van de erfenis of van het legaat gaaf en
onvoorwaardelijk afstand te doen, ten behoeve van degene, aan wie de voordelen waren
besproken.

Artikel 1029

Er zal aanwas plaats hebben ten voordele van de gestelde erfgenamen of legatarissen,
ingeval de erfstelling of het legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is, en de
beschikking ten opzichte van enige der mede-erfgenamen of mede-legatarissen geen gevolg kan
hebben.
De erfstelling of het legaat zal geacht worden gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het
gemaakt is bij een en dezelfde beschikking, en de erflater niet aan elk der mede-erfgenamen of
mede-legatarissen zijn bepaald aandeel in het goed heeft aangewezen, zoals de helft, een derde
deel, enz.
De uitdrukking voor gelijke aandelen of gedeelten wordt niet geacht een aanwijzing te
zijn van een zodanig bepaald aandeel, als waarvan in dit artikel gesproken wordt.

Artikel 1030

Voorts zal de erflater mede geacht worden gezamenlijk gelegateerd te hebben, wanneer
een zaak, die zonder schade te lijden niet voor verdeling vatbaar is, bij dezelfde akte aan
onderscheidene personen, al was het ook afzonderlijk, is gemaakt geworden.

Artikel 1031

De vervallenverklaring van uiterste wilsbeschikkingen kan, na de dood van de erflater,
worden gevraagd, terzake van het niet tenuitvoerbrengen der voorwaarden.
In dit geval zullen zij, te wier behoeve de vervallen-verklaring zal zijn gedaan, de
goederen terugnemen, vrij van alle lasten en hypotheken, welke de vervallen verklaarde
erfgenaam of legataris daarop mocht hebben gelegd.
Zij zullen zelfs tegen derde houders der onroerende goederen dezelfde rechten als tegen
de benoemde erfgenaam of legataris kunnen uitoefenen.

DERTIENDE TITEL

VAN UITVOERDERS VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN EN

VAN BEWINDVOERDERS

Artikel 1032

Een erflater mag, hetzij bij uiterste wil, hetzij bij zodanige onderhandse akte als bij artikel
962 vermeld is, hetzij bij een bijzondere notariële akte, een of meer uitvoerders van zijn uiterste
wilsbeschikkingen aanstellen.
Hij kan ook verscheidene personen benoemen, teneinde bij ontstentenis elkaar als
uitvoerders op te volgen.

Artikel 1033-459

Minderjarigen, zelfs wanneer deze handlichting hebben bekomen, onder curatele gestelde
personen, en al degenen die onbevoegd zijn om verbintenissen aan te gaan, mogen geen
uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn.

Artikel 1034

Aan de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen kan door de erflater de bezitneming
van al de goederen van de nalatenschap, of van een bepaald gedeelte daarvan, worden gegeven.
In het eerste geval strekt zich die bezitneming uit zowel tot de onroerende als tot de
roerende zaken.
Het bezit zal van rechtswege niet langer duren dan één jaar, te rekenen van de dag waarop
de uitvoerders zich in het bezit hebben kunnen stellen.

Artikel 1035

Indien al de erfgenamen het daaromtrent eens zijn, kunnen zij het bezit doen ophouden,
mits zij de uitvoerders van de uiterste wilsbeschikking in staat stellen tot de betaling of afgifte der
zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of doen blijken dat die legaten reeds zijn voldaan.

Artikel 1036

De uitvoerders van een uiterste wilsbeschikking moeten de nalatenschap doen verzegelen,
indien er minderjarige of onder curatele gestelde erfgenamen zijn, welke op het overlijden van de
erflater van geen voogden of curators zijn voorzien, of zodanige erfgenamen, welke noch in
persoon noch bij gemachtigden tegenwoordig zijn.

Artikel 1037

Zij moeten een boedelbeschrijving doen opmaken van de goederen van de nalatenschap,
in tegenwoordigheid, of na bij behoorlijk exploit gedane oproeping der erfgenamen, welke zich
binnen Suriname bevinden.

Artikel 1038

Zij dragen zorg dat van de overledene zijn uiterste wil wordt ten uitvoer gelegd, en zij
kunnen, ingeval van geschil, in rechte optreden om de geldigheid van de uiterste wil staande te
houden.

Artikel 1039-460

Indien de vereiste penningen niet voorhanden zijn tot het uitkeren der legaten, hebben de
uitvoerders de bevoegdheid om de roerende goederen van de boedel, en desnoods, ook een of
meer der vaste goederen, doch de laatstgemelde niet anders dan met toestemming der
erfgenamen, of, bij gebreke daarvan, met verlof van de kantonrechter, in het openbaar, en volgens
de gebruiken van de plaats, te doen verkopen; alles tenzij de erfgenamen mochten goedvinden om
het nodige voorschot van penningen te doen.
Die verkoop zal ook onder de hand kunnen geschieden, indien al de erfgenamen het
daaromtrent zijn eens geworden, behoudens de bepalingen ten opzichte van minderjarigen en
onder curatele gestelde personen.

Artikel 1040

De uitvoerders zijn bevoegd, in het openbaar en met inachtneming der plaatselijke
gebruiken, zodanige roerende goederen te verkopen, die aan bederf onderhevig zijn, of uit andere
hoofde niet zonder schade voor de boedel kunnen worden aangehouden.
De onderhandse verkoop van die goederen kan alleen geschieden in het geval bij het
tweede lid van het vorige artikel omschreven.

Artikel 1041

De uitvoerders, die het bezit van de nalatenschap hebben, zijn bevoegd om, zelfs in
rechte, de schulden in te vorderen, welke gedurende dat bezit, vervallen en opeisbaar zijn.

Artikel 1042

Zij hebben geen bevoegdheid om de goederen van de nalatenschap te verkopen, teneinde
deze in staat van scheiding en deling te brengen, maar zijn verplicht om, bij het eindigen van hun
beheer, aan de belanghebbenden rekening en verantwoording te doen, met uitkering van al de
goederen en effecten van de boedel, benevens het slot der rekening, teneinde tussen de
erfgenamen gescheiden en gedeeld te worden. In het maken van de scheiding moeten zij de
erfgenamen behulpzaam zijn, indien deze zulks vorderen.

Artikel 1043

De macht van de uitvoerder van een uiterste wil gaat niet tot zijn erfgenamen over.

Artikel 1044

Indien er verscheidene uitvoerders van een uiterste wilsbeschikking zijn, die deze last
aangenomen hebben, kan één van hen, bij gebreke van de andere, alleen werkzaam zijn, en zij
zijn ieder voor het geheel terzake van hun beheer aansprakelijk, tenzij de erflater hun
werkzaamheden mocht verdeeld hebben, en dat ieder van hen zich binnen de kring der hem
opgedragen bemoeienissen heeft gehouden.

Artikel 1045

De onkosten, door de uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking gemaakt, voor de
verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, en de overige tot zijn
werkzaamheden betrekkelijke zaken, komen ten laste van de nalatenschap.

Artikel 1046

Elke bepaling, waarbij de erflater bevolen heeft dat de uitvoerder van zijn uiterste wil van
het opmaken van een boedelbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verantwoording,
zal zijn ontheven, is van rechtswege nietig.

Artikel 1047

Onverminderd het reeds bepaalde voor het geval van vruchtgebruik, van erfstellingen over
de hand, en van minderjarigen en onder curatele gestelden, mag de erflater bij uiterste wil, of bij
een bijzondere notariële akte, een of meer bewindvoerders aanstellen, teneinde de goederen, aan
zijn erfgenamen of legatarissen nagelaten, gedurende derzelver leven, of gedurende een bepaalde
tijd, te beheren, mits hierdoor geen inbreuk wordt gemaakt op de vrije uitkering van het wettelijk
aandeel der erfgenamen.
De bepalingen van artikel 1044 zijn op dit geval toepasselijk.

Artikel 1048-461

Indien de erflater geen personen heeft aangewezen, welke in de plaats van de ontbrekende
bewindvoerders zullen optreden, wordt daarin door de kantonrechter, voorzien.

Artikel 1049

Niemand is gehouden de last van uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking, of van
bewindvoerder van een erfenis of eens legaat, aan te nemen, doch hij, die zodanige last heeft
aanvaard, is verplicht deze te voleindigen.
Indien de erflater aan de uitvoerder voor de waarneming van zijn werkzaamheden geen
bepaalde beloning heeft toegekend, of geen bijzonder legaat daarvoor aan denzelven gemaakt
heeft, is laatstgemelde voor zich, of, meer dan één uitvoerder benoemd zijn, zijn zij bevoegd voor
hen tezamen het loon in rekening te brengen, hetwelk bij artikel 468 aan voogden is toegestaan.

Artikel 1050

De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mitsgaders de bewindvoerders bij artikel
1047 vermeld, kunnen om dezelfde redenen als de voogden worden afgezet.

VEERTIENDE TITEL

VAN HET RECHT VAN BERAAD EN HET VOORRECHT

VAN BOEDELBESCHRIJVING

Artikel 1051-462

Alle personen, aan welke een erfenis is opgekomen, en die verkiezen mochten om de
gesteldheid van de nalatenschap te onderzoeken, teneinde te kunnen beoordelen, of het van hun
belang is deze, hetzij zuiver, hetzij onder het voorrecht van boedelbeschrijving, te aanvaarden, of
wel te verwerpen, zullen het recht hebben om zich te beraden, en daarvan een verklaring moeten
afleggen ter griffie van het kantongerecht, binnen welk rechtsgebied de erfenis is opengevallen;
zullende die verklaring in het daartoe bestemde register worden ingeschreven.

Artikel 1052-463

Aan de erfgenaam wordt, te rekenen van de dag van de afgelegde verklaring, een tijdvak
van twee maanden vergund, teneinde de boedel te doen beschrijven en zich te beraden.
Niettemin is de kantonrechter bevoegd om, wanneer de erfgenaam in rechte vervolgd
wordt, uit hoofde van dringende redenen, de hierboven bepaalde termijn te verlengen.

Artikel 1053

Gedurende de voorschreven termijn kan de erfgenaam, die zich beraadt, niet worden
genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen. Geen rechterlijke veroordeling kan
tegen hem worden verkregen en de uitvoering van de vonnissen, die ten laste van de overledene
zijn uitgesproken, blijft opgeschort.
Hij is verplicht, evenals een goed huisvader, voor het behoud der goederen van de
nalatenschap zorg te dragen.

Artikel 1054-464

De erfgenaam, die zich beraadt, is bevoegd om aan de kantonrechter verlof te vragen,
teneinde alle zodanige voorwerpen te verkopen, welke niet behoeven of niet kunnen worden
bewaard, mitsgaders om alle zulke daden te verrichten, die geen uitstel dulden.
De wijze van verkoop zal bij het rechterlijk verlof worden bepaald.

Artikel 1055-465

De kantonrechter kan, op verzoek der belanghebbende partijen, alle zodanige maatregelen
voorschrijven, welke hij mocht nodig achten, zowel tot behoud van de goederen van de nalatenschap,
als van de belangen van derden.

Artikel 1056

Na verloop van de termijn bij artikel 1052 bepaald, kan de erfgenaam worden
genoodzaakt de nalatenschap te verwerpen of deze te aanvaarden, hetzij zuiver, hetzij onder het
voorrecht van boedelbeschrijving. In het laatste geval moet daarvan een verklaring worden
afgelegd, op dezelfde wijze als bij artikel 1051 is vastgesteld.
Het bepaalde bij het tweede lid van artikel 1051 is in dit geval mede van toepassing.

Artikel 1057

Zelfs na verloop van de termijn, behoudt de erfgenaam het vermogen om de boedel te
doen beschrijven, en deze onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, tenzij hij
zich als zuiver erfgenaam heeft gedragen.

Artikel 1058

De erfgenaam verliest het voorrecht van boedelbeschrijving, en wordt als zuiver
erfgenaam beschouwd:
1°. Indien hij willens en wetens, en te kwader trouw, enige goederen, tot de nalatenschap
behorende, niet op de boedelbeschrijving heeft gebracht;
2°. Indien hij zich aan verduistering van goederen, tot de erfenis behorende, heeft
schuldig gemaakt.

Artikel 1059

Het voorrecht van boedelbeschrijving heeft ten gevolge:
1°. Dat de erfgenaam niet verder tot de betaling der schulden en lasten van de
nalatenschap gehouden is, dan ten belope van de waarde van de goederen, welke deze bevat, en zelfs, dat hij zich van die betaling kan ontslaan, door al de

goederen, tot de nalatenschap
behorende, aan de beschikking der schuldeisers en legatarissen over te laten;
2°. Dat de eigen goederen van de erfgenaam niet met die van de nalatenschap worden
vermengd, en dat hij het recht behoudt om zijn eigen inschulden tegen de nalatenschap te doen
gelden.

Artikel 1060

De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft
aanvaard, is verplicht de daartoe behorende goederen als een goed huisvader te besturen, en de
nalatenschap, zodra mogelijk, tot effenheid te brengen; hij is aan de schuldeisers en legatarissen
verantwoording verschuldigd.

Artikel 1061

Hij vermag de roerende en onroerende goederen van de nalatenschap op geen andere
wijze te verkopen dan in het openbaar, en volgens de gebruiken van de plaats.
Hij is gehouden om, in geval van verkoop van onroerende goederen, welke met hypotheek
belast zijn, de opgekomen hypothecaire schuldeisers te voldoen, door middel van een overwijzing
op de koper van het onroerend goed, ten bedrage van hetgeen die schuldeisers te vorderen
hebben.

Artikel 1062-466

Hij is verplicht, indien de schuldeisers of andere belanghebbenden zulks vorderen,
voldoende zekerheid te stellen voor de waarde der roerende goederen in de boedelbeschrijving
begrepen, en voor dat gedeelte van de waarde der onroerende goederen, hetwelk niet aan de
hypothecaire schuldeisers is overgewezen.
Indien hij in gebreke blijft deze zekerheid te stellen, zullen de roerende goederen worden
te gelde gemaakt, en zowel de opbrengst daarvan, als het niet overgewezen gedeelte der
onroerende goederen, in handen van een daartoe door de kantonrechter te benoemen persoon
worden gesteld, om daaruit de schulden en lasten van de nalatenschap te voldoen, voor zover het
bedrag derzelve nalatenschap toereikend zal zijn.

Artikel 1063-467

Binnen de tijd van drie maanden, te rekenen van het verloop van de termijn bij artikel
1052 bepaald, zal de erfgenaam verplicht zijn om, door middel van een aankondiging in het
Gouvernements-Advertentieblad, alsmede door aanplakking aan het gebouw van het
kantongerecht, de onbekende schuldeisers op te roepen, teneinde zowel aan deze, als aan degene
die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadelijk rekening en verantwoording van zijn beheer af te
leggen, en hun schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zover het bedrag van de
nalatenschap toereikend zal zijn.

Artikel 1064

Na het aanzuiveren van de rekening en verantwoording, zal de erfgenaam aan de
schuldeisers, welke op dat tijdstip mochten bekend zijn, hun vorderingen, hetzij in het geheel,
hetzij in evenredigheid van het beloop van de nalatenschap, moeten voldoen.
De schuldeisers, die na de uitdeling opkomen, zullen, naarmate dat zij zich aanmelden,
alleen uit de onverkochte goederen en het overschot worden betaald.

Artikel 1065

Indien er enig verzet plaats heeft, kunnen de schuldeisers niet worden voldaan, dan
tengevolge van een rangschikking door de rechter te regelen.

Artikel 1066

De legatarissen kunnen de voldoening van hun legaten niet eisen, dan na verloop van de
bij artikel 1063 bepaalde termijn, en na de uitbetaling, waarvan bij artikel 1064 gesproken wordt.
De schuldeisers, die na de voldoening der legaten opkomen, hebben alleen hun verhaal
tegen de legatarissen.
Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren na de dag, op welke de uitbetaling
aan de legataris heeft plaats gehad.

Artikel 1067

De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft
aanvaard, kan niet vroeger in zijn eigen goederen worden aangesproken, dan nadat hij, tot het
afleggen van zijn rekening zijnde aangemaand, mocht zijn in gebreke gebleven aan die
verplichting te voldoen.
Na het aanzuiveren van de rekening zijn zijn eigen goederen alleen aansprakelijk voor de
voldoening der geldsommen, welke, van de nalatenschap afkomstig, in zijn handen zijn gekomen.

Artikel 1068

De kosten van verzegeling, van boedelbeschrijving, van het opmaken van de rekening,
mitsgaders alle andere, die op een wettige wijze gemaakt zijn, komen ten laste van de
nalatenschap.
Artikel 1069

De bepalingen van de artikelen 1052, 1058 en volgende zijn insgelijks toepasselijk op
erfgenamen, die, zonder zich van het recht van beraad bediend te hebben, een erfenis onder het
voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de verklaring af te leggen bij het slot
van artikel 1056 vermeld.

Artikel 1070

Een bepaling, waarbij de erflater zou hebben verboden om van het recht van beraad en
van het voorrecht van boedelbeschrijving gebruik te maken, is nietig en van onwaarde.

VIJFTIENDE TITEL

VAN HET AANVAARDEN EN VERWERPEN VAN ERFENISSEN

EERSTE AFDELING

VAN HET AANVAARDEN VAN ERFENISSEN

Artikel 1071

Een erfenis kan, of zuiver, of onder het voorrecht van boedelbeschrijving, worden
aanvaard.

Artikel 1072

Niemand is gehouden een hem opgekomen erfenis te aanvaarden.

Artikel 1073-468

Erfenissen, minderjarige en onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet
wettelijk worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepalingen, welke die personen
betreffen.

Artikel 1074

Het aanvaarden van een erfenis heeft een terugwerkende kracht tot op de dag, waarop
deze is opengevallen.

Artikel 1075

De aanvaarding van een erfenis geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; deze geschiedt
uitdrukkelijk, wanneer men in een authentiek of onderhands geschrift de titel of de hoedanigheid
van erfgenaam aanneemt; de aanvaarding geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam een daad
verricht, welke zijn mening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan de dag legt, en waartoe
hij slechts in zijn hoedanigheid als erfgenaam zou zijn bevoegd geweest.
Artikel 1076
Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden dienende alleen tot bewaring,
alsook die, welke strekken om op de nalatenschap toezicht te hebben, of deze bij voorraad te
beheren, worden niet gerekend daden te zijn, welke de stilzwijgende aanvaarding van een erfenis
kenschetsen.

Artikel 1077

Indien erfgenamen verschillen omtrent het al of niet aanvaarden van een erfenis, kan de
een deze aanvaarden, en de andere die verwerpen.
Indien erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aanvaarding van een erfenis, wordt
deze onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard.

Artikel 1078

Wanneer iemand, aan wie een erfenis is opgekomen, overleden is zonder die verworpen of
aanvaard te hebben, zijn deze erfgenamen bevoegd de erfenis in zijn plaats te aanvaarden of te
verwerpen, en de bepaling van het voorgaande artikel is op hen toepasselijk.

Artikel 1079

Hij, die voor zijn erfdeel een erfenis heeft aanvaard, vermag het aandeel niet te
verwerpen, hetwelk hem door recht van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel
1081 voorzien.

Artikel 1080

Een meerderjarige kan tegen een door hem gedane aanvaarding van een erfenis niet in zijn
geheel worden hersteld, dan alleen in het geval dat die aanvaarding mocht geschied zijn
tengevolge van dwang of van een te zijnen opzichte gepleegd bedrog.
Hij kan niet tegen zijn aanvaarding opkomen, onder voorgeven van daardoor benadeeld te
zijn, dan alleen ingeval de erfenis meer dan de helft is verminderd, tengevolge van de ontdekking
van een op het ogenblik van de aanvaarding onbekende uiterste wilsbeschikking.

Artikel 1081

Het aandeel van een erfgenaam, die tegen zijn aanvaarding is in zijn geheel hersteld,
behoort niet door aanwas aan zijn mede-erfgenamen, dan voor zover zij hetzelf aanvaarden.

Artikel 1082

De bevoegdheid om een erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren,
te rekenen van de dag waarop deze is opengevallen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak
de nalatenschap aanvaard is door een van degenen, die door de wet, of door een uiterste wil,
daartoe geroepen zijn, onverminderd echter de rechten van derden op de nalatenschap, door enige
wettige titel verkregen.

Artikel 1083

De erfgenaam, die de erfenis verworpen heeft, kan deze nog aanvaarden, zolang zij nog
niet door degenen, welke door de wet of door een uiterste wil geroepen worden, aanvaard is,
behoudens de rechten van derden, zoals bij het voorgaande artikel gezegd is.

TWEEDE AFDELING

VAN HET VERWERPEN VAN ERFENISSEN

Artikel 1084-469

Het verwerpen van een erfenis moet uitdrukkelijk geschieden, en moet plaats hebben door
middel van een verklaring, afgelegd ter griffie van het kantongerecht, onder welk ressort de
erfenis opengevallen is.

Artikel 1085-470

De erfgenaam, die de erfenis verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn.

Artikel 1086-471

Het erfdeel van degene, die de erfenis verwerpt, vervalt aan degenen, die tot hetzelve
zouden zijn geroepen, indien degene, die verwerpt bij het overlijden van de erflater niet in leven
was geweest.

Artikel 1087

Hij die een erfenis verworpen heeft, kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd
worden; indien hij de enige erfgenaam in zijn graad is, of indien al de erfgenamen de erfenis
verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde, en erven bij gelijke delen.

Artikel 1088

De schuldeisers van degene, die ten nadele van hun rechten een erfenis heeft verworpen,
kunnen zich door het hof van justitie doen machtigen om de nalatenschap in naam van hun
schuldenaar, in zijn plaats en voor hem te aanvaarden.
In dat geval, wordt de verwerping van de erfenis niet verder dan ten voordele der
schuldeisers, en ten belope van hun schuldvorderingen, vernietigd; deze is geenszins nietig ten
voordele van de erfgenaam, die de erfenis heeft verworpen.

Artikel 1089

De bevoegdheid om een erfenis te verwerpen kan door geen verjaring verloren gaan.

Artikel 1090

Men kan, zelfs bij huwelijkse voorwaarden, geen afstand doen van de erfenis van iemand,
die nog in leven is, noch de rechten vervreemden, welke men bij vervolg van tijd op zodanige
erfenis mocht kunnen verkrijgen.

Artikel 1091

Erfgenamen, welke goederen, tot een nalatenschap behorende, hebben te zoek gemaakt of
verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere

erfgenamen, niettegenstaande hun verwerping, zonder dat zij enig deel in het te zoek gemaakte of
verborgene mogen vorderen.

Artikel 1092

Niemand kan tegen de verwerping van een nalatenschap worden in zijn geheel hersteld,
dan ingeval die verwerping heeft plaats gehad tengevolge van bedrog of dwang.

ZESTIENDE TITEL

VAN BOEDELSCHEIDING

EERSTE AFDELING

VAN BOEDELSCHEIDING EN HAAR GEVOLGEN

Artikel 1093

Niemand is genoodzaakt in een onverdeelde boedel te blijven.
De boedelscheiding kan, niettegenstaande enig daarmede strijdig verbod, te allen tijde
worden gevorderd.
Er mag echter overeengekomen worden, om de boedelscheiding gedurende een bepaalde
tijd niet te doen plaats grijpen.
Zodanige overeenkomst is slechts voor vijf jaren verbindend, maar kan telkens na afloop
van de termijn vernieuwd worden.

Artikel 1094

De schuldeisers van en erflater, mitsgaders de legatarissen, zijn bevoegd om zich tegen de
boedelscheiding te verzetten.
De akte van boedelscheiding, verleden na zodanig verzet, en voordat voldaan is hetgeen
tijdens het verzet ten behoeve van de schuldeisers of legataris verschenen en opvorderbaar was, is
nietig ten opzichte van zodanige schuldeisers of legataris.

Artikel 1095

Tegen de rechtsvordering tot de boedelscheiding kan de verjaring alleen worden
ingeroepen door de erfgenaam of de mede-erfgenaam, die afzonderlijk, gedurende de tijd tot de
verjaring gevorderd, het bezit heeft gehad van goederen tot de boedel behorende, doch niet verder
dan ten aanzien van die goederen.

Artikel 1096

Indien al de erfgenamen het vrije beheer over hun goederen hebben, en tegenwoordig zijn,
kan de boedelscheiding plaats hebben op de wijze en door middel van zodanige akte als zij
goedvinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 670.

Artikel 1097-472

Namens hen, die het vrije beheer over hun goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding
niet gevorderd worden, dan met inachtneming der omtrent zodanige personen bij de wet
vastgestelde voorschriften.

Artikel 1098-473

Indien een of meer der belanghebbenden weigeren of nalatig blijven tot de
boedelscheiding mede te werken, nadat die bij rechterlijk vonnis bevolen is geworden, benoemt
de kantonrechter, indien deze benoeming niet reeds bij het vonnis heeft plaats gehad, op het
verzoekschrift der meest gerede belanghebbenden, voor de weigerachtigen of nalatigen, of, voor
zover zij tegenstrijdige belangen hebben, voor ieder van hen, een onzijdig persoon, teneinde als
bewindvoerder, op de voet van de artikelen 517 tot 520, zodanige erfgenamen bij de
boedelscheiding te vertegenwoordigen, en hetgeen zij ontvangen te beheren.
In dat geval, gelijk mede indien zich onder de erfgenamen personen bevinden, welke het
vrije beheer over hun goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding niet plaats hebben, dan met
inachtneming der bepalingen, vervat in de volgende artikelen, en zulks op straffe van nietigheid
ingeval van overtreding van enige der voorschriften, vervat in de artikelen 1099, eerste lid, en
1101.

Artikel 1099

Bij de boedelscheiding moeten de toeziende voogden en toeziende curators tegenwoordig
zijn.
Indien de kantonrechter van oordeel is, dat de voogd en de toeziende voogd beiden, of de
curator en de toeziende curator beiden, of de bewindvoerder, een met de door hen
vertegenwoordigde erfgenamen tegenstrijdig belang hebben, worden door hem ambtshalve een of
meer deelvoogden benoemd, om bij de scheiding te waken voor het belang van die erfgenamen.

Artikel 1100

Indien er nog geen boedelbeschrijving bestaat, zal die, hetzij vooraf bij een afzonderlijke,
hetzij tegelijk met de boedelscheiding, en bij een en dezelfde akte, worden opgemaakt,
overeenkomstig de voorschriften van de wet.
Indien echter al de erfgenamen, tijdens het overlijden van de erflater tegenwoordig zijn,
en het vrije beheer over hun goederen hebben, geen boedelbeschrijving hebben opgemaakt, en
later voorgevallen veranderingen in de staat van de boedel de naleving der wetsbepalingen
omtrent de boedelbeschrijving onmogelijk maken, vangt de boedelscheiding aan met een zo
nauwkeurig mogelijke opgave van de boedel, zodanig als die door de erflater is nagelaten, van de
daarin sedert voorgevallen veranderingen, en van zijn tegenwoordige staat. De deugdelijkheid
van die opgave wordt daarbij beëdigd door degene of door diegenen, die in het bezit van de
onverdeelde nalatenschap is of zijn gebleven.
Artikel 1101-474

De boedelscheiding wordt verleden bij akte, ten overstaan van een door partijen verkozen,
of, ingeval van verschil, door de kantonrechter, op het verzoekschrift van de meest gerede
belanghebbende benoemde notaris, in tegenwoordigheid en onder goedkeuring van de
kantonrechter, die, tot bewijs daarvan de akte mede ondertekend, zonder daarvan echter een
proces-verbaal op te maken.

Artikel 1102-475

Indien de kantonrechter zijn goedkeuring aan de ontworpen boedelscheiding weigert, en
de gezamenlijke erfgenamen en hun vertegenwoordigers mochten vermenen, dat die weigering
niet gegrond is, geeft de kantonrechter de redenen van zijn weigering op, en worden deze
opgenomen in een door de notaris op te maken proces-verbaal.

De ontworpen boedelscheiding, door de kantonrechter en de notaris gewaarmerkt, wordt,
met een afschrift van dit proces-verbaal, door de notaris ter griffie gebracht.
Het proces-verbaal van de notaris en de ontworpen boedelscheiding zijn vrij van zegel.
De erfgenamen, of de meest gerede van hen, kunnen hun bezwaren, bij een met redenen
bekleed verzoekschrift, inbrengen bij het hof van justitie. Het hof doet daarop, desnoods na
verhoor van de kantonrechter en van partijen, uitspraak in het hoogste ressort.
Ingeval van goedkeuring wordt daarna de boedelscheiding, ten overstaan van de notaris,
verleden, overeenkomstig het ontwerp, hetwelk, na door de president en griffier gewaarmerkt te
zijn, wordt teruggeven aan de notaris, en door deze aan de minute vastgehecht.

Artikel 1103-476

Indien de erfgenamen, of een of meer van hen, van oordeel zijn, dat de onroerende
goederen van de boedel, of sommige daarvan, hetzij in het belang van den boedel, tot betaling
van schulden als anderszins, hetzij om een behoorlijke verdeling te kunnen daarstellen, verkocht
behoren te worden, kan de kantonrechter, na verhoor der andere belanghebbenden, of deze
behoorlijk opgeroepen zijn, de verkoop bevelen, overeenkomstig de voorschriften van de
artikelen 567 tot 571 van het Surinaamsch Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, des echter,
dat, indien de verkoop in het openbaar geschiedt, de tegenwoordigheid, immers de behoorlijke
oproeping, van toeziende voogden en toeziende curators wordt gevorderd.
Indien een der mede-erfgenamen een stuk onroerend goed koopt, heeft zulks te zijnen
opzichte hetzelfde gevolg, alsof hij het bij scheiding verkregen had.

Artikel 1104

De waardering der op het tijdstip van de boedelscheiding in de boedel aanwezige
goederen geschiedt als volgt:
Schuldvorderingen en aandelen in maatschappijen, welke in prijscouranten, op openbaar
gezag daargesteld en uitgegeven, vermeld zijn, worden volgens die prijscouranten gewaardeerd;
Andere roerende goederen, tegen de waarden op welke zij bij de boedelbeschrijving
geschat zijn, tenzij een of meer erfgenamen een nadere schatting door een deskundige mochten
verlangen;
Onroerende goederen, tegen de prijs door drie deskundigen te bepalen.

Artikel 1105

De deskundigen worden benoemd door de belanghebbenden, of, ingeval van verschil,
door de kantonrechter, binnen wiens kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zover het de
waardering van onroerende goederen betreft, door de kantonrechter, binnen wiens kanton die
goederen gelegen zijn.
De deskundigen worden vóór de waardering beëdigd door de kantonrechter, binnen wiens
kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zover het de waardering van onroerende goederen
betreft, door de kantonrechter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn.
Indien partijen, ten aanzien van onroerende goederen, buiten Suriname gelegen, omtrent
de deskundigen niet kunnen overeenkomen, bepaalt de kantonrechter van het kanton, waar de
erfenis is opengevallen, hoe die deskundigen benoemd en beëdigd worden, en is ook zelf tot die
benoeming en beëdiging bevoegd.

Artikel 1106

Na de regeling van de inbreng en van hetgeen door de boedel aan een of meer der
erfgenamen, uit welke hoofde ook, verschuldigd is, wordt het overschot van de boedel en het
aandeel van iedere erfgenaam of staak bepaald.
Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belanghebbenden, bij toescheiding
aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen, en, zo daartoe gronden zijn, welke
geldsom wegens een of meer aandelen ter gelijkmaking moet uitbetaald worden. Zo de
belanghebbenden zich wegens zodanige toescheiding niet kunnen verstaan, worden er zovele
kavelingen gemaakt als er erfgenamen of staken zijn, en bepaalt het lot de toedeling der
kavelingen.
De onderverdeling van de aan een staak toebedeelde goederen geschiedt op gelijke wijze.

Artikel 1107

Na de loting zijn de erfgenamen bevoegd tot de ruiling van de hun bij het lot toebedeelde
kavelingen, mits zulks geschiedt vóór het sluiten van de akte van scheiding, en daarin wordt
opgenomen.
Deze ruiling heeft hetzelfde gevolg, alsof de over en weer geruilde goederen waren
toegescheiden.
Een dergelijke ruiling kan, op dezelfde wijze en met hetzelfde gevolg, ook omtrent een
gedeelte der toegescheiden goederen plaats hebben tussen erfgenamen, welke het vrije beheer
over hun goederen bezitten.

Artikel 1108

De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toebedeelde goederen behorende, worden
overgegeven aan hem, aan wie de goederen zijn toebedeeld.
Indien die stukken betrekking hebben op een aan meer dan één erfgenaam toebedeeld
goed, verblijven zij bij degene, aan wie het voornaamste gedeelte van zodanig goed is toegescheiden,
onder verplichting om daarvan aan de medeerfgenamen inzage, en, zo iemand van hen zulks
begeert, afschriften of uittreksels te diens koste te geven.

Artikel 1109

De algemene boedelpapieren blijven in bewaring van hem, die de meerderheid der
erfgenamen, of, ingeval van verschil, de kantonrechter daartoe benoemd heeft, onder gelijke verplichting
om inzage en uittreksels of afschriften te geven, als bij het vorige artikel is bepaald.

Artikel 1110

Ieder erfgenaam wordt geacht onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde, of in
de door hem bij aankoop krachtens artikel 1103 verkregen goederen.
Geen der erfgenamen wordt alzo gerekend immer de eigendom van de andere goederen
der nalatenschap gehad te hebben.

Artikel 1111

De mede-erfgenamen zijn verplicht, ieder in evenredigheid van zijn aandeel, elkaar over
en weer te vrijwaren tegen alle stoornis en uitwinning, welke uit een oorzaak, vóór de verdeling
ontstaan, voortkomen, mitsgaders voor de gegoedheid van schuldenaren van renten of andere
schuldvorderingen.
De vrijwaring heeft geen plaats, wanneer die bepaaldelijk bij een bijzonder en
uitdrukkelijk beding in de akte van boedelscheiding is uitgesloten. Zij houdt op, wanneer de
mede-erfgenaam door zijn schuld de uitwinning ondergaat.
De vrijwaring voor gegoedheid van schuldenaren van een rente of andere schuldvordering
van de boedel, is alleen dan verschuldigd, wanneer de schuldvordering aan een der erfgenamen
voor het volle bedrag is toebedeeld, en indien door zodanige erfgenaam wordt bewezen, dat de
schuldenaar reeds tijdens het verlijden van de akte van boedelscheiding onvermogend was.
De vordering tot vrijwaring in het voorgaande lid bedoeld kan niet worden ingesteld na
verloop van drie jaren sedert de boedelscheiding.

Artikel 1112

Indien een of meer der erfgenamen zich buiten staat bevinden om hun aandeel in de,
terzake van enige vrijwaring, aan hun mede-erfgenaam verschuldigde schadeloosstelling te
voldoen, wordt het door hem of hen verschuldigde aandeel, naar evenredigheid van ieders
erfdeel, omgeslagen over de gewaarborgde en de mede-erfgenamen, die in staat zijn te betalen.

TWEEDE AFDELING

VAN INBRENG

Artikel 1113-477

Onverminderd de verplichting van alle erfgenamen tot voldoening aan, of verrekening
met hun mede-erfgenamen, van alles wat zij aan de nalatenschap schuldig zijn, moeten alle
schenkingen onder de levenden, welke zij van de erflater hebben genoten, worden ingebracht:

1°. Door de erfgenamen in de neerdalende linie, hetzij deze de nalatenschap zuiver, of
onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, en hetzij deze slechts tot het
wettelijk erfdeel of tot meer zijn geroepen; tenzij de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van
inbreng zijn gedaan, of de begiftigde bij een authentieke akte, of bij uiterste wil, van de verplichting tot inbreng zijn ontheven;
2°. Door alle andere erfgenamen, hetzij bij versterf, hetzij bij uiterste wil, doch alleen in
het geval dat de erflater of schenker de inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of bedongen.

Artikel 1114

De erfgenaam, die de erfenis verwerpt, is niet gehouden in te brengen hetgeen aan hem
geschonken is, dan ter aanvulling van zodanig gedeelte als waardoor het wettelijk erfdeel van zijn
mede-erfgenamen mocht verkort zijn.

Artikel 1115

Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel, behoeft dat meerdere niet te worden
ingebracht, onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel.

Artikel 1116

De ouders behoeven de giften niet in te brengen, die aan hun kind door zijn grootouders
gedaan zijn.
Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de erfenis van zijn grootouders
beurt, niet in te brengen de door deze aan zijn ouders gedane gift.
Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling die erfenis beurt, de giften
inbrengen, welke aan zijn ouders gedaan zijn, zelfs indien het kind de nalatenschap van zijn
ouders mocht hebben verworpen.
Het kind is echter, ingeval van zodanige verwerping, niet jegens zijn mede-erfgenamen in
de grootouderlijke nalatenschap aansprakelijk voor de schulden van zijn ouders.

Artikel 1117

Giften, welke aan de ene echtgenoot door een der ouders van de andere echtgenoot
gedaan zijn, zijn zelfs voor de helft niet aan inbreng onderworpen, al was het ook, dat de
geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.
Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenoten door de vader of de moeder van
een van hen gedaan zijn, moet de inbreng voor de helft plaats hebben.
Wanneer de giften aan de echtgenoot door zijn eigen vader of zijn eigen moeder gedaan
zijn, moet hij deze voor het geheel inbrengen.

Artikel 1118

De inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap van de schenker; deze is slechts door de
ene erfgenaam ten behoeve van de andere verschuldigd.
Ten behoeve van legatarissen of van schuldeisers van de boedel heeft geen inbreng plaats.

Artikel 1119
Inbreng geschiedt, hetzij door het genotene in natura in de boedel terug te brengen, hetzij
door zoveel minder dan de andere deelgenoten te ontvangen.

Artikel 1120

De inbreng van onroerende goederen kan geschieden ter keuze van de inbrenger, hetzij
door deze in natura terug te geven, zoals zij zich op het ogenblik van de inbreng bevonden, hetzij
door het inbrengen van de waarde, welke zij ten tijde van de gift hadden.
In het eerste geval is de inbrenger verantwoordelijk voor de vermindering, welke de
goederen door zijn schuld hebben ondergaan, en verplicht om deze te zuiveren van de lasten en
de hypotheken, daarop door hem gelegd.
Alle noodzakelijke uitgaven, tot behoud van het goed gedaan, en de kosten van onderhoud
moeten, in hetzelfde geval, aan de inbrenger worden vergoed, met inachtneming der regelen, bij
de titel van vruchtgebruik voorgeschreven.

Artikel 1121

De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze van de inbrenger door de betaling van
deszelfs bedrag, of door zich dat bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedelen.

Artikel 1122

De inbreng van roerende goederen geschiedt ter keuze van de inbrenger door de teruggave
van de waarde, zoals die ten tijde van de schenking geweest is, of door de goederen in natura
terug te geven.

Artikel 1123

Behalve de schenkingen, in artikel 1113 aan inbreng onderworpen, moet ook worden
ingebracht al hetgeen is verstrekt om aan de erfgenaam een stand, een beroep of bedrijf te
verschaffen, of ter betaling van deszelfs schulden, en al hetgeen ten huwelijk is gegeven.

Artikel 1124

Aan inbreng zijn niet onderworpen;
De kosten van verzorging en opvoeding;
De uitkeringen tot noodzakelijk levensonderhoud;
De uitgaven tot het aanleren van enige tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;
De kosten van studie;
De kosten tot plaatsvervanging of nummer verwisseling in 's lands gewapende dienst;
De bruiloftskosten, klederen en kleinoden tot huwelijksuitzet gegeven.

Artikel 1125

De interesten en vruchten van hetgeen aan inbreng is onderworpen worden eerst
verschuldigd van de dag, dat een erfenis is opengevallen.

Artikel 1126

Al hetgeen door toeval en zonder schuld van de begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet
te worden ingebracht.

DERDE AFDELING

VAN DE BETALING DER SCHULDEN

Artikel 1127

De erfgenamen, die een erfenis hebben aanvaard, moeten in de betaling der schulden,
legaten en andere lasten, zoveel dragen als in evenredigheid staat met hetgeen ieder uit de
nalatenschap ontvangt.

Artikel 1128

Zij zijn tot die betaling persoonlijk, en ieder naarmate van de hoegrootheid van zijn
erfdeel, gehouden, onverminderd de rechten der schuldeisers op de gehele nalatenschap, zolang
die nog is onverdeeld, mitsgaders die der hypothecaire schuldeisers.

Artikel 1129

Indien onroerende en tot de nalatenschap behorende goederen met hypotheken bezwaard
zijn, heeft ieder der mede-erfgenamen het recht om te vorderen, dat die lasten uit de boedel
worden gekweten, en de goederen van het verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der
kavelingen wordt overgegaan.
Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat waarin zij zich bevindt,
moet het bezwaarde onroerende goed worden geschat op dezelfde voet als de overige onroerende
goederen; alsdan wordt de hoofdsom der lasten van de gehele prijs van het goed afgetrokken, en
de erfgenaam, aan wie het onroerend goed te beurt is gevallen, blijft alsdan alleen ten aanzien van
zijn mede-erfgenamen met de voldoening van de schuld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.
Indien de lasten alleen op het onroerende goed gevestigd zijn, zonder dat daarbij een
personeel verband bestaat, kan geen der mede-erfgenamen vorderen, dat de last wordt afbetaald,
en alsdan wordt het onroerende goed onder de verdeling begrepen, onder aftrek van de hoofdsom
van die lasten.

Artikel 1130

Een erfgenaam, die, tengevolge van een hypotheek, meer dan zijn aandeel in de gemene
schuld betaald heeft, kan van zijn mede-erfgenamen terugvorderen, hetgeen ieder van hen
persoonlijk in de schuld had moeten bijdragen.

Artikel 1131

Indien een der mede-erfgenamen in verval van zaken geraakt, wordt zijn aandeel in de
hypothecaire schuld over de overige omgeslagen, naar evenredigheid van eens ieders erfdeel.

Artikel 1132

Een legataris is niet voor de schulden en lasten van de nalatenschap verbonden,
onverminderd het verhaal van de hypothecaire schuldeiser op het gelegateerde onroerende goed.

Artikel 1133

Indien de legataris de schuld heeft gekweten, waarmede het gelegateerde onroerende goed
bezwaard was, treedt hij daardoor van rechtswege in de rechten van de schuldeiser ten laste der
erfgenamen.

Artikel 1134

De schuldeisers en de legatarissen van de overledene mogen van de schuldeisers van de
erfgenaam vorderen, dat de boedel van de overledene wordt afgescheiden van die van de
erfgenaam.

Artikel 1135

Indien de schuldeisers of legatarissen hun rechtsvordering tot afscheiding hebben
aangevangen binnen de tijd van zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen, hebben zij
de bevoegdheid om hun eis in de daartoe bestemde openbare registers, terzijde van ieder stuk
onroerend goed, tot de nalatenschap behorende, te doen aantekenen, met dat gevolg, dat de
erfgenaam, na die aantekening, het goed niet mag vervreemden of bezwaren, ten nadele van de
rechten der eisers ten laste van de nalatenschap.

Artikel 1136

Dat recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, zodra er schuldvernieuwing in de
schuldvordering tegen de overledene plaats heeft, door de erfgenaam als schuldenaar aan te
nemen.

Artikel 1137

Hetzelve recht verjaart door het tijdsverloop van drie jaren.

Artikel 1138

De schuldeisers van de erfgenaam hebben geen bevoegdheid, om die afscheiding van de
boedel tegen de schuldeisers van de nalatenschap te vorderen.

VIERDE AFDELING

VAN DE VERNIETIGING VAN AANGEGANE BOEDELSCHEIDING

Artikel 1139

Boedelscheidingen kunnen worden te niet gedaan:
1°. Terzake van dwang;
2°. Terzake van bedrog, door een of meer deelgenoten gepleegd;
3°. Terzake van benadeling, meer dan een vierde gedeelte bedragende.
Het enkel overslaan van een of meer voorwerpen, tot de boedel behorende, geeft alleen
recht om deswege een nadere scheiding te vorderen.

Artikel 1140

Om te beoordelen of er benadeling plaats heeft, moeten de goederen naar derzelver
waarde op het tijdstip van de scheiding worden geschat.

Artikel 1141

Degene, tegen wie, terzake van benadeling, eis tot vernietiging gedaan is, kan de
herscheiding beletten, door aan de eiser, hetzij in gereed geld, hetzij in natura, op te leggen
hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt.

Artikel 1142

De mede-erfgenaam, die het aan hem toebedeelde geheel of gedeeltelijk heeft vervreemd,
kan geen vernietiging van de boedelscheiding, terzake van dwang of bedrog, vragen, indien de
vervreemding heeft plaats gehad na het ophouden van de dwang of het ontdekken van het bedrog.

Artikel 1143

De rechtsvordering tot vernietiging verjaart door het tijdsverloop van drie jaren, te
rekenen van de dag van de boedelscheiding.

Artikel 1144

De rechtsvordering tot vernietiging heeft plaats opzichtelijk elke akte, welke als oogmerk
heeft om de onverdeelde staat tussen mede-erfgenamen te doen ophouden, om het even of de akte
onder de naam van koop en verkoop, ruiling, dading, of anderszins, mocht verleden zijn.
Doch wanneer de boedelscheiding, of een daarmede gelijkstaande akte, is voltrokken, kan
er geen vernietiging worden gevraagd van een dading, welke mocht gemaakt zijn om de wezenlijke
zwarigheden, in de eerste akte voorkomende, uit de weg te ruimen.

Artikel 1145

De rechtsvordering tot vernietiging van de boedelscheiding wordt niet toegelaten tegen de
verkoop van erfrecht, zonder bedrog aan een of meer mede-erfgenamen te hun bate of schade
door de mede-erfgenamen, of door een van hen, gedaan.

Artikel 1146

Geen herscheiding, na de vernietiging van de boedelscheiding gedaan, kan nadeel
toebrengen aan de rechten bevorens wettelijk door derden verkregen.

Artikel 1147

Alle afstand van het recht om vernietiging van een scheiding te vragen is van onwaarde.

VIJFDE AFDELING478

VAN BOEDELVERDELING, DOOR BLOEDVERWANTEN

IN DE OPGAANDE LINIE TUSSEN HUN AFKOMELINGEN ONDERLING

OF TUSSEN DEZE EN HUN LANGSTLEVENDE

ECHTGENOOT GEMAAKT

Artikel 1148-479

De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij
notariële akte, tussen hun afkomelingen onderling of tussen deze en hun langstlevende
echtgenoot de verdeling en scheiding van hun goederen maken.

Artikel 1149

Indien al de goederen, welke de bloedverwant in de opgaande linie op de dag van zijn
overlijden nalaat, niet in de verdeling begrepen zijn geweest, zullen die niet verdeelde goederen
volgens de wet worden verdeeld.

Artikel 1150

Indien de verdeling niet gemaakt is tussen al de kinderen, die ten tijde van het overlijden
in leven zijn, en de afkomelingen van de vooroverledene, zal de verdeling geheel en al nietig zijn.
Er kan een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm worden gevorderd, hetzij door de kinderen of
afkomelingen, die daarbij geen aandeel gekregen hebben, hetzij zelfs door degenen, tussen welke
de verdeling gemaakt is.

Artikel 1151-480

De verdeling overeenkomstig art.1148 gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van
benadeling, meer dan een vierde bedragende. Zij kan almede worden betwist, indien de verdeling,
en hetgeen met vrijstelling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van de een of
ander der afkomelingen mocht hebben verkort.
De rechtsvordering bij dit artikel toegelaten, verjaart door een tijdsverloop van drie jaren,
te rekenen van de dag waarop de erflater is overleden.

Artikel 1152-481

De erfgenamen, welke, om een der redenen in het voorgaande artikel uitgedrukt, de
verdeling betwisten, zullen de kosten, tot de schatting der goederen vereist, moeten voorschieten,
en die kosten zullen te hun laste blijven, indien hun vordering ongegrond bevonden wordt.

ZEVENTIENDE TITEL

VAN ONBEHEERDE NALATENSCHAPPEN

Artikel 1153

Wanneer, bij het openvallen van een nalatenschap, zich niemand opdoet, die daarop
aanspraak maakt, of wanneer de bekende erfgenamen deze verwerpen, wordt de nalatenschap als
onbeheerd beschouwd.

Artikel 1154-482

De kantonrechter, onder wiens ressort de nalatenschap opengevallen is, moet, op verzoek
der belanghebbende personen, of op de voordracht van het openbaar ministerie, een curator
benoemen.
Indien de curatele verleend wordt terzake dat zich niemand opdoet, die als erfgenaam
aanspraak op de nalatenschap maakt, benoemt de rechter bij voorkeur tot curator de gestelde
uitvoerder van de uiterste wil, tenzij deze mocht verlangen door een ander vervangen te worden.
Van de benoeming van de curator wordt, vanwege de kantonrechter, aankondiging gedaan
in het Gouvernements-Advertentieblad, terwijl de kosten daarvan komen ten laste der
nalatenschap.

Artikel 1155-483

De curator is gehouden de nalatenschap te doen verzegelen, en door een notaris een
boedelbeschrijving te doen opmaken, mitsgaders de nalatenschap, te beheren en tot effenheid te
brengen.
Hij is verplicht, door oproepingen in het Gouvernements-Advertentieblad of andere, naar
het oordeel van de kantonrechter doelmatige middelen, de erfgenamen op te sporen.
Hij moet in rechte optreden ten aanzien van de rechtsvorderingen, die tegen de
nalatenschap zijn aangevangen, en moet alle rechten, die de overledene toebehoorden, uitoefenen
en voortzetten. Hij is verplicht het gerede geld, hetwelk zich in de nalatenschap bevindt, de
opbrengst der verkochte roerende en onroerende goederen, alsook het bedrag der
schuldvorderingen, die door hem worden geïnd, in de kas der gerechtelijke consignatiën te
storten, teneinde te strekken tot behoud der rechten van de belanghebbende partijen, en daarvan,
aan wie zulks zal behoren, rekening te doen.

Artikel 1156-484

Van de in het vorige artikel vermelde geldsommen zal, onder goedkeuring van de
kantonrechter, een matige som in handen van de curator mogen blijven, tot bestrijding van de
nodige kosten ter beredding van de nalatenschap.
Tot het bedoelde einde mogen ook geldsommen, tot de nalatenschap behorende, uit de
consignatiekas gelicht worden, mits onder goedkeuring als boven.

Artikel 1157-485

De curator is verplicht aan de kantonrechter jaarlijks, en daarenboven zo dikwijls deze
zulks vordert, summiere rekening en verantwoording te doen van zijn gehouden beheer, met
vertoning van alle voorwerpen en bescheiden, die tot de nalatenschap behoren of daartoe
betrekkelijk zijn.
De kantonrechter tekent deze rekening en verantwoording, na de bladzijden te hebben
gewaarmerkt, telkenmale voor gezien.
Het tweede lid van artikel 519 is ten deze toepasselijk.

Artikel 1158-486

Bij verschil tussen de curator en de kantonrechter beslist, op het rapport van
laatstgenoemde, het hof van justitie, na eerstgenoemde te hebben gehoord.
De rechter, die de curator heeft aangesteld, is te allen tijde bevoegd, hem weer te ontslaan,
en een ander in zijn plaats te benoemen.
De bepaling van het derde lid van artikel 1154 is ten deze van toepassing.

Artikel 1159
Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van het openvallen van de nalatenschap,
geen erfgenaam opdoet, zal de slotrekening moeten worden gedaan aan het land, hetwelk
bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten goederen te doen stellen.
Artikel 1160
De bepalingen voorkomende in artikel 468, mitsgaders in de artikelen 1063, 1064, 1065,
1066 en 1068, zijn ook op de curators van onbeheerde nalatenschappen toepasselijk.
ACHTTIENDE TITEL
VAN BEVOORRECHTE SCHULDEN

EERSTE AFDELING

VAN BEVOORRECHTE SCHULDEN IN HET ALGEMEEN

Artikel 1161

Al de roerende en onroerende goederen van de schuldenaar, zowel tegenwoordige als
toekomstige, zijn voor deszelfs persoonlijke verbintenissen aansprakelijk.

Artikel 1162

Die goederen strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers; derzelver
opbrengst wordt onder hen ponds-ponds-gelijke, naar evenredigheid van eens ieders inschuld,
verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang mochten bestaan.
Artikel 1163De voorrang tussen schuldeisers spruit voort uit privilegie, uit pand, en uit
onderzetting of hypotheek.
Van pand en onderzetting wordt bij de negentiende en twintigste titel van dit boek
gehandeld.

Artikel 1164

Privilegie is een recht door de wet toegekend aan de ene schuldeiser boven de andere,
alleen uit hoofde van de aard van de schuld.
Pand en hypotheek gaan boven privilegie, behalve in de gevallen, waarin de wet
uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt.

Artikel 1165

Tussen bevoorrechte schuldeisers wordt de rang geregeld naar de verschillende aard der
voorrechten.

Artikel 1166

Bevoorrechte schuldeisers, die in dezelfde rang zijn, worden ponds-ponds-gelijke betaald.

Artikel 1167

De voorrang van de openbare schatkist, de orde waarin deze wordt uitgeoefend, en de tijd
van deszelfs duur, worden geregeld door de wetten daartoe betrekkelijk.
Die van gemeenschappen of zedelijke lichamen, welke tot het heffen van lasten
gerechtigd zijn, worden almede geregeld door de daartoe betrekkelijke wetten.

Artikel 1168

De privilegiën hebben tot onderwerp, of zekere bepaalde goederen, of al de roerende en
onroerende goederen in het algemeen. De eerste hebben de voorrang boven laatstgemelde.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VOORRECHTEN GEVESTIGD OP ZEKERE BEPAALDE GOEDEREN

Artikel 1169

De bevoorrechte schulden op zekere bepaalde goederen zijn:
1°. De gerechtskosten uitsluitend veroorzaakt door de uitwinning van een roerende of
onroerende zaak. Deze worden uit de opbrengst van het uitgewonnen goed boven alle andere
bevoorrechte schulden, en zelfs boven pand en hypotheek, gekweten;
2°. De huurpenningen van onroerende goederen, de kosten van reparatie waartoe de
huurder verplicht is, mitsgaders alles wat tot de nakoming van de huurovereenkomst betrekking
heeft;
3°. De nog onbetaalde koopprijs van roerende goederen;
4°. De kosten tot behoud van een zaak gemaakt;
5°. De kosten tot bearbeiding van een zaak aan de werkman verschuldigd;
6°. Hetgeen door een herbergier, als zodanig, aan een reiziger is geleverd;
7°. De vrachtlonen en bijkomende onkosten;
8°. Hetgeen aan metselaars, timmerlieden en andere werkbazen is verschuldigd wegens de
opbouw, aanbouw en de reparaties van onroerende goederen, mits de schuldvordering niet ouder
is dan drie jaren, en de eigendom van het perceel aan de schuldenaar is verbleven;
9¬. De vergoedingen en betalingen, waartoe openbare ambtenaren, uit hoofde van
verzuim, misslagen en misdrijven, in de uitoefening van hun bediening gepleegd, gehouden zijn.

Artikel 1170-487

De verhuurder kan zijn voorrecht doen gelden op de vruchten, welk door takken aan de
bomen, of door wortels aan de grond, nog zijn vastgehecht; voorts op de ingeoogste en nog niet
ingeoogste vruchten, die zich op de bodem bevinden, en op al hetgeen op de bodem is, zo tot
stoffering van het gehuurde huis of van de landhoeve, als tot bebouwing of gebruik van het land,
zoals het vee, de bouwgereedschappen en dergelijken; onverschillig of de hierboven gemelde
voorwerpen al dan niet aan de huurder toebehoren.
Zo echter de huurder goederen onder zich heeft krachtens huurkoop, zal de verhuurder
tegenover de verkoper zijn voorrecht daarop niet kunnen doen gelden, indien de huurkoop betreft
zaden of gereedschappen, dan wel indien bewezen wordt, dat de verhuurder van de huurkoop
kennis droeg.
Indien de huurder een gedeelte van het verhuurde goed aan een ander wettig in huur heeft
afgestaan, kan de verhuurder zijn voorrecht op de voorwerpen, die zich in of op dat gedeelte
bevinden, niet verder doen gelden, dan alleen in evenredigheid van het door de tweede huurder
overgenomen gedeelte, en voor zover de laatstgemelde niet mocht kunnen aantonen zijn
huurpenningen, volgens de overeenkomst, te hebben voldaan.

Artikel 1171

Niettemin worden de nog verschuldigde koopprijs van gekochte zaden, en de nog
verschuldigde kosten van de oogst van het lopende jaar, bij voorrang boven de verhuurder betaald

uit de opbrengst van de oogst, en de nog niet betaalde koopprijs van gereedschappen uit de
opbrengst van die gereedschappen.

Artikel 1172

De verhuurder kan de roerende goederen, waarop hem bij artikel 1170 voorrecht is
toegestaan, inbeslagnemen, indien deze buiten zijn toestemming vervoerd zijn; en hij behoudt
daarop zijn voorrecht, al waren deze ook aan een derde, door inpandgeving of op een andere
wijze, verbonden, mits hij die voorwerpen gerechtelijk heeft opgeëist, binnen de tijd van veertig
dagen, na het vervoeren der roerende goederen tot een landhoeve behorende, en binnen de tijd
van veertien dagen, indien het zaken betreft, welke tot stoffering van een huis hebben verstrekt.

Artikel 1173

Het voorrecht van de verhuurder strekt zich uit tot de vervallen huur- en pachtpenningen,
gedurende de laatste drie jaren en het lopende jaar.

Artikel 1174

De verkoper van roerende en nog onbetaalde goederen kan zijn voorrecht doen gelden op
de koopprijs van die goederen, indien zij zich nog in handen van de schuldenaar bevinden, zonder
onderscheid of hij die goederen op tijd of zonder tijdsbepaling verkocht heeft.

Artikel 1175-488

Indien de verkoop zonder tijdsbepaling gedaan is, heeft de verkoper zelfs de bevoegdheid
om de goederen terug te eisen, zolang deze zich in handen van de koper bevinden, en het
wederverkopen daarvan te beletten, mits de terugeising geschiedt binnen dertig dagen na de
aflevering.
De artikelen 300, 302, 303, 305 en 306 van het Surinaams Wetboek van Koophandel
vinden overeenkomstige toepassing.

Artikel 1176

De verkoper kan evenwel zijn recht niet uitoefenen dan na de verhuurder van het huis of
van de landhoeve, tenzij bewezen is, dat de verhuurder kennis droeg, dat de meubelen en verdere
goederen, voor het huis of de landhoeve dienende, door de huurder niet waren betaald.

Artikel 1176a-489

Het recht van de verkoper vervalt, indien de goederen, na zich in het bezit van de
oorspronkelijke koper of van iemand van zijnentwege te hebben bevonden, door een derde te
goeder trouw zijn gekocht en aan deze zijn afgeleverd.
Ingeval echter die derde de koopprijs nog niet heeft betaald, is de oorspronkelijke
verkoper bevoegd, de gelden tot aan het beloop van zijn rekening voor zich te vorderen, mits de
vordering geschiedt binnen de tijd van dertig dagen na de oorspronkelijke aflevering.

Artikel 1177

De voorrechten vermeld bij artikel 1169 no. 4, 5, 6, 7, 8 en 9, worden uitgeoefend als
volgt:
Die van no. 4, op de zaak tot welker behoud de kosten zijn gemaakt;
Die van no. 5, op de zaak die bearbeid is;
Die van no. 6, op de goederen die door de reiziger in de herberg zijn gebracht;
Die van no. 7, op het vervoerde goed;
Die van no. 8, op de opbrengst van het opgebouwde, aangebouwde of herstelde perceel;
Die van no. 9, op het bedrag van de door de ambtenaren gestelde zekerheid, en de daarop
verschuldigde renten.

Artikel 1178

Indien onderscheidene bevoorrechte schuldeisers, van welke in deze afdeling wordt
melding gemaakt, mochten tezamen lopen, hebben de onkosten, die gemaakt zijn tot behoud van
het goed, de voorrang, indien deze gemaakt zijn na het tijdstip, waarop de overige bevoorrechte
schulden zijn geboren.

DERDE AFDELING

VAN DE VOORRECHTEN OP AL DE ROERENDE EN ONROERENDE

GOEDEREN IN HET ALGEMEEN

Artikel 1179-490

De bevoorrechte inschulden op al de roerende en onroerende goederen in het algemeen
zijn de hierna vermelde, en worden in de volgende orde verhaald:
1°. De gerechtskosten uitsluitend veroorzaakt door uitwinning en boedelredding; deze
hebben voorrang boven pand en hypotheek;
2°. De begrafeniskosten, behoudens de bevoegdheid van de rechter om deze te
verminderen, indien zij bovenmatig zijn;
3°. Alle kosten van de laatste ziekte;
4°. Het loon van werknemers ingevolge dit Wetboek over het verschenen jaar, en hetgeen
over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon
ingevolge artikel 1614q; het bedrag der uitgaven door de werknemer voor de werkgever gedaan,
mitsgaders het bedrag door de werkgever bij het einde van de dienstbetrekking krachtens artikel
1615t of 1615u, aan de werknemer verschuldigd.
5¬. De schuldvorderingen wegens levering van levensmiddelen, gedaan aan de
schuldenaar en deszelfs huisgezin, gedurende de laatste zes maanden;
6¬. De schuldvorderingen van kostschoolhouders voor het laatste jaar;
7¬. De schuldvordering van minderjarigen of onder curatele gestelden ten laste van hun
voogden en curators ter zake van derzelver beheer, voor zover deze niet kunnen worden verhaald
uit de hypotheken of andere zekerheid, welke, naar aanleiding van de vijftiende titel van het
eerste boek van dit wetboek, mocht gesteld zijn, alsmede de door de ouders krachtens het Eerste
Boek verschuldigde uitkeringen tot onderhoud en opvoeding van hun minderjarige wettige kinderen.

NEGENTIENDE TITEL

VAN PAND

Artikel 1180

Pand is een recht, hetwelk de schuldeiser verkrijgt op een roerende zaak, die hem door de
schuldenaar, of door een ander in deszelfs naam, tot zekerheid van de schuld is ter hand gesteld,
en aan de schuldeiser de bevoegdheid geeft om zich bij voorkeur boven de andere schuldeisers uit
die zaak te doen betalen, met uitzondering van de kosten van uitwinning en van de onkosten, die,
na de inpandgeving, tot behoud van de zaak gemaakt zijn, en welke de voorrang zullen hebben.

Artikel 1181-491

Pandovereenkomst wordt bewezen door alle middelen, die voor het bewijs van de
hoofdverbintenis zijn toegelaten.

Artikel 1182-492

Pandrecht op lichamelijke roerende zaken en op inschulden aan toonder wordt gevestigd
door het brengen van het pand onder de macht van de schuldeiser of van een derde, omtrent wien
partijen zijn overeengekomen.
Het is niet bestaanbaar op zaken, die in de macht van de schuldenaar of de pandgever
worden gelaten of met de wil van de schuldeiser terugkeren.
Het gaat te niet, wanneer het pand uit de macht van de pandhouder geraakt.
Is het echter door deze verloren of aan hem ontvreemd, dan heeft hij het recht van
terugvordering bij art.1998, tweede lid, bedoeld, en wordt, bij terugbekoming van het pand, het
pandrecht geacht nooit verloren te zijn geweest.
De onbevoegdheid van de pandgever om over de zaak te beschikken kan aan de
schuldeiser, die haar in pand heeft genomen, niet worden tegengeworpen, onverminderd het recht
tot terugvordering van hem, die de zaak verloren heeft, of aan wie zij is ontvreemd.

Artikel 1182bis-493

Tot vestiging van pandrecht op papier aan order wordt behalve het endossement de
overgave van het papier gevorderd.

Artikel 1183-494
Pandrecht op onlichamelijke roerende zaken, met uitzondering van papier aan order of
aan toonder, wordt gevestigd door kennisgeving van de verpanding aan hem, tegen wie het in
pand gegeven recht moet worden uitgeoefend.
Door deze kan van die kennisgeving en van de toestemming van de pandgever een
schriftelijk bewijs worden gevorderd.

Artikel 1184-495

De schuldeiser mag, ingeval de schuldenaar of de pandgever niet aan zijn verplichtingen
voldoet, zich het pand niet toeëigenen. Alle hiermee strijdende bedingen zijn nietig.

Artikel 1185-496
Wanneer door partijen niet anders is overeengekomen, is de schuldeiser, ingeval de

schuldenaar of de pandgever niet aan zijn verplichtingen voldoet, gerechtigd om na het
verstrijken van de bepaalde termijn, of, indien geen vaste termijn is bepaald, na een sommatie tot
voldoening, het pand in het openbaar, naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke
voorwaarden, te doen verkopen, teneinde uit de opbrengst het beloop van de schuld met de renten
en kosten te verhalen.

Artikel 1186-497

In alle gevallen kan, wanneer de schuldenaar of de pandgever in gebreke is aan zijn
verplichtingen te voldoen, de schuldeiser in rechte te vorderen, dat het pand tot verhaal van de
schuld met de renten en de kosten zal worden verkocht op de wijze door de rechter te bepalen, of
wel de rechter op de schuldeisers vordering toestaan, dat het pand aan deze, voor een bedrag bij
het vonnis te bepalen, tot het beloop van de schuld met de renten en kosten in betaling zal
verblijven.
Van de vervreemding van het pand in de gevallen, bij dit en het vorig artikel bedoeld, is
de schuldeiser verplicht de pandgever uiterlijk de volgende dag kennis te geven. Bericht per
telegraaf of bij aangetekende brief geldt voor behoorlijke kennisgeving.

Artikel 1187

De schuldeiser is verantwoordelijk voor het verlies of de vermindering van het pand, voor
zover zulks door zijn nalatigheid mocht hebben plaats gehad.
De schuldenaar is van zijn zijde verplicht aan de schuldeiser te vergoeden de nuttige en
noodzakelijke onkosten, die de laatstgenoemde tot het behoud van het pand gemaakt heeft.

Artikel 1188

Indien een inschuld in pand gegeven is, en deze inschuld interesten opbrengt, verrekent de
schuldeiser die interesten met degene, welke hem mochten verschuldigd zijn.
Indien de schuld, tot welke zekerheid een inschuld in pand gegeven is, geen interesten
opbrengt, worden de interesten, die de pandhouder ontvangt, op de hoofdsom gekort.

Artikel 1189

Zolang de houder het in pand gegeven goed niet misbruikt, is de schuldenaar onbevoegd
om daarvan de teruggave te vorderen, vóórdat hij ten volle betaald heeft, zowel de hoofdsom, als
de interesten en onkosten van de schuld, voor welker zekerheid het pand gegeven is, alsmede de
onkosten, die tot behoud van het pand gedaan zijn.
Indien er tussen dezelfde schuldenaar en dezelfde schuldeiser een tweede schuld mocht
bestaan, tussen hen zelf aangegaan na het tijdstip van de pandgeving, en opeisbaar vóór de
betaling, of op de dag zelf van de betaling van de eerste schuld, is de schuldeiser niet gehouden
zich van het pand te ontdoen, vóórdat hem beide schulden ten volle zijn voldaan, al mocht er
zelfs geen beding gemaakt zijn om het pand voor de betaling van de tweede schuld te verbinden.

Artikel 1190

Het pand is ondeelbaar, niettegenstaande de schuld onder de erfgenamen van de
schuldenaar, of onder die van de schuldeiser mocht deelbaar zijn.
De erfgenaam van de schuldenaar, die zijn gedeelte in de schuld betaald heeft, kan de
teruggave van zijn aandeel in het pand niet vorderen, zolang de schuld niet ten volle is gekweten.
Wederkerig mag de erfgenaam van de schuldeiser, die zijn aandeel in de schuld
ontvangen heeft, het pand niet teruggeven ten nadele van diegenen van zijn mede-erfgenamen,
die niet betaald zijn.

Artikel 1191-498

Vervallen.

TWINTIGSTE TITEL

VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1192

Onderzetting of hypotheek is een zakelijk recht op onroerende goederen, strekkende om
daaraan de voldoening van een verbintenis te verhalen.

Artikel 1193

Dat recht is uit deszelfs aard ondeelbaar, en gevestigd op al de verbonden onroerende
goederen in hun geheel, op elk van die goederen en op ieder gedeelte van deze.
De goederen blijven daarmede belast, in welke handen deze ook overgaan.

Artikel 1194

Voor hypotheek zijn alleen vatbaar:
1°. Onroerende goederen, welke in de handel zijn, met derzelver toebehoren, voor zover
dat laatste als onroerend goed beschouwd wordt;
2°. Het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebehoren;
3°. De rechten van opstal en erfpacht;
4°. De grondrenten, hetzij in geld, hetzij in natura verschuldigd.

Artikel 1195

De hypotheken strekken zich uit tot al de latere verbeteringen van het bezwaarde goed,
ook tot hetgeen, door aanwas of opbouw, met hetzelve verenigd is.

Artikel 1196

Het onverdeeld aandeel in een gemeen onroerend goed kan met hypotheek worden
bezwaard. Na de verdeling van hetzelve, blijft de hypotheek alleen gevestigd op het deel, dat aan
de schuldenaar, die de onderzetting heeft verleend, is toebedeeld, behoudens de bepaling van
artikel 1362.

Artikel 1197

Roerende goederen zijn voor geen hypotheek vatbaar.

Artikel 1198

Hypotheek kan niet worden gevestigd dan door hem, die de bevoegdheid heeft het
bezwaarde goed te vervreemden.

Artikel 1199

Vervallen bij G.B. 1936 no. 115.
Zij, die op een onroerend goed slechts een zodanig recht hebben, hetwelk door een
voorwaarde is opgeschort, of in zekere gevallen kan worden ontbonden of tenietgedaan, kunnen
geen hypotheek toestaan, dan die aan dezelfde voorwaarden, ontbinding of tenietdoening
onderworpen is.

Artikel 1200

Goederen van minderjarigen, van degenen die onder curatele staan, en van afwezigen,
zolang derzelver bezit slechts bij voorraad verleend is, kunnen niet anders met hypotheek worden
bezwaard, dan om de redenen, en overeenkomstig de formaliteiten, welke bij de wet zijn
vastgesteld.

Artikel 1201-499

Hypotheek kan alleen bij notariële akte worden verleend, uitgezonderd in de gevallen bij
de wet uitdrukkelijk aangewezen.
De volmacht tot het verlenen van hypotheek moet bij authentieke akte worden verleden.
De voogd, de curator, de getrouwde man, of elk ander, die, uit kracht van de wet of van
een overeenkomst, verplicht is hypotheek te geven, kan daartoe bij vonnis worden genoodzaakt,
hetwelk dezelfde kracht zal hebben alsof hij in de hypotheek had toegestemd, en bepaaldelijk zal
aanduiden de goederen, op welke de inschrijving zal geschieden.

Artikel 1202

Uit kracht van een overeenkomst, in een vreemd land verleden, kan geen hypotheek
worden ingeschreven op goederen binnen Suriname gelegen, tenzij het tegendeel bij traktaten
mocht zijn bepaald.
Artikel 1203

De akte, waarbij hypotheek wordt gevestigd, moet bevatten een bijzondere opgave van het
bezwaarde goed, en van deszelfs aard en ligging.
Ten aanzien van grondrenten, waaromtrent niet bepaaldelijk kan worden opgegeven
welke bijzondere percelen daarmede belast zijn, zal men met de juiste omschrijving en
aanwijzing van de schuldplichtige streek in de akte kunnen volstaan.

Artikel 1204

Hypotheek kan alleen op tegenwoordige goederen worden gevestigd. Een hypotheek op
toekomstige goederen is nietig.
Indien echter de vrouw bij huwelijkse voorwaarden het vestigen van hypotheek heeft
bedongen, of, in het algemeen, een schuldenaar zich heeft verplicht aan de schuldeiser hypotheek
te geven, kan de man of de schuldenaar worden genoodzaakt aan zijn verplichting te voldoen
door aanwijzing ook van goederen, welke hij, na het ontstaan van de verbintenis, mocht hebben
verkregen.

Artikel 1205

Een hypotheek is slechts van waarde, in zoverre de som, waarvoor deze is toegestaan,
zeker en bij de akte bepaald is.
Indien de schuld voorwaardelijk of derzelver hoegrootheid onbepaald is, zal de vestiging
van de hypotheek slechts kracht hebben tot het beloop van de geschatte waarde, welke partijen
gehouden zijn in de akte op te geven.

Artikel 1206

De schuldeiser kan, in geen geval, een vermeerdering van hypotheek vorderen, tenzij het
tegendeel bedongen of bij de wet bepaald is.

Artikel 1207-500

Alle bedingen, bij welke de schuldeiser gemachtigd zou worden om zich het
gehypothekeerde goed toe te eigenen, zijn nietig.
Het staat echter de eerste hypothecaire schuldeiser vrij om, bij het vestigen van de
hypotheek, uitdrukkelijk te bedingen, dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening van de
hoofdsom, of van de betaling der verschuldigde renten, hij onherroepelijk zal zijn gemachtigd het
verbonden perceel in het openbaar te doen verkopen, teneinde uit de opbrengst te verhalen zowel
de hoofdsom als de renten en de kosten. Dat beding zal op de openbare registers moeten worden
aangetekend, en zal de veiling moeten plaats hebben op de wijze als bij artikel 1239 is
voorgeschreven.

TWEEDE AFDELING

VAN DE INSCHRIJVING DER HYPOTHEKEN, EN VAN

DE VORM VAN INSCHRIJVING

Artikel 1208-501

De inschrijving der hypothecaire verbanden moet geschieden in de daartoe bestemde
openbare registers.
Bij gebreke van die inschrijving heeft de hypotheek geen kracht hoegenaamd, zelfs niet
ten opzichte van schuldeisers, die geen hypothecair verband hebben.

Artikel 1209

De inschrijving van een hypotheek is van onwaarde, indien deze gedaan is op een tijd,
waarop de eigendom van het goed aan een derde zijnde overgegaan, de schuldenaar daarop zijn
eigendomsrecht reeds verloren had.

Artikel 1210

De rang der hypothecaire schuldeisers wordt bepaald naar de dagtekening van hun
inschrijving, behoudens de uitzonderingen bij de twee volgende artikelen vermeld.
Zij, die op dezelfde dag zijn ingeschreven, hebben gezamenlijk een hypotheek van
dezelfde dagtekening, zonder onderscheid op welk uur de inschrijving gedaan is, al was het ook
dat het uur door de bewaarder mocht zijn aangetekend.

Artikel 1211

Indien bij de koopakte, tot waarborg van onbetaalde kooppenningen, hypotheek op het
verkochte goed is bedongen, en de inschrijving is geschied binnen acht vrije dagen na de
overschrijving van die koopakte op de daartoe bestemde openbare registers, zal deze hypotheek
de voorrang hebben boven de hypotheken, welke de koper, binnen dat tijdsverloop, op het goed
mocht hebben toegestaan.

Artikel 1212

Dezelfde bepaling is toepasselijk, indien bij akte van scheiding hypotheek is bedongen tot
waarborg van hetgeen de ene deelgenoot aan de andere, tengevolge van een scheiding, schuldig
blijft, of tot vrijwaring van het aanbedeelde goed. Ook in dat geval geven de inschrijvingen,
binnen acht vrije dagen na de overschrijving van de akte van scheiding, voor zoveel dit beding
betreft, door de deelgenoot bewerkstelligd, de voorrang boven de hypotheken, welke de
verkrijger, binnen dat tijdsverloop, op het goed mocht hebben toegestaan.

Artikel 1213-502

De schuldeiser, die ingeschreven is voor een hoofdsom welke interesten of renten
voortbrengt, is gerechtigd om, uiterlijk voor twee jaren en voor het lopende jaar, wegens
interesten of renten in dezelfde rang van hypotheek geplaatst te worden als voor zijn hoofdsom;
onverminderd zijn recht om, ten aanzien van andere renten dan bij de eerste inschrijving
verzekerd waren, bijzondere inschrijvingen te nemen, welke sedert derzelver dagtekening
hypotheek zullen teweeg brengen.

Artikel 1214

Indien de akte, waarbij de hypotheek is gevestigd, een uitdrukkelijk beding bevat, waarbij
de schuldenaar in zijn bevoegdheid is beperkt, hetzij om het bezwaarde goed buiten toestemming
van de schuldeiser te mogen verhuren, hetzij ten aanzien van de wijze waarop, of van de tijd
gedurende welke hetzelve zal kunnen worden verhuurd, hetzij ten aanzien van de vooruitbetaling
der huurpenningen, zal zodanig beding niet alleen verbindend zijn tussen de partijen, maar ook
tegen de huurder kunnen worden ingeroepen door de schuldeiser, die zodanig beding op de
openbare registers zal hebben doen aantekenen.
Alles onverminderd de bepalingen van artikel 1362, welke, zo daartoe gronden zijn, door
al de schuldeisers zullen kunnen worden ingeroepen, om het even of er al dan niet enig beperkend
beding op het stuk van de verhuring of vooruitbetaling gemaakt is.

Artikel 1215

Om de inschrijving te bewerkstelligen stelt de schuldeiser, hetzij in persoon, hetzij door
een derde, aan de bewaarder der hypotheken van de kring, waarin de goederen gelegen zijn, ter
hand twee, door de schuldeiser of de derde ondertekende, borderellen, waarvan het ene op het
uitgegeven afschrift van de titel kan gesteld worden.
Die borderellen bevatten:
1°. Een bepaalde aanduiding van de schuldeiser en van de schuldenaar, en de opgave van
de woonplaats, door eerstgemelde gekozen binnen de kring van het kantoor van de bewaarder.
De inschrijving op de goederen van een overledene kan gedaan worden ten name van de
overledene;
2°. De dagtekening en de aard van de rechtstitel, met opgave van de ambtenaar, door of
ten overstaan van welke de akte is verleden, of van de rechter, die de te bezwaren goederen, naar
aanleiding van het voorlaatste lid van artikel 1201, heeft aangeduid;
3°. Het beloop van de inschuld, of de begroting der voorwaardelijke en onbepaalde
rechten, welke verzekerd moeten worden, mitsgaders de tijd waarop de schuld opeisbaar is;
4°. De aanduiding van de aard en de ligging der goederen, waarop de hypotheek is
gevestigd, onverminderd het bepaalde bij het tweede lid van artikel 1203 ten aanzien van
grondrenten;
5°. De bedingen, welke, naar aanleiding van het vorige artikel, mitsgaders van het tweede
lid van artikel 1207 en van het tweede lid van artikel 1238, tussen de schuldeiser en de
schuldenaar mochten gemaakt zijn.

Artikel 1216

De bewaarder behoudt een der borderellen, teneinde hetzelve in zijn register in te
schrijven onder de dagtekening van de overgave. Hij geeft onmiddellijk aan degene, die de
inschrijving verzocht heeft, het andere borderel terug, aan de voet van hetwelk hij de dag van de
overgave vermeld. Hij is eindelijk verplicht, indien zulks gevoerd wordt, uiterlijk binnen
vierentwintig uren, op dat borderel naderhand bij te voegen het nummer, waaronder de
inschrijving in zijn registers heeft plaats gehad. Beide deze verklaringen zullen door hem worden
ondertekend.

Artikel 1217

Bij het vorderen van de aantekening, waarvan in artikel 1135 gesproken wordt, zijn de
schuldeisers of de legatarissen verplicht aan de bewaarder der hypotheken ter hand te stellen:
1°. Een authentiek afschrift van de eis tot afscheiding der goederen;
2°. De doodakte van de overledene, of een ander deugdelijk bewijs dat de rechtsvordering
is aangevangen binnen de zes maanden na het openvallen van de nalatenschap;
3°. Twee borderellen, houdende, naar het voorschrift van artikel 1215, no. 4, de
aanduiding van de aard en de ligging der goederen, terzijde van welke de aantekening wordt
gevorderd; en zijn de bepalingen van artikel 1216 op deze borderellen toepasselijk.

Artikel 1218

Het is aan degene, die een inschrijving heeft laten doen, alsmede aan zijn
vertegenwoordigers, of die uit kracht van een authentieke akte deszelfs recht verkregen hebben,
geoorloofd om in het register der hypotheken de door hem gekozen woonplaats te veranderen,
mits hij een andere in dezelfde kring kiest en aanwijst.

Artikel 1219

De inschrijving kan, terzake van verzuim der hierboven voorgeschreven formaliteiten,
niet worden vernietigd, dan alleen ingeval zij de schuldeiser, de schuldenaar, de schuld, of het
bezwaarde goed, niet op een voldoende wijze kenbaar maken.

Artikel 1220

De inschrijving doet de hypotheek standhouden gedurende vijftien jaren na haar
dagtekening. Zij houdt op van kracht te wezen, zo zij niet vóór het verstrijken van die termijn is
vernieuwd.
De bovenstaande bepalingen zijn mede van toepassing op de vernieuwing van
inschrijvingen.

Artikel 1221

De kosten van de inschrijving zijn voor rekening van de schuldenaar, indien het tegendeel
niet bedongen is.

Artikel 1222-503

De rechtsvorderingen tegen de schuldeisers, waartoe de inschrijvingen kunnen aanleiding
geven, moeten aangelegd worden door middel van verzoekschriften, gericht aan de bevoegde
rechter.

Alle oproepingen, aanzeggingen, betekeningen en in het algemeen alle exploiten zullen
worden gedaan aan hun persoon, of aan de laatste woonplaats, die blijkens het register gekozen
is; en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeisers, hetzij van degenen, bij wie
zij domicilie hebben gekozen.

DERDE AFDELING

VAN DE DOORHALING DER INSCHRIJVINGEN

Artikel 1223

De inschrijvingen worden ten koste van de schuldenaar doorgehaald, of met toestemming
der daartoe bevoegde belanghebbende partijen, of tengevolge van een vonnis, hetzij in het
hoogste ressort gewezen, hetzij in kracht van gewijsde gegaan.

Artikel 1224-504

In beide gevallen leggen degenen, die de doorhaling verzoeken, ten kantore van de
bewaarder over een authentieke akte, waarbij tot de doorhaling wordt gemachtigd, of een
authentiek afschrift van zodanige akte, of van het vonnis daartoe strekkende.
De last om in de doorhaling van een hypothecaire inschrijving toe te stemmen kan alleen
bij authentieke akte worden gegeven.
Ingeval van geschil over de bevoegdheid van hen, die in de doorhaling hebben
toegestemd, of over de geldigheid der aangeboden bewijsstukken, zal de kantonrechter daarover
uitspraak doen op een eenvoudig, onder overlegging van die stukken, ingediend verzoekschrift.

Artikel 1225-505

Indien in een doorhaling niet wordt toegestemd, moet deze gevraagd worden aan de
kantonrechter, onder wiens rechtsgebied de inschrijving gedaan is, tenzij die vordering
ondergeschikt is aan een geschil, hangende voor een andere kantonrechter, in welk geval de eis
tot doorhaling verwezen wordt naar de kantonrechter, voor wie het hoofdgeschil aanhangig is.
Echter moet de overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar aangegaan om
ingeval van geschil, de vordering voor een door hen aangewezen kantonrechter te brengen, tussen
hen nagekomen worden.

VIERDE AFDELING

VAN DE GEVOLGEN DER HYPOTHEKEN

TEGEN DERDE BEZITTERS

Artikel 1226

De schuldeiser, die een ingeschreven hypotheek heeft, vervolgt zijn recht op het
verbonden onroerend goed, in welke handen zich dat ook bevindt, om gerangschikt en betaald te
worden volgens de orde van inschrijving.

Artikel 1227-506

De schuldeiser heeft het recht om, na gedaan bevel aan de schuldenaar, het verbonden
onroerend goed onder de derde bezitter in beslag te nemen en te doen verkopen. Hierbij en bij de
rangschikking op de opbrengst daarvan tussen de onderscheidene schuldeisers, moeten de
formaliteiten worden inachtgenomen, ten opzichte van gerechtelijke uitwinningen en
rangschikking in het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven.

Artikel 1228

De derde bezitter kan zich tegen de verkoop verzetten, indien hij kan aanwijzen, dat zich
alsnog in het bezit van de oorspronkelijke schuldenaar bevinden een of meer onroerende
goederen, mede hypothecair voor dezelfde schuld verbonden, en klaarblijkelijk voldoende om
daaraan die schuld te verhalen. In zodanig geval kan hij, met schorsing der uitwinning van zijn
eigendom, de voorafgaande uitwinning van het medeverbonden goed onder de oorspronkelijke
schuldenaar vorderen.

Artikel 1229

In geval een hypotheek is gevestigd op één onroerend goed, en een of meer gedeelten
daarvan tot derde bezitters mochten zijn overgegaan, behoudt de schuldeiser de bevoegdheid om
zijn recht op het verbonden goed, of op zodanig gedeelte daarvan als hij raadzaam of voldoende
acht, voor het geheel te doen gelden, even als of het verbondene zich nog onverdeeld in het bezit
van de schuldenaar bevond.

Artikel 1230

De derde bezitter, die, hetzij bij uitwinning, hetzij vrijwillig, de schuld heeft gekweten, is
bevoegd, als daardoor, uit kracht van de wet, in de rechten van de schuldeiser zijn getreden, om,
na aftrek van zijn aandeel in evenredigheid tot de gezamenlijke waarde van de verbonden
goederen, de verdere hypothecaire rechten voor deze inschuld op de mede-verbonden goederen,
of gedeelten van deze, te doen gelden.

Artikel 1231

In de gevallen, bij de twee vorige artikelen vermeld, zal de inschrijving van de hypotheek
alleen op dat goed of gedeelte van hetzelve worden doorgehaald, waarop de schuldvordering is
verhaald, of waarvan de derde bezitter de schuld heeft gekweten, en op het verder verbonden niet
eerder dan nadat de betaald hebbende of uitgewonnen derde bezitter zijn recht, volgens het
laatstvoorgaande artikel, zal hebben doen gelden, of in de doorhaling zal hebben toegestemd. Tot
verzekering van zijn recht, is de gesubrogeerde schuldeiser verplicht daarvan aantekening te laten
doen op de gewone registers.

Artikel 1232

De derde bezitter heeft altijd het recht, tot op het tijdstip van de toewijzing toe, om de
uitwinning van het bij hem bezeten verbonden goed te doen ophouden, door de kwijting van de
ingeschreven schuld met de renten overeenkomstig artikel 1213, mitsgaders de kosten.

Artikel 1233

Hetgeen het verbonden goed bij uitwinning meer opbrengt, dan de hypothecaire lasten en
kosten bedragen, wordt uitgekeerd aan de derde bezitter.

Artikel 1234

De erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten, zowel ten laste als ten bate van het
uitgewonnen goed, die door de overgang aan de derde bezitter waren teniet gegaan, herleven,
nadat hetzelve aan een ander is toegewezen.

Artikel 1235

De verminderingen, welke, door schuld of onachtzaamheid van de derde bezitter, ten
nadele der hypothecaire schuldeisers, aan het goed zijn veroorzaakt, leveren tegen deze een
rechtsvordering tot schadeloosstelling op; hij kan de door hem gemaakte onkosten en
verbeteringen niet terugvorderen, dan ten belope van hetgeen het goed, door de verbeteringen, in
waarde vermeerderd is.

Artikel 1236

De derde bezitter, die de hypothecaire schuld betaald, of de gerechtelijke uitwinning
daarvoor heeft ondergaan, heeft zijn verhaal tot vrijwaring tegen de schuldenaar.

VIJFDE AFDELING

VAN HET TE NIET GAAN DER HYPOTHEKEN

Artikel 1237

De hypotheken gaan te niet:
1°. Door het te niet gaan van de hoofdverbintenis;
2°. Door de schuldeisers afstand van de hypotheek;
3°. Door gerechtelijke rangschikking.

Artikel 1238

Degene, die het bezwaarde goed heeft gekocht, hetzij bij gerechtelijke uitwinning, hetzij
tengevolge van een willige verkoping voor een in geld bepaalde prijs, kan vorderen, dat het
gekochte perceel wordt ontlast van alle hypothecaire lasten, die de koopprijs te boven gaan, met
inachtneming der voorschriften bij de volgende artikelen gegeven.
De zuivering zal echter bij willige verkoping geen plaats hebben, indien de partijen bij het
vestigen van de hypotheek zulks uitdrukkelijk zijn overeengekomen, en dat beding op de
openbare registers is aangetekend.
Zodanige beding kan slechts door de eerste hypothecaire schuldeiser gemaakt worden.

Artikel 1239-507

Ingeval van willige verkoping zal de vordering tot ontlasting niet kunnen worden gedaan,
tenzij de verkoping heeft plaats gehad in het openbaar, volgens plaatselijke gebruiken, ten
overstaan van een openbare ambtenaar; en voorst de ingeschreven schuldeisers daarvan zijn
verwittigd geworden, tenminste dertig dagen vóór de toewijzing, bij een exploit, hetwelk zal
moeten worden betekend aan de woonsteden, die de schuldeisers bij de inschrijving hebben
gekozen.
Artikel 1240-508
De koper, die het genot wil hebben van het voorrecht, bij artikel 1238 vermeld, is
gehouden om, binnen een maand na de toewijzing, een gerechtelijke rangschikking tot verdeling
van de koopprijs te doen openen, overeenkomstig de regelen bij het Surinaams Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven.

Artikel 1241

Bij de rangschikking zal de doorhaling worden bevolen van de inschrijvingen, die niet
batig zijn gerangschikt.
Zodanige inschrijvingen, die slechts voor een gedeelte batig in aanmerking komen, zullen
slechts voor dat gedeelte in stand blijven, tot op de betaling toe, welke de schuldeiser dadelijk zal
kunnen vorderen, zonder aanzien of de inschulden opeisbaar of niet opeisbaar zijn.
Ten opzichte van inschulden, welker geheel bedrag batig is gerangschikt, zullen de
inschrijvingen gehandhaafd blijven, en de koper tot dezelfde verplichtingen zijn verbonden, en
dezelfde tijdsbepalingen en uitstellen genieten, als de oorspronkelijke schuldenaar.

Artikel 1242

Bij het opmaken van de hoegrootheid van hypothecaire inschrijvingen, zal de
altijddurende rente worden berekend tegen de hoofdsom, in de akte vermeld, en, bij gebreke
daarvan, tegen hetgeen verkregen wordt door het bedrag van de rente met twaalf en een half te
vermenigvuldigen; en zullen lijfrenten of levenslange pensioenen worden berekend en tot
hoofdsom gebracht, naar gelang van de ouderdom van de genieter, of van degene op wiens lijf de
lijfrente is gevestigd, of naar de tijd gedurende welke het genot moet duren; alles overeenkomstig
de gewone waarde der lijfrenten, naar begroting van deskundigen.

Artikel 1243

Inschrijvingen op goederen van voogden, curators en mans, ten behoeve van
minderjarigen, onder curatele gestelden, of getrouwde vrouwen, en, in het algemeen, alle
inschrijvingen voor schulden, voortspruitende uit verbintenissen, die voorwaardelijk zijn, of
welker hoegrootheid onbepaald is, blijven, in zoverre zij voor het geheel, of voor een gedeelte,
batig zijn gerangschikt, ten laste van het verkochte perceel gehandhaafd, tot op het tijdstip
waarop, na het vervallen van de voogdij of van de curatele, de ontbinding van het huwelijk, of de
uitkomst van de voorwaardelijke of onbepaalde verbintenis, zal blijken of, en tot welk beloop, de
hypothecaire schuldeisers op de kooppenningen gerechtigd zijn.

Artikel 1244

De koper houdt de kooppenningen onder zich tot het beloop van de som, waarmee het
perceel, naar aanleiding van het vorig artikel, belast blijft; indien daaromtrent bij de veilconditiën
niets anders is bepaald, is hij verplicht aan de verkoper of andere gerechtigden de wettelijke rente
van die som uit te keren, tot op het tijdstip van de eindelijke uitbetaling van de koopschat.

Artikel 1245

Indien echter de koper, of zijn opvolgers, het perceel zodanig verslimmeren of
verwaarlozen, dat daardoor de zekerheid der gerechtigden zouden kunnen verminderen of
verloren gaan, hebben deze de bevoegdheid om in rechten te eisen, dat de onbetaalde
kooppenningen dadelijk zullen worden afgelost, en belegd, hetzij in hypothecaire inschrijvingen
op andere onroerende goederen, hetzij in inschrijvingen op het grootboek van de nationale
schuld; in beide gevallen onder hetzelfde verband, en onder dezelfde bepalingen, alsof de
kooppenningen onder de koper, of diens opvolgers, waren verbleven; alles onverminderd de
vergoeding van kosten, schade en interesten, zo daartoe gronden zijn.
Ingeval de eis tot dadelijke aflossing, bij het vorige lid bedoeld, wordt toegewezen, zal de
rechter tevens een bekwame persoon benoemen, die met de ontvangst der kooppenningen en de
belegging zal belast zijn.

Artikel 1246

Indien, in het geval van artikel 1243, bij uitkomst blijkt, dat degene, te wiens behoeve de
inschrijving is geschied, niets te vorderen heeft, of minder dan de oorspronkelijke ingeschreven
som, wordt het verband opgeheven, en worden de onvoldane kooppenningen uitgekeerd, hetzij
ten behoeve van de hypothecaire schuldeisers, wier inschrijvingen geheel of gedeeltelijk niet
batig waren gerangschikt, en zulks met in achtneming van de rang waarin zij waren geplaatst,
hetzij ten behoeve van de oorspronkelijke eigenaar van het perceel, of andere rechthebbenden.

Artikel 1247

Indien terzake van inschrijvingen, bij hetzelfde artikel 1243 vermeld, later geheel of
gedeeltelijk niet batig zijn gerangschikt, en alzo moeten worden doorgehaald, zal de rechter bij
het vonnis van rangschikking bevelen dat door de hypotheekbewaarder, ambtshalve, nevens de
doorhaling, op de registers wordt aangetekend, dat de schuldeisers hun recht behouden op
hetgeen bij uitkomst van de onbetaalde kooppenningen mocht overschieten.

Artikel 1248

Ingeval, bij rechterlijke uitwinning, één perceel, bevattende onderscheidene onroerende
goederen, waarvan een of meer onbelast, en andere met hypotheek bezwaard zijn, in zijn geheel
voor één prijs is verkocht, zal de prijs van elk onroerend goed, naar evenredigheid van de gehele
koopprijs, ten behoeve van de op elk stuk goed ingeschreven schuldeisers, door de rechter, na
verhoor van deskundigen, worden bepaald.

ZESDE AFDELING

VAN DE OPENBARE BEKENDHEID DER REGISTERS, EN VAN DE

VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE BEWAARDERS DER HYPOTHEKEN

Artikel 1249

De bewaarders der hypotheken zijn gehouden om aan al degenen, die zulks verlangen,
inzage te geven van hun registers, en een afschrift uit te leveren van de akten, welke op hun
registers zijn overgeschreven, en van de bestaande inschrijvingen en aantekeningen, of wel een
getuigschrift dat er geen bestaan.
In alle gevallen zijn zij verplicht, bijaldien bevorens inschrijvingen op het goed hebben
bestaan, die naderhand zijn doorgehaald, van die daadzaak, zonder verdere bijzondere
aanduiding, melding te maken op het door hen te geven afschrift of getuigschrift.

Artikel 1250-509

Zij zijn verantwoordelijk voor de nadelen spruitende:
1°. Uit hun nalatigheid in het doen van tijdige en nauwkeurige overschrijvingen,
inschrijvingen, melding van beperkende bedingen, en van aantekeningen, welke te hun kantoor
gevorderd zijn;
2°. Uit het verzuim om in hun getuigschriften melding te maken van een of meer
bestaande inschrijvingen, tenzij, in het laatste geval, de misslag voortkwam uit onvoldoende
opgave, die hun niet zou kunnen worden ten laste gelegd;
3°. Uit doorhalingen gedaan zonder dat de stukken, bij artikel 1224 vermeld, aan hen zijn
overgelegd;
4°. Uit het verzuim van de opgave, bij het tweede lid van het vorige artikel vermeld.

Artikel 1251-510

Vervallen.

Artikel 1252
Het onroerend goed, te welk aanzien de bewaarder, in zijn getuigschrift, één of meer
ingeschreven lasten mocht verzuimd hebben op te geven, is van die lasten niet ontheven;
behoudens de verantwoordelijkheid van de bewaarder jegens degene, die het getuigschrift, waarin
de misslag heeft plaats gehad, verlangd heeft, en onverminderd het verhaal van de bewaarder op
de schuldeisers, die onverschuldigde betaling hebben genoten.
Artikel 1253

In geen geval mogen de bewaarders der hypotheken weigeren of vertragen om akten,
waarbij de eigendom wordt overgedragen, over te schrijven, hypothecaire rechten in te schrijven,
inzage van hun registers te geven, of verzochte getuigschriften af te geven, op straffe van
vergoeding van kosten, schade en interesten jegens de partijen; te welken einde, op verzoek van
hen die zulks begeren, door een notaris of deurwaarder, met twee getuigen, een verslag van de
bewaarder zijn weigering of vertraging zal worden opgemaakt.

Burgerlijk Wetboek

Boek III

DERDE BOEK

VAN VERBINTENISSEN

EERSTE TITEL

VAN VERBINTENISSEN IN HET ALGEMEEN

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1254

Alle verbintenissen ontstaan, of uit overeenkomst, of uit de wet.

Artikel 1255

Zij strekken om iets te geven, te doen, of niet te doen.

TWEEDE AFDELING

VAN VERBINTENISSEN OM IETS TE GEVEN

Artikel 1256

In de verbintenis om iets te geven is begrepen de verplichting om de zaak te leveren, en
voor derzelver behoud, tot op het tijdstip der levering, als een goed huisvader te zorgen.
Deze laatste verplichting is meer of minder uitgestrekt ten aanzien van zekere
overeenkomsten, waarvan de gevolgen te dezen opzichte in de titels daartoe betrekkelijk
aangewezen worden.

Artikel 1257-511

De schuldenaar is jegens de schuldeiser tot vergoeding van kosten, schade en interesten
gehouden, indien hij zich in de onmogelijkheid heeft gesteld om de zaak te leveren, of voor
derzelver behoud niet behoorlijk heeft gewaakt.

Artikel 1258

Bij een verbintenis om een bepaalde zaak te geven, is deze voor rekening van de
schuldeiser, van het ogenblik der verbintenis. Bij nalatigheid van de schuldenaar om de zaak te
leveren, is deze, van het ogenblik dier nalatigheid, voor zijn rekening.

Artikel 1259

De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, hetzij door een bevel of andere soortgelijke
akte, hetzij uit kracht der verbintenis zelf, wanneer deze medebrengt dat de schuldenaar in
gebreke zal zijn, door het enkel verloop van de bepaalde termijn.

DERDE AFDELING

VAN VERBINTENISSEN OM IETS TE DOEN, OF NIET TE DOEN

Artikel 1260

Alle verbintenissen om iets te doen, of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van
kosten, schade en interesten, ingeval de schuldenaar niet aan zijn verplichting voldoet.

Artikel 1261

Niettemin heeft de schuldeiser het recht om de vernietiging te vorderen van hetgeen
strijdig met de verbintenis verricht is, en hij kan zich door de rechter doen machtigen om, ten
koste van de schuldenaar, het gedane te doen vernietigen; onverminderd de vergoeding van
kosten, schade en interesten, indien daartoe gronde bestaan.

Artikel 1262

De schuldeiser kan ook, in geval de verbintenis niet ten uitvoer wordt gebracht,
gemachtigd worden om zelf die verbintenis te doen uitvoeren ten koste van de schuldenaar.

Artikel 1263

Indien de verbintenis bestaat in iets niet te doen, is degene, die daartegen handelt,
uithoofde van die overtreding alleen, gehouden tot vergoeding van kosten, schade en interesten.

VIERDE AFDELING

VAN DE VERGOEDING VAN KOSTEN, SCHADE EN INTERESTEN, VOORTSPRUITENDE

UIT HET NIET NAKOMEN VAN EEN VERBINTENIS

Artikel 1264

Vergoeding van kosten, schade en interesten, voortspruitende uit het niet nakomen van
een verbintenis, is dan eerst verschuldigd, wanneer de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld,
nalatig blijft om die verbintenis te vervullen, of indien hetgeen de schuldenaar verplicht was te
geven of te doen, slechts kon gegeven of gedaan worden binnen zekere tijd, welke hij heeft laten
voorbijgaan.

Artikel 1265

De schuldenaar moet, indien daartoe gronden bestaan, veroordeeld worden tot vergoeding
van kosten, schade en interesten, zo dikwijls hij niet bewijzen kan, dat het niet uitvoeren of het
niet tijdig uitvoeren van de verbintenis voorkomt uit een vreemde oorzaak, die hem niet kan
worden toegerekend, al heeft er ook geen kwade trouw van zijn zijde plaats gehad.

Artikel 1266

Geen vergoeding van kosten, schade en interesten heeft plaats, indien de schuldenaar door
overmacht of door toeval verhinderd is geworden om iets te geven of te doen, waartoe hij
verplicht was, of iets gedaan heeft, hetwelk hem verboden was.

Artikel 1267

De vergoeding van kosten, schade en interesten, welke de schuldeiser recht heeft te
vorderen, bestaat, in het algemeen, in het verlies hetwelk hij heeft geleden, en in de winst welke
hij heeft moeten derven, behoudens de hierna vermelde uitzonderingen en wijzigingen.

Artikel 1268

De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding der kosten, schade en interesten, welke men
voorzien heeft of heeft kunnen voorzien, ten tijde van het aangaan van de verbintenis, tenzij het
aan zijn arglist te wijten zij, dat de verbintenis niet is nagekomen.

Artikel 1269

Zelfs indien het niet nakomen van de verbintenis te wijten is aan de arglist van de
schuldenaar, moet de vergoeding van kosten, schade en interesten, ten opzichte van de door de
schuldeiser geleden schade en de winstderving, alleen datgene bevatten, hetwelk een
onmiddellijk en dadelijk gevolg is van het niet nakomen van de verbintenis.

Artikel 1270

Indien bij de verbintenis bepaald is, dat degene, die in gebreke blijft om deze na te komen,
bijwege van schadevergoeding, een zekere som zal betalen, kan aan de andere partij geen
meerdere noch mindere som worden toegewezen.

Artikel 1271-512

In verbintenissen die alleen betrekkelijk zijn tot de betaling van een zekere geldsom,
bestaat de vergoeding van kosten, schade en interesten, uit vertraging in de uitvoering
voortkomende, alleen in de bij wet bepaalde interessen, behoudens bijzondere voorschriften bij
wet gemaakt.
Die vergoeding van kosten, schade en interesten is verschuldigd, zonder dat de
schuldeiser enig verlies behoeft te bewijzen.
Zij is alleen verschuldigd van de dag, dat deze in rechten gevorderd is, uitgezonderd de
gevallen, waarin de wet die van rechtswege doet lopen.

Artikel 1272

Vervallen interesten van hoofdsommen kunnen wederom interesten opbrengen, hetzij
tengevolge van een gerechtelijke aanvraag, hetzij krachtens een bijzondere overeenkomst, mits de
aanvraag of de overeenkomst loopt over interesten ten minste voor een geheel jaar verschuldigd.

Artikel 1273

Niettemin brengen vervallen inkomsten, als pacht- en huurpenningen, altijddurende of
lijfrenten, interesten voort van de dag, dat de eis gedaan of de overeenkomst gesloten is.
Dezelfde regel is toepasselijk op teruggaven van vruchten en op interesten, die door een
derde aan de schuldeiser tot ontlasting van de schuldenaar betaald zijn.

VIJFDE AFDELING

VAN VOORWAARDELIJKE VERBINTENISSEN

VOORWAARDELIJKE VERBINTENISSEN

Artikel 1274

Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige
en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten, tot zodanige gebeurtenis plaats
heeft, hetzij door de verbintenis te doen vervallen, naarmate de gebeurtenis al of niet voorvalt.

Artikel 1275

Alle voorwaarden om iets te doen, dat onmogelijk, met de goede zeden strijdig, of bij de
wet verboden is, zijn nietig, en maken de overeenkomst, die men daarvan heeft doen afhangen,
van onwaarde.

Artikel 1276

De voorwaarde om iets niet te doen, hetwelk onmogelijk is, maakt de verbintenis, onder
die voorwaarde aangegaan, niet van onwaarde.

Artikel 1277

Alle verbintenissen zijn nietig, indien derzelver vervulling alleen afhangt van de wil van
degene, die verbonden is. Indien echter de verbintenis afhangt van een daad, waarvan de
vervulling in zijn macht staat, en die daad heeft plaats gehad, is de verbintenis van kracht.

Artikel 1278

Alle voorwaarden moeten vervuld worden op zodanige wijze, als partijen waarschijnlijk
gewild en verstaan hebben.

Artikel 1279

Indien een verbintenis afhangt van de voorwaarde, dat zekere gebeurtenis binnen een
bepaalde tijd zal plaats hebben, wordt de voorwaarde gehouden te ontbreken, indien de tijd
verlopen is, zonder dat de gebeurtenis heeft plaats gehad.
Bijaldien de tijd niet bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden, en wordt deze
niet gehouden te ontbreken, voordat het zeker is, dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben.

Artikel 1280

Indien een verbintenis afhangt van de voorwaarde, dat zekere zaak binnen een bepaalde
tijd niet zal gebeuren, is die voorwaarde vervuld, indien de tijd verlopen is, zonder dat de
bedoelde zaak gebeurd is. De voorwaarde is insgelijks vervuld, indien het, vóór het verloop van
die tijd, zeker is, dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben; doch wanneer er geen tijd is bepaald,
is de voorwaarde niet vervuld voordat het zeker is dat de bedoelde zaak niet zal gebeuren.

Artikel 1281

De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder deze
verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd.

Artikel 1282

Indien de voorwaarde vervuld is, werkt zij achteruit tot de tijd, waarop de verbintenis is
geboren.
Bij overlijden van de schuldeiser vóór de vervulling van de voorwaarde, gaan mitsdien
deszelfs rechten over op zijn erfgenamen.

Artikel 1283

De schuldeiser kan, vóór de vervulling van de voorwaarde, alle middelen in het werk
stellen, welke tot bewaring van zijn recht noodzakelijk zijn.

Artikel 1284

Een verbintenis onder een opschortende voorwaarde is de zodanige, welke afhangt, of van
een toekomstige en onzekere gebeurtenis, of van een reeds gebeurde, doch aan partijen nog
onbekende zaak.
In het eerste geval, kan de verbintenis niet worden ten uitvoer gebracht, dan nadat de
gebeurtenis heeft plaats gehad; in het tweede geval is de verbintenis van kracht, van de dag af dat
deze is ontstaan.

Artikel 1285

Indien de verbintenis van een opschortende voorwaarde afhangt, blijft de zaak, die het
onderwerp der verbintenis uitmaakt, voor rekening van de schuldenaar, die slechts verbonden is
om deze te leveren, wanneer de voorwaarde vervuld is.
Indien de zaak geheel en al is verloren gegaan buiten toedoen van de schuldenaar, blijft
er, noch van de een, noch van de andere zijde, enige verbintenis bestaan.
Indien de zaak buiten toedoen van de schuldenaar in waarde is verminderd, heeft de
schuldeiser de keus om, of de verbintenis te verbreken, of de zaak te eisen in de staat, waarin
deze zich bevindt, zonder enige vermindering van de uitgeloofde prijs.
Indien de zaak door toedoen van de schuldenaar in waarde is verminderd, is de
schuldeiser gerechtigd om, of de verbintenis te verbreken, of de zaak te eisen in de staat, waarin
deze zich bevindt, met vergoeding van kosten, schade en interesten.

Artikel 1286-513

Een ontbindende voorwaarde is de zodanige, welke, na haar vervulling, de verbintenis
doet ophouden, en de zaken weder tot de vorige stand doet terugkeeren, evenals of er geen
verbintenis bestaan had.
Deze voorwaarde schort de nakoming van de verbintenis niet op; alleen verplicht zij de
schuldeiser, om hetgeen hij ontvangen heeft terug te geven, ingeval de bij de voorwaarde
bedoelde gebeurtenis standgrijpt.

Artikel 1287
De ontbindende voorwaarde wordt altijd voorondersteld in wederkerige overeenkomsten
plaats te grijpen, ingeval een der partijen aan haar verplichting niet voldoet.
In dat geval is de overeenkomst niet van rechtswege ontbonden, maar moet de ontbinding
in rechte gevraagd worden.
Deze aanvraag moet ook plaats hebben, zelfs indien de ontbindende voorwaarde wegens
het niet nakomen van de verplichting in de overeenkomst mocht zijn uitgedrukt.
Indien de ontbindende voorwaarde niet in de overeenkomst is uitgedrukt, staat het de
rechter vrij om, naar gelang der omstandigheden, aan de verweerder, op deszelfs verzoek, een
termijn te gunnen om alsnog aan zijn verplichting te voldoen, welke termijn echter de tijd van één
maand niet mag tebovengaan.

Artikel 1288

Degene, te wiens opzichte de verbintenis niet is nagekomen, heeft de keus om, of de
andere partij, indien zulks mogelijk is, tot de nakoming van de overeenkomst te noodzaken, of
derzelver ontbinding te vorderen met vergoeding van kosten, schade en interesten.

ZESDE AFDELING

VAN VERBINTENISSEN MET TIJDSBEPALING

Artikel 1289

Een tijdsbepaling schort de verbintenis niet op, maar slechts haar uitvoering.
Artikel 1290

Hetgeen slechts op tijd verschuldigd is, kan niet geëist worden, voordat de vervaltijd
verschenen is; maar hetgeen vooraf betaald is, kan niet worden teruggevorderd.

Artikel 1291

Een tijdsbepaling wordt altijd voorondersteld bepaald te zijn ten voordele van de
schuldenaar, tenzij uit de aard van de verbintenis zelf, of uit de omstandigheden mocht blijken,
dat de tijdsbepaling ten voordele van de schuldeiser is geschied.

Artikel 1292-514

De schuldenaar kan het voorrecht van een bijgevoegde tijdsbepaling niet meer inroepen,
wanneer hij in staat van faillissement verklaard is, of door zijn toedoen de door hem ten behoeve
van de schuldeiser gestelde zekerheid is verminderd.

ZEVENDE AFDELING

VAN ALTERNATIEVE VERBINTENISSEN OF VAN VERBINTENISSEN

DIE TER KEUZE VAN EEN DER PARTIJEN STAAN

Artikel 1293

In alternatieve verbintenissen wordt de schuldenaar bevrijd door de levering van één der
beide zaken, welke in de verbintenis vervat zijn; maar hij kan de schuldeiser niet noodzaken om
een gedeelte van de een, en een gedeelte van de andere te ontvangen.

Artikel 1294

De keus behoort aan de schuldenaar, indien deze niet uitdrukkelijk aan de schuldeiser is
toegestaan.

Artikel 1295

Een verbintenis is zuiver en eenvoudig, schoon dezelve ter keuze of op een alternatieve
wijze is aangegaan, indien een der beide beloofde zaken geen onderwerp van verbintenis kon
uitmaken.

Artikel 1296

Een alternatieve verbintenis is zuiver en eenvoudig, indien een der beloofde zaken
verloren gaat, of zelfs door toedoen van de schuldenaar niet meer kan geleverd worden. De
waarde van die zaak kan niet in derzelver plaats worden aangeboden. Indien beide zaken zijn
verloren gegaan, en de schuldenaar oorzaak is van het vergaan van een van beide, moet hij de
waarde betalen van die zaak, welke het laatst is te niet gegaan.

Artikel 1297

Indien in de gevallen, bij het voorgaande artikel vermeld, de keus aan de schuldeiser is
gelaten, en een der zaken slechts verloren is gegaan, moet de schuldeiser, indien zulks buiten
toedoen van de schuldenaar geschied is, de zaak hebben, die overgebleven is; indien het door
toedoen van de schuldenaar geschied is, kan de schuldeiser of de overgebleven zaak vorderen, of
de waarde van die welke verloren is gegaan.
Ingeval beide zaken zijn vergaan, kan de schuldeiser, indien zulks ten aanzien van beide,
of zelfs van een derzelve, aan de schuld van de schuldenaar is toe te schrijven, de waarde van de
ene of van de andere vorderen, naar zijn keus.

Artikel 1298

Dezelfde beginselen gelden, zowel in het geval dat meer dan twee zaken in de verbintenis
zijn begrepen, als dat de verbintenis bestaat in iets te doen of niet te doen.

ACHTSTE AFDELING

VAN SOLIDAIRE OF HOOFDELIJKE VERBINTENISSEN

Artikel 1299-515

Een hoofdelijke of solidaire verbintenis heeft tussen verscheidene schuldeisers plaats,
wanneer de titel uitdrukkelijk aan ieder van hen het recht geeft om de voldoening der gehele
schuld te eisen, in dier voege dat de betaling, aan een van hun gedaan, de schuldenaar bevrijdt,
ofschoon ook de verbintenis uit haar aard tussen de onderscheidene schuldeisers splitsbaar en
deelbaar mocht zijn.
Artikel 1300
Het staat aan de keus van de schuldenaar om de een of andere van de schuldeisers te
voldoen, zolang hij niet door een van hen in rechte is aangesproken.
Niettemin bevrijdt de kwijtschelding, door een der hoofdelijke schuldeisers gedaan, de
schuldenaar niet verder dan voor het aandeel van die schuldeiser.

Artikel 1301

Er heeft hoofdelijke verbintenis van de zijde der schuldenaren plaats, wanneer zij allen
verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat elk van hun voor het geheel kan worden
aangesproken, en de voldoening, door een van hen geschied, de overige schuldenaars ten aanzien
van de schuldeiser bevrijdt.

Artikel 1302

Een verbintenis kan hoofdelijk zijn, alhoewel een der schuldenaren op een andere wijze,
dan de overige, tot voldoening derzelfde zaak mocht verplicht zijn, bij voorbeeld, indien de een
slechts voorwaardelijk verbonden is, terwijl de verbintenis van de andere zuiver en eenvoudig is,
of indien de een een tijdsbepaling heeft bedongen, welke aan de andere niet is toegestaan.

Artikel 1303

Geen verbintenis wordt voorondersteld hoofdelijk te zijn, tenzij zulks uitdrukkelijk
bepaald is.
Deze regel lijdt alleen uitzondering in de gevallen, waarin een verbintenis uit kracht van
een wetsbepaling voor hoofdelijk gehouden wordt.

Artikel 1304

De schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis kan diegene der schuldenaren aanspreken,
welke hij verkiest, zonder dat deze hem het voorrecht van schuldsplitsing kan tegenwerpen.

Artikel 1305

De vervolgingen, tegen een der schuldenaren gericht, beletten de schuldeiser niet om ook
tegen de overige zijn recht te doen gelden.

Artikel 1306

Indien de verschuldigde zaak mocht vergaan door toedoen van een of meer der
hoofdelijke schuldenaren, of nadat deze in gebreke waren gesteld, zijn de overige medeschuldenaren
niet ontheven van de verplichting om de waarde der zaak te betalen; doch zijn deze
niet gehouden tot vergoeding van kosten, schade en interesten.
De schuldeiser kan alleen de vergoeding van kosten, schade en interesten verhalen, zowel
op de schuldenaren, door wiens toedoen de zaak is verloren gegaan, als op degenen, die in de
voldoening nalatig zijn geweest.

Artikel 1307

De eis tot betaling van interesten, tegen een der hoofdelijke schuldenaren gedaan, maakt
dat de interesten ook lopen ten aanzien van al de overige.

Artikel 1308

Een hoofdelijke mede-schuldenaar, in rechte door de schuldeiser aangesproken zijnde,
kan zich bedienen van alle exceptiën, die uit de aard der verbintenis voortvloeien, en van alle, die
hem persoonlijk eigen zijn, mitsgaders van alle de zodanige, welke aan alle de medeschuldenaren
gemeen zijn.
Hij kan zich niet bedienen van zodanige exceptiën, die enkel aan de personen van
sommige der overige mede-schuldenaren eigen zijn.

Artikel 1309

Indien een der schuldernaren de enige erfgenaam wordt van de schuldeiser, of indien de
schuldeiser de enige erfgenaam wordt van een der schuldenaren, doet deze schuldvermenging de
hoofdelijke schuld niet vervallen, dan alleen voor zoveel het aandeel van die schuldenaar of
schuldeiser betreft.

Artikel 1310

De schuldeiser, in de verdeling van de schuld ten aanzien van een der mede-schuldenaren
toegestemd hebbende, behoudt zijn hoofdelijke vordering tegen de overige, doch onder aftrek van
het aandeel van de schuldenaar, welke hij van de hoofdelijke verbintenis ontslagen heeft.

Artikel 1311

Een schuldeiser, die het aandeel van een der schuldenaren afzonderlijk ontvangt, zonder
bij de kwijting zijn hoofdelijk recht, of zijn rechten in het algemeen, voor te behouden, doet geen
afstand van zijn hoofdelijk recht, dan alleen met betrekking tot deze schuldenaar.
Een schuldeiser wordt niet geacht de schuldenaar van zijn hoofdelijke verbintenis te
hebben ontslagen, indien hij van denzelven een gelijke som ontvangt, als zijn aandeel in de
schuld bedraagt, indien de kwijting niet met zoveel woorden inhoudt, dat het ontvangene voor
zijn aandeel strekken zal.
Hetzelfde geldt ook omtrent de eis tegen een der mede-schuldenaren enkel voor zijn
aandeel gedaan, zolang deze schuldenaar in de eis niet heeft toegestemd, of daarop geen
rechterlijke veroordeling gevolgd is.

Artikel 1312

Een schuldeiser, die afzonderlijk en zonder voorbehouding het aandeel van een der medeschuldenaren
in achterstallige renten of interesten van een schuld ontvangt, verliest zijn
hoofdelijk recht slechts ten aanzien der vervallen renten of interesten, en niet ten opzichte van
degene, welke nog vervallen moeten, of van de hoofdsom, tenzij de afzonderlijke betaling
gedurende tien achtereenvolgende jaren mocht hebben plaats gehad.

Artikel 1313

Een verbintenis, schoon hoofdelijk zijnde ten aanzien van de schuldeiser, is nochtans van
rechtswege deelbaar tussen de schuldenaren, welke onder elkaar niet verder dan ieder voor zijn
aandeel verbonden zijn.

Artikel 1314-516

De mede-schuldenaar van een hoofdelijke verbintenis, die de gehele schuld voldaan heeft,
kan van de overige niet meer terugvorderen, dan het aandeel van ieder van hun bedraagt.
Indien een van hen onvermogend is om te betalen, wordt het verlies, door zijn
onvermogen veroorzaakt, ponds-ponds-gelijke verdeeld tussen de overige schuldenaren, die
betalen kunnen, en degene, die de schuld voldaan heeft.

Artikel 1315

In geval de schuldeiser een der schuldenaren van deszelfs hoofdelijke verbintenis heeft
ontslagen en een of meer der overige schuldenaren onvermogend zijn geworden, wordt het
aandeel der onvermogende ponds-ponds-gelijke omgeslagen over al de schuldenaren, zelfs over
degenen, die bevorens van de hoofdelijke verbintenis zijn ontslagen.

Artikel 1316

Indien de zaak, waarvoor verscheidene personen zich als hoofdelijke mede-schuldenaren
hebben verbonden, slechts een van hen aangaat, zijn zij wel ieder voor het geheel aan de
schuldeiser verbonden, maar onder elkaar worden zij beschouwd als borgen voor degene, wie de
zaak betreft, en moeten dienvolgens door dezelven worden schadeloos gesteld.

NEGENDE AFDELING

VAN DEELBARE EN ONDEELBARE VERBINTENISSEN

Artikel 1317

Een verbintenis is deelbaar of ondeelbaar, naarmate deze tot onderwerp heeft, of een zaak
die in de levering, of een daad die in de uitvoering al of niet vatbaar is, hetzij voor lichamelijke,
hetzij voor onlichamelijke verdeling.

Artikel 1318-517

Een verbintenis is ondeelbaar, ofschoon de zaak of daad, welke zij tot onderwerp heeft,
uit haar aard deelbaar is, indien de strekking van de verbintenis deze niet vatbaar maakt voor een
gedeeltelijke uitvoering.

Artikel 1319

Het hoofdelijke van een verbintenis geeft aan dezelve geenszins het kenmerk van
ondeelbaarheid.

Artikel 1320

De verbintenis, die voor verdeling vatbaar is, moet tussen de schuldenaar en de
schuldeiser worden ten uitvoer gebracht, even als of deze ondeelbaar was; de deelbaarheid is
slechts van toepassing ten opzichte van hun erfgenamen, die de schuld niet kunnen vorderen, of
die niet verplicht zijn deze te voldoen, dan alleen voor het aandeel, waarvan zij erfgenamen zijn,
of waartoe zij gehouden zijn als vertegenwoordigende de schuldeiser of de schuldenaar.

Artikel 1321

Het beginsel, in het vorige artikel vastgesteld, lijdt uitzondering opzichtelijk de
erfgenamen van de schuldenaar:
1°. In geval het een hypothekaire schuld betreft;
2°. Wanneer de schuld in een bepaalde zaak bestaat;
3°. Ten opzichte van een alternatieve schuld van zaken, ter keuze van de schuldenaar,
indien een der zaken ondeelbaar is;
4°. Indien bij de titel een der erfgenamen alleen met de uitvoering der verbintenis belast
is;
5°. Indien, hetzij uit de aard van de verbintenis, hetzij van de zaak die daarvan het
onderwerp uitmaakt, hetzij uit het oogmerk hetwelk men zich in de overeenkomst heeft
voorgesteld, blijkbaar is, dat het de bedoeling der handelende partijen geweest is, dat de schuld
niet bij gedeelten zouden kunnen voldaan worden.
In de drie eerste gevallen kan de erfgenaam, die in het bezit is van de verschuldigde zaak,
of van het goed dat voor de schuld met hypotheek belast is, voor het geheel vervolgd worden op
de verschuldigde zaak, of op het met hypotheek bezwaarde goed, behoudens zijn verhaal op zijn
mede-erfgenamen.
In het vierde geval kan de erfgenaam, die alleen met de schuld belast is, en in het vijfde
geval kan ook ieder erfgenaam voor het geheel worden vervolgd, behoudens het verhaal van
laatstgemelde op zijn mede-erfgenamen.

Artikel 1322

Een ieder van degene, die gezamenlijk tot een ondeelbare schuld verplicht zijn, is voor het
geheel derzelve aansprakelijk, alware het ook dat de verbintenis niet hoofdelijk mocht zijn
aangegaan.

Artikel 1323
Hetzelfde geldt ook omtrent de erfgenamen van degene, die tot een zodanige verbintenis
gehouden is.

Artikel 1324

Ieder erfgenaam van de schuldeiser kan de uitvoering van een ondeelbare verbintenis in
derzelver geheel vorderen.
Geen van hun alleen mag de gehele schuld kwijtschelden, noch de waarde ontvangen in
plaats van de zaak.
Indien slechts een der erfgenamen de schuld heeft kwijtgescholden, of de waarde der zaak
ontvangen, mag zijn mede-erfgenaam de ondeelbare zaak niet vorderen, tenzij in rekening
brengende het aandeel van de mede-erfgenaam, die de schuld kwijtgescholden of de waarde
ontvangen heeft.

TIENDE AFDELING

VAN VERBINTENISSEN ONDER BEDING

VAN STRAF OF POENALITEIT

Artikel 1325

Het beding van straf is zodanige bepaling, waarbij iemand tot zekerheid van de uitvoering
eenr verbintenis tot iets bepaalds verplicht is, ingeval deze niet nagekomen wordt.

Artikel 1326

De nietigheid der hoofdverbintenis maakt ook het beding van straf nietig.
De nietigheid van het beding van straf heeft geenszins die der hoofdverbintenis ten
gevolge.

Artikel 1327

De schuldeiser kan, in plaats van de straf te vorderen tegen de schuldenaar, die in gebreke
is, de nakoming der hoofdverbintenis eisen.

Artikel 1328

De bepaling van straf strekt in plaats van vergoeding van kosten, schade en interesten,
welke de schuldeiser lijdt uit hoofde van het niet nakomen van de hoofdverbintenis.
Hij kan niet tegelijk de hoofdschuld en de straf vorderen, tenzij de laatstgenoemde enkel
op de eenvoudige vertraging mocht gesteld zijn.

Artikel 1329

Hetzij de oorspronkelijke verbintenis al of niet een tijdsbepaling bevatte, binnen welke
deze moest uitgevoerd zijn, is de straf niet verbeurd dan wanneer degene, die verbonden is om
iets te geven, of om iets te ontvangen, of wel om iets te doen, daarin nalatig gebleven is.

Artikel 1330

De straf kan door de rechter gewijzigd worden, indien de hoofdverbintenis voor een
gedeelte is vervuld.

Artikel 1331

Indien de oorspronkelijke verbintenis, met bepaling van straf, een ondeelbare zaak betreft,
is de straf verschuldigd door de overtreding van een enkele der erfgenamen van de schuldenaar,
en deze kan gevorderd worden, hetzij voor het geheel van degene, die tegen de verbintenis
gehandeld heeft, hetzij van ieder der mede-erfgenamen voor zijn aandeel, behoudens derzelver
verhaal op degene, die veroorzaakt heeft dat de straf verbeurd is; alles onverminderd de rechten
der hypothekaire schuldeisers.

Artikel 1332

Indien de oorspronkelijke verbintenis, onder bepaling van straf, deelbaar is, wordt de straf
slechts verbeurd door degene der erfgenamen van de schuldenaar, die tegen deze verbintenis
handelt, en alleen voor zoverre zijn aandeel in de hoofdverbintenis betreft, zonder dat er enige
rechtsvordering kan bestaan tegen degenen, die de verbintenis hebben nagekomen.
Deze regel lijdt uitzondering, wanneer het beding van straf bijgevoegd is met het
oogmerk, dat de voldoening niet bij gedeelten zouden kunnen geschieden, en een der mede-erfgenamen
de nakoming der verbintenis in derzelver geheel verhinderd heeft; in dit geval kan de straf
van deze laatstgemelde voor het geheel geëist worden, en van de overige mede-erfgenamen
slechts voor hun aandeel, behoudens hun recht van verhaal.

Artikel 1333-518

Indien een deelbare hoofdverbintenis, onder bepaling van een ondeelbare straf, slechts ten
dele is nagekomen, wordt de straf, ten aanzien der erfgenamen van de schuldenaar, vervangen
door een vergoeding van kosten, schade en interesten.

TWEEDE TITEL

VAN VERBINTENISSEN, DIE UIT CONTRACT OF

OVEREENKOMST ZIJN GEBOREN

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1334

Een overeenkomst is een handeling, waarbij een of meer personen zich jegens een of meer
andere verbinden.

Artikel 1335-519

Een overeenkomst wordt aangegaan om niet, of onder een bezwarende titel.
De overeenkomst om niet is de zodanige, waarbij de een partij aan de andere, zonder
enige baat, een voordeel toekent.
Een overeenkomst onder een bezwarende titel is een zodanig, welke ieder der partijen in
de verplichting brengt om iets te geven, te doen of niet te doen.

Artikel 1336

In het algemeen, kan niemand zich op zijn eigen naam verbinden, of iets bedingen, dan
voor zich zelven.

Artikel 1337

Niettemin kan men zich voor een derde sterk maken of instaan, door te beloven dat deze
iets doen zal, behoudens de vordering tot schadevergoeding tegen degene, die voor een derde
ingestaan, of beloofd heeft dezelven iets te doen bekrachtigen, indien deze derde weigert om de
verbintenis na te komen.

Artikel 1338-520

Men kan ook ten behoeve van een derde iets bedingen, wanneer een beding, hetwelk men
voor zichzelven maakt, of een gift, die men aan een ander doet, zulk een voorwaarde bevat.
Die zodanig een beding gemaakt heeft, kan hetzelve niet meer herroepen, indien die derde
verklaard heeft daarvan te willen gebruik maken.

Artikel 1339

Men wordt voorondersteld bedongen te hebben voor zich zelf, en voor zijn erfgenamen en
rechtverkrijgende, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is, of uit de aard der overeenkomst
mocht voortvloeien.

Artikel 1340-521

Alle overeenkomsten, hetzij deze een eigen benaming hebben, hetzij deze onder geen
bijzondere benaming bekend zijn, zijn onderworpen aan algemene regelen, welke het onderwerp
van deze en van de vorige titel uitmaken.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VOORWAARDE, WELKE VEREISCHT WORDEN TOT DE

BESTAANBAARHEID DER OVEREENKOMSTEN

Artikel 1341

Tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden vier voorwaarden vereist:
1°. de toestemming van degenen, die zich verbinden;
2°. de bekwaamheid om een verbintenis aan te gaan;
3°. een bepaald onderwerp;
4°. een geoorloofde oorzaak.

Artikel 1342

Geen toestemming is van waarde, indien deze door dwaling is gegeven, door geweld
afgeperst, of door bedrog verkregen.

Artikel 1343

Dwaling maakt geen overeenkomst nietig, dan wanneer deze plaats heeft omtrent de
zelfstandigheid der zaak, welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakt.
Dwaling is geen oorzaak van nietigheid, indien zij alleen plaats heeft omtrent de persoon,
met wie men voornemens is te handelen, tenzij de overeenkomst voornamelijk uit aanmerking
van deze persoon zij aangegaan.

Artikel 1344

Geweld, gepleegd tegen degene, die een verbintenis heeft aangegaan, levert grond op tot
nietigheid der overeenkomst, ook dan wanneer hetzelve gepleegd is door een derde, ten wiens
behoeve de overeenkomst niet gemaakt is.

Artikel 1345

Geweld heeft plaats, wanneer hetzelve van zodanige aard is om op een redelijk mens
indruk te maken, en wanneer het hem de vrees kan inboezemen, dat hij zijn persoon of zijn
vermogen aan een aanmerkelijk en dadelijk aanwijzend nadeel zoud blootstellen.
In het beoordelen daarvan, moet men achtslaan op de ouderdom, de kunnen en de stand
der personen.

Artikel 1346

Geweld maakt een overeenkomst nietig, niet alleen wanneer hetzelve gepleegd is jegens
een der handelende partijen, maar ook jegens derzelver echtgenoot, of bloedverwanten in de
opgaande of de nederdalende linie.

Artikel 1347

De vrees alleen uit eerbied jegens vader, moeder of andere bloedverwanten in de
opgaande linie voortkomende, zonder bijkomend geweld, is onvoldoende tot vernietiging der
overeenkomst.

Artikel 1348

Men kan niet meer tegen een overeenkomst, uit hoofde van geweld, opkomen, indien na
het ophouden van het geweld die overeenkomst is goedgekeurd, hetzij uitdrukkelijk, hetzij
stilzwijgend, hetzij dat men de tijd, bij de wet bepaald om in zijn geheel hersteld te worden,
hebben laten voorbijgaan.

Artikel 1349

Bedrog levert een grond op tot vernietiging van de overeenkomst, wanneer de
kunstgrepen, door een der partijen gebezigd, van dien aard zijn, dat het klaarblijkelijk is, dat de
andere partij zonder die kunstgrepen de verbintenis niet zou hebben aangegaan.
Bedrog wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden.

Artikel 1350

Een ieder is bevoegd om verbintenissen aan te gaan, indien hij daartoe door de wet niet
onbekwaam is verklaard.

Artikel 1351-522

Onbekwaam om overeenkomsten te treffen zijn:
1°. minderjarigen;
2°. die onder curatele gesteld zijn;
3°. in de gevallen bij de wet voorzien, al degenen aan wie de wet het aangaan van zekere
overeenkomsten verboden heeft.

Artikel 1352-523

De bij het vorige artikel onbekwaam verklaarde personen kunnen mitsdien tegen hun
verbintenissen opkomen in alle gevallen, waarin dat vermogen niet bij de wet is uitgesloten.
De personen, die bekwaam zijn om zich te verbinden, kunnen zich geenszins beroepen op
de onbekwaamheid van minderjarigen en onder curatele gestelden, met welke zij gehandeld
hebben.

Artikel 1353

De zaken, welke in de handel zijn, kunnen alleen het onderwerp van overeenkomsten
uitmaken.

Artikel 1354

Een overeenkomst moet tot onderwerp hebben een zaak, welke ten minste ten aanzien van
haar soort bepaald is.
De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die hoeveelheid naderhand kan worden
bepaald of uitgemaakt.

Artikel 1355

Toekomstige zaken kunnen het onderwerp van een overeenkomst uitmaken.
Men kan echter geen afstand doen van een erfenis, die nog niet opengevallen is, noch over
zodanig een nalatenschap enig beding aangaan, zelfs niet met toestemming van degene, over
wiens nalatenschap gehandeld wordt; behoudens de bepalingen van de artikelen 222, 229 en 231.

Artikel 1356

Een overeenkomst, zonder oorzaak of uit een valse of ongeoorloofde oorzaak aangegaan,
is krachteloos.

Artikel 1357

Indien er geen oorzaak is uitgedrukt, en er echter een geoorloofde aanwezig, of ook indien
er een andere geoorloofde oorzaak dan de uitgedrukte bestaat, is niettemin de overeenkomst van
kracht.

Artikel 1358

Een oorzaak is ongeoorloofd, wanneer deze bij de wet verboden is, of wanneer deze
strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.

DERDE AFDELING

VAN HET GEVOLG DER OVEREENKOMSTEN

Artikel 1359

Alle wettelijk gemaakte overeenkomsten strekken degenen, die deze hebben aangegaan,
tot wet.
Zij kunnen niet herroepen worden, dan met wederzijdsche toestemming, of uithoofde der
redenen, welke de wet daartoe voldoende verklaart.
Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht.

Artikel 1360

Overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene, hetwelk uitdrukkelijk bij deze bepaald
is, maar ook tot al hetgeen, dat, naar de aard van deze overeenkomsten, door de billijkheid, het
gebruik of de wet wordt gevorderd.

Artikel 1361

Overeenkomsten zijn alleen van kracht tussen de handelende partijen.
Deze kunnen aan derden niet ten nadele verstrekken; zij kunnen aan derden geen voordeel
aanbrengen, dan alleen in het geval voorzien bij artikel 1338.

Artikel 1362-524

Niettemin kan door ieder schuldeiser de nietigheid worden ingeroepen van alle door de
schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeisers zijn
benadeeld, mits bewezen worden, dat bij het verrichten van de handeling zowel de schuldenaar
als degene met wie of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan
benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.
Rechten door derden te goeder trouw verkregen op de goederen, die het voorwerp waren
van de nietige handeling, worden geëerbiedigd.
Om de nietigheid van door de schuldenaar gedane handelingen om niet in te roepen, kan
de schuldeiser volstaan met aan te tonen dat de schuldenaar op het ogenblik der handeling wist
dat hij daardoor zijn schuldeisers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al
dan niet deelde.

VIERDE AFDELING

VAN DE UITLEGGING DER OVEREENKOMSTEN

Artikel 1363

Indien de bewoordingen van een overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door
uitlegging niet afwijken.

Artikel 1364

Indien de bewoordingen van een overeenkomst voor onderscheidene uitleggingen vatbaar
zijn, moet men veeleer nagaan, welke de bedoeling der handelende partijen geweest is, dan zich
aan de letterlijke zin der woorden binden.

Artikel 1365

Indien een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in de zin,
waarin hetzelve van enige uitwerking kan zijn, dan in die, waarin hetgeen het minste gevolg zou
kunnen hebben.

Artikel 1366

De bewoordingen voor tweeërlei zin vatbaar moeten opgevat worden in de zin, die met de
aard van de overeenkomst het meest overeenstemt.

Artikel 1367

Hetgeen dubbelzinnig is, moet uitgelegd worden naar hetgeen gebruikelijk is in het land
of op de plaats, alwaar de overeenkomst is aangegaan.

Artikel 1368

Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stilzwijgend in de overeenkomst te zijn
begrepen, schoon dezelve daarbij niet zijn uitgedrukt.

Artikel 1369

Alle bedingen, in een overeenkomst gemaakt, moeten in derzelver verband genomen, en
het een door het andere uitgelegd worden; ieder derzelve moet in de zin worden opgevat welke
het geheel beloop der overeenkomst medebrengt.

Artikel 1370

Ingeval van twijfel wordt een overeenkomst uitgelegd ten nadele van degene, die iets
bedongen, en ten voordele van hem, die zich verbonden heeft.

Artikel 1371

Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn, waarin een overeenkomst aangegaan is, omvat
deze echter alleen die zaken, waaromtrent blijkt, dat partijen voornemens waren te handelen.

Artikel 1372

Indien men in een overeenkomst een geval heeft uitgedrukt, om de verbintenis duidelijk te
maken, wordt men niet geacht daardoor te hebben willen inkorten en beperken de naar rechten
verbindende kracht, welke de overeenkomst in de niet-uitgedrukte gevallen heeft.

DERDE TITEL

VAN VERBINTENISSEN, DIE UIT KRACHT DER WET GEBOREN WORDEN

Artikel 1373

De verbintenissen, die uit kracht der wet geboren worden, spruiten voort, of uit de wet
alleen, of uit de wet tengevolge van 's mensen toedoen.

Artikel 1374

De verbintenissen, welke uit kracht der wet geboren worden tengevolge van 's mensen
toedoen, vloeien voort, of uit een rechtmatige, of uit een onrechtmatige daad.

Artikel 1375

Wanneer iemand vrijwillig, zonder daartoe last te hebben bekomen, eens anders zaak met
of zonder deszelfs weten waarneemt, verbindt hij zich daardoor stilzwijgend om de waarneming
voort te zetten en te voltooien, tot dat degene, wiens belangen hij waarneemt, in staat is om in die
zaak zelf te voorzien.
Hij moet zich insgelijks belasten met al hetgeen tot die zaak behoort.
Hij onderwerpt zich aan al de verplichtingen, welke hij zou hebben moeten nakomen,
ingeval hij bij een uitdrukkelijke lastgeving was gemachtigd geworden.

Artikel 1376

Hij is verplicht met zijn beheer voort te gaan, al was het ook dat degene, wiens belangen
hij waarneemt, mocht komen te overlijden voordat de zaak is teneinde gebracht, tot tijd en wijle
de erfgenaam dit beheer op zich kan nemen.

Artikel 1377

Hij is gehouden opzichtelijk dat beheer de plichten van een goed huisvader te vervullen.
Niettemin is de rechter bevoegd om de vergoeding der kosten, schade en interesten, welke
door schuld of nalatigheid des waarnemers mochten veroorzaakt zijn, te matigen, naar gelang der
omstandigheden, die hem tot de waarneming der zaak bewogen hebben.

Artikel 1378

Degene, wiens belangen door een ander behoorlijk zijn waargenomen, is gehouden de
verbintenissen, door de waarnemer in zijn naam aangegaan, na te komen, denzelven schadeloos te
stellen wegens alle persoonlijke door hem aangegane verbintenissen, en aan hem alle nuttige of
noodzakelijke gedane uitgaven te vergoeden.

Artikel 1379

Hij, die eens anders zaak zonder lastgeving heeft waargenomen, is tot geen loon
gerechtigd.

Artikel 1380

Iedere betaling doet een schuld vooronderstellen; hetgeen zonder verschuldigd te zijn
betaald is, kan terug gevorderd worden.
Ten opzichte van natuurlijke verbintenissen, waaraan men vrijwillig voldaan heeft, kan
geen terugvordering vallen.

Artikel 1381

Die bij vergissing, of met zijn weten, iets ontvangen heeft, dat hem niet verschuldigd was,
is verplicht het niet verschuldigde terug te geven aan degene, van wie hij hetzelve ontvangen
heeft.

Artikel 1382

Wanneer iemand, die bij vergissing meent schuldenaar te zijn, een schuld betaald heeft, is
hij gerechtigd om het betaalde van de schuldeiser terug te vorderen.
Niettemin houdt dit recht op ingeval de schuldeiser, tengevolge van die betaling, de
schuldbekentenis vernietigd heeft, behoudens het verhaal van degene, die betaald heeft, op de
wezenlijke schuldenaar.

Artikel 1383

Degene, die te kwader trouw iets ontvangen heeft, hetgeen hem niet verschuldigd was,
moet hetzelve teruggeven met de interesten en vruchten, te rekenen van de dag van de betaling,
en zulks onverminderd de vergoeding van kosten, schade en interesten, indien de zaak enige
vermindering heeft ondergaan.
Indien de zaak vergaan is, al had zulks ook door toeval plaats gehad, is hij verplicht de
waarde te betalen, met vergoeding van kosten, schade en interesten, tenzij hij kon bewijzen, dat
de zaak insgelijks zou vergaan zijn, indien zij verbleven was onder degene, aan wie deze had
moeten teruggegeven worden.

Artikel 1384

Die iets, hetwelk onverschuldigd te goeder trouw door hem ontvangen was, verkocht
heeft, kan volstaan met de koopprijs terug te geven.
Indien hij de zaak te goeder trouw om niet heeft vervreemd, behoeft hij niets uit te keren.

Artikel 1385

Hij, aan wie de zaak is terug gegeven, is gehouden zelfs aan degene, die deze te kwader
trouw bezeten heeft, alle noodzakelijke uitgaven te vergoeden, welke tot behoud der zaak zijn
aangewend.
De bezitter is gerechtigd om de zaak zolang in zijn bezit te houden, totdat die uitgaven
vergoed zijn.

Artikel 1386

Elke onrechtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebracht, stelt degene,
door wiens schuld die schade veroorzaakt is, in de verplichting om deze te vergoeden.

Artikel 1387

Een ieder is verantwoordelijk niet alleen voor de schade, welke hij door zijn daad, maar
ook voor die, welke hij door zijn nalatigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt heeft.

Artikel 1388-525

Men is niet alleen verantwoordelijk voor de schade, welke men door zijn eigen daad
veroorzaakt, maar ook voor die, welke veroorzaakt is door de daad van personen, voor welke men
aansprakelijk is, of door zaken, welke men onder zijn opzicht heeft.
De ouders of voogden zijn verantwoordelijk voor de schade, veroorzaakt door de
minderjarige kinderen die bij hen inwonen en over wie zij de ouderlijke macht of de voogdij
uitoefenen.
De meesters, en degenen, die anderen aanstellen tot de waarneming van hun zaken, zijn
verantwoordelijk voor de schade, door hun dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt in de
werkzaamheden, waartoe zij deze gebruikt hebben.
De schoolonderwijzers en werkmeesters zijn verantwoordelijk voor de schade, door hun
leerlingen en knechts veroorzaakt gedurende de tijd, dat deze onder hun toezicht staan.
De hierboven vermelde verantwoordelijkheid houdt op, indien de ouders, de voogden, de
schoolonderwijzers en werkmeesters bewijzen, dat zij de daad voor welke zij aansprakelijk
zouden zijn, niet hebben kunnen beletten.

Artikel 1389

De eigenaar van een dier, of degene die zich van hetzelve bedient, is, zolang hetzelve tot
zijn gebruik verstrekt, aansprakelijk wegens de schade, welke het dier heeft veroorzaakt, hetzij
hetzelve onder zijn toezicht en bewaring, dan wel verdwaald of ontsnapt is.

Artikel 1390

De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de schade door deszelfs gehele of
gedeeltelijke instorting veroorzaakt, indien deze door verzuim van onderhoud, of door een gebrek
in de bouwing of inrichting, is teweeggebracht.

Artikel 1391

Ingeval van moedwillige of onvoorzichtige doodslag, hebben de overblijvende
echtgenoot, de kinderen of de ouders van de nedergeslagene, die door zijn arbeid plegen te
worden onderhouden, een rechtsvordering tot schadevergoeding, te waarderen naar gelang van de
wederzijdse stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden.

Artikel 1392

Moedwillige of onvoorzichtige kwetsing of verminking van enig deel van het lichaam
geeft aan de gewonde het recht om, behalve de vergoeding der kosten van herstel, ook die der
schade, door de kwetsing of de verminking veroorzaakt, te vorderen.
Ook deze worden gewaardeerd naar gelang van de wederzijdse stand en de fortuin der
personen, en naar de omstandigheden.
Deze laatste bepaling is in het algemeen toepasselijk bij de waardering van de schade,
ontstaan uit elk misdrijf tegen de persoon gepleegd.

Artikel 1393-526

De burgerlijke rechtsvordering terzake van belediging strekt tot vergoeding van de
schade, en tot betering van het nadeel in eer en goede naam geleden.
De rechter zal, bij de waardering daarvan letten op het min of meer grove van de
belediging, benevens op de hoedanigheid, de stand en de fortuin der wederzijdse partijen, en op
de omstandigheden.

Artikel 1394-527

De beledigde kan bovendien eisen, dat bij hetzelfde vonnis worden verklaard, dat de
gepleegde daad is lasterlijk of beledigend.
Eist hij de verklaring dat de gepleegde daad is lasterlijk, dan gelden de regelen in artikel
270 van het Wetboek van Strafrecht voor de strafvordering wegens laster gesteld.
Het vonnis zal, indien de beledigde zulks vordert, ten koste van de veroordeelde, openbaar
worden aangeplakt, bij zovele exemplaren als, en daar waar de rechter zulks zal bevelen.

Artikel 1395

Onverminderd haar gehoudenheid tot schadevergoeding, kan de verwerende partij de
toewijzing van de vordering, bij het voorgaande artikel vermeld, voorkomen, door het aanbod en
de werkelijke aflegging van een openbare verklaring voor de rechter, houdende dat haar de
gepleegde daad leed doet, dat zij deswege verschoning vraagt, en de beledigde houdt voor een
persoon van eer.

Artikel 1396-528

De rechtsvorderingen in de drie voorgaande artikelen vermeld, komen ook toe aan
echtgenoten, ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen, wegens belediging van hun
echtgenoten, kinderen, kleinkinderen, ouders en grootouders, na derzelver overlijden, aangedaan.

Artikel 1397-529

De burgerlijke rechtsvordering terzake van belediging kan niet worden toegewezen,
indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Het oogmerk om te beledigen wordt niet
aanwezig geacht voorzover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot
noodzakelijke verdediging.

Artikel 1398-530

Ook kan de burgerlijke rechtsvordering niet worden toegewezen, indien de beledigde aan
het te laste gelegd feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard.
Hij echter, die kennelijk met het enige doel van belediging, ook dan wanneer de waarheid
der aantijging uit een gewijsde of een authentieke akte blijkt, iemand deswege met beledigingen
vervolgt, is verplicht aan denzelven de schade te vergoeden, welke deze daardoor lijdt.

Artikel 1399

Alle rechtsvorderingen, waaromtrent bij de voorgaande zes artikelen is gehandeld,
vervallen door uitdrukkelijke kwijtschelding, of door stilzwijgende, indien, na de gedane en aan
de beledigde bekend geworden belediging, door hem zodanige blijken van verzoening of van
vergiffenis zijn gegeven, die met het voornemen om schadevergoeding of betering van eer te
vorderen niet kunnen worden overeengebracht.

Artikel 1400

De rechtsvordering tot schadevergoeding, bij artikel 1393 vermeld, gaat niet verloren,
noch door de dood van de belediger, noch door die van de beledigde.

Artikel 1401-531

De burgerlijke rechtsvordering terzake van belediging vervalt door verloop van één jaar,
te rekenen van de dag dat de daad gepleegd en aan de aanlegger bekend was.
Artikel 1401a-532

1. De producent is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn produkt,
tenzij:
a. hij het produkt niet in het verkeer heeft gebracht;
b. het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft
veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop hij het produkt in het verkeer heeft
gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan;
c. het produkt, noch voor de verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met een
economisch doel van de producent is vervaardigd, noch is vervaardigd of verspreid in het
kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf;
d. het gebrek een gevolg is van het feit dat het produkt in overeenstemming is met dwingende
overheidsvoorschriften;
e. het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip
waarop hij het produkt in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te
ontdekken;
f.. wat de producent van een grondstof of fabrikant van een onderdeel betreft, het gebrek te
wijten is aan het ontwerp van het produkt waarvan de grondstof of het onderdeel een
bestanddeel vormt, dan wel aan de instructies die door de fabrikant van het produkt zijn
verstrekt.
2. De aansprakelijkheid van de producent kan worden verminderd of opgeheven, rekening
houdende met alle omstandigheden, indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in
het produkt als door schuld van de benadeelde of een persoon voor wie de benadeelde
aansprakelijk is.
3. De aansprakelijkheid van de producent wordt niet verminderd, indien de schade is veroorzaakt
zowel door een gebrek in het produkt als door de gedraging van een derde.
Artikel 1401b-533

1. Een produkt is gebrekkig, indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten,
alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder:
a. de presentatie van het produkt;
b. het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het produkt;
c. het tijdstip waarop het produkt in het verkeer werd gebracht.
2. Een produkt mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend omdat nadien een beter
produkt in het verkeer is gebracht.

Artikel 1401c-534

1. Voor de toepassing van de artikelen 1401a tot en met 1401i wordt verstaan onder:
a. produkt: een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere
roerende of onroerende zaak, alsmede electriciteit, zulks met uitzondering van
landbouwprodukten en produkten van de jacht.
Onder landbouwprodukten en produkten van de jacht worden verstaan produkten van de
bodem, van de veehouderij en van de visserij, onderscheidenlijk door jacht verkregen wild
of gevogelte, met uitzondering van produkten die een eerste bewerking of verwerking
hebben ondergaan.
b. producent: de fabrikant van een eindprodukt, de producent van een grondstof of de
fabrikant van een onderdeel, alsmede een ieder die zich als producent presenteert door zijn
merk of een ander onderscheidingsteken op het produkt aan te brengen.
2. Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt ieder die een produkt in
Suriname invoert om dit te verkopen, te verhuren of anderszins te verstrekken in het kader van
zijn economische aktiviteiten, beschouwd als producent; zijn aansprakelijkheid is dezelfde als
die van de producent.
3. Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het produkt is, wordt elke leverancier
als producent ervan beschouwd, tenzij hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de
identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het produkt heeft geleverd. Indien
ten aanzien van een in Suriname geïmporteerd produkt niet kan worden vastgesteld wie de
importeur van dat produkt is, wordt evenzo elke leverancier als producent beschouwd, tenzij
hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de importeur of de
leverancier die hem het produkt heeft geleverd.

Artikel 1401d-535

De benadeelde moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek
en de schade bewijzen.

Artikel 1401e-536

Indien verschillende personen op grond van artikel 1401a lid 1 aansprakelijk zijn voor
dezelfde schade, is elk van hen voor het geheel aansprakelijk.

Artikel 1401f-537

De aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 1401a lid 1 bestaat voor:
a. schade door dood, ziekte of lichamelijk letsel;
b. schade door het produkt toegebracht aan een andere zaak die gewoonlijk voor gebruik of
verbruik in de privésfeer is bestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer
is gebruikt of verbruikt, met dien verstande dat deze schade slechts wordt vergoed tot een
door de rechter in redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag.

Artikel 1401g-538
1. De rechtsvordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen de producent ingevolge
artikel 1401a lid 1 verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op
die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent bekend
is geworden of had moeten worden.
2. Het recht op schadevergoeding van de benadeelde jegens de producent ingevolge artikel
1401a lid 1 vervalt door verloop van tien jaren na de aanvang van de dag, volgende op die
waarop de producent de zaak die de schade heeft veroorzaakt, in het verkeer heeft gebracht.
Hetzelfde geldt voor het recht van een derde die mede voor de schade aansprakelijk is, terzake
van regres jegens de producent.

Artikel 1401h-539

1. De aansprakelijkheid van de producent uit hoofde van de artikelen 1401a tot en met 1401i kan
niet worden uitgesloten of beperkt.
2. Is jegens de benadeelde tevens een derde aansprakelijk die het produkt niet gebruikt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, dan kan niet ten nadele van die derde worden
afgeweken van de regels inzake het regres.

Artikel 1401i-540

Het recht op schadevergoeding jegens de producent uit hoofde van de voorgaande artikelen
komt de benadeelde toe, onverminderd alle andere rechten of vorderingen.

Artikel 1401j-541

Hij die omtrent goederen of diensten die door hem of degene ten behoeve van wie hij
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden aangeboden, een mededeling
openbaar maakt of laat openbaar maken, handelt onrechtmatig, indien deze mededeling in een of
meer opzichten misleidend is, zoals ten aanzien van:
a. de aard, samenstelling, hoeveelheid, hoedanigheid, eigenschappen of
gebruiksmogelijkheden;
b. de herkomst, de wijze of het tijdstip van vervaardigen;
c. de omvang van de voorraad;
d. de prijs of de wijze van berekenen daarvan;
e. de aanleiding of het doel van de aanbieding;
f. de toegekende onderscheidingen, getuigschriften of andere door derden uitgebrachte
beoordelingen of gedane verklaringen, of de gebezigde wetenschappelijke of vaktermen,
technische bevindingen of statistische gegevens;
g. de voorwaarde, waaronder goederen worden geleverd of diensten worden verricht of de
betalingen plaatsvindt;
h. de omvang, inhoud of tijdsduur van de garantie;
i. de identiteit, hoedanigheden, bekwaamheid of bevoegdheid van degene door wie, onder
wiens leiding of toezicht of met wiens medewerking de goederen zijn of worden vervaardigd
of aangeboden of de diensten worden verricht;
j. vergelijking met andere goederen of diensten.
Artikel 1401k542
1. Indien een vordering ingevolge artikel 1401j wordt ingesteld tegen degene die inhoud en
inkleding van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen, rust op
hem de bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de feiten die in de mededeling
zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter
van de mededeling berust, behoudens voor zover deze bewijslastverdeling onredelijk is.
2. Indien volgens artikel 1401j onrechtmatig is gehandeld door degene die inhoud en inkleding
van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen, is hij voor de
dientengevolge ontstane schade aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat zulks noch aan zijn schuld
is te wijten noch op andere grond voor zijn rekening komt.
3. Indien een vordering als in lid 1 van dit artikel bedoeld, wordt toegewezen jegens iemand die
niet tevens aansprakelijk is voor de in artikel 1401k lid 2 bedoelde schade, kan de rechter die
de vordering toewijst bepalen, dat de kosten van het geding en van de openbaarmaking van de
rectificatie geheel of gedeeltelijk moeten worden gedragen door degene die de vordering heeft
ingesteld; elk der partijen heeft voor het gedeelte van de kosten van het geding en van de
openbaarmaking van de rectificatie, dat ingevolge de uitspraak door haar moet worden
gedragen, verhaal op ieder die voor de door de publicatie ontstane schade aansprakelijk is.
Artikel 1401l543
1. Indien iemand door het openbaar maken of laten openbaar maken van een in artikel 1401j
omschreven mededeling aan een andere schade heeft toegebracht of dreigt toe te brengen, kan
de rechter hem op vordering van die ander het openbaar maken of laten openbaar maken van
zodanige mededeling verbieden, alsmede hem veroordelen tot het op een door de rechter
aangegeven wijze openbaar maken of laten openbaar maken van een rectificatie van die
mededeling.
2. Vorderingen als in lid 1 van dit artikel bedoeld komen mede toe aan:
a. rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die ten doel hebben de behartiging van
belangen van personen die een beroep of een bedrijf uitoefenen of van eindgebruikers van
niet voor een beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten, indien deze belangen door
het openbaar maken van de mededeling zijn of dreigen te worden aangetast;
b. andere rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, mits de mededeling
redelijkerwijze geacht kan worden verband te houden met het door hen nagestreefde doel en dit
doel door het openbaar maken van de mededeling wordt of dreigt te worden aangetast.
Artikel 1401m544
Hij, die met het oogmerk anderen te bewegen tot het nemen van schuldbrieven van enige
staat, enige provincie, gemeente, of openbare instelling of enige natuurlijke persoon, of tot het
nemen van schuldbrieven of aandelen van enige bestaande of op te richten vereniging, stichting
of vennootschap, openbaar maakt of doet openbaar maken gegevens, welke, doordien zij onwaar,
onvolledig of verminkt zijn, een onjuiste voorstelling moeten wekken, is verplicht degene, die
aantoont dat hij dientengevolge tot het nemen der waarde is bewogen, het geleden nadeel te
vergoeden of op zijn verlangen, tegen overdracht der schuldbrieven of aandelen, terug te betalen
het bedrag waarvoor hij de waarde genomen heeft.
Aansprakelijk is echter niet degene, die aantoont, dat hem geenerlei tekortkoming is te
wijten.
Onder schuldbrieven en aandelen zijn begrepen certificaten van schuldbrieven en
certificaten van aandelen.
Artikel 1401n545
De natuurlijke persoon zelf of de vereniging, stichting of vennootschap zelf wordt geacht
de in het vorige artikel bedoelde gegevens te hebben doen openbaar maken;
a. indien de plaatsing van de waarde geschiedt door derde krachtens een met of namens de
natuurlijke persoon of de vereniging, stichting of vennootschap gesloten overeenkomst;
b. indien de natuurlijke persoon of de vereniging, stichting of vennootschap heeft
nagelaten, hoewel redelijkerwijze daartoe verplicht, tijdig ter algemene kennis te brengen, dat de
onder a genoemde omstandigheid niet aanwezig is.
Artikel 1401o-546

Met de vereniging, stichting of vennootschap zijn haar bestuurders en commissarissen
aansprakelijk.
Bij plaatsing van de waarde van een op te richten vereniging, stichting of vennootschap
zijn, met hen, die de gegevens hebben openbaar gemaakt of doen maken, aansprakelijk zij, die
daarbij als oprichters, bestuurders of commissarissen worden genoemd, indien zij niet, hoewel
redelijkerwijze daartoe verplicht, tijdig ter algemene kennis brengen, dat die aanduiding ten
onrechte is geschied.
Een bestuurder, commissaris of oprichter is niet aansprakelijk, indien hij tijdig ter
algemene kennis brengt, dat de openbaarmaking van de gegevens buiten zijn weten of tegen zijn
wil is geschied, of indien hij aantoont, dat hem geenrlei tekortkoming is te wijten.

Artikel 1401p-547

De aansprakelijkheid, bedoeld bij de drie voorafgaande artikelen, is een hoofdelijke.
De rechtsvordering te dier zake vervalt na verloop van zes maanden, gerekend van de dag,
waarop aan de nemer de onwaarheid, onvolledigheid of verminking, waarop de vordering gegrond
is, is gebleken of had kunnen blijken.

VIERDE TITEL

VAN HET TE NIET GAAN DER VERBINTENISSEN

Artikel 1402

Verbintenissen gaan te niet:
door betaling;
door aanbod van gerede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving;
door schuldvernieuwing;
door vergelijking of compensatie;
door schuldvermenging;
door kwijtschelding der schuld;
door het vergaan der verschuldigde zaak;
door de nietigheid of de tenietdoening;
door de werking van een ontbindende voorwaarde, waarvan in de eerste titel van dit boek
gehandeld is; en
door verjaring, welke het onderwerp van een afzonderlijke titel uitmaakt.

EERSTE AFDELING

VAN BETALING

Artikel 1403

Een verbintenis kan gekweten worden door een ieder, die daarbij belang heeft, gelijk een
medeschuldenaar of een borg.
Een verbintenis kan zelfs gekweten worden door een derde, die daarbij geen belang heeft,

mits die derde handelt in naam en tot kwijting van de schuldenaar, of, indien hij in zijn eigen
naam handelt, hij niet in de rechten van de schuldeiser gesteld worden.

Artikel 1404

Een verbintenis om iets te doen kan door een derde niet gekweten worden in weerwil van
de schuldeiser, indien deze belang heeft, dat de daad door de schuldenaar zelf verricht wordt.

Artikel 1405

Men moet eigenaar zijn van de zaak, die in betaling gegeven wordt, en bevoegd zijn om
die te vervreemden, zal de betaling geldig wezen.
Niettemin kan de voldoening van een geldsom, of van enige andere verbruikbare zaak,
niet teruggevorderd worden van degene, die dat in betaling gegeven te goeder trouw verbruikt
heeft, alhoewel die voldoening geschied is door iemand, die daarvan geen eigenaar, of
onbekwaam was om de zaak te vervreemden.

Artikel 1406

De betaling moet gedaan worden aan de schuldeiser, of aan iemand die volmacht van hem
heeft, of die door de rechter of door de wet gemachtigd is om voor denzelven te ontvangen.
De betaling gedaan aan iemand, die geen macht had om voor de schuldeiser te ontvangen,
is van waarde, voor zover de schuldeiser deze goedkeurt, of daardoor werkelijk is gebaat
geworden.

Artikel 1407

De betaling te goeder trouw gedaan aan iemand, die in het bezit is van de inschuld, is van
waarde, ook dan wanneer die bezitter naderhand bij uitwinning uit dat bezit gestoten is.

Artikel 1408

De betaling, aan de schuldeiser gedaan, is niet van waarde, indien hij niet bekwaam was
om deze te ontvangen, dan voor zover de schuldenaar mocht bewijzen, dat de schuldeiser door de
betaling werkelijk is gebaat geworden.

Artikel 1409

De betaling gedaan door een schuldenaar aan zijn schuldeiser, in weerwil van een
inbeslagneming of oppositie, is niet van waarde ten aanzien van de schuldeisers, die de
inbeslagneming of oppositie gedaan hebben; deze kunnen, naar aanleiding van hun recht, de
schuldenaar noodzaken om op nieuw te betalen, behoudens, in dat geval, deszelfs verhaal op de
schuldeiser.

Artikel 1410

Geen schuldeiser kan genoodzaakt worden een andere zaak in betaling te nemen, dan die
hem verschuldigd is, ofschoon ook de aangeboden zaak van gelijke of zelfs van meerdere waarde
is.

Artikel 1411

Geen schuldenaar kan zijn schuldeiser verplichten om betaling van een schuld bij
gedeelten te ontvangen, al mocht die schuld ook deelbaar zijn.

Artikel 1412

De schuldenaar van een zekere en bepaalde zaak is bevrijd door de afgifte der zaak, in de
staat, waarin deze zich ten tijde der levering bevond; mits de verminderingen, welke die zaak
mocht ondergaan hebben, niet door zijn toedoen of verzuim veroorzaakt zijn, noch ook door de
schuld of het verzuim van zodanige personen voor welke hij verantwoordelijk is, noch ook door
dat hij vóór het opkomen dier verminderingen, in de levering achterlijk gebleven is.

Artikel 1413

Indien de zaak, welke verschuldigd is, alleen is bepaald ten aanzien van haar soort, is de
schuldenaar, om zich van de schuld te ontheffen, niet verplicht om van de beste soort, maar hij
kan ook niet volstaan met van de slechtste te geven.

Artikel 1414

De betaling moet gedaan worden ter plaatse, welke bij de overeenkomst bepaald is; indien
geen plaats daarbij vastgesteld is, moet de betaling, ten aanzien van een zekere bepaalde zaak,
geschieden ter plaatse, alwaar, tijdens het aangaan van de verbintenis, de zaak, die daarvan het
onderwerp uitmaakt, zich bevond.
Buiten deze twee gevallen moet de betaling geschieden ter woonplaats van de schuldeiser,
zolang deze bij voortduring blijft wonen in het district, alwaar hij, ten tijde van het aangaan der
verbintenis, woonachtig was, en anderszins ter woonplaats van de schuldenaar.

Artikel 1415

Ten opzichte van huren, pachten, jaarwedden tot onderhoud, altijddurende renten of
lijfrenten, interesten van geleende geldsommen, en, in het algemeen, van al wat bij het jaar of bij
kortere geregelde termijnen betaalbaar is, wordt door drie kwijtingen, waaruit van de betaling van
drie achtereenvolgende termijnen blijkt, het vermoeden geboren, dat ook de vroegere termijnen
voldaan zijn, tenzij het tegendeel mocht bewezen worden.

Artikel 1416

De kosten, op de betaling vallende, komen ten laste van de schuldenaar.

Artikel 1417

De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het recht, bij het doen van de betaling, te
verklaren tot voldoening van welke van die schulden hij de betaalde som wil doen verstrekken.

Artikel 1418

De schuldenaar van een schuld, die op interesten loopt, kan, buiten de toestemming van
de schuldeiser, de betaling, welke hij doet, niet doen verstrekken tot aflossing van de hoofdsom,
bij voorkeur van voldoening der interesten.
De betaling, die gedaan is op de hoofdsom en de interesten, maar waarmede de gehele
schuld niet is afgedaan, strekt in de eerste plaats tot voldoening der interesten.

Artikel 1419

Wanneer hij, die verscheidene sommen schuldig is, een kwijting heeft aangenomen,
waarbij de schuldeiser verklaard heeft, dat hetgeen hij ontvangen heeft in het bijzonder tot
voldoening van een van deze schulden verstrekt, kan die schuldenaar niet meer vorderen, dat de
betaling gerekend worden tot kwijting van een andere schuld gedaan te zijn, tenzij er van de zijde
van de schuldeiser bedrog of verrassing heeft plaats gehad.

Artikel 1420

Indien de kwijting niet inhoudt, voor welke schuld de betaling gedaan is, moet de betaling
gerekend worden gedaan te zijn in voldoening van die schuld, welke de schuldenaar, onder de te
gelijk vervallen schulden, destijds het meeste belang had te voldoen; doch indien al de schulden
niet mochten vervallen zijn, wordt de betaling geacht gedaan te zijn in voldoening van de schuld,
die vervallen was, boven de nog niet vervallen, ofschoon deze eerste minder bezwarend zijn
mocht dan de andere.
Indien de schulden van gelijke aard zijn, moet de toerekening op de oudste gedaan
worden; doch alles gelijk staande, geschiedt de toerekening op elke schuld naar evenredigheid.
Indien geen der schulden vervallen is, wordt de toerekening gedaan evenals omtrent de
vervallen schulden.

Artikel 1421

De subrogatie, of indeplaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten behoeve van een
derde persoon, die denzelven betaalt, geschiedt, of bij overeenkomst, of uit kracht der wet.

Artikel 1422

Deze indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst:
1°. Wanneer de schuldeiser, de betaling van een derde persoon ontvangende, denzelven
doet treden in de rechten, rechtsvorderingen, voorrechten en hypotheken, welke hij ten laste van
de schuldenaar heeft.
Deze subrogatie moet uitdrukkelijk, en gelijktijdig met de betaling, geschieden;
2°. Wanneer de schuldenaar een som gelds ter leen opneemt, teneinde zijn schuld te
betalen, en de geldschieter in de rechten van de schuldeiser te doen treden, moeten, om deze
subrogatie van waarde te doen zijn, zowel de akte van geldopneming als de kwijting bij
authentieke akte verleden worden, en moet in de akte van geldopneming verklaard worden, dat de
som geleend is om daarmede de betaling te doen; terwijl voorts de kwijting moet inhouden, dat
de betaling gedaan is uit penningen, die tot dat einde door de nieuwe schuldeiser zijn
voorgeschoten.
Deze subrogatie wordt zonder de medewerking van de schuldeiser bewerkstelligd.

Artikel 1423

Subrogatie heeft plaats uit kracht der wet:
1°. Ten behoeve van degene, die, zelf schuldeiser zijnde, een andere schuldeiser, die,
uithoofde van deszelfs bevoorrechte schuld of hypotheek, een beter recht heeft, voldoet;
2°. Ten behoeve van de koper van enig onroerend goed, die de koopprijs daarvan besteedt
tot betaling der schuldeisers, aan welke dat goed door hypotheek verbonden was;
3°. Ten behoeve van degene, die, met anderen, of voor anderen, gehouden zijnde tot
voldoening van een schuld, belang had om deze te voldoen;
4°. Ten behoeve van de erfgenaam, die, een boedel onder het voorrecht van
boedelbeschrijving aanvaard hebbende, de schulden der nalatenschap met zijn eigene penningen
betaald heeft.

Artikel 1424

De subrogatie, bij de voorgaande artikelen bepaald, heeft plaats zowel tegen de borgen als
tegen de schuldenaren; deze kan de schuldeiser in zijn rechten niet verkorten, indien hij slechts
gedeeltelijk betaald is; in dit geval, kan hij zijn rechten, ten aanzien van hetgeen hem nog
verschuldigd blijft, uitoefenen, bij voorkeur boven degenen van wie hij slechts een gedeeltelijke
voldoening bekomen heeft.

TWEEDE AFDELING

VAN AANBOD VAN GEREDE BETALING, GEVOLGD VAN

CONSIGNATIE OF BEWAARGEVING

Artikel 1425

Indien de schuldeiser weigert zijn betaling te ontvangen, kan de schuldenaar hem aanbod
van gerede betaling van het verschuldigde doen, en, bij weigering van de schuldeiser om hetzelve
aan te nemen, de geldsom of zaak in gerechtelijke bewaring stellen.
Zodanig aanbod, gevolgd van bewaargeving, bevrijdt de schuldenaar, en strekt te zijnen
opzichte tot betaling, mits hetzelve op een wettige wijze gedaan is; blijvende het alzo in bewaring
gebrachte voor rekening van de schuldeiser.

Artikel 1426

Om zodanig aanbod van waarde te doen zijn, is het nodig:
1°. Dat hetzelve gedaan wordt aan een schuldeiser, die bevoegd is om te ontvangen, of
aan degene die de macht heeft om voor hem te ontvangen;
2°. Dat het gedaan wordt door iemand, die bevoegd is om te betalen;
3°. Dat het loopt over de gehele opeisbare som en de interesten, mitsgaders over de kosten
die vereffend zijn, en over een som geld voor de kosten die nog niet vereffend zijn, onder
voorbehoud van nadere vereffening;
4°. Dat de tijdsbepaling verschenen is, indien deze ten behoeve van de schuldeiser
bedongen is;
5°. Dat de voorwaarde, waaronder de schuld is aangegaan vervuld is;
6°. Dat het aanbod gedaan wordt op de plaats, alwaar de betaling, volgens de
overeenkomst, zou moeten geschieden, en indien er geen bijzondere overeenkomst deswege
bestaat, hetzij aan de persoon van de schuldeiser, hetzij te zijner werkelijke of gekozen
woonplaats;
7°. Dat het aanbod gedaan wordt door een notaris of door een deurwaarder, beide met
twee getuigen.

Artikel 1427

Om een consignatie van waarde te doen zijn, wordt geen machtiging van de rechter
vereist; het is genoegzaam:
1°. Dat deze is voorafgegaan van een aan de schuldeiser betekende kennisgeving,
houdende aanwijzing van de dag, het uur en de plaats, waarop de aangeboden zaak in bewaring
zal gesteld worden;
2°. Dat de schuldenaar zich van de aangeboden zaak ontdaan heeft, door deze in bewaring
te stellen ter plaatse door de wet tot het ontvangen van consignatiën aangewezen, met de
interesten tot de dag van de bewaarstelling toe;
3°. Dat er door de notaris of door de deurwaarder, beide met twee getuigen, een procesverbaal
wordt opgemaakt, behelzende de aard der aangeboden muntspeciën, de weigering van de
schuldeiser om deze te ontvangen, of dat hij tot die ontvangst niet verschenen is, en eindelijk het
doen van de consignatie zelf;
4°. Dat, bijaldien de schuldeiser tot de ontvangst niet verschenen is, het proces-verbaal
van de consignatie hem betekend is, met aanmaning om het in bewaring gebrachte te lichten.

Artikel 1428

De onkosten, gevallen op het aanbod van gerede betaling en op de consignatie, zijn voor
rekening van de schuldeiser, indien dezelve wettelijk zijn geschied.

Artikel 1429

Zolang het in bewaring gebrachte niet door de schuldeiser is aangenomen, kan de
schuldenaar hetzelve terug nemen; in dat geval zijn deszelfs medeschuldenaren en borgen niet
bevrijd.

Artikel 1430

Wanneer de schuldenaar zelf een vonnis verkregen heeft, hetwelk in kracht van gewijsde
gegaan is, en waarbij zijn gedaan aanbod goed en van waarde verklaard is, kan hij, zelfs met
toestemming van de schuldeiser, het in bewaring gebrachte niet meer terug nemen ten nadele van
zijn medeschuldenaren en borgen.

Artikel 1431

De medeschuldenaren en borgen zijn insgelijks bevrijd, indien de schuldeiser, na de dag
van de betekening van de consignatie, een jaar heeft laten voorbijgaan, zonder derzelver
bestaanbaarheid te betwisten.

Artikel 1432

De schuldeiser, die zijn toestemming gegeven heeft, dat de schuldenaar het in bewaring
gebrachte terugneemt, nadat de consignatie bij een rechterlijk vonnis, dat kracht van gewijsde
bekomen had, was verklaard van waarde te zijn, kan niet meer, om betaling van zijn schuld te
bekomen, gebruik maken van de voorrechten of hypotheken, welke daaraan verknocht waren.

Artikel 1433

Ingeval het verschuldigde bestaat in een zekere zaak, welke geleverd moet worden op de
plaats alwaar deze zich bevindt, moet de schuldenaar de schuldeiser gerechtelijk doen aanmanen
om deze naar zich te nemen bij een akte, welke, hetzij aan zijn persoon, hetzij aan zijn werkelijke
of gekozen woonplaats, moet betekend worden. Indien deze aanmaning gedaan is, en de
schuldeiser de zaak niet tot zich neemt, kan de schuldenaar van de rechter verlof bekomen om
dezelve op een andere plaats in bewaring te stellen.

DERDE AFDELING

VAN SCHULDVERNIEUWING

Artikel 1434

Schuldvernieuwing wordt op drieërlei wijze teweeggebracht:
1°. Wanneer een schuldenaar ten behoeve van zijn schuldeiser een nieuwe
schuldverbintenis aangaat, welke in de plaats gesteld wordt van de oude, die daardoor vernietigd
wordt;
2°. Wanneer een nieuwe schuldenaar wordt gesteld in de plaats van de vorige, die door de
schuldeiser van zijn verbintenis ontslagen worden;
3°. Wanneer, tengevolge van een nieuwe overeenkomst, een nieuwe schuldeiser gesteld
wordt in de plaats van de vorige, te wiens opzichte de schuldenaar van zijn verbintenis ontslagen
wordt.

Artikel 1435

Schuldvernieuwing kan slechts plaats hebben tussen personen, die bekwaam zijn om
verbintenissen aan te gaan.

Artikel 1436

Schuldvernieuwing wordt niet voorondersteld; de wil om dezelve daar te stellen moet
duidelijk uit de akte blijken.

Artikel 1437

Schuldvernieuwing, door het in de plaats stellen van een nieuwe schuldenaar, kan
geschieden zonder medewerking van de eerste schuldenaar.

Artikel 1438

Delegatie of overzetting, waarbij een schuldenaar aan zijn schuldeiser een andere
schuldenaar geeft, die zich ten behoeve van de schuldeiser verbindt, brengt geen
schuldvernieuwing te weeg, indien de schuldeiser niet uitdrukkelijk verklaard heeft, dat hij van
mening was om zijn schuldenaar, die de overzetting gedaan heeft, van deszelfs verbintenis te
ontslaan.

Artikel 1439-548

De schuldeiser, zijn schuldenaar, door wie de overzetting geschied is, van zijn
verplichting ontslagen hebbende, heeft op denzelven geen verhaal, indien de in de plaats gestelde
in staat van faillissement is geraakt, tenzij zulks bij de overeenkomst uitdrukkelijk mocht zijn
voorbehouden, of de in de plaats gestelde schuldenaar reeds op het ogenblik van de overzetting
openlijk bankbreukig mocht wezen, of in verval van zaken mocht zijn geraakt.

Artikel 1440

De schuldenaar, die zich bij overzetting aan een nieuwe schuldeiser verbonden heeft, en
daardoor ten aanzien van zijn vorige schuldeiser ontslagen is, kan aan de nieuwe schuldeiser niet
tegenwerpen de exceptiën, welke hij tegen de eerste zou hebben kunnen doen gelden, al was het
dat deze hem bij het aangaan van de nieuwe verbintenis niet bekend zijn geweest; behoudens
echter, in het laatste geval, deszelfs verhaal op de oorspronkelijke schuldeiser.

Artikel 1441

Enkele aanwijzing, door de schuldenaar gedaan, van iemand, die voor hem betalen moet,
brengt geen schuldvernieuwing te weeg.
Hetzelfde geldt ook omtrent een enkele aanwijzing, door de schuldeiser gedaan, van
iemand, die voor hem moet ontvangen.

Artikel 1442

De voorrechten en hypotheken, aan de oude schuldvordering verbonden, gaan niet over
tot die, welke in derzelver plaats is gesteld, tenzij de schuldeiser zich zulks uitdrukkelijk heeft
voorbehouden.

Artikel 1443

Wanneer de schuldvernieuwing wordt teweeggebracht door een nieuwe schuldenaar in de
plaats van de vorige te stellen, gaan de voorrechten en hypotheken die oorspronkelijk aan de
schuldvordering verbonden waren, niet over op de goederen van de nieuwe schuldenaar.

Artikel 1444

Wanneer de schuldvernieuwing plaats vindt tussen de schuldeiser en een der hoofdelijke
schuldenaren, kunnen de voorrechten en hypotheken niet voorbehouden worden, dan alleen op de
goederen van degene, die de nieuwe schuldverbintenis aangaat.

Artikel 1445

Door de schuldvernieuwing, tussen de schuldeiser en een der hoofdelijke schuldenaren
gemaakt, worden de overige mede-schuldenaren van hun verbintenis ontslagen.
Schuldvernieuwing ten aanzien van de hoofdschuldenaar teweeggebracht, ontslaat de
borgen.
Indien evenwel de schuldeiser, in het eerste geval, de toetreding der medeschuldenaren,
en, in het tweede, die der borgen gevorderd heeft, en de mede-schuldenaren of borgen weigeren
om tot de nieuwe schikking toe te treden, blijft de oude schuldverbintenis voortduren.
VIERDE AFDELING

VAN COMPENSATIE OF VERGELIJKING VAN SCHULD

Artikel 1446

Twee personen wederkerig elkanders schuldenaren zijnde, heeft tussen deze vergelijking
plaats, door welke de wederzijdsche schulden worden vernietigd, op de wijze en in de gevallen
hierna vermeld.

Artikel 1447

Vergelijking heeft van rechtswege plaats, zelfs buiten weten der schuldenaren, en de beide
schulden vernietigen elkander over en weder, op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten beloop
van derzelver wederkerig bedrag.

Artikel 1448-549

Vergelijking heeft alleen plaats tussen twee schulden, die beide tot onderwerp hebben een
geldsom, of een zekere hoeveelheid van zaken, die door het gebruik te niet gaan, van dezelfde
soort, en die wederzijds voor een dadelijke vereffening en opeising vatbaar zijn.
Leveringen van levensmiddelen, granen en andere voortbrengselen van de landbouw,
welke niet betwist worden, kunnen in vergelijking gebracht worden tegen vereffende en opeisbare
geldsommen.
De prijs wordt bij verschil door deskundigen bepaald.

Artikel 1449-550

Bekomen uitstel van betaling verhindert geen vergelijking.

Artikel 1450

De vergelijking heeft plaats uit welke oorzaak ook de wederzijdse schulden voortspruiten,
uitgezonderd:
1°. Wanneer de teruggave geëist wordt van een zaak, waarvan de eigenaar wederrechtelijk
ontzet is;
2°. Wanneer geëist wordt de teruggave van iets, hetwelk in bewaring of ter bruikleen
gegeven is;
3°. Ten aanzien van een schuld spruitende uithoofde van levensonderhoud, hetwelk
verklaard is niet in beslag te kunnen worden genomen.

Artikel 1451

Een borg kan in vergelijking brengen hetgeen de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar
verschuldigd is, maar de hoofdschuldenaar kan niet in vergelijking brengen hetgeen de
schuldeiser aan de borg verschuldigd is.
De hoofdelijke schuldenaar mag insgelijks niet in vergelijking brengen hetgeen door de
schuldeiser aan zijn mede-schuldenaar verschuldigd is.

Artikel 1452

Een schuldenaar, die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdracht van rechten,
door de schuldeiser aan een derde gedaan, kan zich niet meer tegen degene, te wiens behoeve die
overdracht gedaan is, bedienen van de vergelijking, welke hij, vóór deze, aan zijn schuldeiser had
kunnen tegenwerpen.
De overdracht van rechten, waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die aan
denzelven is betekend geworden, verhindert slechts de vergelijking der schulden, welke na de
gedane betekening zijn aangegaan.

Artikel 1453

Indien de wederzijdse schulden niet terzelfde plaatse betaalbaar zijn, kunnen deze niet in
vergelijking gebracht worden, dan met vergoeding van de kosten der overmaking.

Artikel 1454

Indien er verscheidene voor vergelijking vatbare en van dezelfde persoon vorderbare
schulden bestaan, moet men, ten aanzien van de vergelijking, de regelen volgen, welke bij artikel
1420 zijn voorgeschreven.

Artikel 1455

Vergelijking heeft geen plaats ten nadele der verkregen rechten van een derde.
Aldus kan hij, die, schuldenaar zijnde, schuldeiser geworden is, nadat op het door hem
verschuldigde door een derde is beslag gelegd, zich niet, ten na dele van de inbeslagnemer, van
de schuldvergelijking bedienen.

Artikel 1456

Hij, die een schuld betaald heeft, welke van rechtswege door vergelijking vernietigd was,
kan zich, bij het invorderen van de inschuld, welke hij niet in vergelijking gebracht heeft, niet
meer, ten nadele van derden, bedienen van de voorrechten en hypotheken, welke aan die inschuld
verbonden waren, tenzij hij een wettige reden van onkunde mocht gehad hebben omtrent het
bestaan der inschuld, met welke zijn schuld had moeten worden in vergelijking gebracht.

VIJFDE AFDELING

VAN SCHULDVERMENGING

Artikel 1457

Wanneer de hoedanigheden van schuldeiser en schuldenaar zich in dezelfde persoon
verenigen, heeft van rechtswege een schuldvermenging plaats, waardoor de schuldvordering
vernietigd wordt.

Artikel 1458

Schuldvermenging, welke in de persoon van de hoofd-schuldenaar plaats vindt, strekt ook
ten voordele van deszelfs borgen.
Die, welke in de persoon van de borg plaats vindt, heeft geenszins de vernietiging der
hoofdverbintenis ten gevolge.
Die, welke in de persoon van een der hoofdelijke schuldenaren plaats heeft, strekt niet
verder tot voordeel van zijn hoofdelijke mede-schuldenaren, dan voor het aandeel in de schuld,
waarvoor hij zelf schuldenaar was.

ZESDE AFDELING

VAN KWIJTSCHELDING VAN SCHULD

Artikel 1459

De kwijtschelding van een schuld wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden.

Artikel 1460

De vrijwillige teruggave van een oorspronkelijk onderhands schuldbewijs, door de
schuldeiser aan de schuldenaar gedaan, bewijst de kwijtschelding van de schuld, zelfs ten aanzien
der hoofdelijke mede-schuldenaren.

Artikel 1461

De kwijtschelding van een schuld, of het ontslag bij overeenkomst, ten behoeve van een
der hoofdelijke medeschuldenaren gegeven, bevrijdt al de overige, tenzij zich de schuldeiser
uitdrukkelijk zijn rechten tegen de laatstgemelde mocht hebben voorbehouden.
In dit laatste geval kan hij de schuld niet verder invorderen, dan na aftrek van het aandeel
van degene, aan wie hij de schuld heeft kwijtgescholden.

Artikel 1462

De teruggave van een in pand gegeven zaak is niet voldoende om de vrijstelling van de
schuld te doen vermoeden.

Artikel 1463

De kwijtschelding van een schuld of het ontslag bij overeenkomst, aan de
hoofdschuldenaar toegestaan, bevrijdt de borgen.
De kwijtschelding, aan de borg toegestaan, bevrijdt de hoofdschuldenaar niet.
De kwijtschelding, aan een der borgen toegestaan, ontslaat de overigen niet.

Artikel 1464

Hetgeen de schuldeiser van een borg heeft ontvangen tot afdoening van deszelfs
borgtocht, moet gerekend worden in mindering van de schuld betaald te zijn, en moet verstrekken
tot ontlasting van de hoofdschuldenaar en van de overige borgen.

ZEVENDE AFDELING

VAN HET VERGAAN VAN DE VERSCHULDIGDE ZAAK

Artikel 1465-551

Ingeval de zekere en bepaalde zaak, welke het onderwerp van de overeenkomst uitmaakte,
vergaat, buiten de handel der mensen geraakt, of verloren gaat, zodanig dat men van derzelver
bestaan te enenmale onkundig is, vervalt de verbintenis, mits de zaak vergaan of verloren is
buiten de schuld van de schuldenaar, en voordat hij in de levering daarvan nalatig gebleven was.
Zelfs dan wanneer de schuldenaar in gebreke is om een zaak te leveren, en hij voor geen
onvoorziene toevallen heeft ingestaan, is de verbintenis vernietigd, indien de zaak op gelijke
wijze bij de schuldeiser zou vergaan zijn, ingeval deze aan hem was geleverd geweest.
De schuldenaar is gehouden het onvoorziene toeval, waarop hij zich beroept, te bewijzen.
Op welke wijze ook een ontvreemde zaak vergaan of verloren is, ontslaat dit verlies
degene, die deze zaak ontvreemd heeft, geenszins van de verplichting om de waarde te
vergoeden.

Artikel 1466

Indien de verschuldigde zaak zonder toedoen van de schuldenaar vergaan, buiten de
handel der mensen geraakt of verloren is, is de schuldenaar gehouden, ingeval hij enige rechten
of vorderingen tot schadevergoeding betrekkelijk deze zaak heeft, die aan zijn schuldeiser af te
staan.

ACHTSTE AFDELING

VAN DE NIETIGHEID EN VAN DE VERNIETIGING

DER VERBINTENISSEN

Artikel 1467-552

Alle verbintenissen, door minderjarige of onder curateele gestelde personen aangegaan,
zijn van rechtswege nietig, en moeten, op een door hen of van hunnentwege daartoe gedane
vordering, worden nietig verklaard, op de enkele grond van de minderjarigheid of van de
curatele.
De verbintenissen, aangegaan door minderjarigen die handlichting hebben bekomen, zijn
slechts van rechtswege nietig, voor zoverre die verbintenissen hun bevoegdheid te boven gaan.

Artikel 1468-553

De bepaling van het vorige artikel is niet toepasselijk op verbintenissen, voortvloeiende
uit een begaan misdrijf, of uit een daad, welke aan een ander schade heeft veroorzaakt.
Ook kan de minderjarigheid niet worden ingeroepen tegen verbintenissen door
minderjarigen, bij huwelijkse voorwaarden, met inachtneming van artikel 204, of bij
arbeidsovereenkomsten, met inachtneming van artikel 1613g, of bij arbeidsovereenkomsten op
welke artikel 1613h van toepassing is, aangegaan, of bij overeenkomsten ingevolge artikel 3 van
de Arbeidswet tot stand gekomen of geldig geacht.

Artikel 1469554
Indien de formaliteiten ten voordele der minderjarigen en onder curatele gestelden, tot de
bestaanbaarheid van zekere akten voorgeschreven, zijn vervuld of hij die de ouderlijke macht
uitoefent, de voogd of de curator handelingen heeft verricht, die de grenzen van zijn bevoegdheid
niet te buiten gaan, worden de minderjarigen en onder curatele gestelden, met opzicht tot die
handelingen, beschouwd als of zij deze na hun meerderjarigheid of buiten curatele hadden
verricht, onverminderd hun verhaal op hem die de ouderlijke macht uitoefent, de voogd of de
curator, zo daartoe gronden zijn.
Artikel 1470
Verbintenissen door geweld, dwaling of bedrog aangegaan, leveren een rechtsvordering
op tot derzelver vernietiging.
Artikel 1471
Uithoofde van benadeling kunnen meerderjarigen, en ook minderjarigen, wanneer zij als
meerderjarig worden aangemerkt, alleen de vernietiging der verbintenissen vorderen, in de
bijzondere gevallen bij de wet voorzien.
Artikel 1472
De nietigverklaring van verbintenissen, op grond van de onbekwaamheid van de
personen, bij artikel 1351 vermeld, heeft tengevolge dat de zaak en de partijen worden hersteld in
de staat, waarin zij zich vóór het aangaan van de verbintenis bevonden, met dien verstande dat al
hetgeen aan de onbevoegde, tengevolge van de verbintenis, is uitgekeerd of betaald, slechts kan
worden terug gevorderd, voor zoverre hetzelve nog onder de onbevoegde berust, of voor zoverre
mocht blijken, dat deze door het uitgekeerde of betaalde werkelijk is gebaat, of dat het genoten te
zijnen nutte is aangewend of gestrekt heeft.
Artikel 1473
De nietigverklaring, op grond van geweld, dwaling of bedrog, heeft insgelijks ten
gevolge, dat de zaak en de partijen worden hersteld in de staat, waarin zij zich vóór het aangaan
van de verbintenis bevonden.
Artikel 1474
In de gevallen, bij de artikelen 1467 en 1470 voorzien, is degene, tegen wie de
rechtsvordering tot nietigverklaring is toegewezen, daarenboven tot vergoeding van kosten,
schade en interesten verbonden, indien daartoe gronden zijn.
Artikel 1475555
In alle gevallen, waarin een rechtsvordering tot nietigverklaring van een verbintenis niet
bij een bijzondere wetsbepaling tot een kortere tijd is beperkt, duurt deze vijf jaren.
Die tijd begint te loopen:
Ingeval van minderjarigheid, van de dag van de meerderjarigheid;
Ingeval van curateele, van de dag van derzelver opheffing;
554 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
555 Gew. bij G.B. 1914 no. 27, S.B. 1981 no. 23.
275
Ingeval van geweld, van de dag waarop hetzelve heeft opgehouden;
Ingeval van dwaling of bedrog, van de dag van de ontdekking;
Ingeval van nietigheid, waarvan in artikel 1362 wordt gehandeld, van de dag van de
ontdekking, dat de voor de nietigheid vereiste wetenschap bestond.
De hierboven vermelde tijd voor het aanleggen van de rechtsvordering is niet toepasselijk
op de nietigheid, bij wege van verdediging of exceptie voorgedragen, welke men steeds zal
kunnen doen gelden.
Artikel 1476
Hij, die vermeent de nietigverklaring van een verbintenis op onderscheidene gronden te
kunnen vorderen, is verplicht al die gronden tegelijk aan te voeren, op straffe van verstek der
zodanige, die later mochten zijn aangevoerd, tenzij de laatstgemelde door het toedoen van de
wederpartij niet vroeger hadden kunnen bekend worden.

Artikel 1477-556

De rechtsvordering tot nietigverklaring vervalt, indien de minderjarige, de onder curatele
gestelde, die zonder bijstand van haar man heeft gehandeld, of hij die zich op geweld, dwaling of
bedrog kan beroepen, de verbintenis uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd, na de dag
van de meerderjarigheid, de opheffing der curatele, het ophouden van het geweld, of de
ontdekking van de dwaling of van het bedrog.

VIJFDE TITEL

VAN KOOP EN VERKOOP

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1478

Koop en verkoop is een overeenkomst, waarbij de een zich verbindt om een zaak te
leveren, en de andere om daarvoor de bedongen prijs te betalen.

Artikel 1479

Zij wordt gehouden tussen de partijen voltrokken te zijn, zodra deze het eens zijn
geworden over de zaak en de prijs, hoewel ook de zaak nog niet mocht geleverd, noch de prijs
betaald zijn.

Artikel 1480

De eigendom van het verkochte goed gaat niet eer tot de koper over, dan nadat de levering
daarvan geschied is, overeenkomstig de artikelen 666, 667 en 670.

Artikel 1481

Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald voorwerp bestaat, is deze, van het
ogenblik van de koop af, voor rekening van de koper, hoewel de levering nog niet heeft plaats
gehad; en heeft de verkoper het recht om de prijs te vorderen.
Artikel 1482
Ingeval goederen niet bij de hoop, maar bij het gewicht, het getal of de maat, verkocht
zijn, blijven deze voor rekening van de verkoper, totdat deze gewogen, geteld of gemeten zijn.

Artikel 1483

Indien daarentegen de goederen bij de hoop verkocht zijn, zijn deze voor rekening van de
koper, alhoewel deze nog niet gewogen, geteld of gemeten mochten zijn.

Artikel 1484

Koop en verkoop op de proef aangegaan, of van goederen die men gewoon is vooraf te
proeven, wordt altijd voorondersteld onder een opschortende voorwaarde te hebben plaats gehad.

Artikel 1485

Indien de koop met het geven van een handgift of een godspenning is gesloten, kan geen
der partijen van dien koop afzien, hetzij door het laten behouden, hetzij door het teruggeven, van
de handgift of de godspenning.

Artikel 1486

De koopprijs moet door de partijen bepaald worden.
Deze kan echter aan de begroting van een derde worden overgelaten.
Indien die derde de begroting niet wil of niet kan doen, heeft er geen koop plaats.

Artikel 1487

De kosten der akten van koop en verkoop, en andere bijkomende onkosten, komen ten
laste van de koper indien het tegendeel niet bedongen is.

Artikel 1488

Tussen echtgenoten kan geen koop of verkoop plaats hebben, dan in de drie volgende
gevallen:
1°. Wanneer een der echtgenoten aan de andere, van wie hij gerechtelijk gescheiden is,
goederen overdraagt, tot voldoening van hetgeen aan denzelven naar rechten toekomt;
2°. Wanneer de overdracht, die de man doet aan zijn vrouw, zelfs van welke hij niet
gescheiden is, enige wettige oorzaak heeft, als daar is tot wederbelegging van haar vervreemde
goederen, of van penningen die haar toebehoren, indien namelijk die goederen of die penningen
van de gemeenschap zijn uitgesloten;
3°. Ingeval de vrouw aan haar man goederen overdraagt tot betaling van een som, welke
zij hem als huwelijksgoed heeft beloofd, voor zover die goederen van de gemeenschap zijn
uitgesloten.
Behoudens echter, in deze drie gevallen, de rechten der erfgenamen van de handelende
partijen, wanneer een van laatstgemelde alzo enig zijdelings voordeel mocht hebben bekomen.

Artikel 1489

Rechters, leden van het openbaar ministerie, griffiers, advocaten, deurwaarders en
notarissen mogen door overdracht geen eigenaars worden van rechten en rechtsvorderingen,
waarover gedingen aanhangig zijn voor de rechter, onder wiens rechtsgebied zij hun bedieningen
uitoefenen, op straffe van nietigheid, en vergoeding van kosten, schade en interesten.

Artikel 1490

Openbare ambtenaren mogen, op dezelfde straf, door henzelven of door tussenkomende
personen, geen zaken kopen die door hen of te hunnen overstaan verkocht worden.

Artikel 1491

Insgelijks mogen, op dezelfde straffen, door henzelven of door tussenkomende personen,
bij onderhandse verkoop geen kopers worden;
Lasthebbers van zaken met welke verkoop zij belast waren;
Bewindvoerders van zaken, aan de Staat Suriname, of aan andere openbare instellingen,
toebehorende, welke aan hun zorg en beheer zijn toevertrouwd.
Het blijft echter aan de President voorbehouden om aan openbare bewindvoerders
vrijstelling van dit verbod te verlenen.
De voogden kunnen de onroerende goederen, aan hun pupillen toebehorende, kopen, op
de wijze bij artikel 456 bepaald.

Artikel 1492

Koop en verkoop van eens anders goed is nietig, en kan tegen de verkoper grond
opleveren tot vergoeding van kosten, schade en interesten, indien de koper niet geweten heeft dat
de zaak aan een ander toebehoorde.

Artikel 1493

Indien, op het ogenblik der verkoping, het verkochte goed geheel mocht vergaan zijn, is
de koop nietig.
Bijaldien slechts een gedeelte daarvan vergaan is, staat het aan de koper vrij om, of de
koop te laten varen, of het behouden gebleven gedeelte te vorderen, en de koopprijs daarvoor bij
vergelijkende waardering te doen bepalen.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE VERKOPER

Artikel 1494

De verkoper is gehouden om duidelijk uit te drukken waartoe hij zich verbindt; alle
duistere en dubbelzinnige bedingen worden te zijnen nadele uitgelegd.

Artikel 1495

Hij heeft twee hoofdverplichtingen, namelijk om de verkochte zaak te leveren, en deze te
vrijwaren.

Artikel 1496

De levering is een overdracht van het verkochte goed in de macht en het bezit van de
koper.

Artikel 1497

De kosten der levering zijn ten laste van de verkoper, en die van de weghaling ten laste
van de koper, zo niet het tegendeel bedongen is.

Artikel 1498

De levering moet geschieden ter plaatse, waar het verkochte goed zich op het tijdstip van
de verkoping bevond, indien daaromtrent geen andere overeenkomst getroffen is.

Artikel 1499

De verkoper is niet verplicht het goed te leveren, indien de koper de koopprijs niet betaalt,
en de verkoper hem geen uitstel van betaling heeft toegestaan.

Artikel 1500-557

Vervallen.

Artikel 1501

Indien de levering door de nalatigheid van de verkopers achterwege blijft, kan de koper
vernietiging van de koop vorderen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1287 en 1288.

Artikel 1502

Het goed moet geleverd worden in de staat, waarin hetzelve zich op het ogenblik van de
verkoop bevindt.
Van die dag af aan behoren alle vruchten aan de koper.

Artikel 1503

De verplichting om een zaak te leveren bevat al wat daartoe behoort, en tot derzelver
bestendig gebruik bestemd is, mitsgaders de bewijzen van eigendom, indien die aanwezig zijn.

Artikel 1504

De verkoper is verplicht het gekochte te leveren in deszelfs gehelen omvang, zoals het in
de overeenkomst uitgedrukt wordt, onder de navolgende wijzigingen.

Artikel 1505

Indien de verkoop van een onroerend goed geschied is met vermelding van deszelfs
uitgestrektheid of inhoud, tegen bepaling van een zekere prijs voor de maat, is de verkoper
gehouden om de hoeveelheid, bij de overeenkomst uitgedrukt, te leveren; en indien hem dit
onmogelijk is, of de koper zulks niet vordert, is de verkoper verplicht zich met een evenredige
vermindering van prijs te vergenoegen.

Artikel 1506

Indien daarentegen, in het geval bij het vorige artikel vermeld, het onroerend goed een
grotere omvang bevat, dan in de overeenkomst uitgedrukt is, heeft de koper de keus om, of de
prijs in evenredigheid te verhogen, of van de koop af te zien, indien namelijk het meerdere een

twintigste gedeelte beloopt boven de omvang bij de overeenkomst uitgedrukt.

Artikel 1507

In alle andere gevallen, hetzij een zeker bepaald voorwerp verkocht is, hetzij de verkoop
afgescheiden en afzonderlijke erven tot onderwerp hebben, hetzij deze beginnen met de opgave
van de maat, of met de aanduiding van het verkochte goed, gevolgd van de opgave van de maat,
levert de vermelding dezer maat ten behoeve van de verkoper geen grond op tot enige
vermeerdering van prijs voor het meerdere van de maat, noch ten behoeve van de koper tot enige
vermindering van prijs voor het mindere van de maat, dan voor zoverre het onderscheid tussen de
werkelijke maat, en die, welke in de overeenkomst is uitgedrukt, een twintigste meer of minder
bedraagt, berekend naar de waarde van het geheel der verkochte voorwerpen, tenzij het tegendeel
mocht bedongen zijn.

Artikel 1508

Indien er, volgens het voorgaande artikel, grond bestaat tot verhoging van de koopprijs
voor het meerdere van de maat, heeft de koper de keus om, of van de koop af te zien, of de
verhoogde koopprijs te betalen, en zulks met de interesten, ingeval hij het onroerend goed
gehouden heeft.

Artikel 1509

In alle gevallen, waarin de kooper het recht heeft om van de koop af te zien, is de
verkoper gehouden hem, behalve de koopprijs, indien hij denzelven ontvangen heeft, de kosten,
op de koop en de levering gevallen, terug te geven, voor zoverre hij die volgens overeenkomst
mocht hebben betaald.

Artikel 1510

De rechtsvordering tot aanvulling van de koopprijs, van de zijde van de verkopers, en die
tot vermindering van de prijs, of tot vernietiging van de koop, van de kant van de kopers, moeten
aangelegd worden binnen de tijd van een jaar, te rekenen van de dag, waarop de levering is
geschied; zullende, bij gebreke van dien, deze rechtsvorderingen vervallen zijn.

Artikel 1511

Indien twee erven bij dezelfde overeenkomst en gezamenlijk voor één prijs verkocht zijn,
met opgave van de hoegrootheid van ieder, en er bevonden wordt, dat het een meer en het andere
minder omvang heeft, wordt dit verschil tot het vereiste beloop bij wege van vergelijking
vereffend, en heeft de vordering, hetzij tot aanvulling, hetzij tot vermindering van de koopprijs,
niet verder plaats dan overeenkomstig de hierboven vastgestelde regelen.

Artikel 1512

De vrijwaring, waartoe de verkoper jegens de koper gehouden is, heeft twee strekkingen,
namelijk, vooreerst, het rustig en vreedzaam bezit van de verkochte zaak, ten tweede, de
verborgen gebreken van die zaak, of de zodanige, die aanleiding geven tot vernietiging van de
koop.

Artikel 1513

Hoezeer bij de verkoop geen beding omtrent de vrijwaring gemaakt is, is de verkoper van
rechtswege verplicht de koper te waarborgen voor de uitwinning, welke deze op het gehele
verkochte goed, of op een gedeelte daarvan, komt te lijden, of wegens de lasten welke men
beweert op dat goed te hebben, en die bij het aangaan van de koop niet opgegeven zijn.

Artikel 1514

Partijen kunnen, bij bijzondere overeenkomsten, deze door de wet opgelegde verplichting
uitbreiden of inkorten; zij kunnen zelfs overeenkomen, dat de verkoper tot geen vrijwaring
hoegenaamd zal gehouden zijn.

Artikel 1515

Alhoewel bedongen mogen zijn, dat de verkoper tot geen vrijwaring zal gehouden zijn,
blijft hij nochtans aansprakelijk voor de zodanige, welke uit een daad, door hem zelf verricht,
voortspruit; alle hiermede strijdende overeenkomsten zijn nietig.

Artikel 1516

De verkoper is, bij hetzelfde beding, ingeval van uitwinning, gehouden de koopprijs terug
te geven, tenzij de koper, ten tijde van de koop, het gevaar van uitwinning mocht gekend hebben,
of de zaak op eigen bate en schade mocht hebben gekocht.

Artikel 1517-558

Indien vrijwaring beloofd, of dienaangaande niets is bedongen geworden, heeft de koper,
ingeval van uitwinning, het recht om van de verkoper te vorderen:
1°. de teruggave van de koopprijs;
2°. de teruggave der vruchten, ingeval hij verplicht is die aan de uitwinnende eigenaar uit
te keren;
3°. de kosten op de eis van de koper tot vrijwaring gevallen, alsmede de kosten door de
oorspronkelijke eiser gemaakt;
4°. de vergoeding van kosten, schade en interesten, mitsgaders de gerechtelijke kosten op
de koop en de levering gevallen, voor zoverre de koper die mocht hebben betaald.

Artikel 1518

Indien, op het ogenblik van de uitwinning, het verkochte goed bevonden wordt in waarde
verminderd of aanmerkelijk vervallen te zijn, hetzij door de nalatigheid van de koper, hetzij door
overmacht, is de verkoper niettemin gehouden de gehelen koopprijs terug te geven.
Doch indien de koper voordeel heeft genoten van de door hem toegebrachte schade, heeft
de verkoper de bevoegdheid om een met dat voordeel gelijkstaande som van de koopprijs af te
trekken.

Artikel 1519

Indien het verkochte goed bevonden wordt, op het tijdstip van de uitwinning, in waarde te
zijn vermeerderd, zelfs zonder toedoen van de koper, is de verkoper verplicht aan deze te betalen,
hetgeen het verkochte goed boven de koopprijs waardig is.

Artikel 1520

De verkoper is verplicht aan de koper terug te geven, of door degene, die de uitwinning
gedaan heeft, te doen teruggeven, al hetgeen hij wegens reparatiën en nuttige verbeteringen aan
het goed heeft uitgeschoten.
Indien de verkoper te kwader trouw eens anders goed verkocht heeft, is hij gehouden aan
de koper alle gemaakte onkosten terug te geven, zelfs de zodanige welke alleen tot sieraad of
vermaak aan het goed besteed zijn.

Artikel 1521

Indien slechts een gedeelte van het goed uitgewonnen is, en dat gedeelte, met betrekking
tot het geheel, zo aanmerkelijk is, dat de koper zonder het uitgewonnen gedeelte de koop niet zou
hebben aangegaan, kan hij de koop doen vernietigen, mits hij de rechtsvordering daartoe aanlegt
binnen een jaar na de dag, waarop het vonnis van uitwinning in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 1522

Wanneer, ingeval van uitwinning van een gedeelte van het verkochte goed, de koop niet
vernietigd is, moet de koper voor het uitgewonnen gedeelte worden schadeloos gesteld, volgens
de geschatte waarde, welke het goed ten tijde van de uitwinning gehad heeft, doch niet naar
evenredigheid van de gehele koopprijs, hetzij het verkochte goed in waarde mocht zijn
vermeerderd of verminderd.

Artikel 1523

Indien het verkochte goed bevonden wordt bezwaard te zijn met erfdienstbaarheden,
zonder dat die aan de koper zijn bekend gemaakt, of dat deze daarvan kennis kon dragen, en die
erfdienstbaarheden van zo groot belang zijn, dat men reden heeft om te vermoeden, dat de koper
de koop niet zou hebben gesloten, indien hij daarvan was onderricht geweest, kan hij de
vernietiging van de koop vorderen, tenzij hij liever verkoos zich met een schadeloosstelling te
vergenoegen.

Artikel 1524

De vrijwaring terzake van uitwinning houdt op, indien de koper zich bij een vonnis,
hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, heeft laten veroordeelen, zonder de verkoper te roepen,
en deze bewijst, dat er genoegzame gronden aanwezig waren om de eis te doen ontzeggen.

Artikel 1525

De verkoper is gehouden tot vrijwaring wegens verborgen gebreken van het verkochte
goed, die hetzelve ongeschikt maken tot het gebruik, waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in
dier voege verminderen, dat bijaldien de koper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het
geheel niet, of niet dan voor een mindere prijs zou gekocht hebben.

Artikel 1526

De verkoper is niet gehouden in te staan voor zichtbare gebreken, welke de koper zelf had
kunnen ontdekken.

Artikel 1527

Hij moet voor de verborgen gebreken instaan, al was hij daarvan ook zelf onkundig
geweest, tenzij hij, in dat geval, bedongen had, dat hij tot geen vrijwaring hoegenaamd zou
gehouden zijn.

Artikel 1528

In de gevallen bij de artikelen 1525 en 1527 vermeld, heeft de koper de keus om of het
goed terug te geven, en de koopprijs terug te vorderen, of het goed te behouden, en zich zodanig
gedeelte van de koopprijs te doen terug geven, als de rechter, na deskundigen hierop te hebben
gehoord, zal bepalen.

Artikel 1529

Indien de verkoper de gebreken van het goed gekend heeft, is hij, behalve tot teruggave
van de daarvoor ontvangen koopprijs, nog jegens de koper tot vergoeding van alle kosten, schade
en interesten gehouden.

Artikel 1530

Indien de verkoper de gebreken van het goed niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot
de teruggave van de koopprijs, alsmede om aan de koper de kosten op de koop en de levering
gevallen te vergoeden, voor zooverre hij die mocht hebben betaald.

Artikel 1531

Indien de verkochte zaak, die verborgen gebreken had, tengevolge van deze vergaan is,
valt het verlies voor rekening van de verkoper, die jegens de koper gehouden zal zijn tot
teruggave van de koopprijs, en tot de overige schadevergoedingen, waarvan in de twee
voorgaande artikelen is melding gemaakt.
Doch het verlies, door toeval veroorzaakt, is voor rekening van de koper.

Artikel 1532

De rechtsvordering, voortspruitende uit gebruiken, die de vernietiging van de koop ten
gevolge hebben, moet door de koper aangelegd worden binnen een korte tijd, overeenkomstig de
aard van die gebreken, en met inachtneming der gebruiken van de plaats, alwaar de koop gesloten is.

Artikel 1533

Deze rechtsvordering heeft geen plaats bij verkopingen, die op rechterlijk gezag
geschieden.

DERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE KOPER

Artikel 1534

De hoofdverplichting van de koper bestaat in het betalen van de koopprijs, ten tijde en ter
plaatse bij de overeenkomst bepaald.

Artikel 1535

Indien er bij het aangaan van de koop niets daaromtrent bepaald is, moet de koper betalen
ter plaatse alwaar, en op de tijd waarop de levering geschieden moet.

Artikel 1536

De koper is, zelfs zonder uitdrukkelijk beding, tot het betalen van interesten van de
koopprijs verplicht, indien de verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten
oplevert.

Artikel 1537

Indien de koper door een hypothekaire rechtsvordering, of door een rechtsvordering tot
reclame, in zijn bezit gestoord is, of gegronde reden heeft om te vrezen, dat hij daarin zal
gestoord worden, kan hij de betaling van de koopprijs opschorten, totdat de verkoper de stoornis
heeft doen ophouden, tenzij deze liever verkoos zekerheid te stellen, of er bedongen mocht zijn,
dat de koper, niettegenstaande alle stoornis, tot de betaling verplicht is.

Artikel 1538

Indien de koper de koopprijs niet betaalt, kan de verkoper de vernietiging van de koop
vorderen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1287 en 1288.

Artikel 1539

Niettemin zal, ingeval van verkoop van waren en meubelen, de vernietiging van de koop,
ten behoeve van de verkooper, van rechtswege en zonder aanmaning plaats hebben, na het
verlopen van de tijd, tot afhaling van het verkochte bepaald.

VIERDE AFDELING

VAN HET RECHT VAN WEDERINKOOP

Artikel 1540

Het vermogen om het verkochte weder in te kopen spruit voort uit een beding, waarbij de
verkoper zich het recht voorbehoudt om het verkochte terug te nemen, tegen teruggave van de
oorspronkelijke koopprijs, en de vergoeding waarvan in artikel 1553 gesproken wordt.

Artikel 1541

Het recht van wederinkoop mag voor geen langere tijd dan voor vijf jaren worden
bedongen.
Indien hetzelve voor een langer tijdvak bedongen is, wordt die tijd tot de gemelde vijf
jaren ingekort.

Artikel 1542

Het bepaalde tijdvak moet naar scherpheid van rechten worden opgevat; hetzelve mag
door de rechter niet verlengd worden, en wanneer de verkoper verzuimt om zijn rechtsvordering
tot wederinkoop binnen de voorgeschreven termijn te doen gelden, blijft de koper onherroepelijk
eigenaar van het gekochte.

Artikel 1543

Dit tijdvak loopt ten nadele van een ieder, zelfs van minderjarigen, behoudens hun verhaal
op die het aangaat, indien daartoe gronden bestaan.

Artikel 1544

De verkoper van een onroerend goed, die zich het vermogen om het verkochte weder in te
kopen heeft voorbehouden, kan tegen een tweede koper zijn recht doen gelden, al ware ook bij de
tweede overeenkomst van dat beding geen melding gemaakt.

Artikel 1545

Hij, die gekocht heeft onder beding van wederinkoop, treedt in al de rechten van zijn
verkoper; hij kan zich van de verjaring bedienen, zowel tegen de ware eigenaar, als tegen degene,
die enige hypothekaire of andere rechten op de verkochte zaak mochten vermeen te hebben.
Artikel 1546

Hij kan tegen de schuldeisers van de verkoper het voorrecht van uitwinning doen gelden.

Artikel 1547

Indien hij, die onder beding van wederinkoop een onverdeeld aandeel in een onroerend
goed gekocht heeft, na een tegen hem gerichte rechtsvordering tot scheiding en deling, koper van
het geheel is geworden, kan hij de verkoper verplichten het geheel over te nemen, ingeval deze
van het gemelde beding wil gebruik maken.

Artikel 1548

Indien verscheidene personen enig goed, tussen hen gemeen, gezamenlijk en bij een en
dezelfde overeenkomst verkocht hebben, kan ieder van hun het recht van wederinkoop slechts
doen gelden voor zoverre zijn aandeel bedroeg.

Artikel 1549

Hetzelfde heeft ook plaats, wanneer iemand, die alleen enig goed heeft verkocht,
verscheidene erfgenamen nalaat.
Ieder van deze mede-erfgenamen kan slechts van het vermogen van wederinkoop gebruik
maken, voor zoveel zijn aandeel in de nalatenschap bedraagt.

Artikel 1550

Doch, in de gevallen der twee voorgaande artikelen, kan de koper vorderen, dat al de
mede-verkopers of mede-erfgenamen worden opgeroepen, teneinde zich onderling nopens de
wederinkoop van het gehele goed te verstaan; en indien zij het niet eens worden, zal de eis tot
wederinkoop worden ontzegd.

Artikel 1551

Indien de verkoop van een zaak, aan verscheidene personen toebehorende, niet door alle
gezamenlijk en voor het geheel geschied is, maar ieder van deze afzonderlijk dat gedeelte
verkocht heeft, hetwelk hem daarin toebehoorde, kan ieder van hun het recht van wederinkoop
afzonderlijk, ten aanzien van het deel dat hem daarin toekwam, uitoefenen; en de koper kan
degene, die op deze wijze van zijn recht gebruik maakt, niet dwingen om het geheel over te
nemen.

Artikel 1552

Indien de koper verscheidene erfgenamen heeft nagelaten, kan van het recht van
wederinkoop tegen ieder van dezelve niet verder worden gebruik gemaakt, dan voor zoveel zijn
aandeel betreft, zowel in het geval dat de boedel nog niet gescheiden is, als in het geval dat het
verkochte goed onder de erfgenamen is verdeeld.
Maar indien de boedel gescheiden is, en het verkochte goed aan een der erfgenamen is te
beurt gevallen, kan de rechtsvordering tot wederinkoop voor het geheel tegen deze worden
aangelegd.

Artikel 1553

De verkoper die van het beding van wederinkoop gebruik maakt, is niet alleen verplicht
de gehele oorspronkelijke koopprijs terug te geven, maar ook te vergoeden alle rechtmatige
kosten, op en terzake van de koop en de levering gevallen, mitsgaders de noodzakelijke kosten
van reparatiën, en die, waardoor het verkochte goed in waarde vermeerderd is, ten beloop van
deze vermeerdering.
Hij kan niet in het bezit van het wederingekochte treden, dan na aan al deze
verplichtingen te hebben voldaan.
Wanneer de verkoper, tengevolge van het beding van wederinkoop, zijn goed
terugbekomt, moet hetzelve vrij van alle lasten en hypotheken, door de koper daarop gelegd, tot
hem overgaan; hij is echter verplicht de huurovereenkomsten, welke de koper te goeder trouw
mocht hebben aangegaan, gestand te doen.

VIJFDE AFDELING

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREKKELIJK DE KOOP EN VERKOOP VAN

INSCHULDEN, EN ANDERE ONLICHAMELIJKE RECHTEN

Artikel 1554

De verkoop van een inschuld bevat al wat daartoe behoort, als borgtochten, voorrechten
en hypotheken.

Artikel 1555

Hij, die een inschuld of een ander onlichamelijk recht verkoopt, moet instaan voor het
aanwezen daarvan ten tijde van de levering, hoewel ook de verkoop zonder belofte van vrijwaring
geschied is.

Artikel 1556

Hij is voor de genoegzame gegoedheid van de schuldenaar niet verantwoordelijk, tenzij
hij zich daartoe verbonden heeft, en slechts ten beloop van de koopprijs, welke hij voor de
inschuld ontvangen heeft.

Artikel 1557

Indien hij beloofd heeft te zullen instaan voor genoegzame gegoedheid van de
schuldenaar, moet deze belofte verstaan worden van deszelfs tegenwoordige gegoedheid, en
strekt zich niet uit tot het toekomstige, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bedongen is.

Artikel 1558

Die een erfenis verkoopt, zonder dat hij stuk voor stuk opgeeft, waarin deze bestaat, is
niet verder gehouden, dan tot vrijwaring van zijn hoedanigheid van erfgenaam.

Artikel 1559

Indien hij reeds de vruchten van enig stuk goed genoten, of het beloop van enige inschuld,
tot die erfenis behorende, ontvangen, of enige goederen uit die nalatenschap verkocht mocht
hebben, is hij verplicht deze aan de koper te vergoeden, indien niet uitdrukkelijk anders is
bedongen.

Artikel 1560

De koper is van zijn kant verplicht aan de verkoper te vergoeden al hetgeen deze wegens
de schulden en lasten van de nalatenschap mocht hebben betaald, en datgene te voldoen, hetwelk
de verkoper, als schuldeiser van de erfenis, te vorderen had, tenzij het tegendeel mocht bedongen
zijn.

ZESDE AFDELING559

VAN KOOP EN VERKOOP OP AFBETALING

§1

VAN KOOP EN VERKOOP OP AFBETALING IN HET ALGEMEEN

Artikel 1561-560

Koop en verkoop op afbetaling is de koop en verkoop, waarbij partijen overeenkomen, dat
de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de verkochte
zaak aan de verkoper is overgedragen, al dan niet in eigendom.
Alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, onder welke vorm of welke
benaming ook aangegaan, worden als koop en verkoop op afbetaling aangemerkt.
Koop en verkoop op afbetaling in de zin van de wet zijn niet de overeenkomsten, welke
betrekking hebben op onroerende zaken of op schepen, die kunnen worden ingeschreven in een
der registers, bedoeld in artikel 378 van het Surinaamsch Wetboek van Koophandel.

Artikel 1561a

Van de bepalingen van deze afdeling mag slechts worden afgeweken, indien en voor
zover dit daaruit blijkt.

Artikel 1561b-561

Bedingen, waarbij of krachtens welke de schuldenaar, voor het geval hij enige
verplichting uit de overeenkomst niet vervult, de betaling van zekere som als schadevergoeding
of enige straf wordt of kan worden opgelegd, kunnen alleen bij schriftelijk aangegane
overeenkomst worden gemaakt.
Indien de overeengekomen of opgelegde schadevergoeding of straf de rechter bovenmatig
voorkomt, kan deze haar, ten aanzien van het hem voorgelegde geval, verminderen of opheffen.

Artikel 1561c

Vervroegde opeisbaarheid, als straf wegens nalatigheid van de koper in het betalen van
termijnen, kan alleen bedongen worden voor het geval de achterstand bedraagt, ten aanzien van

.

één termijn tenminste een tiende, of ten aanzien van meer termijnen gezamenlijk tenminste een
twintigste deel van de gehele koopprijs.
Onder gehele koopprijs wordt verstaan de som van alle betalingen waartoe de koper bij
regelmatige nakoming van de overeenkomst gehouden is.
Het tweede lid van artikel 1561b is hier niet van toepassing.

Artikel 1561d

Op enig beding, als bedoeld in de voorafgaande twee artikelen kan wegens niet tijdige
nakoming beroep alleen worden gedaan, indien de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld,
nalatig blijft om zijn verplichtingen na te komen.

Artikel 1561e-562

De koper is steeds bevoegd tot vervroegde betaling van een of meer eerstvolgende
termijnen van de koopprijs.
Ingeval van vervroegde betaling ineens van het gehele nog verschuldigde bedrag heeft hij
recht op een aftrek, berekend naar zes ten honderd 's jaars over elke daarbij vervroegd betaalde
termijn.
Van de bepalingen van dit artikel kan ten voordele van de koper door partijen worden
afgeweken.

Artikel 1561f

Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de koper aan de verkoper
of aan een derde enig recht toekent op zijn loon, pensioen of andere periodieke inkomsten wegens
arbeidsovereenkomst, kan terzake van koop en verkoop op afbetaling, behalve voor opeisbare
verplichtingen, alleen geschieden voor betalingen, waartoe de koper bij regelmatige nakomingen
van de overeenkomst zal gehouden zijn en voor de kosten.
De handeling heeft alsdan geen werking dan naar gelang bedoelde termijnen verschijnen
overeenkomstig een bij schriftelijke overeenkomst vastgelegd plan van regelmatige afbetaling of
naar gelang er kosten vallen, telkens tot het beloop daarvan.
Bovendien is vereist, dat de koper, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig is gebleven.
Alleen de termijnen en kosten, waarover de ingebrekestelling is geschied, en die, welke daarna
verschijnen, komen in aanmerking bij het bepalen van bedoelde werking.
Ten aanzien van hem, die de uitkering wegens arbeidsovereenkomst verschuldigd is, heeft
de handeling geen gevolg, alvorens de ingebrekestelling van de koper en het plan van regelmatige
afbetaling met opgave van hetgeen daarop voldaan is en van de gevorderde kosten schriftelijk te
zijner kennis zijn gebracht, dan wel schriftelijk door hem zijn erkend. Betalingen
dienovereenkomstig te goeder trouw door hem gedaan, bevrijden hem tegenover de koper.

Artikel 1561g

Volmacht tot invordering van loon, pensioen of andere periodieke vorderingen terzake
van een arbeidsovereenkomst, onder welke vorm of welke benaming ook, door de koper
verleend, is steeds herroepelijk.

§2

VAN HUURKOOP

Artikel 1561h

Huurkoop is de koop en verkoop op afbetaling, waarbij partijen overeenkomen, dat de
verkochte zaak niet door enkele overdracht in eigendom van de koper overgaat.
Alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, hetzij als huur en verhuur, hetzij
onder andere vorm of andere benaming aangegaan, worden als huurkoop aangemerkt.
Onder huurkoop is begrepen, de overeenkomst waarbij terzake van een koop en verkoop
een derde, die de eigendom van de zaak verwerft, aan de koper crediet verleent, dus dat het
geheel van handelingen de strekking van huurkoop verlangt.
Artikel 1561i563
Huurkoop wordt aangegaan bij authentieke of onderhandse akte, welke voldoet aan de
bepalingen van artikel 1561j.
Hetzelfde geldt voor overeenkomsten, welke bestaande overeenkomsten zodanig wijzigen
of aanvullen, dat daardoor huurkoop zou ontstaan.
Wordt de overeenkomst aangegaan bij onderhandse akte, dan moet deze, zo de koper dit
verlangt, in dubbel worden opgemaakt.
Het dubbel, of zo dit niet is opgemaakt, een authentiek of door de verkoper ondertekend
afschrift, wordt zo spoedig mogelijk na het sluiten van de overeenkomst door de verkoper aan de
koper verstrekt.
Verder afschrift kan de koper te allen tijde tegen betaling van de kosten vorderen.
Artikel 1561j-564

De akte van huurkoop moet duidelijk vermelden de gehele koopprijs als bedoeld in artikel
1561c, het plan van regelmatige afbetaling, als bedoeld in artikel 1561f, en de bedingen
betreffende voorbehoud en overgang van eigendom.
In de gevallen, bedoeld in het tweede en het derde lid van artikel 1561h, treden de
overeenkomstige gegevens hiervoor in de plaats.
Ontbreekt een akte, welke voldoet aan genoemde voorwaarden, dan geldt de
overeenkomst niet als huurkoop, doch wordt de koop en verkoop op afbetaling geacht te zijn
gesloten zonder beding, dat de verkochte zaak niet door enkele overdracht aan de koper overgaat.

Artikel 1561k

Ter zake van huurkoop kan de koper geen andere woonplaats kiezen dan zijn werkelijke
woonplaats of de plaats, waar hij zijn bedrijf, filiaal of bijkantoor heeft, behalve voor het geval
hij te eniger tijd mocht wonen buiten de plaats, waar hij bij het aangaan van de overeenkomst
woonachtig was, of hij geen bekende woonplaats noch bekend verblijf in Suriname mocht
hebben.

Artikel 1561l-565

De verkoper draagt de in huurkoop gekochte zaak aan de koper over en is verplicht hem
terzake van het rustig en vreedzaam genot en van de verborgen gebreken te vrijwaren. De
bepalingen van de tweede afdeling van deze titel vinden hierop overeenkomstige toepassing, ook
ten aanzien van de vrijheid van partijen om daarvan af te wijken.
Vervreemding door de verkoper van de in huurkoop overgedragen zaak werkt niet ten
nadele van de huurkoper.

Artikel 1561m-566

De koper heeft van de zaak, die hij krachtens huurkoop onder zich heeft, het genot, ook
voordat hij de eigendom daarvan verkrijgt.
Hij mag de zaak gebruiken overeenkomstig haar bestemming.
Haar gedaante of inrichting mag hij niet veranderen, noch de zaak verhuren of haar genot
aan anderen afstaan.
Hij is aansprakelijk voor alle schade welke de zaak lijdt tijdens zijn genot. Voor haar
onderhoud en bewaring draagt hij zorg als een goed huisvader.
Van deze bepalingen kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 1561n
De vruchten, welke de zaak tijdens het genot oplevert, behoren de koper toe. Voor zover
bij de akte van huurkoop hiervan is afgeweken, heeft de koper niettemin het genot der vruchten,
indien niet anders is overeengekomen.
De burgerlijke vruchten worden, voor zover niet anders is overeengekomen, gerekend van
dag tot dag verkregen te worden en de verkoper toe te behoren, naar mate zijn genot duurt, welk
ook het tijdstip mogen wezen, waarop deze betaalbaar zijn.
De verplichting tot teruggave van de in huurkoop overgedragen zaak omvat die tot
teruggave van de vruchten, welke de verkoper toebehoren.

Artikel 1561o-567

Het recht van terughouding betreffende een zaak welke hij, tegen wie dit recht mocht
gelden, in huurkoop heeft, kan ook tegen de verkoper worden ingeroepen, tenzij de gerechtigde
bij de handeling, waaruit zijn recht ontstond de koper niet te goeder trouw als eigenaar mocht
beschouwen.

Artikel 1561p

De eigendom van een in huurkoop overgedragen zaak gaat, gelijk anders door levering,
aan de koper over door betaling van het gehele, ter zake van de huurkoop verschuldigde bedrag
of door eerdere vervulling van andere voorwaarden, dienaangaande overeengekomen.
Hiervan kan worden afgeweken bij het aangaan van een nieuwe schuld, tot zekerheid
daarvan.

Artikel 1561q-568

Ontbinding van huurkoop, of teruggave van een in huurkoop gehouden zaak krachtens
daartoe gemaakt beding, kan, wegens niet tijdige nakoming door de koper van zijn verplichtingen,
niet worden ingeroepen of gevorderd, tenzij de koper, na in gebreke te zijn gesteld,
nalatig blijft om zijn verplichtingen na te komen.
Artikel 1561r
Wanneer de verkoper ontbinding van de overeenkomst of teruggave van de in huurkoop
overgedragen zaak kan vorderen, zal hij, indien er redelijk belang bestaat bij onverwijlde
voorziening een rechterlijk bevel tot teruggave bij voorraad kunnen verkrijgen.

Artikel 1561s

Indien, wegens het niet nakomen door de koper van zijn verplichtingen, de in huurkoop
overgedragen zaak krachtens daartoe gemaakt beding wordt teruggenomen, heeft dit ontbinding
van de overeenkomst tot gevolg, tenzij tussen partijen anders overeengekomen is.

Artikel 1561t

Indien bij ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door de koper van
zijn verplichtingen de verkoper in betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand
blijven van de overeenkomst, vindt volledige verrekening plaats.

Artikel 1561u

Indien bij ontbinding van de overeenkomst de koper recht mocht hebben op enige
terugbetaling, kan hij door de rechter worden gemachtigd de zaak die hij terug moet geven, onder
zich te houden, totdat het hem verschuldigde wordt betaald of de verkoper daarvoor voldoende
zekerheid heeft gesteld.

Artikel 1561v

Indien wegens niet betaling van verschenen termijnen de in huurkoop overgedragen zaak
is teruggenomen zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst, kan de koper gedurende veertien
dagen na de terugneming de zaak inlossen, door betaling van de verschenen termijnen en de
verschuldigde rente, boeten en kosten.
Mocht de overeenkomst zijn ontbonden, dan wordt dit door de inlossing ongedaan
gemaakt.
Bij herhaling van het in het eerste lid genoemde geval heeft de koper het recht van
inlossing alleen onder volledige betaling.
Aan de vordering tot inlossing anders dan onder volledige betaling, behoeft de verkoper
niet te voldoen, indien omstandigheden aanwezig zijn, die tot toepassing van artikel 1561r
aanleiding zouden geven.
Van de bepalingen van dit artikel kan ten voordele van de koper door partijen worden
afgeweken.

Artikel 1561w

In het vonnis, waarbij de verplichting tot teruggave van een in huurkoop overgedragen
zaak wordt vastgesteld of de overeenkomst wordt ontbonden, kan een bevel tot teruggave worden
opgenomen.
Dit bevel, gelijk ook dat tot teruggave bij voorraad, wordt ten uitvoer gelegd op de wijze
bepaald in de vijfde afdeling van de tweede titel van het tweede boek van het Surinaams Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 1561x

Bij het vonnis, dat bevel tot teruggave uit kracht van huurkoop inhoudt, kan de
geldswaarde der terug te geven zaak worden vastgesteld.
In dat geval kan de tenuitvoerlegging ook door uitwinning geschieden.

ZESDE TITEL

VAN RUILING

Artikel 1562

Ruiling is een overeenkomst, waarbij partijen zich verbinden om aan elkander wederkerig
een zaak in de plaats van een andere te geven.

Artikel 1563

Al hetgeen voor verkoop vatbaar is, kan ook het onderwerp van ruiling uitmaken.

Artikel 1564

Indien de ene partij de zaak, welke haar in ruiling gegeven wordt, reeds ontvangen heeft,
en naderhand bewijst, dat de andere daarvan geen eigenaar was, kan zij niet genoodzaakt worden
tot levering van de zaak, welke zij van haar kant heeft beloofd, doch alleen om die, welke zij
ontvangen heeft, terug te geven.

Artikel 1565

Hij, die door uitwinning gesteld is uit het bezit van de zaak, welke hij in ruiling heeft
ontvangen, heeft de keus om van de wederpartij vergoeding van kosten, schade en interesten, of
de teruggave van de door hem gegeven zaak, te vorderen.
Artikel 1566

Indien een zekere en bepaalde zaak, welke men beloofd had in ruiling te geven, buiten
schuld van de eigenaar is verloren gegaan, wordt de overeenkomst voor vervallen gehouden, en
kan degene, die van zijn zijde aan de overeenkomst voldaan heeft, de teruggave van het in ruiling
gegeven goed vorderen.

Artikel 1567

Voor het overige zijn de regelen van de overeenkomst van koop en verkoop op die van
ruiling toepasselijk.

ZEVENDE TITEL

VAN HUUR EN VERHUUR

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1568-569

Vervallen.

Artikel 1569-570

Huur en verhuur is een overeenkomst, waarbij de ene partij zich verbindt om van de
andere het genot van een zaak te doen hebben, gedurende een bepaalde tijd en tegen een bepaalde
prijs, welke de laatstgemelde aanneemt te betalen.
Men kan allerlei soort van goederen, hetzij onroerende, hetzij roerende, verhuren.

Artikel 1570-571

Vervallen.

TWEEDE AFDELING

VAN DE REGELEN, WELKE GEMEEN ZIJN AAN

VERHURINGEN VAN HUIZEN EN VAN LANDE

Artikel 1571

De verhuurder is door de aard van de overeenkomst, en zonder dat daartoe enig bijzonder
beding vereist wordt, verplicht:
1°.om het verhuurde aan de huurder te leveren;
2°. om hetzelve te onderhouden in zodanige staat, dat het tot het gebruik, waartoe het
verhuurd is, dienen kan;
3°. om de huurder het rustig genot daarvan te doen hebben, zo lang de huur duurt.

Artikel 1572

De verhuurder is gehouden het verhuurde goed in alle opzichten in goede staat van
onderhoud te leveren.
Hij moet daaraan, gedurende de huurtijd, alle reparatiën laten doen, welke noodzakelijk
mochten worden, met uitzondering van degene, tot welke de huurder verplicht is.

Artikel 1573

De verhuurder moet de huurder instaan voor alle gebreken van het verhuurde goed, welke
het gebruik daarvan verhinderen, al mocht ook de verhuurder dezelve tijdens het doen van de
verhuring niet gekend hebben.
Indien door die gebreken enig nadeel voor de huurder ontstaat, is de verhuurder
gehouden hem deswege schadeloos te stellen.

Artikel 1574

Indien, gedurende de huurtijd, het verhuurde goed door enig toeval geheel en al vergaan
is, vervalt de huurovereenkomst van rechtswege. Indien het goed slechts ten dele vergaan is, heeft
de huurder de keus om, naar gelang der omstandigheden, of een vermindering van de huurprijs,
of zelfs de vernietiging van de huurovereenkomst, te vorderen; doch hij kan, in geen van die
beide gevallen, aanspraak op schadevergoeding maken.

Artikel 1575

De verhuurder mag, gedurende de huurtijd, de gedaante of inrichting van het verhuurde
goed niet veranderen.

Artikel 1576-572

Indien, gedurende de huurtijd, het verhuurde goed dringende reparatiën nodig heeft,
welke niet tot na het eindigen van de huur kunnen worden uitgesteld, moet de huurder deze
gedogen, welke ongemakken hem ook hierdoor worden veroorzaakt, en hoewel hij ook,
gedurende het doen van die reparatiën, van een gedeelte van het verhuurde goed verstoken zij.
Doch indien deze reparatiën langer dan veertig dagen duren, zal de huurprijs verminderd
worden naar evenredigheid van de tijd, en van het gedeelte van het verhuurder goed, waarvan de
huurder zal zijn verstoken geweest.
Indien de reparatiën van dien aard zijn, dat daardoor het gehuurde, hetgeen de huurder en
zijn huisgezin ter bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar wordt, kan deze de huur doen
verbreken.

Artikel 1577

De verhuurder is niet verplicht de huurder te waarborgen tegen de belemmeringen, welke
hem derden, door feitelijkheden, in zijn genot toebrengen, zonder overigens enig recht op het
gehuurde te beweren; behoudens het recht van de huurder om deze uit eigen hoofde te vervolgen.

Artikel 1578

Indien daarentegen de huurder in deszelfs genot is gestoord geworden, tengevolge van
een rechtsvordering, welke tot de eigendom van het goed betrekking heeft, heeft hij het recht om
een geëvenredigde vermindering van de huurprijs te vorderen, mits van die stoornis of
belemmering aan de eigenaar behoorlijk kennis gegeven is.

Artikel 1579

Indien degenen, die de feitelijkheden gepleegd hebben, enig recht op het verhuurde goed
beweren te hebben, of indien de huurder zelf in rechte gedagvaard is om tot ontruiming van het
geheel of van een gedeelte van het goed verwezen te worden, of om de uitoefening van enige
erfdienstbaarheid te gedogen, moet hij de verhuurder daarvan betekening doen, en hij kan
dezelven tot vrijwaring oproepen.
Hij kan zelfs vorderen buiten het geding te worden gesteld, mits hij degene opgeeft, voor
wie hij in het bezit is.

Artikel 1580

De huurder mag, indien hem dit vermogen niet is toegestaan, het goed niet weder
verhuren, noch zijn huur aan een ander afstaan, op straf van vernietiging van de
huurovereenkomst, en vergoeding van kosten, schade en interesten, zonder dat de verhuurder, na
die vernietiging, verplicht is de onderhuur gestand te doen.
Indien het gehuurde in een huis of in een woning bestaat, welke de huurder zelf bewoont,
kan hij een gedeelte daarvan, onder zijn verantwoordelijkheid, aan een ander verhuren, indien
hem dat vermogen niet bij de overeenkomst is ontzegd geworden.

Artikel 1581

De huurder is tot twee hoofdverplichtingen gehouden:
1°. om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken, en overeenkomstig de
bestemming, welke daaraan bij de huurovereenkomst gegeven is, of volgens die, welke, bij
gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang der omstandigheden voorondersteld wordt;
2°. om de huurprijs op de bepaalde termijnen te voldoen.

Artikel 1582

Indien de huurder het gehuurde tot een ander gebruik bezigt dan waartoe het bestemd is,
of tot een zodanig gebruik waardoor aan de verhuurder enig nadeel kan veroorzaakt worden, kan
deze, naar gelang der omstandigheden, de huur doen vernietigen.

Artikel 1583

Indien tussen de verhuurder en de huurder een beschrijving van het verhuurde is
opgemaakt, is laatstgemelde gehouden het goed in die staat weder op te leveren, waarin hij
hetzelve, volgens die beschrijving, heeft aanvaard; met uitzondering van hetgeen door ouderdom
of door onvermijdelijke toevallen vergaan of van waarde verminderd is.

Artikel 1584

Indien geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, ten aanzien van het onderhoud,
hetwelk ten laste van huurders komt, behoudens tegenbewijs, voorondersteld het gehuurde in
goede staat te hebben aanvaard, en moet hij hetzelve in die staat terug geven.

Artikel 1585

De huurder is aansprakelijk voor alle schade, gedurende de huurtijd aan het verhuurde
toegebracht, tenzij hij bewees, dat deze buiten zijn schuld heeft plaats gehad.

Artikel 1586

Hij is echter niet verantwoordelijk voor brand, tenzij de verhuurder mocht bewijzen, dat
de brand door de schuld van de huurder is veroorzaakt.

Artikel 1587

De huurder is verantwoordelijk voor alle schade of verliezen door zijn huisgenoten, of
door degenen aan wie hij de huur mocht hebben overgedaan, aan het gehuurde toegebracht.

Artikel 1588

De huurder mag, bij ontruiming van het gehuurde goed, afbreken en naar zich nemen al
hetgeen hij daaraan, op zijn kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worden zonder
beschadiging van het goed.

Artikel 1589-573

Vervallen.

Artikel 1590

Wanneer er geschil ontstaat over de prijs van een verhuring, bij monde aangegaan,
waarvan de uitvoering begonnen is, en er geen kwijting aanwezig is, moet de verhuurder op zijn
eed geloofd worden, tenzij de huurder mocht verkiezen de huurprijs door deskundigen te doen
begroten.

Artikel 1591

Indien de huur bij geschrift is aangegaan, houdt deze van rechtswege op, wanneer de
bepaalde de tijd verstreken is, zonder dat daartoe een opzegging vereist worden.

Artikel 1592

Indien de huur zonder geschrift is aangegaan, houdt dezelve op de bepaalde tijd niet op,
dan voor zoverre de ene partij aan de andere de huur tijdig heeft opgezegd.

Artikel 1593

Wanneer de ene partij aan de andere een opzegging van huur heeft betekend, kan de
huurder, hoewel in het genot blijvende, zich niet beroepen op een stilzwijgende wederinhuring.

Artikel 1594

Indien, na het eindigen van een verhuring bij geschrift aangegaan, de huurder in het bezit
is gebleven en gelaten, ontstaat daardoor een nieuwe huur, waarvan de gevolgen geregeld worden
bij de artikelen tot mondelinge verhuringen betrekkelijk.

Artikel 1595

In het geval der twee voorgaande artikelen, strekt zich de borgtocht, voor de huur gesteld,
niet uit tot de verplichtingen, die uit de verlenging van de huur ontstaan.

Artikel 1596

De huurovereenkomst gaat geenszins te niet door de dood van de verhuurder, noch door
die van de huurder.

Artikel 1597

Door verkoop van het verhuurde wordt een tevoren aangegane huur niet verbroken, tenzij
dit bij de verhuring mocht voorbehouden zijn.
Bij zodanig voorbehoud kan de huurder, zonder uitdrukkelijk beding, geen aanspraak op
vergoeding maken, maar met dat laatste beding, is hij niet tot ontruiming van het gehuurde
verplicht, zolang de verschuldigde vergoeding niet is gekweten.

Artikel 1598

De koper, met beding van wederinkoop, kan geen gebruik maken van de bevoegdheid om
de huurder tot ontruiming van het gehuurde te noodzaken, voordat hij, door het verstrijken van de
termijn, voor de wederinkoop bepaald, onherroepelijk eigenaar is geworden.

Artikel 1599

Een koper, die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij de huurovereenkomst
voorbehouden, om, ingeval van verkoop, de huurder tot de ontruiming van het gehuurde te
noodzaken, is verplicht de huurder tijdig te waarschuwen.
Bij huur van landerijen moet de waarschuwing ten minste een jaar aan de ontruiming
voorafgaan.

Artikel 1600

De verhuurder kan de huur niet doen ophouden door te verklaren, dat hij het gehuurde
goed zelf wil betrekken, tenzij het tegendeel mocht bedongen zijn.

Artikel 1601

Indien men bij de huurovereenkomst is overeengekomen, dat de verhuurder de
bevoegdheid zou hebben om het verhuurde huis of land zelf te betrekken, is hij verplicht vooraf
een opzegging te doen betekenen, zoveel tijd tevoren, als bij artikel 1599 is vastgesteld.

DERDE AFDELING

VAN DE REGELEN, WELKE BIJZONDER BETREKKELIJK ZIJN TOT

HUUR VAN HUIZEN EN HUISRAAD

Artikel 1602

De huurder, die een verhuurd huis niet van genoegzaam huisraad voorziet, kan tot de
ontruiming daarvan worden genoodzaakt, tenzij hij voldoende zekerheid geeft voor de betaling
der huurpenningen.

Artikel 1603

Een tweede huurder is, ten aanzien van de eigenaar, niet verder gehouden dan tot het
beloop van de huurprijs van de tweede huur, welke hij, op het ogenblik van een gedaan beslag,
aan de eerste huurder zou mogen schuldig zijn, en zonder dat hij zich op betalingen, bij voorraad
gedaan, beroepen kan, tenzij die betalingen mochten zijn geschied uit kracht van een beding, bij
zijn huurovereenkomst uitgedrukt.

Artikel 1604

Geringe en dagelijkse reparatiën zijn voor rekening van de huurder.
Bij gebreke van overeenkomst worden als zodanig aangemerkt reparatiën aan
winkelkasten, de sluiting der luiken of blinde, de binnensloten, de vensterglazen, zo binnen als
buiten 's huis, en al hetgeen verder door het plaatselijk gebruik daaronder begrepen wordt.
Niettemin komen die reparatiën ten laste van de verhuurder, indien zij door de vervallen
toestand van het verhuurde of door overmacht zijn noodzakelijk geworden.

Artikel 1605

Het schoonhouden van putten, regenbakken en sekreten komt ten laste van de verhuurder,
indien het tegendeel niet bedongen is.
Het schoonhouden der schoorstenen komt, bij gebreke van beding, ten laste van de
huurder.

Artikel 1606

De huur van gestoffeerde kamers wordt gehouden bij het jaar te zijn aangegaan, wanneer
deze is aangegaan voor een zekere som in het jaar;
Bij de maand, wanneer deze is aangegaan tegen een bepaalde som in de maand;
Bij de dag, wanneer deze is aangegaan tegen een bepaalde som voor iedere dag.
Indien niet blijkt, dat de huur voor een zekere som bij het jaar, bij de maand of voor
iederen dag is aangegaan, wordt de verhuurder te dezen opzichte op zijn eed geloofd.

VIERDE AFDELING

VAN DE REGELEN, WELKE BIJZONDER BETREKKELIJK

ZIJN TOT HUUR VAN LANDERIJEN

Artikel 1607

Indien bij een huurovereenkomst van landerijen een kleinere of grotere uitgestrektheid
wordt opgegeven, dan deze werkelijk hebben, geeft zulks geen grond tot vermeerdering of
vermindering van de huurprijs, dan alleen in de gevallen en volgens de bepalingen bij de vijfde
titel van dit boek vastgesteld.

Artikel 1608

Indien de huurder van landerijen deze niet van de tot beweiding of bebouwing
noodzakelijke beesten en bouwgereedschappen voorziet; indien hij met de beweiding of
bebouwing ophoudt, of te dien opzichte niet als een goed huisvader handelt; indien hij het
gehuurde goed tot een ander einde gebruikt, dan waartoe hetzelve bestemd is; of indien hij, in het
algemeen, de bedingen, bij de huurovereenkomst gemaakt, niet nakomt, en daardoor enig nadeel
voor de verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om, naar gelang der omstandigheden, de vernietiging
van de huur, met vergoeding van kosten, schade en interesten, te vorderen.

Artikel 1609

Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruchten in de daartoe bestemde
bergplaatsen te bergen.

Artikel 1610

De huurder van landerijen is, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten,
gehouden de eigenaar van alle feitelijkheden te doen kennis dragen, welke op de gehuurde erven
mochten gepleegd worden.
Deze kennisgeving moet gedaan worden binnen dezelfde termijn, welke tussen de tijd der
dagvaardingen en de dag van de verschijning, naarmate van de afstand der plaatsen, bepaald is.

Artikel 1611

De huur van landen, zonder geschrift aangegaan, wordt gerekend aangegaan te zijn voor
één jaar.

Artikel 1612

De huurder wiens huur eindigt, en hij welke hem in de huur opvolgt, zijn verplicht
elkander over en weder met al datgene te gerieven, dat vereist wordt om het verlaten en het
betrekken van het goed gemakkelijk te maken.

ZEVENDE TITEL A574

VAN DE OVEREENKOMSTEN TOT HET VERRICHTEN VAN ARBEID

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1613-575

Behalve de overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten, welke door de aan
deze eigen bepalingen en bedongen voorwaarden, en bij gebreke van deze door het gebruik,
worden geregeerd, bestaan er twee soorten van overeenkomsten, waarbij de ene partij zich
verbindt, voor de andere tegen beloning arbeid te verrichten: de arbeidsovereenkomst en de
aanneming van werk.

Artikel 1613a

De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst, waarbij de ene partij, de werknemer, zich
verbindt, in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te
verrichten.

Artikel 1613b

De aanneming van werk is de overeenkomst, waarbij de ene partij, de aannemer, zich
verbindt, voor de andere partij, de aanbesteder, tegen een bepaalde prijs een bepaald werk tot
stand te brengen.

Artikel 1613c

1. Indien een overeenkomst de kenmerken bevat van een arbeidsovereenkomst en van enige
andere soort van overeenkomst, zullen zowel de bepalingen betreffende de
arbeidsovereenkomst als die betreffende de andere soort van overeenkomst, welker kenmerken
zij mede bevat, van toepassing zijn; ingeval van strijd tussen deze bepalingen zullen die der
arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.
2. Indien een aanneming van werk door meerdere soortgelijke overeenkomsten, zij het ook
telkens met enige tussentijd, is gevolgd, of indien het, bij het aangaan eenr aanneming van
werk blijkbaar in de bedoeling van partijen ligt meerdere dergelijke overeenkomsten aan te
gaan, in dier voege, dat de verschillende aannemingen tezamen als een arbeidsovereenkomst
kunnen worden beschouwd, zullen de bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomst op deze
overeenkomsten gezamenlijk en op elke haar afzonderlijk, met uitsluiting van de bepalingen
der zesde afdeling van deze titel, van toepassing zijn. Is evenwel in een dergelijk geval de
eerste overeenkomst bij wijze van proef aangegaan, dan zal deze geacht worden haar aard van
aanneming van werk te hebben behouden en zullen de bepalingen van de zesde afdeling van
dezen titel op haar van toepassing zijn.

TWEEDE AFDELING

VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST IN HET ALGEMEEN

Artikel 1613d

Wanneer een arbeidsovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan, zijn de kosten van de
akte en andere bijkomende onkosten ten laste van de werkgever.

Artikel 1613e

1. Indien bij het sluiten van de overeenkomst een hand- of godspenning is gegeven en
aangenomen, ontleent geen der partijen daaraan de bevoegdheid van de overeenkomst af te
zien door het laten behouden of het teruggeven van die hand- of godspenning.
2. De hand- of godspenning kan in mindering worden gebracht op het loon, indien de
dienstbetrekking niet langer dan drie maanden heeft bestaan, terwijl zij voor langere of voor
onbepaalde tijd is aangegaan.

Artikel 1613f-576

Vervallen.

Artikel 1613g

1. Een minderjarige is bekwaam als werknemer arbeidsovereenkomsten aan te gaan, indien hij
daartoe door zijn wettelijke vertegenwoordiger, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, is
gemachtigd.
2. Een mondelinge machtiging kan slechts strekken tot het aangaan van een bepaalde
arbeidsovereenkomst. Is de minderjarige nog geen volle achttien jaren oud, dan moet zij
verleend worden in tegenwoordigheid van de werkgever of van degene, die namens deze
handelt. Zij kan niet voorwaardelijk worden verleend.
3. Indien de machtiging schriftelijk is verleend, is de minderjarige verplicht de volmacht ter hand
te stellen aan de werkgever, die de minderjarige onverwijld een gewaarmerkt afschrift daarvan
doet toekomen en de volmacht bij het einde van de dienstbetrekking aan de minderjarige of
diens rechtverkrijgende teruggeeft.
4. Voorzover zulks niet door het stellen van bepaalde voorwaarden in de machtiging uitdrukkelijk
is uitgesloten, staat de minderjarige in alles, wat betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst,
door hem ingevolge de verleende machtiging aangegaan, met een meerderjarige gelijk,
behoudens het bepaalde bij het derde lid van artikel 1614f. Echter kan hij niet in rechte
verschijnen zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger, behalve wanneer de rechter
gebleken is, dat de wettelijke vertegenwoordiger niet bij machte is zich te verklaren.

Artikel 1613h

Indien een daartoe niet bekwaam minderjarige een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan
en dientengevolge gedurende zes weken, zonder verzet van zijn wettelijke vertegenwoordiger, in
dienst van de werkgever arbeid heeft verricht, wordt hij geacht door die vertegenwoordiger
mondeling tot het aangaan van die arbeidsovereenkomst gemachtigd te zijn geweest.

Artikel 1613i

Een tussen echtgenoten aangegane arbeidsovereenkomst is nietig.

Artikel 1613j

1. Een door de werkgever vastgesteld reglement is voor de werknemer slechts verbindend, indien
het in de Nederlandsche taal is vastgesteld en indien de werknemer schriftelijk heeft verklaard
zich met dat reglement te verenigen en indien tevens is voldaan aan de navolgende vereisten:
1°. dat een volledig exemplaar van het reglement kosteloos door of vanwege de werkgever aan
de werknemer is verstrekt;
2°. dat door of vanwege de werkgever een door deze ondertekend volledig exemplaar van het
reglement ter inzage voor een ieder is nedergelegd ter griffie van de Kantonrechter, binnen
welks rechtsgebied de onderneming, in welke het reglement geldt, gevestigd is;
3°. dat een volledig exemplaar van het reglement op een voor de werknemer gemakkelijk
toegankelijke plaats, zo mogelijk in het arbeidslokaal, zodanig opgehangen is en blijft, dat
het duidelijk leesbaar is.
2. Het reglement is eveneens slechts verbindend voor zoverre de inhoud niet in strijd is met de
door de werknemer aangegane arbeidsovereenkomst.
3. De nederlegging en de inzage van het reglement ter griffie geschieden kosteloos.
4. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.

Artikel 1613k

1. Indien gedurende de dienstbetrekking een reglement wordt vastgesteld of het bestaande wordt
gewijzigd, is dit nieuwe of dit gewijzigde reglement voor de werknemer slechts verbindend,
indien een volledig exemplaar van het ontwerp daarvan of van de ontworpen wijzigingen hem
kort voor de vaststelling gedurende ten minste 14 dagen kosteloos ter inzage is verstrekt.
2. Indien de werknemer na vaststelling van het nieuwe of van het gewijzigde reglement
mededeelt, dat hij zich daarmede niet verenigt, wordt dit aangemerkt als een opzegging van de
dienstbetrekking uiterlijk tegen de dag, waarop het nieuwe of het gewijzigde reglement in
werking zal treden. Is de dienstbetrekking voor een bepaalde tijd aangegaan, of liggen tussen
de dag, waarop het nieuwe of het gewijzigde reglement algemeen bekend gemaakt is, en die,
waarop het in werking zal treden, minder vrije dagen dan de opzeggingstermijn omvat, dan
heeft de werknemer aanspraak op een schadeloosstelling op de voet als bij artikel 1615r is
bepaald.
3. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.

Artikel 1613l

Een verklaring van de werknemer waarbij hij zich verbindt zich met elk in de toekomst
vast te stellen reglement, of met elke toekomstige wijziging van een bestaand reglement te
verenigen, is nietig.

Artikel 1613m

Van de bepalingen van het reglement kan alleen dan bij bijzondere overeenkomst worden
afgeweken, indien deze schriftelijk is aangegaan.

Artikel 1613n-577

Vervallen.

Artikel 1613o-578

Ter berekening van het in geld vastgesteld loon per dag wordt, voor de toepassing van
deze titel, de dag gesteld op acht uren, de week op zes dagen, de maand op vijf-en-twintig dagen
en het jaar op driehonderd dagen. Is het loon, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, op andere
wijze dan naar tijdruimte vastgesteld, dan wordt als het in geld vastgesteld loon per dag
aangenomen het gemiddeld loon van de werknemers, berekend over de laatst voorafgegane dertig
werkdagen; bij gebreke van die maatstaf wordt als loon aangenomen het gebruikelijk loon voor
de, wat aard, plaats en tijd betreft, meest nabijkomende arbeid.

Artikel 1613p

Het loon van werknemers, welke niet bij de werkgever inwonen, mag niet anders worden
vastgesteld dan in:
1°. geld;
2° voedsel te nuttigen, alsmede voedings- en verlichtingsmiddelen te gebruiken ter plaatse
waar ze worden verstrekt;
3°. kleding, door de werknemer bij de waarneming van de dienstbetrekking te dragen;
4°. een bepaalde hoeveelheid der voortbrengselen van het bedrijf, waarin het loon
verdiend wordt, of der grond- of hulpstoffen in dat bedrijf gebruikt, een en ander voor zover die
voortbrengselen of grond- of hulpstoffen, wat aard en hoeveelheid betreft, behoren tot de eerste
levensbehoeften van de werknemer en zijn gezin, of als grond- of hulpstoffen, werktuigen of
gereedschappen in het bedrijf van de werknemers worden gebezigd, en in ieder geval met
uitsluiting van alcoholhoudede dranken;
5°. het gebruik van een bepaald stuk grond of van weide of stalling voor een bepaald
aantal naar soort aangeduide dieren, toebehorende aan de werknemer of aan een der leden van
zijn gezin, het gebruik van werktuigen of gereedschappen, alsmede het onderhoud daarvan;
6°. bepaalde werkzaamheden of diensten, door of voor rekening van de werkgever voor
de werknemer te verrichten;
7°. het gebruik van een aangewezen woning, woninggedeelte of lokaal, vrije
geneeskundige behandeling van de werknemer en van zijn gezin, voorzover niet vallende onder
artikel 1641c, vrije beschikking over een of meer bedienden, over een vervoermiddel en
soortgelijke tegemoetkomingen in de kosten der huishouding voorzover niet vallende onder de
voorgaande nummers;
8°. uitkering gedurende een verlofstijd na een bepaald aantal jaren dienst of recht op vrij
vervoer naar de plaats van herkomst of naar en van de plaats van verlof;
9°. onderricht door of vanwege de werkgever aan de werknemer te verstrekken.

Artikel 1613q

1. Indien bij overeenkomst of bij reglement geen bepaald loon is vastgesteld, heeft de werknemer
aanspraak op zodanig loon als ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor arbeid als de
bedongene, ter plaatse waar deze moest worden verricht, gebruikelijk was.
2. Indien zodanig gebruik niet bestaat, wordt het loon met inachtneming der omstandigheden
naar billijkheid bepaald.

Artikel 1613r

1. Voor zover het loon anders dan volgens artikel 1613p geoorloofd is, is vastgesteld, wordt het
op een bedrag in geld gewaardeerd en geacht vastgesteld te zijn op het vijf-voud van dit
bedrag.
2. Het gehele loon, dat dientengevolge verschuldigd zal zijn, zal echter het overeenkomstig de
bepalingen van het voorgaand artikel berekende loon niet met meer dan een derde mogen
overschrijden.
3. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.

Artikel 1613s

1. Ongeoorloofd en nietig is elk beding tussen de werkgever of diens vertegenwoordiger en een
werknemer, waarbij deze zich verbindt, het loon of zijn overige inkomsten of een gedeelte
daarvan op een bepaalde wijze te besteden, of zich zijn benoodigdheden op een bepaalde
plaats of bij een bepaalde persoon aan te schaffen.
2. Van deze bepaling zijn uitgezonderd:
1°. het beding, waarbij de werknemer deelneemt in enig fonds, dat naar het oordeel van de
President voldoende waarborg van soliditeit biedt, of waarbij de werknemer toestemt, dat te
zijn behoeve een inlage in de Surinaamse Postspaarbank wordt gestort.
2°. ten aanzien van minderjarige werknemers het beding, dat een gedeelte van het, gedurende
de minderjarigheid verdiend, loon door de werkgever ten name van de werknemer zal
worden geplaatst in de Surinaamse Postspaarbank of in een fonds als sub 1° bedoeld met
bepaling, dat het door de werknemer eerst zal kunnen worden opgevorderd, wanneer hij
zekere, niet hoger dan één en twintig jaren te stellen, leeftijd zal hebben bereikt of uit
andere hoofde meerderjarig geworden is of wanneer de Kantonrechter van het kanton,
waarin de plaats van het werkelijk verblijf van de minderjarige gelegen is, op verzoek van
de wettelijke vertegenwoordiger en na verhoor of behoorlijke oproeping van een
minderjarige en van de werkgever tot de uitbetaling machtiging heeft verleend.

Artikel 1613t

1. Indien de werknemer ingevolge een ongeoorloofd en nietig beding, als bedoeld bij het
voorgaande artikel, met de werkgever enige overeenkomst heeft aangegaan, ontstaat daaruit
geenrlei verbintenis. De werknemer is gerechtigd het reeds te dier zake op zijn loon in
rekening geledene of door hem betaalde van de werkgever terug te vorderen, zonder gehouden
te zijn tot teruggave van hetgeen hem ter voldoening aan de overeenkomst is verstrekt.
2. Niettemin is de rechter bevoegd, bij toewijzing van de vordering van de werknemers, de
veroordeling te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van
het geval billijk zal voorkomen, doch uiterlijk tot de som waarop de door de werknemer
geleden schade door hem wordt gewaardeerd.
3. Heeft de werknemer ingevolge een ongeoorloofd en nietig beding, als voormeld, met een ander
dan de werkgever enige overeenkomst aangegaan, dan heeft hij het recht het bedrag van
hetgeen hij uit die hoofde betaald heeft of nog verschuldigd is, van de werkgever te vorderen.
De bepaling van het tweede lid is ook ten deze van toepassing.
4. Ieder vorderingsrecht van de werknemers krachtens dit artikel vervalt na verloop van zes
maanden.

Artikel 1613u-579

1. De werkgever kan slechts boete stellen op de overtreding van voorschriften van een schriftelijk
aangegane overeenkomst of van een reglement, indien die voorschriften bepaaldelijk zijn
aangeduid en de boete in de overeenkomst of het reglement is aangegeven.
2. De overeenkomst of het reglement, waarbij boete is bedongen, moet nauwkeurig de
bestemming der boeten vermelden. Zij mogen noch onmiddellijk, noch middellijk strekken tot
persoonlijk voordeel van de werkgever zelf of van degene, wie deze de bevoegdheid heeft
verleend de werknemers boete op te leggen.
3. Iedere boete, in een reglement of in een overeenkomst bedongen, moet op een bepaald bedrag
gesteld zijn, uitgedrukt in de munt, waarin het loon in geld is vastgesteld.
4. Binnen een week mag aan een werknemer geen hoger bedrag aan gezamenlijke boeten worden
opgelegd dan zijn in geld vastgesteld loon voor één dag. Geen afzonderlijke boete mag hoger
dan dit bedrag worden gesteld.
5. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig. Echter mag, doch alleen ten
aanzien van werknemers, wier in geld vastgesteld loon meer dan vijf gulden per dag bedraagt,
bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement van de bepalingen van het tweede,
derde en vierde lid worden afgeweken. Is zulks geschied, dan zal de rechter steeds bevoegd
zijn de boete op een kleinere som te bepalen, indien de opgelegde hem bovenmatig voorkomt.
6. Onder het stellen en bedingen van boete in de zin van dit artikel wordt begrepen het door de
werkgever bedingen van straf, als bedoeld bij de Tiende Afdeling van de eerste Titel van dit
Boek.

Artikel 1613v

Ter zake van een zelfde feit mag de werkgever niet boete heffen en tevens
schadevergoeding vorderen.
Elk beding, strijdig met deze bepaling, is nietig.

Artikel 1613w

Indien een der partijen opzettelijk of door schuld in strijd heeft gehandeld met een van
haar verplichtingen en de dientengevolge door de wederpartij geleden schade niet op geld
waardeerbaar is, zal de rechter naar billijkheid een som geld als schadevergoeding vaststellen.

Artikel 1613x

1. Een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste beperkt wordt in zijn
bevoegdheid om na het einde van de dienstbetrekking op zekere wijze werkzaam te zijn, is
slechts geldig, indien het bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement met een
meerderjarige werknemer is tot stand gekomen.
2. De rechter kan, hetzij op de vordering van de werknemer, hetzij ingevolge diens daartoe
strekkend verweer in een geding, zulk een beding geheel of gedeeltelijk te niet doen op grond
dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat
beding onbillijk wordt benadeeld.
3. Aan een beding, als in het eerste lid bedoeld, kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien
hij de dienstbetrekking onrechtmatig heeft doen eindigen, of de werknemer door opzet of
schuld een dringende reden heeft gegeven om de dienstbetrekking te doen eindigen en deze
van die bevoegdheid heeft gebruik gemaakt, noch ook indien de rechter op het verzoek of op
de vordering van de werknemers de arbeidsovereenkomst ontbonden heeft verklaard op grond
van een dringende reden, de werknemer gegeven door opzet of schuld van de werkgevers.
4. Indien door de werkgever van de werknemer een schadevergoeding is bedongen voor het
geval, dat deze in strijd handelt met een beding, als in het eerste lid bedoeld, zal de rechter
steeds bevoegd zijn de schadevergoeding op een kleinere som te bepalen, zo de bedongene
hem bovenmatig voorkomt.

Artikel 1613y

Alle akten en geschriften betreffende het aangaan, wijzigen of eindigen van
arbeidsovereenkomsten, benevens alle stukken, welke door de werkgever en de werknemer of
hun wettelijke vertegenwoordigers tezamen of ieder afzonderlijk, hetzij in onderhandse vorm,
hetzij ten overstaan van een openbare ambtenaar, zonder medewerking van derden, ter uitvoering
van de arbeidsovereenkomst worden opgemaakt, zijn vrij van zegel en van kosten, voortvloeiende
uit toepassing van art. 1901 van het Burgerlijk Wetboek benevens van de formaliteit van
registratie of worden, indien deze formaliteit wordt gewenst, kosteloos geregistreerd.

Artikel 1613z-580

1. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van de
Lande of van een op de voet van artikel 118 van de Surinaamse Staatsregeling ingestelde
gemeenschap, of van enig ander publiekrechtelijk lichaam, tenzij zij, hetzij vóór of bij de
aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen hetzij bij wettelijke regeling van
toepassing zijn verklaard.
2. Bij wet kunnen bijzondere regelen worden gesteld voor overeenkomsten tot het verrichten van
arbeid in ondernemingen van landbouw, de bos-, goud en mijnbedrijven.

DERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER

Artikel 1614-581

De werkgever is verplicht de werknemer zijn loon op de bepaalde tijd te voldoen.

Artikel 1614a

Het loon, naar tijdruimte vastgesteld, is verschuldigd van het tijdstip, waarop de
werknemer in dienst is getreden, tot dat van het einde van de dienstbetrekking.

Artikel 1614b

Geen loon is verschuldigd voor de tijd, gedurende welke de werknemer de bedongen
arbeid niet heeft verricht.

Artikel 1614c582

1. Evenwel behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon voor
een betrekkelijk korte tijd, wanneer hij ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd is
geweest zijn arbeid te verrichten, tenzij de ziekte of het ongeval door zijn opzet of
onzedelijkheid is veroorzaakt, dan wel aan het misbruik van alcoholhoudede drank of van
bedwelmende middelen te wijten is, of de ziekte bestond op het tijdstip van indiensttreding
dan wel het gevolg is van een bij het indiensttreden bestaande afwijking. Een en ander kan
blijken uit een geneeskundige verklaring met vermelding van de aard van de ziekte of anders
aannemelijk worden aangetoond.
2. De werkgever is insgelijks verplicht op de voet van het bepaalde bij het eerste lid, doch
uiterlijk tot een tijd van zes weken, voor behoorlijke geneeskundige behandeling en verpleging
van de werknemer, wiens in geld vastgesteld loon vijf gulden of minder per dag bedraagt, zorg
te dragen, voor zover daarin wettelijk niet uit andere hoofde is voorzien. Hij is gerechtigd de
kosten op de werknemer te verhalen tot ten hoogste 20 procent van het over het tijdvak
ingevolge het eerste lid uitbetaalde loon.
3. Onder geneeskundige behandeling en verpleging is begrepen specialistische behandeling en
ligging in een ziekeninrichting, en de door een geneesheer voorgeschreven verbandmiddelen
en medicijnen.
4. Ingeval van ziekte gaat het in het eerste lid bedoelde recht in op de eerste dag van de
verhindering, indien de ziekte tenminste twee volle dagen heeft geduurd, terwijl de aanspraak
van de werknemer op de in het eerste en tweede lid bedoelde rechten eerst ontstaat na vier
maanden onafgebroken dienstbetrekking, in de zin van deze wet bij dezelfde werkgever.
5. Komt hem in zodanig geval krachtens enige bij wettelijke regeling voorgeschreven ziekte- of
ongevallenregeling, of krachtens enige verzekering of uit enig fonds, waarin de deelneming is
bedongen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, een geldelijke vergoeding of uitkering
toe, dan wel recht op vrije geneeskundige behandeling en verpleging, dan wordt het loon
verminderd met het bedrag van die vergoeding of uitkering, en vervalt het recht als in het
tweede lid bedoeld.
6. Eveneens behoudt de werknemer zijne aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon voor
een korte tijd, naar billijkheid te berekenen, wanneer hij, hetzij tengevolge van de vervulling
van een door wettelijke regeling of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde
verplichting, die niet in zijn vrije tijd kon geschieden, hetzij ten gevolge van zeer bijzondere,
buiten zijn schuld ontstane, omstandigheden, verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten.
7. Onder zeer bijzondere omstandigheden worden, voor de toepassing van dit artikel, begrepen:
de bevalling van de echtgenote van de werknemer zomede het overlijden en de begrafenis van
een van zijn huisgenoten of van een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte linie
onbepaald, en in de tweede graad van de zijlinie. Evenzo wordt onder de vervulling van een
door wettelijke regeling of overheid opgelegde verplichting begrepen de uitoefening van de
kiesbevoegdheid.
8. Is het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte vastgesteld, dan zijn de bepalingen van
dit artikel eveneens van toepassing met dien verstande, dat als loon wordt aangenomen het
gemiddeld loon, hetwelk de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende
die tijd had kunnen verdienen.
9. Het loon wordt echter verminderd met het bedrag der onkosten, welke de werknemer zich door
het niet-verrichten van de arbeid heeft bespaard.
10. Elk beding, waardoor deze verplichtingen van de werkgever zou worden uitgesloten of
beperkt, is nietig.

Artikel 1614d

1. Ook verliest de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon niet, indien
hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik
heeft gemaakt, hetzij door eigen schuld of zelfs tengevolge van, hem persoonlijk betreffende,
toevallige verhindering.
2. De bepalingen van het vijfde, achtste en negende lid van het voorgaande artikel zijn van
toepassing. Van de bepalingen in het eerste lid mag alleen bij schriftelijk aangegane
overeenkomst of bij reglement worden afgeweken.
3. Evenmin verliest de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor de
tijd, die, de ontvangst van zijn loon vergt.

Artikel 1614e

1. Bestaat het loon voor het geheel of voor een gedeelte in een bedrag, dat afhankelijk is gesteld
van enig gegeven, dat uit de werkgevers boekhouding moet kunnen blijken, dan heeft de
werknemer het recht van de werkgever mededeling te verlangen van zodanige bewijsstukken,
als voor hem nodig zijn om tot kennis van dat gegeven te geraken.
2. Bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement kan worden bepaald, dat mededeling
van de genoemde bewijsstukken, in plaats van aan iedere werknemer afzonderlijk, zal
geschieden aan een bepaald aantal werknemers in dienst van de werkgever of aan een of meer
deskundigen inzake boekhouding, allen door de werknemer bij schriftelijke keuze aan te
wijzen.
3. De mededeling van de bewijsstukken door of vanwege de werkgever geschiedt desverlangd
onder uitdrukkelijke verplichting van geheimhouding door de werknemer en degene, die hem
overeenkomstig het voorgaande lid vervangt; deze kan echter nimmer tot geheimhouding
tegenover de werknemer worden verplicht.
4. De verplichting tot geheimhouding is voor zoverre nodig opgeheven, indien de opgave in
rechte wordt betwist.
5. Voor zover het gegeven, in het eerste lid bedoeld, betreft de winst, in de werkgevers
onderneming of een deel daarvan behaald, kan van de bepalingen van het eerste lid bij
schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement, ook op andere wijze dan in het tweede
lid omschreven, worden afgeweken, met dien verstande evenwel, dat, met in achtneming van
de bepaling van het tweede lid, steeds aan de werknemer een duidelijke en overzichtelijke
schriftelijke mededeeling worden verstrekt, waaruit de berekening van het in het eerste lid
bedoelde bedrag blijkt.
6. Behoudens toepasselijkheid van het vierde lid, geschiedt de verstrekking van de in het vorig lid
bedoelde mededeling desverlangd onder uitdrukkelijke verplichting van geheimhouding door
de werknemer als in het derde lid omschreven.

Artikel 1614f

1. Voor de voldoening van het loon, aan de werknemer verschuldigd, moet de volmacht, bedoeld
bij het eerste lid van artikel 1406 van het Burgerlijk Wetboek, een schriftelijke zijn.
2. Indien in de in artikel 1613g genoemde schriftelijke machtiging de voorwaarde is opgenomen,
dat het in geld vastgesteld loon, geheel of gedeeltelijk, instede van aan de minderjarige, aan de
wettelijke vertegenwoordiger zelf moet worden voldaan, wordt deze ten opzichte van de
voldoening van het loon, of van het gedeelte hetwelk hem moet worden voldaan, als de
werknemer aangemerkt.
3. Ook indien geen zodanige voorwaarde in de machtiging is opgenomen, wordt het aan de
minderjarige verschuldigd in geld vastgesteld loon aan de wettelijke vertegenwoordiger
voldaan, wanneer deze zich tegen de voldoening aan de minderjarige schriftelijk verzet.
4. In andere gevallen dan die, bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, is de werkgever
door betaling aan de minderjarige behoorlijk gekweten.
5. Voldoening aan derde, in strijd met de bepalingen van dit of het volgend artikel, is nietig.

Artikel 1614g-583

1. Beslag onder de werkgever op het door deze aan de werknemer verschuldigd loon is, indien
het in geld vastgestelde loon vijf gulden of minder per dag bedraagt, niet verder geldig dan tot
twee vijfde gedeelten van het in geld vastgestelde loon. Is het in geld vastgestelde loon hoger
dan vijf gulden per dag, dan is ten aanzien van dit bedrag, beslag slechts tot twee vijfde
gedeelte geldig en is op het meerdere beslag onbeperkt toegelaten. Generlei beperking geldt,
indien het beslag dient tot verhaal van onderhoud, waarop de beslaglegger volgens de wet
aanspraak heeft.
2. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de werknemer enig recht op zijn
Loon aan een derde toekent, is slechts in zoverre geldig als een beslag op zijn loon geldig zou
zijn.
3. Volmacht tot invordering van het loon, onder welke vorm of welke benaming ook door de
werknemer verleend, is steeds herroepelijk.
4. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.

Artikel 1614h

De voldoening van het in geld vastgesteld loon geschiedt in wettig betaalmiddel van
Suriname, met dien verstande, dat het in geld van een vreemd land vastgestelde loon zal worden
berekend naar de koers van de dag en de plaats van de betaling, of, indien aldaar geen koers
bestaat, naar die van de naastbijgelegen handelsplaats, waar een koers bestaat.

Artikel 1614i

De voldoening van het loon, voor zover het in andere bestanddeelen dan in geld is
vastgesteld, geschiedt volgens hetgeen bij overeenkomst of reglement is bedongen, of in het
geval, bedoeld in artikel 1613r, naar de daar gestelde regelen.

Artikel 1614j

1. Voldoening van het loon, voor zover zij anders heeft plaats gehad dan bij de voorafgaande
twee artikelen is bepaald, is nietig. De werknemer behoudt het recht van de werkgever het
verschuldigde loon te vorderen, zonder gehouden te zijn hem het bij de nietige voldoening
ontvangene terug te geven.
2. Niettemin is de rechter bevoegd, bij toewijzing van de vordering van de werknemer de
veroordeling te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van
het geval billijk zal voorkomen, doch uiterlijk tot de som waarop de door de werknemer
geleden schade door hem wordt gewaardeerd.
3. Ieder vorderingsrecht van de werknemers krachtens dit artikel vervalt na verloop van een jaar.

Artikel 1614k

Indien de plaats van de voldoening van het loon niet bij overeenkomst of reglement, of
door het gebruik, is bepaald, geschiedt de voldoening hetzij ter plaatse waar de arbeid in de regel
wordt verricht, hetzij ten kantore van de werkgevers indien dit gelegen is in of bij de plaats waar
de meerderheid der werknemers woont, hetzij aan de woning des werknemers, ter keuze van de
werkgever.

Artikel 1614l

1. De uitbetaling van het in geld naar tijdruimte vastgesteld loon zal geschieden als volgt:
indien het loon bij de week of bij kortere tijdruimte is vastgesteld, telkens na een week;
indien het loon is vastgesteld bij een tijdruimte, langer dan een week, doch korter dan een
maand, telkens na verloop van de tijd, waarbij het loon vastgesteld is;
indien het loon bij de maand is vastgesteld, telkens na een maand.
Indien het loon bij langere tijdruimte dan een maand is vastgesteld, telkens na een kwartaal.
2. De uitbetalingstermijnen, bij dit artikel vastgesteld, zullen door partijen met onderling
goedvinde steeds mogen worden ingekort.
3. De uitbetalingstermijnen mogen niet dan met schriftelijke toestemming van de President
worden verlengd, terwijl deze toestemming te allen tijde kan worden ingetrokken.

Artikel 1614m

De uitbetaling van het in geld, doch niet naar tijdruimte vastgesteld loon, zal geschieden
met inachtneming van de bepalingen van het voorgaande artikel, met dien verstande, dat dit loon
geacht zal worden te zijn vastgesteld bij de tijdruimte, waarbij het loon gewoonlijk wordt
vastgesteld voor de arbeid, welke ten aanzien van aard, plaats en tijd het meest nabij komt aan de
arbeid, waarvoor het loon verschuldigd is.

Artikel 1614n

1. Voor zoverre het in geld vastgesteld loon bestaat in een bedrag, dat afhankelijk is gesteld van
enig gegeven, dat uit de werkgevers boekhouding moet kunnen blijken, zal de uitbetaling
geschieden telkens wanneer het bedrag van dat loon kan worden bepaald, met dien verstande,
dat de uitbetaling ten minste een maal per jaar zal geschieden.
2. Voor zover het gegeven in het eerste lid bedoeld betreft de winst, in de werkgevers
onderneming of een deel daarvan behaald en de aard van het bedrijf of het gebruik
medebrengt, dat deze winst eerst na langer tijdsverloop dan een jaar wordt bepaald, kan bij
schriftelijk aangegane overeenkomst, of bij reglement worden bedongen, dat de uitbetaling
telkens na die bepaling zal geschieden.

Artikel 1614o

Indien het loon in geld voor een gedeelte naar tijdruimte en voor een ander gedeelte op
andere wijze, of wel indien het loon in gedeelten naar meerdere verschillende tijdruimten is
vastgesteld, zullen voor ieder van die gedeelten de voorschriften der artikelen 1614l tot en met
1614n van toepassing zijn.

Artikel 1614p

1. Bij iedere uitbetaling zal het gehele bedrag van het verschuldigde loon worden voldaan.
2. Echter kan ten aanzien van het in geld, doch afhankelijk van de uitkomsten van de te
verrichten arbeid, vastgesteld loon bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement
worden bedongen, dat telkens, behoudens definitieve afrekening op de eerste betaaldag
waarop daartoe de mogelijkheid zal bestaan, zal worden uitbetaald een zeker gedeelte van het
loon, bedragende ten minste drie vierde van het gebruikelijk loon voor de, wat aard, plaats en
tijd betreft, meest nabij komende arbeid.
3. Het is de werkgever verboden direct of indirect:
a. aan de werknemer rente in welke vorm ook in rekening te brengen wegens geleende gelden
of verstrekte voorschotten;
b. aan de werknemer heffingen op te leggen wegens het gebruik of het onderhoud van tot het
bedrijf van de werkgever behorende en ten behoeve van dit bedrijf gebezigde
gereedschappen en materialen;
c. een werknemer aansprakelijk te stellen voor verplichtingen van een andere werknemer
jegens de werkgever, of als borg te accepteeren.

Artikel 1614q-584

1. Voor zoverre het in geld vastgesteld loon of het gedeelte daarvan, dat overblijft na aftrek van
hetgeen door de werkgever niet behoeft te worden uitbetaald en na aftrek van hetgeen, waarop
derden overeenkomstig de bepalingen van deze titel rechten doen gelden, niet wordt uitbetaald
uiterlijk de derde werkdag na die, waarop ingevolge de artikelen 1614l, 1614m, en 1614o, de
betaling had moeten geschieden, heeft de werknemer, indien deze niet-betaling aan de
werkgever is toe te schrijven, aanspraak op een verhoging wegens de vertraging, welke voor
de vierde tot en met de achtste werkdag bedraagt vijf ten honderd per dag en voor elke volgende
werkdag een ten honderd, met dien verstande, dat de verhoging wegens vertraging in
geen geval de helft van het verschuldigd bedrag zal te boven gaan. Niettemin is de rechter
bevoegd de verhoging te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de
omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.
2. Een beding, waarbij van enige bepaling van dit artikel wordt afgeweken, is alleen geldig ten
aanzien van werknemers wier in geld vastgesteld loon meer dan vijf gulde per dag bedraagt.

Artikel 1614r

1. Behalve bij het eindigen van de dienstbetrekking, is tegen de vordering tot uitbetaling van het
loon schuldvergelijking alleen toegelaten wegens de volgende schulden van de werknemers:
1°. de door hem aan de werkgever verschuldigde schadevergoeding;
2°. de boeten, door hem volgens artikel 1613u aan de werkgever verschuldigd, mits door deze
een schriftelijk bewijs wordt afgegeven, vermeldede het bedrag van iedere boete, alsmede
de tijd waarop en de rede waarom zij is opgelegd, met opgave van de overtrede bepaling
van het reglement of van de schriftelijk aangegane overeenkomst;
3°. de bijdrage tot een fonds of de inlage in de Surinaamse Postspaarbank, door de werkgever
overeenkomstig artikel 1613s. 1° en 2°, ten behoeve van de werkgever gestort;
4°. de huurprijs van een woning, een lokaal, een stuk grond of van werktuigen of
gereedschappen, door de werknemer in eigen bedrijf gebruikt, welke door de werkgever bij
schriftelijk aangegane overeenkomst aan de werknemer zijn verhuurd;
5°. de koopprijs van gewone en dagelijkse benodigdheden van de huishouding, daaronder niet
begrepen alcoholhoudede drank, alsmede van grond- of hulpstoffen door de werknemer in
eigen bedrijf gebruikt, een en ander door de werkgever aan de werknemer geleverd, mits
van die levering blijkt uit een schriftelijke, door de werknemer afgegeven, verklaring, vermeldende
de oorzaak en het bedrag van de schuld, en mits de werkgever niet meer berekent
dan de kostende prijs, en die prijs niet hoger is dan die, waarvoor de werknemer zich die
benodigdheden van de huishouding, grond- of hulpstoffen elders in de omgeving zou
kunnen aanschaffen.
6°. de voorschotten op het loon, door de werkgever in geld aan de werknemer verstrekt, mits
daarvan blijkt door een verklaring als in het voorgaande nummer vermeld;
7°. het bedrag van hetgeen op het loon te veel is betaald;
8°. de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging, welke ingevolge artikel 1614c,
ten laste van de werknemer komen;
9°. de door de werkgever ingevolge wettelijke regeling voor de werknemer betaalde te betalen
belastingen.
2. Terzake van hetgeen de werkgever krachtens de nummers 2°., 3°. en 5°. zou kunnen vorderen,
mag behoudens schriftelijke toestemming van de President door hem bij elke uitbetaling van
het loon niet meer worden in vergelijking gebracht, dan een vijfde gedeelte van het in geld
vastgesteld loon, hetwelk alsdan zou moeten worden uitbetaald; terzake van hetgeen hij
krachtens de bepalingen van dit artikel in het geheel zou kunnen vorderen, mag behoudens
schriftelijke toestemming van de President schuldvergelijking niet verder gaan dan tot twee
vijfde gedeelte van hetzelfde bedrag.
3. Elk beding, waardoor de werkgever een ruimere bevoegdheid tot schuldvergelijking zou
worden toegekend, is nietig.

Artikel 1614s-585

1. Bedingen, welke de strekking hebben een zeker bedrag van het loon op de betaaldag niet uit te
betalen, zijn alleen geldig, indien zij bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement
zijn gemaakt met het uitgedrukte doel om op dit bedrag de schadevergoeding te kunnen
verhalen, welke door de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking krachtens artikel
1615t verschuldigd mocht zijn, en indien zij voorts voldoen aan de verdere bepalingen van dit
artikel.
2. De werkgever is verplicht het niet uitbetaalde bedrag ten name van de werknemer bij de
Surinaamse Postspaarbank te beleggen. De inlage van dit bedrag geschiedt binnen drie dagen
na die van de loonuitbetaling. Vanaf het ogenblik van de loonuitbetaling wordt de werknemer
geacht de eigenaar te zijn van het in te leggen bedrag.
3. Dit bedrag mag, behoudens schriftelijke toestemming van de President, bij elke loonuitbetaling
niet meer zijn dan een tiende gedeelte van het in geld vastgesteld, alsdan betaalbaar, loon. In
het geheel mag het ten hoogste het bedrag van de schadeloosstelling bedoeld bij artikel 1615r
evenaren met dien verstande dat het ten aanzien van werknemers, wier in geld vastgesteld loon
vijf gulden per dag of minder bedraagt, nimmer hoger mag zijn dan het in geld vastgesteld
loon van twaalf werkdagen.
4. Zodra de dienstbetrekking is geëindigd op een wijze waardoor de werknemer niet tot het
betalen van een schadevergoeding gelijk bij het eerste lid bedoeld, gehouden is, erlangt hij, of
zijne rechtverkrijgenden, de vrije beschikking over het aldus te zijnen name ingelegd bedrag
en over de daarvan gekweekte renten.
5. Alles wat betreft de inlagen en de terugbetalingen krachtens dit artikel te doen zal verder, zo
nodig, bij besluit van de President worden geregeld.

Artikel 1614t

1. Indien het loon van de werknemer geheel of gedeeltelijk in inwoning, kost, of andere
levensbenodigdheden is vastgesteld, is de werkgever verplicht dit, mits overeenkomstig de
vereisten van gezondheid en goede zeden, volgens plaatselijk gebruik te voldoen.
2. Elk beding, waardoor deze verplichting van de werkgever zou worden uitgesloten of beperkt,
is nietig.

Artikel 1614u

De werkgever, die tijdelijk verhinderd is het loon, voor zover dit in inwoning, kost of
andere levensbenodigdheden is vastgesteld, te voldoen, zonder dat deze verhindering het gevolg
is van eigen toedoen van de werknemer, is deze een vergoeding schuldig, waarvan het bedrag bij
overeenkomst of bij gebreke van die, door het plaatselijk gebruik wordt bepaald.

Artikel 1614v

De werkgever is gehouden inwonende werknemers, zonder korting van hun loon, in de
gelegenheid te stellen hun godsdienstplichten te vervullen, alsmede ontspanning van de arbeid te
genieten, in beide gevallen op de wijze bij overeenkomst of, bij gebreke van die, door het
plaatselijke gebruik bepaald.

Artikel 1614w586

1. De werkgever is gehouden de arbeid dusdanig te regelen, dat de werknemer geen arbeid heeft
te verrichten op zondagen en daarmede gelijkgestelde dagen.
2. Ten aanzien van minderjarige werknemers is de werkgever gehouden de arbeid dusdanig te
regelen, dat zij volgens het plaatselijk gebruik in de gelegenheid gesteld zijn de lessen te
volgen in inrichtingen voor godsdienst-, voortgezet-, herhalings- of vakonderwijs. Elke
beding, strijdig met dit voorschrift, is nietig.

Artikel 1614x

1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmede hij
de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede omtrent
het verrichten van de arbeid zodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te verstrekken, dat
de werknemer tegen gevaar voor lijf, eerbaarheid en goed zover beschermd is, als
redelijkerwijze in verband met de aard van de arbeid gevorderd kan worden.
2. Zijn die verplichtingen niet nagekomen, dan is de werkgever gehouden tot vergoeding van de
schade, aan de werknemer dientengevolge in de uitoefening van zijn dienstbetrekking
overkomen, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die niet-nakoming aan overmacht,
of die schade in belangrijke mate mede aan grove schuld van de werknemer is te wijten, alles
behoudens de betrekkelijke bepalingen van een wettelijke Ongevallenregeling.
3. Indien de werknemer tengevolge van het niet nakomen van die verplichtingen door de
werkgever, in de uitoefening van zijn dienstbetrekking zodanig letsel heeft bekomen, dat
daarvan de dood het gevolg is, is de werkgever jegens de overblijvende echtgenoot, de
kinderen of de ouders van de overledene, die voor zijn arbeid plegen te worden onderhouden,
verplicht tot schadevergoeding, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die nietnakoming
aan overmacht, of de dood in belangrijke mate mede aan grove schuld van de
werknemer is te wijten. Het voorbehoud bij het voorgaand lid gemaakt, is ook ten deze van
toepassing.
4. Elke beding, waardoor deze verplichtingen van de werkgever zoud worden uitgesloten of
beperkt, is nietig.
5. Bij wet kunnen evenwel regelen worden gesteld, volgens welke de in het tweede en derde lid
bedoelde verplichting tot schadevergoeding door de werkgever op anderen kan worden
overgedragen.

Artikel 1614y

De werkgever is in het algemeen verplicht al datgene te doen en na te laten, wat een goed
werkgever in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten.

Artikel 1614z

1. De werkgever is verplicht bij het eindigen van de dienstbetrekking de werknemer op diens
verlangen een getuigschrift uit te reiken.
2. Het getuigschrift bevat een juiste opgave omtrent de aard van de verrichte arbeid en de duur
van de dienstbetrekking, alsmede, doch alleen op bijzonder verzoek van degene, aan wie het
getuigschrift moet worden uitgereikt, omtrent de wijze, waarop de werknemer aan zijn
verplichtingen heeft voldaan en de wijze, waarop de dienstbetrekking geëindigd is; heeft de
werkgever de dienstbetrekking echter zonder het aanvoeren van redenen doen eindigen, dan is
hij slechts gehouden zulks te vermelden, zonder verplicht te zijn de redenen zelf mede te
delen; heeft de werkgever de dienstbetrekking onrechtmatig doen eindigen, dan is de
werkgever gerechtigd zulks in het getuigschrift te vermelden.
3. De werkgever, die weigert het gevraagde getuigschrift af te geven, die in het getuigschrift
tegen beter weten onjuiste mededelingen opneemt, of die het getuigschrift van een kenmerk
voorziet, bestemd om aangaande de werknemer enige mededeling te doen, welke niet in de
bewoordingen van het getuigschrift is vervat, is zowel jegens de werknemer als jegens derde
aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
4. Elk beding, waardoor deze verplichtingen van de werkgever zou worden uitgesloten of
beperkt, is nietig.

VIERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKNEMER

Artikel 1615-587

De werknemer is verplicht de bedongen arbeid naar zijn beste vermogen te verrichten.
Voor zover aard en omvang van de te verrichten arbeid niet bij overeenkomst of reglement zijn
omschreven, beslist daaromtrent het gebruik.

Artikel 1615a

De werknemer is verplicht de arbeid zelf te verrichten; hij kan zich daarin niet dan met
toestemming van de werkgever door een derde doen vervangen.

Artikel 1615b

De werknemer is verplicht zich te houden aan de voorschriften omtrent het verrichten van
de arbeid alsmede aan die, welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming
des werkgevers, hem door of namens de werkgever binnen de perken van wettelijke voorschriften
of van overeenkomst of reglement of, bij gebreke daarvan, van het gebruik gegeven.

Artikel 1615c

De werknemer die bij de werkgever inwoont, is verplicht zich te gedragen naar de orde
des huizes.

Artikel 1615d

De werknemer is in het algemeen verplicht al datgene te doen en na te laten, wat een goed
werknemer in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten.

VIJFDE AFDELING

VAN DE VERSCHILLENDE WIJZEN WAAROP DE DIENSTBETREKKING

DOOR ARBEIDSOVEREENKOMST ONTSTAAN, EINDIGT

Artikel 1615e-588

1. De dienstbetrekking eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of
reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald.
2. Voorafgaande opzegging is in dat geval alleen nodig:
1°. indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement is bedongen;
2°. indien volgens wettelijk voorschrift of volgens gebruik, ook bij vooraf bepaalde duur
opzegging behoort plaats te hebben, en partijen daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij
schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement zijn afgeweken.
3°. indien de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615f geacht wordt voor een bepaalde tijd te
zijn voortgezet.

Artikel 1615f-589

1. Indien de dienstbetrekking, welke niet zuiver het verrichten van losse, ongeregelde arbeid ten
doel heeft, na het verstrijken van de tijd, in het eerste lid van het voorgaande artikel
omschreven, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor
dezelfde duur, doch voor telkens ten hoogste een jaar, op de vroeger voorwaarden te zijn
verlengd.
2. Hetzelfde geldt in de gevallen, waarin tijdige opzegging, welke bij een dienstbetrekking
aangegaan voor bepaalde tijd behoort plaats te hebben, achterwege blijft en de gevolgen voor
de voortzetting van de dienstbetrekking niet opzettelijk zijn geregeld.
3. Hetzelfde geldt, indien in de bij het tweede lid van het voorgaande artikel gestelde gevallen
tijdige opzegging achterwege blijft en partijen de gevolgen daarvan niet opzettelijk hebben
geregeld.

Artikel 1615g

1. Indien de duur van een dienstbetrekking noch bij overeenkomst of reglement, noch bij
wettelijk voorschrift noch ook door het gebruik, is aangegeven, wordt zij geacht voor onbepaalde
tijd te zijn aangegaan.
2. Indien de dienstbetrekking is aangegaan voor onbepaalde tijd of tot wederopzegging, heeft
ieder der partijen het recht, die te doen eindigen door opzegging met inachtneming van de
bepalingen der twee volgende artikelen.

Artikel 1615h-590

1. De opzegging mag alleen geschieden tegen de dag of tegen een der dagen, bij overeenkomst of
reglement bepaald of, bij gebreke van die, tegen een van die dagen, welke door het gebruik
daarvoor zijn aangewezen; bij gebreke van dergelijke aanwijzing mag de opzegging tegen elke
dag geschieden.
2. De werkgever mag niet opzeggen gedurende de tijd, dat de werknemer wegens ziekte
verhinderd is zijn arbeid te verrichten en ingevolge artikel 1614c aanspraak behoudt op loon.
3. De werkgever mag niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer verhinderd is de
bedongen arbeid te verrichten tengevolge van de vervulling van de dienstplicht dan wel enige
andere door wettelijke regelingen of door de overheid, tegen geldelijke vergoeding, opgelegde
tijdelijke verplichting in het belang van de inwendige veiligheid of van de openbare orde en
rust. Het hier bepaalde geldt niet ten aanzien van een minderjarige werknemer, van wie de
dienstbetrekking op het ogenblik van de verhindering nog geen vier maanden heeft geduurd.
4. Indien een voor een bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking ingevolge artikel 1615f is
verlengd, vindt het bepaalde in het tweede en derde lid geen toepassing.
5. Van het bepaalde in het tweede lid kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst worden
afgeweken.

Artikel 1615i-591

1. De termijn van opzegging is gelijk aan de tijd, welke gewoonlijk tussen twee opvolgende
uitbetalingen van het in geld vastgestelde loon verstrijkt, met een minimum van een week; is
het loon bij de maand of langere tijdsruimte vastgesteld, dan is de termijn van opzegging
gelijk aan de tijd tussen de dag van opzegging en de laatste dag van de daaropvolgende
maand.
2. Elk beding strijdig met een bepaling van lid 1 is nietig.
3. De termijn van opzegging bedraagt:
1°. voor de werkgever:
a. indien de dienstbetrekking ten hoogste tien jaar heeft geduurd, zoveel weken als de
dienstbetrekking gehele jaren heeft geduurd;
b. indien de dienstbetrekking langer dan tien jaar, doch ten hoogste vijftien jaar heeft
geduurd, vier maanden;
c. indien de dienstbetrekking langer dan vijftien jaar heeft geduurd, zes maanden;
2°. voor de werknemer:
a. indien de dienstbetrekking ten hoogste tien jaar heeft geduurd, zoveel weken als de
dienstbetrekking tijdvakken van twee gehele jaren heeft geduurd;
b. indien de dienstbetrekking langer dan tien jaar, doch ten hoogste vijftien jaar heeft
geduurd, twee maanden;
c. indien de dienstbetrekking langer dan vijftien jaar heeft geduurd, drie maanden.
4. Het in het eerste lid bepaalde is slechts van toepassing, indien de daarin bedoelde
opzeggingstermijn langer is dan die bedoeld in lid 3.
5. Bij schriftelijke overeenkomst of reglement mogen de termijnen bedoeld in lid 3 worden
verlengd, mits de termijn van opzegging voor de werknemer niet langer zij dan zes maanden
en voor de werkgever niet korter wordt gesteld dan op het dubbele van die voor de
werknemer; is slechts voor de werknemer een termijn vastgesteld of is de termijn voor de
werkgever korter dan het dubbele van die voor de werknemer is vastgesteld, dan geldt voor de
werkgever het dubbele van de termijn die voor de werknemer is bepaald; is slechts voor de
werkgever een termijn vastgesteld, dan geldt voor de werknemer de helft daarvan.
6. Van het bepaalde in lid 3 mag slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst worden afgeweken.
7. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 3 worden dienstbetrekkingen geacht eenzelfde, niet
onderbroken, dienstbetrekking te vormen, indien:
a. zij bestaan hebben tussen dezelfde partijen en elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31
dagen zijn opgevolgd, tenzij de dienstbetrekkingen uitsluitend hebben betroffen het
verrichten van losse, ongeregelde arbeid en zij ieder voor zich binnen 31 dagen zijn
geëindigd;
b. eenzelfde werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers,
die redelijkerwijze geacht moeten worden, ten aanzien van de verrichte arbeid, elkaars
opvolgers te zijn.
8. De rechter kan, op verzoek van de werkgever, de opzeggingstermijn, als bedoeld in lid 3 sub
1°, punten b en c, op een kortere tijdsduur vaststellen wegens zeer bijzondere redenen, met
dien verstande, dat geen kortere termijn mag worden bepaald dan 13 weken.
9. De rechter kan, op verzoek van de werknemer, de opzeggingstermijnen, als bedoeld in lid 3°
sub 2°, punten b en c op een kortere tijdsduur vaststellen wegens zeer bijzondere
omstandigheden, met dien verstande, dat geen kortere termijn mag worden bepaald dan 6
weken.
10. Zeer bijzondere redenen, als bedoeld in de leden 8 en 9 worden slechts aanwezig geacht
indien zich in de omstandigheden zodanige veranderingen hebben voorgedaan, dat de verzoeker
redelijkerwijze niet in staat kan worden geacht zich te houde aan de in lid 3, sub 1°, punten
b en c en sub 2°, punten b en c, voorgeschreven opzeggingstermijnen.

Artikel 1615j

De dienstbetrekking eindigt door de dood van de werknemer.

Artikel 1615k

De dienstbetrekking eindigt niet door de dood van de werkgever, tenzij uit de
overeenkomst het tegendeel voortvloeit. Echter zijn zowel de erfgenamen van de werkgever als
de werknemer bevoegd de dienstbetrekking, voor een bepaalde tijd aangegaan, door opzegging
met inachtneming van de bepalingen der artikelen 1615h en 1615i te doen eindigen, als ware zij
aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 1615l

1. Indien een proeftijd is bedongen, is gedurende die tijd ieder der partijen bevoegd, door
opzegging de dienstbetrekking onmiddellijk te doen eindigen.
2. Elk beding, waarbij de proeftijd niet voor beide partijen gelijk, of wel langer dan twee
maanden gesteld wordt, alsmede elk beding, waarbij tussen dezelfde partijen eenieuwe
proeftijd wordt aangegaan, is nietig.

Artikel 1615m

1. Indien de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige meent, dat de door deze gesloten
arbeidsovereenkomst voor de minderjarige nadelige gevolgen zal hebben, of heeft, of wel, dat
niet wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in de in artikel 1613g, genoemde machtiging,
kan hij zich wenden tot de Kantonrechter binnen wiens rechtsgebied de plaats van het
werkelijk verblijf van de minderjarige gelegen is, met het schriftelijk verzoek de
arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren.
2. De rechter willigt het verzoek niet in dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de
minderjarige, van de werkgever, alsmede, indien de minderjarige onder voogdij staat, van de
toeziende voogd.
3. Indien de rechter het verzoek inwilligt, bepaalt hij op welk ogenblik de dienstbetrekking zal
eindigen.
4. Tegen de beschikking is geenrlei voorziening toegelaten.

Artikel 1615n

1. Gelijke bevoegdheid als bij het voorgaande artikel aan de wettelijke vertegenwoordiger is
toegekend, komt onder gelijke omstandigheden toe aan de Procureur-Generaal. De rechter
willigt het verzoek niet in dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de personen, bedoeld
bij het tweede lid van het voorgaande artikel, alsmede van de wettelijke vertegenwoordiger
van de minderjarigen.
2. De laatste twee leden van het voorgaande artikel zijn van toepassing.

Artikel 1615o-592

1. Ieder der partijen kan de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de
voor opzegging geldende bepalingen doen eindigen, doch de partij, die dit doet, zonder dat de
wederpartij daarin toestemt, is schadeplichtig, tenzij de dienstbetrekking aldus doet eindigen
om een dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde, reden.
2. Eveneens schadeplichtig is de partij, die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende
reden heeft gegeven om de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de
voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen, indien de wederpartij van die
bevoegdheid heeft gebruik gemaakt of de rechter op die grond, krachtens artikel 1615x eerste
lid, de arbeidsovereenkomst ontbonden heeft verklaard.
3. Ingeval een der partijen overeenkomstig de voorgaande leden schadeplichtig is, heeft de
wederpartij het recht, hetzij de bij artikel 1615r eerste lid bedoelde schadeloosstelling, hetzij
een volledige schadevergoeding te vorderen.

Artikel 1615p

1. Voor de werkgever worden als dringende redeen in de zin van het voorgaande artikel
beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer welke ten
gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de
dienstbetrekking te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
1°. wanneer de werknemer bij de afsluiting van de overeenkomst de werkgever heeft misleid
door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse
inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige dienstbetrekking is
geëindigd.
2°. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de
arbeid, waarvoor hij zich heeft verbonden;
3°. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk
gedrag;
4°. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven,
waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
5°. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers
mishandelt, grovelijk beleedigt of op ernstige wijze bedreigt;
6°. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers
verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden;
7°. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, van de werkgever eigendom
beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
8°. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos zich zelf of anderen aan
ernstig gevaar blootstelt;
9°. wanneer hij bijzonderheden aangaande de werkgevers huishouding of bedrijf, die hij
behoorde geheim te houden, bekend maakt;
10°. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door
of namens de werkgever verstrekt;
11°. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
arbeidsovereenkomst hem oplegt;
12°. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt de bedongen arbeid te
verrichten.
3. Bedingen, waardoor aan de werkgever de beslissing zou worden overgelaten, of er een
dringende reden in de zin van artikel 1614o aanwezig is, zijn nietig.

Artikel 1615q

1. Voor de werknemer worden als dringende redenen in de zin van artikel 1615o beschouwd
zodanige omstandigheden, welke ten gevolge hebben, dat van de werknemer redelijkerwijze
niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
1°. wanneer de werkgever de werknemer, diens familieleden of huisgenoten mishandelt,
grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt dat dergelijke handelingen door
een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
2°. wanneer hij de werknemer, diens familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden
tot handelingen strijdig met de wetten of de goede zeden, of gedoogt dat dergelijke
verleiding of poging tot verleiding door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten wordt
gepleegd;
3°. wanneer hij het loon niet op de bepaalde tijd voldoet;
4°. wanneer hij, waar kost en inwoning bedongen zijn, niet op behoorlijke wijze daarin
voorziet;
5°. wanneer hij de werknemer, wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten
arbeid is vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft;
6°. wanneer hij de werknemer, wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten
arbeid is vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in behoorlijke mate verschaft;
7°. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
arbeidsovereenkomst hem oplegt;
8°. wanneer hij, zonder dat de aard der dienstbetrekking dit medebrengt, de werknemer,
niettegenstaande diens weigering, gelast, arbeid in het bedrijf van een andere werkgever te
verrichten;
9°. wanneer de voortduring van de dienstbetrekking voor de werknemer zou verbonden zijn
met ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam, welke niet
blijkbaar waren ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst;
10°. wanneer de werknemer door ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat
geraakt de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen, waardoor aan de werknemer de beslissing zou worden overgelaten, of er een
dringende reden in de zin van artikel 1615o aanwezig is, zijn nietig.

Artikel 1615r-593

1. De schadeloosstelling bedoeld bij de artikelen 1613k en 1615o is gelijk aan het bedrag van het
loon voor de tijd, dat de dienstbetrekking bij regelmatige beëindiging had behoren voort te
duren.
Onder loon worden hier verstaan de onder 1° en 7° van artikel 1613p vermelde bestanddelen.
2. Is het loon van de werknemer, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet naar tijdruimte
vastgesteld, dan geldt de maatstaf van artikel 1613o.
3. Elk beding, waarbij ten behoeve van de werknemer een schadeloosstelling tot een lager bedrag
is bedongen, is nietig.
4. Bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement mag een schadeloosstelling tot een
hoger bedrag worden vastgesteld,
5. De rechter is bevoegd de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste en het vierde lid van dit
artikel, op een kleinere som te bepalen, zo die hem bovenmatig voorkomt.
6. Van het bedrag van de verschuldigde schadeloosstelling is een rente verschuldigd, berekend
tegen zes ten honderd in het jaar van de dag, waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

Artikel 1615s-594

1. Indien een der partijen de dienstbetrekking, al dan niet met inachtneming van de voor de
beëindiging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk doet eindigen, kan de rechter aan de
wederpartij naar billijkheid een schadevergoeding toekennen.
2. Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk
geacht kunnen worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende
of valse reden;
b. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft
geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen van de
beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de
werkgever bij beëindiging;
c. wanneer deze geschiedt in verband met een verhindering van de werknemer om de
bedongen arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 1615h derde lid;
d. wanneer deze geschiedt in afwijking van een krachtens wettelijk voorschrift of krachtens
gebruik geldende anciënniteitsregeling voor de categorie van werknemers, waartoe de
werknemer behoort, tenzij hiervoor gewichtige redenen aanwezig zijn;
e. wanneer deze geschiedt op grond van handelingen van bestuursleden of vertegenwoordigers
van een vereniging van werknemers, die representatief geacht kan worden voor de
werknemers of voor een bepaalde categorie daarvan in dienst van de werkgever, voor zover
deze handelingen rechtstreeks met de arbeidsverhoudingen of verenigingsrechten in
verband staan en niet onrechtmatig zijn;
f. wanneer deze geschiedt in verband met een niet onrechtmatige werkstaking, tenzij de
werkgever daartoe volgens wettelijke voorschriften bevoegd is.
3. Beëindiging van de dienstbetrekking door de werknemer zal onder andere kennelijk onredelijk
geacht kunnen worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende
of valse reden;
b. wanneer de gevolgen van de beëindiging voor de werkgever in een onevenredige
verhouding staan tot het belang van de werknemer bij de beëindiging.
4. Bedingen, waardoor aan een der partijen de beslissing wordt overgelaten, of de
dienstbetrekking kennelijk onredelijk is beëindigd, zijn nietig.

Artikel 1615t-595

1. De rechter kan de partij, die volgens artikel 1615o schadeplichtig is, of die volgens artikel
1615s de dienstbetrekking kennelijk onredelijk doet eindigen, ook veroordelen de
dienstbetrekking te herstellen.
2. Indien de rechter een zodanige veroordeling uitspreekt, kan hij bepalen, vóór of op welk
tijdstip de dienstbetrekking moet worden hersteld, en kan hij voorzieningen treffen omtrent de
rechtsgevolgen van de onderbreking.
3. De rechter kan in het vonnis, houdende veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking,
bepalen, dat de verplichting tot herstel vervalt door betaling van een in het vonnis naar
billijkheid vastgestelde afkoopsom. Indien in het vonnis geen afkoopsom is vastgesteld, zal de
rechter deze op verzoek van een der partijen alsnog vaststellen. Een zodanig verzoek, door de
tot herstel veroordeelde partij ingediend, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor
zover betreft de veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking, totdat op het verzoek is
beslist, met dien verstande, dat, wanneer het verzoek is ingediend door de werkgever, deze in
ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.
4. De rechter stelt de hoogte der afkoopsom met het oog op de omstandigheden van het geval
naar billijkheid vast en hij kan toestaan, dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze in
termijnen wordt betaald.
5. Het vierde lid van artikel 1615m is van toepassing.

Artikel 1615u

1. Indien de werkgever de dienstbetrekking doet eindigen met het oogmerk zich te onttrekken aan
zijn verplichting tot het verlenen van een bij of in verband met de overeenkomst bedongen
verlof na een bepaald aantal jaren dienst, heeft de werknemer het recht, boven en behalve
hetgeen hem in verband met het ontslag uit andere hoofde mocht toekomen, een
schadevergoeding te vorderen ten bedrage van de uitkering, welke hij volgens de
overeenkomst gedurende de verloftijd zou hebben genoten, benevens, indien recht op vrij
vervoer bij de overeenkomst was bedongen, het bedrag dat voor vrij vervoer volgens de
overeenkomst naar de plaats van herkomst of naar de plaats van verlof benodigd is op het
tijdstip van de beëindiging van de dienstbetrekking.
2. Indien buiten het geval bij het vorig lid bedoeld, nadat de helft van de in de overeenkomst voor
de verlofsverlening bepaalde diensttijd is verstreken, de werkgever eenzijdig zonder dringende
redenen de overeenkomst doet eindigen, is hij gehouden boven hetgeen hij uit andere hoofde
aan de werknemer verschuldigd is, aan deze te betalen een geldsom, welke tot het bedrag van
de in het eerste lid bepaalde schadevergoeding in dezelfde verhouding staat als de op het
ogenblik van het eindigen van de overeenkomst voor verlofsverkrijging meetellende
verstreken diensttijd staat tot de voor verlofsverkrijging benodigde diensttijd. Bij de
berekening van de diensttijd wordt de maand, waarin de overeenkomst eindigt, als een gehele
maand aangemerkt.
3. Hetzelfde geldt indien de werknemer, nadat het in het vorig lid genoemde gedeelte van de
diensttijd is verstreken, de dienstbetrekking doet eindigen wegens een door de werkgever
gegeven dringende reden, dan wel indien de rechter de overeenkomst wegens gewichtige niet
dringende redenen als bedoeld in art. 1615x of wegens een door de werkgever gegeven
dringende reden, of ingevolge artikel 1288, omdat de werkgever aan zijn verplichtingen niet
voldoet, ontbonden verklaart. Indien de rechter de overeenkomst om andere dan dringende
redeen ontbonden verklaart, is hij bevoegd de bij het tweede lid bepaalde geldsom te
verminderen tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval
billijk zal voorkomen.

Artikel 1615v-596

Ieder vorderingsrecht krachtens de artikelen 1615o, 1616t en 1615u verjaart na verloop
van zes maanden.

Artikel 1615w

1. Indien de dienstbetrekking is aangegaan voor langer dan vijf jaar of voor de duur van het leven
van een bepaalde persoon, is niettemin de werknemer bevoegd van het ogenblik, waarop vijf
jaar sedert haar aanvang zijn verlopen, haar op te zeggen met inachtneming van een termijn
van zes maanden.
2. Elk beding, waardoor deze bevoegdheid tot opzeggen zou worden uitgesloten of beperkt, is
nietig.

Artikel 1615-x

1. Ieder der partijen is te allen tijde, ook voordat de arbeid is aangevangen, bevoegd zich wegens
gewichtige redenen te wenden tot de rechter van het Kanton binnen wiens gebied de plaats van
haar werkelijk verblijf gelegen is, met het schriftelijk verzoek de arbeidsovereenkomst
ontbonden te verklaren. Elk beding, waardoor deze bevoegdheid zou worden uitgesloten of
beperkt, is nietig.
2. Als gewichtige redenen worden, behalve dringende redenen als bedoeld in artikel 1615o, ook
beschouwd veranderingen in de persoonlijke of vermogenstoestand van de verzoeker of van de
wederpartij of in de omstandigheden, waaronder de arbeid wordt verricht, welke van die aard
zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3. De rechter willigt het verzoek niet in dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de
wederpartij.
4. De laatste twee leden van artikel 1615m zijn van toepassing.

Artikel 1615-y

De bevoegdheid van partijen om ingevolge artikel 1288 de ontbinding van de
overeenkomst met vergoeding van kosten, schade en interessen te vorderen, wordt door de
bepalingen van deze afdeling niet uitgesloten.

ZESDE AFDELING

VAN AANNEMING VAN WERK

Artikel 1616-597

Bij aanneming van werk kan men overeenkomen, dat de aannemer alleen arbeid
verrichten of dat hij ook de stof leveren zal.

Artikel 1617-598

Ingeval de aannemer de stof moet leveren, en het werk, op welke wijze ook, vergaat,
alvorens het geleverd is, komt het verlies voor zijn rekening tenzij de aanbesteder nalatig is
geweest om het werk te ontvangen.

Artikel 1618-599

Indien de aannemer alleen arbeid moet verrichten en het werk vergaat, is hij slechts voor
zijn schuld aansprakelijk.

Artikel 1619-600

Indien het werk, in het geval bij het voorgaande artikel vermeld, buiten enig
plichtsverzuim van de aannemer is verloren gegaan, voordat de levering geschied is, en zonder
dat de aanbesteder nalatig is geweest om het werk op te nemen en goed te keuren, heeft de
aannemer geen aanspraak op de bedongen prijs, tenzij de zaak door een gebrek in de stof zelf
verloren was gegaan.

Artikel 1620-601

Indien een werk bij het stuk of bij de maat bearbeid wordt, kan hetzelve bij gedeelten
worden opgenomen; die opneming wordt geacht geschied te zijn voor al de betaalde gedeelten,
wanneer de aanbesteder de aannemer telkens betaalt naar evenredigheid van hetgeen afgewerkt
is.

Artikel 1621

Indien een gebouw, voor een bepaalde prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of
gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling, of zelfs uithoofde van de
ongeschiktheid van de grond, zijn de bouwmeesters en aannemers daarvoor, gedurende tien jaren,
aansprakelijk.

Artikel 1622-602

Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij
aanneming te maken, volgens een bestek, met de eigenaar van de grond beraamd en vastgesteld,
kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering
der arbeidslonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen,
die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrotingen niet schriftelijk zijn
ingewilligd, en over derzelver prijs met de eigenaar geen overeenkomst is getroffen.

Artikel 1623

De aanbesteder kan, des goedvindende, de aanneming opzeggen, ofschoon het werk reeds
begonnen is, mits hij de aannemer, wegens al deszelfs gemaakte kosten, arbeid en winstderving,
volkomen schadeloos stelt.

Artikel 1624-603
Aanneming van werk houdt op door de dood van de aannemer.
Maar de aanbesteder is gehouden aan de erfgenamen, naar evenredigheid van de bij de
overeenkomst bedongen prijs, te betalen de waarde van het gedane werk en die der in gereedheid
gebrachte bouwstoffen, mits dat werk of die bouwstoffen hem tot enig nut kunnen verstrekken.

Artikel 1625

De aannemer is verantwoordelijk voor de daden van degenen, die hij in het werk stelt.

Artikel 1626

Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachtslieden, welke tot het zetten van een
gebouw of het maken van enig ander aangenomen werk gebezigd zijn, hebben geen
rechtsvordering tegen degene, te wiens behoeve de werken gemaakt zijn, dan ten beloop van
hetgeen deze aan de aannemer schuldig is, op het ogenblik waarop zij hun rechtsvordering
aanleggen.

Artikel 1627

Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachtslieden, die zelf onmiddellijk en voor
een bepaalde prijs een werk op zich nemen, zijn gehouden aan de regelen in deze afdeling
voorgeschreven.
Zij zijn aannemers in het vak, waarin zij werkzaam zijn.

Artikel 1628-604

Arbeidslieden, die enig goed van een ander onder zich hebben, om daaraan enig werk te
verrichten, zijn gerechtigd om dat goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van de
kosten en arbeidslonen daaraan besteed, tenzij de aanbesteder voor die kosten en arbeidslonen
genoegzame zekerheid hebben gesteld.

Artikel 1629

De rechten en verplichtingen van voerlieden en schippers zijn in het Surinaamsch
Wetboek van Koophandel vastgesteld.

ACHTSTE TITEL605

VAN MAATSCHAP

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1630

Maatschap is een overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in
gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te
deelen.

Artikel 1631

Alle maatschap moet een geoorloofd onderwerp hebben, en tot het gemeenschappelijk
belang der partijen aangegaan worden.
Ieder der vennoten moet, of geld, of andere goederen, of zijn nijverheid, in de maatschap
inbrengen.

Artikel 1632

Maatschappen zijn, of algeheel, of bijzonder.

Artikel 1633

De wet kent slechts de algehele maatschap van winst. Zij verbiedt alle maatschappen,
hetzij van al de goederen, hetzij van een bepaald gedeelte van deze, onder een algemene titel;
onverminderd de bepalingen, vastgesteld in de zesde en zevende titel van het eerste boek.

Artikel 1634

De algehele maatschap van winst bevat slechts hetgeen partijen, onder welke benaming
ook, gedurende de loop van de maatschap door haar vlijt zullen verkrijgen.

Artikel 1635

De bijzondere maatschap is de zodanige, welke slechts betrekking heeft tot zekere
bepaalde zaken, of tot derzelver gebruik, of tot de vruchten die daarvan zullen getrokken worden,
of tot een bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van enig bedrijf of beroep.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VERBINTENISSEN DER VENNOOTEN ONDERLING

Artikel 1636

De maatschap begint van het ogenblik van de overeenkomst, indien daarbij geen ander
tijdstip bepaald is.

Artikel 1637

Ieder vennoot is aan de maatschap verschuldigd al hetgeen hij beloofd heeft daarin te
zullen brengen, en, indien deze inbrengst in een bepaald voorwerp bestaat, is hij tot vrijwaring
gehouden, op gelijke wijze als bij koop en verkoop plaats vindt.

Artikel 1638

De vennoot, die een som geld in de maatschap moest inbrengen, en zulks niet gedaan
heeft, wordt van rechtswege, en zonder daartoe aangesproken te worden, schuldenaar der
interesten van deze som, te rekenen van de dag waarop deze had behoren ingebracht te worden.
Hetzelfde geldt omtrent de geldsommen, welke hij uit de gemene kas genomen heeft, te
rekenen van de dag, waarop hij deze tot zijn bijzonder voordeel daaruit getrokken heeft.
Alles onverminderd de vergoeding van meerdere kosten, schade en interesten, indien
daartoe gronden zijn.

Artikel 1639

De vennoten, die zich verbonden hebben om hun arbeid en hun vlijt in de maatschap aan
te brengen, zijn aan deze rekenschap verschuldigd van alle winsten, welke zij, door zodanige
soort van nijverheid als welke het onderwerp van de maatschap uitmaakt, verkregen hebben.

Artikel 1640

Wanneer een der vennoten, voor zijn eigen rekening, een opeisbare som te vorderen
heeft van iemand, die mede een insgelijks opeisbare som verschuldigd is aan de maatschap,
moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld van de maatschap en op die van hem
zelf, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat
hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijn eigen inschuld mocht gebracht
hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft, dat de gehele betaling zou strekken
voor de inschuld van de maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen.

Artikel 1641

Indien een der vennoten zijn geheel aandeel in een gemene inschuld van de maatschap
ontvangen heeft, en de schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot
gehouden het ontvangene in de gemene kas in te brengen, al had hij ook voor zijn aandeel
kwijting gegeven.

Artikel 1642

Ieder vennoot is jegens de maatschap gehouden tot vergoeding der schade, welke hij aan
deze door zijn schuld heeft veroorzaakt, zonder dat hij die schade kan in vergelijking brengen met
de voordelen, welke hij door zijn arbeid en zijn vlijt in andere zaken aan de maatschap mocht
hebben aangebracht.

Artikel 1643-606

Indien de zaken, waarvan slechts het genot in de maatschap is gebracht, in zekere en
bepaalde voorwerpen bestaan, welke niet door het gebruik te niet gaan, zijn dezelve voor
rekening van de vennoot, aan wie zij in eigendom toebehoren.
Indien die zaken door het gebruik vergaan, indien zij in waarde verminderen door dezelve
te behouden, indien zij bestemd geweest zijn om verkocht te worden, of indien zij in de
maatschap zijn aangebracht volgens een begroting, bij een beschrijving of inventaris bepaald, zijn
zij voor rekening van de maatschap.
Indien het goed geschat is, kan de vennoot niets meer vorderen dan het beloop van die
schatting.

Artikel 1644

Een vennoot heeft aanspraak op de maatschap, niet alleen wegens de gelden, welke hij
voor deze heeft uitgeschoten, maar ook wegens de verbintenissen, welke hij, te goeder trouw, ten
behoeve van de maatschap heeft aangegaan, en wegens de schade, welke onafscheidbaar zijn van
zijn beheer.

Artikel 1645

Indien bij de overeenkomst van maatschap het aandeel van iedere vennoot in de winsten
en de verliezen niet is bepaald, is elk aandeel geëvenredigd aan hetgeen hij in de maatschap heeft
ingebracht.
Ten aanzien van degene, die slechts zijn nijverheid heeft ingebracht, wordt het aandeel in
de winsten en de verliezen berekend gelijk te staan met het aandeel van degene der vennoten, die
het minst heeft ingebracht.

Artikel 1646

De vennoten kunnen niet bedingen, dat zij de regeling van de begroting van hun aandeel
aan een van hun of aan een derde zullen overlaten.
Een zodanige beding wordt voorondersteld niet geschreven te zijn, en zullen alzo de
verordeningen van het voorgaande artikel worden in acht genomen.

Artikel 1647

Het beding, waarbij aan een der vennoten al de voordelen mochten toegezegd zijn, is
nietig.
Maar het is geoorloofd te bedingen, dat al de verliezen bij uitsluiting door een of meer der
vennoten zullen gedragen worden.

Artikel 1648

De vennoot, die bij een bijzonder beding van de overeenkomst van maatschap met het
beheer belast is, kan, zelfs in weerwil der overige vennoten, alle daden verrichten, welke tot zijn
beheer betrekkelijk zijn, mits hierin te goeder trouw te werk gaande.
Deze macht kan, zolang de maatschap duurt, niet zonder wettige redenen herroepen
worden; maar indien deze niet bij de overeenkomst van de maatschap, maar bij een latere akte, is
gegeven, is zij, evenals een eenvoudige lastgeving, herroepelijk.

Artikel 1649

Indien verscheidene vennoten met het beheer belast zijn, zonder dat hun bijzondere
werkzaamheden bepaald zijn, of zonder beding dat de een buiten de andere niets zouden mogen
verrichten, is ieder van hen afzonderlijk tot alle handelingen, dat beheer betreffende, bevoegd.

Artikel 1650

Indien er bedongen is, dat een der beheerders niets buiten de andere zou mogen
verrichten, mag de een, zonder een nieuwe overeenkomst, niet te handelen zonder medewerking
van de andere, al mocht deze zich ook voor het ogenblik in de onmogelijkheid bevinden om aan
de daden van het beheer deel te nemen.

Artikel 1651

Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer, moeten de volgende
regelen worden inachtgenomen:
1°. De vennoten worden geacht zich over en weder de macht te hebben verleend om de
een voor de andere te beheren;
Hetgeen ieder van hen verricht, is ook verbindend voor het aandeel der overige vennoten,
zonder dat hij hun toestemming heeft bekomen; onverminderd het recht van deze laatstgemelde,
of van een van hun, om zich tegen de handeling, zolang die nog niet gesloten is, te verzetten;
2°. Ieder der vennoten mag gebruik maken van de zaken aan de maatschap toebehorende,
mits hij deze tot zodanige einde gebruikt, als waartoe zij gewoonlijk bestemd zijn, en mits hij
zich van deze niet bedient tegen het belang van de maatschap, of op zodanige wijze, dat de
overige vennoten daardoor verhinderd worden om van die zaken, volgens hun recht, mede
gebruik te maken;
3°. Ieder vennoot heeft de bevoegdheid om de overige vennoten te verplichten in de
onkosten te dragen, welke tot behoud der aan de maatschap behorende zaken noodzakelijk zijn;
4°. Geen der vennoten kan, zonder toestemming der overige, enige nieuwigheden
daarstellen ten aanzien der onroerende goederen, welke tot de maatschap behoren, al beweerde
hij ook, dat deze voor de maatschap voordelig waren.

Artikel 1652

De vennoten die geen beheer hebben, mogen zelfs de roerende goederen, tot de maatschap
behorende, noch vervreemden, noch verpanden, noch bezwaren.

Artikel 1653

Elk der vennoten mag, zelfs zonder toestemming der overige, een derde persoon
aannemen als deelgenoot in het aandeel, hetwelk hij in de maatschap heeft; doch hij kan
denzelven, zonder zodanige toestemming, niet als medelid van de maatschap toelaten, al mocht
hij ook met het beheer der zaken van de maatschap belast zijn.

DERDE AFDELING

VAN DE VERBINTENISSEN DER VENNOTEN TEN AANZIEN VAN DERDEN

Artikel 1654

De vennoten zijn niet ieder voor het geheel voor de schulden van de maatschap
verbonden, en een der vennoten kan de overige niet verbinden, indien deze hem daartoe geen
volmacht gegeven hebben.

Artikel 1655

De vennoten kunnen door de schuldeiser, met wie zij gehandeld hebben, aangesproken
worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van
de ene minder dan dat van de andere bedroeg, tenzij, bij het aangaan van de schuld, derzelver
verplichting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elk vennoot te dragen,
uitdrukkelijk is bepaald.

Artikel 1656

Het beding, dat een handeling voor rekening van de maatschap is aangegaan, verbindt
slechts de vennoot, die deze aangegaan heeft, maar niet de overige, tenzij de laatstgenoemden
hem daartoe volmacht hadden gegeven, of de zaak ten voordele van de maatschap gestrekt heeft.

Artikel 1657

Indien een der vennoten in naam van de maatschap een overeenkomst heeft aangegaan,
kan de maatschap de uitvoering daarvan vorderen.
VIERDE AFDELING
VAN DE VERSCHILLENDE WIJZEN, WAAROP DE MAATSCHAP EINDIGT

Artikel 1658

Maatschap eindigt:
1°. door verloop van de tijd, voor welke dezelve is aangegaan;
2°. door de vernietiging van de zaak of de volbrenging van de handeling, die het
onderwerp van de maatschap uitmaakt;
3°. door de enkele wil van enige of van slechts een der vennoten;
4°. door de dood of de curatele van een van hun, of indien hij in staat van faillissement of
van kennelijk onvermogen is verklaard.

Artikel 1659

De ontbinding van maatschappen, voor een bepaalde tijd aangegaan, kan door een der
vennoten, vóór de afloop van die tijd, niet anders gevorderd worden dan om wettige redenen;
zoals, indien een ander vennoot niet aan zijn verplichtingen voldoet, of een aanhoudende
ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken van de maatschap waar te nemen, of andere
soortgelijke gevallen, waarvan de wettigheid en het gewicht aan de beoordeling van de rechter
worden overgelaten.

Artikel 1660

Indien een der vennoten beloofd heeft de eigendom van een zaak in gemeenschap te
zullen brengen, en deze zaak, voordat zulks geschied is, vergaat, wordt de maatschap daardoor,
ten opzichte van al de vennoten, ontbonden.
De maatschap is insgelijks, in alle gevallen, ontbonden door het vergaan van de zaak,
wanneer alleen derzelver genot in gemeenschap is gesteld, en de eigendom aan de vennoot is
verbleven.
Maar de maatschap wordt niet verbroken door het vergaan van de zaak, waarvan de
eigendom reeds in de maatschap is ingebracht.

Artikel 1661

Maatschap kan slechts door de wil van enige of van slechts een der vennoten worden
ontbonden, ingeval deze voor geen bepaalde tijd is aangegaan.
De ontbinding geschiedt, in dat geval, door een opzegging aan al de overige vennoten
gedaan, mits die opzegging te goeder trouw en niet ontijdig plaats heeft.

Artikel 1662

De opzegging wordt geacht niet te goeder trouw te zijn geschied, wanneer een vennoot de
maatschap opzegt met oogmerk om zich alleen een voordeel toe te eigenen, hetwelk de vennoten
zich hadden voorgesteld gemeenschappelijk te zullen genieten.
De opzegging geschiedt ontijdig, wanneer de zaken niet meer in haar geheel zijn, en het
belang van de maatschap vordert dat, derzelver ontbinding uitgesteld worden.

Artikel 1663

Indien bedongen is, dat, ingeval van overlijden van een der vennoten, de maatschap met
deszelfs erfgenaam, of alleen tussen de overblijvende vennoten, zou voortduren, moet dat beding
worden nagekomen.
In het tweede geval, heeft de erfgenaam van de overledene geen verder recht dan op de
verdeling van de maatschap, overeenkomstig de gesteldheid, waarin deze zich ten tijde van dat
overlijden bevond; doch hij deelt in de voordelen en draagt in de verliezen, die de noodzakelijke
gevolgen zijn van verrichtingen, welke vóór het overlijden van de vennoot, wiens erfgenaam hij
is, hebben plaats gehad.

Artikel 1664

De regelen omtrent de verdeling der nalatenschappen, de wijze van die verdeling, en de
verplichtingen die daaruit tussen de mede-erfgenamen voortspruiten, zijn ook toepasselijk op de
verdeling tussen vennoten.

NEGENDE TITEL

VAN ZEDELIJKE LICHAMEN

Artikel 1665

Behalve de eigenlijke maatschap erkent de wet ook verenigingen van personen als
zedelijke lichamen, hetzij deze op openbaar gezag als zodanig zijn ingesteld, hetzij dezelve als
zedelijke lichamen zijn erkend.

Artikel 1666

Een vereniging, die niet op openbaar gezag is ingesteld, moet, om als rechtspersoon te
kunnen optreden, bij besluit van de President als zedelijk lichaam erkend worden.

Artikel 1667-607

De erkenning, in het voorgaande artikel bedoeld, geschiedt door goedkeuring van de
statuten of reglementen der vereniging.
Die statuten of reglementen bevatten het doel, de grondslagen, de werkkring en de overige
regelen der vereniging.
Wijziging of verandering der goedgekeurde statuten of reglementen vereist nadere
goedkeuring.
De goedgekeurde statuten of reglementen dan wel wijzigingen of veranderingen daarin
worden, voor zoveel deze wijzigingen of veranderingen betreft met aanduiding van de
dagtekening en het nummer van het blad, waarin voorgaande bekendmakingen zijn opgenomen,
in het Gouvernements Advertentieblad openbaar gemaakt.
Zolang deze openbaarmaking niet heeft plaats gehad, wordt de goedkeuring of nadere
goedkeuring geacht niet te zijn geschied.

Artikel 1667a-608

1. Ter verkrijging van de goedkeuring van de statuten of reglementen danwel van de wijziging
van de statuten of reglementen, dient een ontwerp daarvan aan de President te worden
gezonden.
2. Aan het ontwerp, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, dient gevoegd te worden een bewijs
van storting in Staatskas van een bedrag van SRD. 150,- (eenhonderdevijftig Surinaamse
dollar) voor administratiekosten, voorzover het betreft een nieuw op te richten zedelijk
lichaam en voor elke wijziging van de statuten of reglementen een bedrag van SRD.75,-
(vijfenzeventig Surinaamse dollar).

Artikel 1668-609

De erkenning wordt door de President alleen geweigerd op gronden ontleend aan het
algemeen belang.
Bij zijn beslissing omtrent de erkenning worden de bepalingen van het Verdrag
betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het
vakverenigingsrecht in acht genomen.
Het besluit van weigering is met redenen omkleed.

Artikel 1669

Alle als rechtspersonen bestaande zedelijke ligchamen zijn, evenals particuliere personen,
bevoegd tot het aangaan van burgerlijke handelingen, behoudens de openbare wetten, waarbij die
bevoegdheid mocht zijn gewijzigd, beperkt of aan zekere formaliteiten onderworpen.

Artikel 1670

De bestuurders van zodanig zedelijk lichaam zijn, voor zoverre daaromtrent niet anders
bij de statuten en de reglementen is bepaald, gerechtigd om in naam van het lichaam te handelen,
hetzelve aan derden en derden aan hetzelve te verbinden, mitsgaders zo eisende als verwerende in
rechten op te treden.

Artikel 1671

Alle handelingen, waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbinden het zedelijk
lichaam slechts in zoverre hetzelve daardoor werkelijk is gebaat, of de handelingen naderhand
behoorlijk zijn goedgekeurd geworden.

Artikel 1672

Indien de statuten en de reglementen niets bepalen nopens het bestuur van het zedelijk
lichaam, is niemand der leden bevoegd in naam van hetzelve te handelen, of het lichaam op een
andere wijze te verbinden, dan bij het slot van de vorigen artikelen is bepaald.

Artikel 1673

Voor zoverre daaromtrent niet bij de statuten en de reglementen op een andere wijze is
voorzien, zijn de bestuurders verplicht om aan de gezamenlijke leden van het zedelijk lichaam
rekening en verantwoording af te leggen, waartoe elk lid bevoegd is hen in rechte op te roepen.

Artikel 1674

Indien bij de statuten en de reglementen geen bepalingen opzichtelijk het stemrecht zijn
gemaakt, heeft ieder lid van een zedelijk lichaam gelijke recht zijn stem uit te brengen, en wordt
het besluit bij meerderheid van stemmen opgemaakt.

Artikel 1675

De rechten en verplichtingen der leden van zodanige vereniging worden geregeld naar de
wetten, waarop zij door het openbaar gezag zijn ingesteld, of naar haar eigen statuten en
reglementen, en, voor zoverre die ontbreken, naar de bepalingen van deze titel.

Artikel 1676

De leden van een zedelijk ligchaam zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de
verbintenissen van hetzelve.
De schulden kunnen alleen verhaald worden op de goederen van dat lichaam.

Artikel 1677-610

Het zedelijk lichaam op openbaar gezag ingesteld wordt niet vernietigd door de dood of
de afstand van het lidmaatschap van al de leden, maar blijft als zodanig bestaan, tot zolang
hetzelve wettelijk is ontbonden.
Indien al de leden invoege voorschreven ontbreken, is de kantonrechter, onder wiens
rechtsgebied het lichaam is gevestigd, bevoegd om, op verzoek van de belanghebbende, en na
verhoor en zelfs op requisitoir van het openbaar ministerie, de maatregelen voor te schrijven,
welke tussentijds in het belang van het zedelijk lichaam mochten worden vereist.

Artikel 1678

Alle andere zedelijke lichamen blijven bestaan, totdat zij uitdrukkelijk zijn ontbonden,
volgens hun statuten of reglementen, of totdat het doel of het voorwerp van de vereniging
ophoudt.

Artikel 1679

Indien de wetten van het zedelijk ligchaam, of deszelfs statuten en reglementen, deswege
geen andere bepalingen inhouden, is het recht der leden van hetzelve persoonlijk, en gaat niet
over op hun erfgenamen.

Artikel 1680

Bij de ontbinding van zodanig zedelijk lichaam zijn de overblijvende leden, of wel het
laatst overblijvend lid, verplicht de schulden van het lichaam te voldoen, ten bedrage der baten,
en kunnen zij alleen het voordelig slot onderling verdelen, of zich persoonlijk toeëigenen, en alzo
op hun erfgenamen overdragen.
Zij zijn ten opzichte van de oproeping der schuldeisers, het aanzuiveren van de rekening
en verantwoording, en het uitbetalen der schulden, aan dezelfde verplichtingen onderworpen als
erfgenamen die een erfenis onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard.
Bij gebreke van voldoening aan die verplichtingen, zijn zij persoonlijk, elk voor het
geheel, aansprakelijk voor de schulden, en dragen zij de last daarvan op hun erfgenamen over.

Artikel 1681

Afwijking van de statuten, waarop een vereniging als zedelijk lichaam is erkend, geeft aan
het openbaar ministerie de bevoegdheid om bij de burgerlijke rechter de vervallenverklaring van
de vereniging van haar hoedanigheid van rechtspersoon te vorderen.
De rechter, de vervallenverklaring uitsprekende, kan aan de vereniging de bevoegdheid
tot het plegen van burgerlijke handelingen bij voorraad ontzeggen.
De verevening der zaken van een van haar rechtspersoonlijkheid vervallen verklaarde
vereniging geschiedt onder toezicht van de rechter, die de vervallenverklaring uitsprak, op de
wijze en met inachtneming der vormen omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld.

Artikel 1682

Nadat door de benoemde curator de roerende en onroerende goederen van de vereniging
verkocht en de schulden betaald zijn, wordt het batig slot, zo er een is, aan hen, welke op het
ogenblik van de vervallenverklaring leden van de vereniging zijn, of aan hun rechthebbenden, elk
voor het aandeel dat zij in de vereniging hebben, uitgekeerd.

Artikel 1683

Verenigingen, niet als rechtspersonen ingesteld of erkend, kunnen als zodanig geen
burgerlijke handelingen aangaan.
De overeenkomsten namens haar gesloten, en de goederen namens haar verkregen,
worden ten opzichte van de Staat Suriname en van derden beschouwd als volgende, de personen,
welke de overeenkomsten gesloten en de goederen aanvaard hebben, al is het ook dat in de
overeenkomsten en titels de handelende personen slechts als gemachtigde of beheerders van de
vereniging zijn aangewezen.

Artikel 1684

De onderlinge verhouding der leden van verenigingen, welke niet als rechtspersonen
kunnen optreden, regelt zich naar de door hen vastgestelde reglementen en de algemene regelen
van het burgerlijk recht.
De bepalingen van de artikelen 1678 en 1679 blijven op deze verenigingen, ofschoon niet
als rechtspersonen beschouwd, van toepassing.

TIENDE TITEL

VAN SCHENKINGEN

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1685

Schenking is een overeenkomst, waarbij de schenker, bij zijn leven, om niet en
onherroepelijk enig goed afstaat ten behoeve van de begiftigde, die hetzelve aanneemt.
De wet erkent geen andere schenkingen dan schenkingen onder de levende.

Artikel 1686

Schenking mag alleen de tegenwoordige goederen van de schenker te bevatten.
Indien deze toekomstige goederen bevat, is zij te dien opzichte nietig.

Artikel 1687

De schenker mag zich niet voorbehouden de bevoegdheid om over een voorwerp, in de
schenking begrepen, te beschikken; zodanige schenking wordt, voor zoveel dat voorwerp
aangaat, als nietig beschouwd.

Artikel 1688

Het is aan de schenker geoorloofd zich het genot of vruchtgebruik van geschonken
roerende of onroerende goederen, te zijnen eigen voordeel voor te behouden, of daarover ten
behoeve van een ander te beschikken; in welke gevallen de bepalingen van de negende titel van
het tweede boek zullen moeten worden inachtgenomen.

Artikel 1689

Een schenking is nietig, indien zij gemaakt is onder voorwaarde om andere schulden of
lasten te voldoen dan die, welke uitgedrukt staan in de akte van schenking zelf, of in een staat,
welke daaraan zal moeten zijn vastgehecht.

Artikel 1690

De schenker mag zich voorbehouden om over een bepaalde geldsom uit de geschonken
goederen te beschikken.
Indien hij overlijdt zonder over die geldsom beschikt te hebben, blijft het geschonkene in
het geheel aan de begiftigde.

Artikel 1691

De schenker mag zich het recht voor te behouden om de gegeven goederen tot zich te
doen terugkeren, hetzij ingeval de begiftigde alleen, of deze en zijn afkomelingen, vóór de
schenker kwamen te overlijden, maar dit kan niet anders bedongen worden dan ten behoeve van
de schenker alleen.

Artikel 1692

Het gevolg van het recht van terugkering zal daarin bestaan, dat alle vervreemdingen der
geschonken goederen worden vernietigd, en die goederen tot de schenker terugkeren vrij en
ontheven van alle lasten en hypotheken, welke daarop sedert het tijdstip van de schenking
mochten gelegd zijn.

Artikel 1693

De schenker is ingeval van uitwinning tot geen vrijwaring gehouden.

Artikel 1694

De bepalingen van de artikelen 907, 908, 909, 910 en 912, die van artikel 922, en
eindelijk de zevende en achtste afdeling van de twaalfde titel van het tweede boek, zijn op
schenkingen toepasselijk.

TWEEDE AFDELING

VAN DE BEKWAAMHEID OM BIJ WEGE VAN SCHENKING

TE BESCHIKKEN, EN VOORDEEL TE GENIETEN

Artikel 1695

Alle personen mogen bij wege van schenking beschikken en genieten, uitgezonderd de
zodanige, welke de wet daartoe onbekwaam verklaart.

Artikel 1696

Minderjarigen mogen niet bij wege van schenking beschikken, behoudens hetgeen bij de
zevende titel van het eerste boek is vastgesteld.

Artikel 1697

Schenkingen tussen echtgenoten, staande huwelijk gedaan, zijn verboden.
Deze bepaling is echter niet toepasselijk op geschenken of handgiften van roerende,
lichamelijke voorwerpen, waarvan de waarde niet bovenmatig is in aanmerking van de
gegoedheid van de schenkers.

Artikel 1698

Teneinde bekwaam te zijn om bij wege van schenking voordeel te genieten, moet de
begiftigde, op het tijdstip waarop de schenking heeft plaats gehad, bestaan, met inachtneming van
de regel bij artikel 3 vastgesteld.

Artikel 1699-611

Vervallen.

Artikel 1700-612

De bepalingen van het tweede en van het laatste lid van artikel 932, mitsgaders de
artikelen 934, 935, 936 en 938, zijn op schenkingen toepasselijk.

DERDE AFDELING

VAN DE VORM DER SCHENKINGEN

Artikel 1701

Geen schenking, uitgezonderd degene waarvan bij artikel 1706 wordt gehandeld, kan op
straffe van nietigheid anders gedaan worden dan bij een notariëele akte, waarvan de minuut onder
de notaris is verbleven.

Artikel 1702

Geen schenking is voor de schenker verbindend, of brengt enig gevolg hoegenaamd
teweeg, dan van de dag, waarop deze in uitdrukkelijke bewoordingen zal zijn aangenomen, hetzij
door de begiftigde zelf, hetzij door een persoon, aan wie door deze, bij een authentieke akte, de
volmacht is verleend om schenkingen aan te nemen, welke aan de begiftigde gedaan zijn, of in
het vervolg mochten gedaan worden.
Indien de aanneming niet bij de akte van schenking zelf gedaan is, zal zulks kunnen
geschieden bij een latere authentieke akte, waarvan een minuut zal worden gehouden, mits dit
plaats heeft gedurende het leven van de schenker; in welk geval de schenking, ten opzichte van
deze laatstgenoemde, slechts van kracht zal zijn van de dag, waarop de aanneming aan deze zal
zijn betekend geworden.

Artikel 1703-613

Vervallen.

Artikel 1704-614

Schenking aan minderjarigen die onder ouderlijke macht staan, kan worden aangenomen
door hem die de ouderlijke macht uitoefent.
Schenking aan onder voogdij staande minderjarigen of onder curatele gestelde, gedaan,
wordt door de voogd of de curator, daartoe door de kantonrechter gemachtigd, aangenomen.
Indien de kantonrechter de machtiging verleent, blijft de schenking van kracht, al mocht
de schenker vóór het verleenn der machtiging zijn overleden.

Artikel 1705

De eigendom der in de schenking begrepen goederen wordt, zelfs wanneer die schenking
behoorlijk is aangenomen, niet door de begiftigde verkregen, dan door middel van de overdracht
gedaan overeenkomstig de artikelen 666, 667 en 670.

Artikel 1706-615

De giften van hand tot hand, van roerende, lichamelijke voorwerpen, of van
schuldvorderingen aan toonder, vereisen geen akte, en zijn van kracht door de enkele
overlevering aan de begiftigde, of aan een derde, die het gegevene voor hem aanneemt.
VIERDE AFDELING
VAN HET HERROEPEN EN TE NIET DOEN VAN SCHENKINGEN

Artikel 1707

Een schenking kan niet worden herroepen, noch dientengevolge te niet gedaan, tenzij in
de volgende gevallen:
1°. uithoofde van de niet-vervulling der voorwaarden, waaronder zij gedaan is;
2°. indien de begiftigde zich schuldig of medeplichtig heeft gemaakt aan een aanslag op
het leven van de schenker, of aan een ander misdrijf jegens denzelven;
3°. indien hij weigert aan de schenker, nadat deze in armoede is vervallen,
levensonderhoud te verschaffen.

Artikel 1708

In het eerste geval blijft het geschonkene aan de schenker, of hij kan hetzelve
terugvorderen, vrij van alle lasten en hypotheken welke daarop door de begiftigde mochten
gelegd zijn, met de vruchten en inkomsten bij denzelven sedert zijne nalatigheid genoten.
De schenker kan, in dat geval, tegen de derde houder van een geschonken onroerende
zaak dezelfde rechten uitoefenen als tegen de begiftigde zelven.

Artikel 1709

In de twee laatste gevallen, bij artikel 1707 uitgedrukt, wordt geen hinder toegebracht aan
de vervreemding van de geschonken zaak, of aan de hypotheken of andere zakelijke lasten welke
de begiftigde op deze mocht gelegd hebben, voordat de eis tot tenietdoening van de gift was
ingeschreven naast de bij artikel 670 vermelde overschrijving. Alle vervreemdingen, hypotheken,
of andere zakelijke lasten, welke later dan de voorzegde inschrijving door de begiftigde mochten
zijn gedaan, zijn nietig, indien de eis tengevolge van de herroeping wordt toegewezen.

Artikel 1710

De begiftigde moet, in het geval van het vorige artikel, de geschonken zaak teruggeven,
met de vruchten en inkomsten, te rekenen van de dag van de rechtsvordering, of, ingeval de zaak
vervreemd mocht zijn, de waarde van deze, op het tijdstip van de rechtsvordering, mede met de
vruchten en inkomsten sedert dat tijdstip.
Hij is daarenboven verplicht de schenker schadeloos te stellen voor de hypotheken en
andere lasten, waarmede onroerende zaken, ook vóór de rechtsvordering, door hem mochten zijn
bezwaard.

Artikel 1711

De rechtsvordering, in het vorige artikel uitgedrukt, vervalt na verloop van een jaar, te
rekenen van de dag waarop de daadzaak die grond tot deze geeft, heeft plaats gehad, en aan de
schenker heeft kunnen bekend zijn.
Die rechtsvordering kan niet worden aangelegd door de schenker tegen de erfgenamen
van de begiftigde, noch door de erfgenamen van de schenker tegen de begiftigde, tenzij, in dat
laatste geval, de rechtsvordering reeds door de schenker was aangevangen, of deze binnen het
jaar van de ten laste gelegde daad mocht zijn overleden.

Artikel 1712

Door de bepalingen van deze titel wordt geen hinder toegebracht aan hetgeen bij de
zevende titel van het eerste boek is vastgesteld.

ELFDE TITEL

VAN BEWAARGEVING

EERSTE AFDELING

VAN BEWAARGEVING IN HET ALGEMEEN, EN VAN DERZELVER

VERSCHILLENDE SOORTEN

Artikel 1713

Bewaargeving heeft plaats, wanneer men het goed van een ander aanneemt, onder de
voorwaarde van hetzelve te bewaren en in natura terug te geven.

Artikel 1714

Er zijn twee soorten van bewaargeving, de eigenlijk gezegde en de sequestratie.

TWEEDE AFDELING

VAN EIGENLIJK GEZEGDE BEWAARGEVING

Artikel 1715

Eigenlijk gezegde bewaargeving wordt geacht om niet te zijn aangegaan, zo niet het
tegendeel is bedongen.
Deze kan slechts roerende goederen tot onderwerp hebben.

Artikel 1716

Deze overeenkomst is niet voltrokken dan door de wezenlijke of vooronderstelde
overgave van de zaak.

Artikel 1717

Bewaargeving geschiedt, of vrijwillig, of uit noodzaak.

Artikel 1718

Vrijwillige bewaargeving heeft plaats tengevolge van de wederkerige toestemming van de
bewaargever en de bewaarnemer.

Artikel 1719-616

Vervallen.

Artikel 1720

Vrijwillige bewaargeving kan slechts plaats hebben tussen personen, die de bekwaamheid
hebben om verbintenissen aan te gaan.
Indien evenwel iemand, die bekwaam is om verbintenissen aan te gaan, iets in bewaring
aanneemt van een daartoe onbekwame persoon, is hij aan al de verplichtingen van een wezenlijke
bewaarnemer onderworpen.

Artikel 1721

Indien de bewaargeving door een bevoegde persoon gedaan is aan iemand, die niet
bekwaam is om verbintenissen aan te gaan, heeft de bewaargever tegen de bewaarnemer slechts
een rechtsvordering tot teruggave van de in bewaring gegeven zaak, zolang de laatstgemelde nog
in het bezit van deze is, of, indien de zaak niet meer bij de bewaarnemer berust, een
rechtsvordering tot vergoeding, voor zoverre deze daardoor gebaat is.

Artikel 1722

Bewaargeving uit noodzaak is de zodanige, welke men door enig toeval gedwongen wordt
te doen, zoals door brand, instorting van gebouwen, plundering, schipbreuk, overstroming, of
andere onvoorziene toevallen.

Artikel 1723-617

Vervallen.

Artikel 1724-618

Bewaargeving uit noodzaak wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen op vrijwillige
bewaargeving toepasselijk.

Artikel 1725

De bewaarnemer moet omtrent de bewaring van de aan hem toevertrouwde zaak dezelfde
zorg aanwenden, welke hij omtrent de bewaring van zijn eigen zaken aanwendt.

Artikel 1726

De bepaling van het voorgaande artikel moet met meerdere strengheid worden toegepast:
1°. indien de bewaarnemer zich zelf tot de bewaring heeft aangeboden;
2°. indien hij enig loon voor de bewaring bedongen heeft;
3°. indien de bewaargeving eniglijk in het belang van de bewaarnemer geschied is;
4°. indien uitdrukkelijk bedongen is, dat de bewaarnemer voor alle soort van verzuim zou
aansprakelijk zijn.

Artikel 1727

In geen geval is de bewaarnemer aansprakelijk wegens onvermijdelijke toevallen, tenzij
hij in de teruggave van de in bewaring gegeven zaak mocht zijn nalatig geweest.
Zelfs in dat laatste geval is hij niet aansprakelijk, indien het goed bij de bewaargever
insgelijks zou vergaan zijn.

Artikel 1728

Herbergiers en logementhouders zijn als bewaarnemers verantwoordelijk voor goederen,
welke de reizigers, die bij dezelve hun intrek nemen, medebrengen. De bewaargeving van
zodanige soort van goederen wordt als een bewaargeving uit noodzaak aangemerkt.

Artikel 1729

Zij zijn verantwoordelijk wegens diefstal of beschadiging van de goederen der reizigers,
hetzij de diefstal begaan, of de schade veroorzaakt is door de dienstboden of andere bedienden
van de herberg, hetzij door ieder ander persoon.

Artikel 1730

Zij zijn niet verantwoordelijk voor gewelddadige diefstallen, of die begaan zijn door
personen, welke de reiziger zelf bij zich toegelaten heeft.

Artikel 1731

De bewaarnemer mag zich van het in bewaring gegeven goed niet bedienen, zonder het
uitdrukkelijk of voorondersteld verlof van de bewaargever, op straffe van vergoeding van kosten,
schade en interesten, indien daartoe gronden zijn.

Artikel 1732

Hij mag niet onderzoeken, waarin de zaken bestaan, die hem in bewaring zijn gegeven,
indien hem deze in een gesloten kist, of onder een verzegelde omslag zijn toevertrouwd
geworden.

Artikel 1733

De bewaarnemer moet dezelfde zaak, welke hij ontvangen heeft, teruggeven.
Aldus moeten geldsommen in dezelfde stukken geld worden teruggegeven, welke in
bewaring zijn gegeven, hetzij die muntspeciën in waarde vermeerderd of verminderd zijn.

Artikel 1734

De bewaarnemer behoeft de in bewaring gegeven zaak slechts terug te geven in de staat,
waarin deze zich bevindt op het tijdstip van de teruggave.
De verminderingen, die deze buiten zijn schuld heeft ondergaan, komen voor rekening
van de bewaargever.

Artikel 1735

De bewaarnemer, aan wie het goed door een overmacht ontnomen is, en die de waarde
daarvan of iets anders in de plaats ontvangen heeft, moet dit ontvangene aan de bewaargever
teruggeven.

Artikel 1736

De erfgenamen van de bewaarnemer, die, niet wetende dat een zaak in bewaring
ontvangen was, deze te goeder trouw verkocht heeft, is alleen gehouden de door hem ontvangen
koopprijs terug te geven, of, indien hij denzelven nog niet ontvangen heeft, zijn rechtsvordering
tegen de koper af te staan.

Artikel 1737

Indien het in bewaring gegeven goed vruchten heeft opgeleverd, die door de bewaarnemer
geïnd of ontvangen zijn, is hij verplicht deze terug te geven.
Hij is geen interessen van de aan hem toevertrouwde geldsommen verschuldigd, dan van
de dag dat hij, daartoe aangemaand, in de teruggave daarvan nalatig is geweest.

Artikel 1738

De bewaarnemer mag het bewaarde goed niet teruggeven dan aan degene die hem
hetzelve heeft toevertrouwd, of aan hem, in wiens naam de bewaring gedaan is, of die
aangewezen is om hetzelve terug te ontvangen.

Artikel 1739

Hij kan van degene, die de zaak in bewaring gegeven heeft, geen bewijs vorderen, dat
deze de eigenaar van dezelve was.
Indien hij niettemin ontdekt, dat het goed is gestolen, en wie daarvan de wezenlijke
eigenaar is, moet hij deze kennisgeven, dat hetzelve goed bij hem in bewaring gesteld is, met
aanzegging om hetzelve binnen een bepaalde en genoegzame tijd op te eisen. Indien degene, aan
wie de aanzegging gedaan is, verzuimt het in bewaring gestelde goed terug te eisen, is de
bewaarnemer wettelijk ontslagen door de overgave van hetzelve goed aan degene, van wie hij
zulks ontvangen heeft.

Artikel 1740

Ingeval van overlijden van de bewaargever kan het goed alleen aan deszelfs erfgenaam
worden teruggegeven.
Indien er meerdere erfgenamen zijn, moet hetzelve terug gegeven worden aan alle
gezamenlijk, of aan elk van hen voor zijn aandeel.
Indien de in bewaring gestelde zaak ondeelbaar is, moeten de erfgenamen zich onderling
omtrent de overneming van deze verstaan.

Artikel 1741-619

Indien degene, die de zaak in bewaring gegeven heeft, van staat veranderd is,
bijvoorbeeld; indien een meerderjarige bewaargever onder curatele is gesteld; in dit en soortgelijke
gevallen, mag het in bewaring gegeven goed niet teruggegeven worden, dan aan degene,
die het beheer heeft over de rechten en goederen van de bewaargever, tenzij de bewaarnemer
wettige gronden mocht hebben om de verandering van staat niet te weten.

Artikel 1742

Indien de bewaargeving door een voogd, curator, echtgenoot of bewindvoerder gedaan is,
en hun beheer geëindigd is, kan het goed alleen teruggegeven worden aan de persoon, die door
deze voogd, curator, echtgenoot of bewindvoerder vertegenwoordigd werd.

Artikel 1743

De teruggave van de in bewaring gegeven zaak moet geschieden ter plaatse, bij de
overeenkomst aangewezen.
Indien de overeenkomst de plaats tot de teruggave niet aanwijst, moet deze gedaan
worden op de plaats zelf, waar de bewaargeving geschied is.
De kosten, deswege te vallen, zijn voor rekening van de bewaargever.

Artikel 1744

De in bewaring gegeven zaak moet aan de bewaargever teruggegeven worden, zodra hij
zulks vordert, al was het ook, dat bij de overeenkomst een bepaalde tijd voor de teruggave mocht
zijn vastgesteld, tenzij onder de handen van de bewaarnemer beslag mocht gelegd zijn.

Artikel 1745

De bewaarnemer, die wettige redenen mocht hebben om zich van het in bewaring gegeven
goed te ontlasten, kan hetzelve ook, vóór het tijdstip bij de overeenkomst bepaald, aan de
bewaargever teruggeven, of, bij deszelfs weigering, van de rechter verlof bekomen om hetzelve
op een andere plaats in bewaring te stellen.

Artikel 1746

Alle verplichtingen van de bewaarnemer houden op, indien hij mocht ontdekken en
bewijzen, dat hij zelf eigenaar is van het in bewaring gesteld goed.

Artikel 1747

De bewaargever is verplicht aan de bewaarnemer te vergoeden alle onkosten, welke hij
mocht gemaakt hebben tot behoud van het in bewaring gestelde goed, en hem schadeloos te stellen
wegens al de schade, welke hem door de bewaring mochten zijn veroorzaakt.

Artikel 1748

De bewaarnemer is gerechtigd om het goed onder zich te houden tot de volle voldoening
van hetgeen hem, terzake van de bewaring, verschuldigd is.

DERDE AFDELING

VAN SEQUESTRATIE EN DERZELVER VERSCHILLENDE SOORTEN

Artikel 1749

Sequestratie is de bewaargeving van een zaak, waarover geschil is, in de handen van een
derde, die zich verbindt om deze, nadat het geschil zal zijn uitgemaakt, met de vruchten terug te
geven aan degene, die daartoe zal worden gerechtigd verklaard.
Deze bewaargeving heeft plaats, of door overeenkomst, of op rechterlijk bevel.

Artikel 1750

De sequestratie heeft bij overeenkomst plaats, wanneer het betwiste goed door een of
meer personen vrijwillig in handen van een derde is gesteld.

Artikel 1751

Het is geen noodzakelijk vereiste, dat sequestratie om niet geschiedt.

Artikel 1752

Sequestratie is aan dezelfde regelen onderworpen als de eigenlijk gezegde bewaargeving,
behoudens de hierna volgende uitzonderingen.

Artikel 1753

Zij kan roerende en onroerende zaken tot onderwerp hebben.

Artikel 1754

De bewaarnemer, die met de sequestratie belast is, kan niet van de bewaring van de zaak
worden ontslagen, voordat het geschil uitgemaakt is, tenzij al de belanghebbende partijen daarin
mochten toestemmen, of er een andere wettige reden mocht bestaan.

Artikel 1755

Sequestratie op rechterlijk bevel heeft plaats, wanneer de rechter gelast, dat een zaak,
waarover geschil is, in bewaring gesteld worden.

Artikel 1756-620

Gerechtelijke sequestratie wordt opgedragen, hetzij aan iemand, omtrent wie de
belanghebbende partijen onderling zijn overeengekomen, hetzij aan iemand, die door de rechter
van ambtswege daartoe benoemd is.
In beide gevallen is degene, aan wie de zaak is toevertrouwd, aan al de verplichtingen
onderworpen, welke de sequestratie bij overeenkomst medebrengt, en buitendien gehouden om
jaarlijks aan de kantonrechter, en daarenboven zo dikwijls die rechter zulks vordert, een
summiere rekening van zijn beheer af te leggen, met vertoning of aanwijzing der aan hem
toevertrouwde goederen, zonder dat echter de goedkeuring van de rekening aan de
belanghebbende partijen zal kunnen worden tegengeworpen.

Artikel 1757

De rechter kan sequestratie bevelen:
1°. van roerende of onroerende zaken, welke onder een schuldenaar zijn in beslag
genomen;
2°. van een roerende of onroerende zaak, waarvan de eigendom of het bezit tussen twee of
meer personen in geschil is;
3°. van zaken, welke een schuldenaar tot kwijting van zijn schuld aanbiedt.

Artikel 1758-621

De aanstelling van een gerechtelijke bewaarder brengt tussen de inbeslagnemer en de
bewaarder wederkerige verplichtingen voort.
De bewaarder moet voor het behoud der inbeslag genomen zaken de zorg dragen van een
goed huisvader.
Hij moet dezelve overgeven, hetzij ten verkoop, om daaruit de inbeslagnemer te voldoen,
hetzij aan de partij, tegen welke de inbeslagneming heeft plaats gehad, indien deze inbeslagneming
is opgeheven.
De verplichting van de inbeslagnemer bestaat in het betalen van het bij besluit van de
President bepaalde loon aan de bewaarder.
Het loon van de bewaarder, bedoeld bij het laatste lid van artikel 379 van het Surinaams
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt echter, wanneer een plantage of grond in beslag
is genomen, geregeld naar het bepaalde bij het tweede en derde lid van artikel 1814 van dit
Wetboek.

TWAALFDE TITEL

VAN BRUIKLEENING

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1759

Bruiklening is een overeenkomst, waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet ten
gebruike geeft, onder voorwaarde dat degene, die deze zaak ontvangt, deze, na daarvan gebruik te
hebben gemaakt, of na een bepaalde tijd, zal terug geven.

Artikel 1760

De uitlener blijft eigenaar van de geleende zaak.

Artikel 1761

Al hetgeen tot de handel der mensen behoort, en niet door het gebruik verloren gaat, kan
het onderwerp van deze overeenkomst zijn.

Artikel 1762

De verbintenissen, welke uit de bruiklening voortspruiten, gaan over tot de erfgenamen
van degene, die ter leen geeft, en van hem die ter leen ontvangt.
Maar indien men de uitlening gedaan heeft alleen uit aanmerking van degene, die ter leen
ontvangt, en aan deszelfs persoon in het bijzonder, kunnen deszelfs erfgenamen het verder genot
van het geleende goed niet blijven behouden.
TWEEDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DEGENE, DIE IETS

TER BRUIKLEENING ONTVANGT

Artikel 1763

Die iets ter leen ontvangt, is gehouden, als een goed huisvader, voor de bewaring en het
behoud van het geleende goed te zorgen.
Hij mag daarvan geen ander gebruik maken dan hetwelk de aard van de zaak medebrengt,
of bij de overeenkomst bepaald is; alles op straffe van vergoeding van kosten, schade en interesten,
indien daartoe gronden zijn.
Indien hij het geleende goed gebruikt tot een ander einde, of gedurende eenn langere tijd,
dan hij zulks behoorde te doen, is hij daarenboven aansprakelijk voor het verlies van dat goed, al
had dit verlies ook door een bloot toeval plaats.

Artikel 1764

Indien de geleende zaak verloren gaat door een toeval, hetwelk degene, die deze ter leen
ontvangen heeft, door zijn eigen zaak te gebruiken, had kunnen voorkomen, of indien hij, slechts
een van beide kunnende behoude, aan de zijne een voorrang heeft gegeven, is hij voor het verlies
van de andere zaak aansprakelijk.

Artikel 1765

Indien de zaak bij het ter leen geven geschat is, komt het verlies van deze, al ontstond dat
ook door toeval, ten laste van degene, die de zaak ter leen ontvangen heeft, tenzij het tegendeel
mocht bedongen zijn.

Artikel 1766

Indien de zaak alleen tengevolge van het gebruik, waartoe deze geleend is, en buiten
schuld van de gebruiker, in waarde vermindert, is deze wegens die vermindering niet aansprakelijk.

Artikel 1767

Indien de gebruiker, om van de geleende zaak gebruik te kunnen maken, enige onkosten
gemaakt heeft, kan hij deze niet terugvorderen.

Artikel 1768

Indien verscheidene personen gezamenlijk dezelfde zaak ter leen hebben ontvangen, zijn
zij, ieder voor het geheel, jegens de uitlener daarvoor aansprakelijk.

DERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE UITLEENR

Artikel 1769

De uitlener kan de geleende zaak niet terugvorderen dan na verloop van de bepaalde tijd,
of, bij gebreke van een dusdanige bepaling, nadat deze tot het gebruik, waartoe zij was
uitgeleend, gediend heeft, of heeft kunnen dienen.

Artikel 1770

Indien evenwel de lener, gedurende dat tijdsverloop, of voordat de behoefte van de
gebruiker opgehouden heeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts opkomende
redenen, zelf benodigd heeft, kan de rechter, naar gelang der omstandigheden, de gebruiker
noodzaken het geleende aan de uitlener terug te geven.

Artikel 1771

Indien de gebruiker, gedurende de bruiklening, tot behoud van de zaak enige
buitengewone noodzakelijke onkosten heeft moeten maken, welke zo dringend waren, dat hij
daarvan tevoren aan de uitlener geen kennis heeft kunnen geven, is deze verplicht hem deze te
vergoeden.

Artikel 1772

Indien de ter leen gegeven zaak zodanige gebreken heeft, dat daardoor aan degene, die
zich van deze bedient, nadeel zou kunnen worden toegegebracht, is de uitlener, zo hij die
gebreken gekend, en daarvan aan de gebruiker geen kennis gegeven heeft, voor de gevolgen
verantwoordelijk.

DERTIENDE TITEL

VAN VERBRUIKLEENING

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1773

Verbruiklening is een overeenkomst, waarbij de ene partij aan de andere een zekere
hoeveelheid van verbruikbare zaken afgeeft, onder voorwaarde dat de laatstgemelde haar even
zoveel, van gelijke soort en hoedanigheid, teruggeeft

Artikel 1774

Uit kracht van deze verbruiklening wordt degene, die ter leen ontvangt, eigenaar van het
geleende goed, en indien hetzelve, op welke wijze ook, vergaat, komt dat verlies voor zijn
rekening.

Artikel 1775

De schuld, uit lening van geld voortspruitende, bestaat alleen in de geldsom, die bij de
overeenkomst is uitgedrukt.
Indien er, vóór het tijdstip van de voldoening, vermeerdering of vermindering van de
waarde van de geldspecie, of verandering in de gangbaarheid, plaats heeft, geschiedt de teruggave
van de geleende som in zodanige specie als ten tijde van de voldoening gangbaar is, berekend
naar derzelver gangbare waarde op dat tijdstip.

Artikel 1776

De regel, bij het vorige artikel vastgesteld, is van geen toepassing, indien, ten opzichte
van de lening van een zeker getal stukken van een bepaalde munt, de partijen uitdrukkelijk zijn
overeengekomen, dat hetzelfde getal en dezelfde soort van stukken zullen worden teruggegeven.
In dit geval moet degene, die ter leen ontvangen heeft, het juiste getal stukken van dezelfde aard,
en niet meer noch minder, teruggeven.
Indien dezelfde soort van stukken niet meer in voldoende hoeveelheid bestaat, moet het
ontbrekende worden vergoed met munt van hetzelfde metaal, zo na mogelijk van hetzelfde
gehalte, en tezamen inhoudende even veel metaal fijn, als de ontbrekende hoeveelheid der
verschuldigde stukken metaal fijn inhielden.

Artikel 1777

Indien staven goud of zilver, of wel andere waren, zijn ter leen gegeven, moet de
schuldenaar, hoezeer derzelver waarde ook mogen vermeerderd of verminderd zijn, altijd een
gelijke hoeveelheid en hoedanigheid teruggeven, en is tot niets meerder gehouden.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE UITLENER

Artikel 1778-622

De uitlener kan het ter leen gegevene niet terugeisen, voordat de tijd, bij de overeenkomst
bepaald, verstreken is.

Artikel 1779

Geen tijdsbepaling gemaakt zijnde, kan de rechter, wanneer de uitlener de teruggave
vordert, naar gelang der omstandigheden, aan degene, die de zaak ter leen ontvangen heeft, enig
uitstel toestaan.

Artikel 1780

Indien men is overeengekomen, dat hij, die een zaak of geldsom ter leen heeft ontvangen,
deze zal teruggeven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de rechter, naar gelang der
omstandigheden, de tijd van de teruggave bepalen.

Artikel 1781

De bepaling van artikel 1772 is op verbruiklening toepasselijk.

DERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE LENER

Artikel 1782

Die iets ter leen ontvangt, is verplicht hetzelve, in gelijke hoeveelheid en hoedanigheid,
en op de bepaalde tijd, terug te geven.

Artikel 1783

Indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt om hieraan te voldoen, is hij gehouden de
waarde van het geleende te betalen, waarbij zullen moeten in aanmerking genomen worden de
tijd en de plaats, waarop het goed, tengevolge der overeenkomst, had moeten worden
teruggegeven.
Indien deze tijd en plaats niet bepaald zijn, moet de voldoening geschieden
overeenkomstig de waarde, welke de geleende zaak, ten tijde waarop en ter plaatse alwaar de
lening geschied is, gehad heeft.

VIERDE AFDELING

VAN HET TER LEEN GEVEN OP INTERESTEN

Artikel 1784

Het is geoorloofd voor lening van geld of andere verbruikbare zaken interesten te
bedingen.

Artikel 1785

Hij, die ter leen ontvangen, en interesten betaald heeft, die niet bedongen waren, kan deze
niet terugeisen, noch in mindering van de hoofdsom doen verstrekken, tenzij deze de wettelijke
interesten te boven gingen, in welk geval, het te veel betaalde kan worden terug geëist, of in
mindering van de hoofdsom verstrekken.
De betaling van onbedongen interesten verplicht de schuldenaar niet deze in het vervolg
te betalen; maar bedongen interesten zijn verschuldigd tot de teruggave of consignatie van de
hoofdsom toe, zelfs indien de een of andere na de vervaltijd mocht hebben plaats gehad.

Artikel 1786-623

Interesten zijn, of wettelijk, of bij overeenkomst bedongen. De wettelijke interesten zijn
zes ten honderd. De bij overeenkomst bedongen interesten mogen de wettelijke te boven gaan.
De hoegrootheid der bij overeenkomst bedongen interesten moet in geschrift worden
bepaald.

Artikel 1787

Indien de uitlener interesten bedongen heeft, zonder dat het beloop daarvan bepaald is, is
degene, die ter leen ontvangen heeft, gehouden het beloop der wettelijke interesten te voldoen.

Artikel 1788

Het bewijs van de betaling van de hoofdsom, zonder voorbehoud van interesten gegeven
zijnde, doet de voldoening der interesten vooronderstellen, en de schuldenaar wordt daarvan
bevrijd.

VEERTIENDE TITEL

VAN GEVESTIGDE OF ALTIJDDURENDE RENTEN

Artikel 1789

Het vestigen van een altijddurende rente is een overeenkomst, waarbij de uitlener
interesten bedingt, tegen betaling van een hoofdsom, welke hij aanneemt niet terug te zullen
vorderen.

Artikel 1790

Deze rente is uit haar aard aflosbaar.
Partijen kunnen alleenlijk overeenkomen, dat de aflossing niet geschieden zal dan na
verloop van eenn zekere tijd, welke niet langer dan voor tien jaren mag gesteld worden, of zonder
dat zij de schuldeiser vooraf verwittigd hebben op een zekere door hen bevorens vastgestelde
termijn, welke echter de tijd van een jaar niet zal mogen te boven gaan.

Artikel 1791-624

De schuldenaar van een altijddurende rente kan tot de aflossing genoodzaakt worden:
1°. indien hij niets betaald heeft op de gedurende twee achtereenvolgende jaren
verschuldigde renten:
2°. indien hij verzuimt aan de geldschieter de bij de overeenkomst beloofde zekerheid te
bezorgen;
3°. indien hij in staat van faillissement is verklaard.

Artikel 1792

In de twee eerste gevallen, bij het vorige artikel vermeld, kan de schuldenaar zich van de
verplichting tot aflossing ontheffen, indien hij binnen de twintig dagen, te rekenen van de
gerechtelijke aanmaning, al de verschenen termijnen betaalt of de beloofde zekerheid stelt.

VIJFTIENDE TITEL

VAN KANSOVEREENKOMSTEN

EERSTE AFDELING

ALGEMENE BEPALING

Artikel 1793-625

Een kansovereenkomst is een handeling, waarvan de uitkomsten, met betrekking tot
voordeel en nadeel, hetzij voor al de partijen, hetzij voor enige derzelve, van een onzekere
gebeurtenis afhangen.
Van dien aard zijn;
de overeenkomst van verzekering;
lijfrenten;
spel en weddingschap.
De eerste overeenkomst wordt bij het Surinaamsch Wetboek van Koophandel geregeld.

TWEEDE AFDELING

VAN DE OVEREENKOMST VAN LIJFRENTEN

EN DERZELVER GEVOLGEN

Artikel 1794

Lijfrente kan bij een bezwarende titel, of bij akte van schenking, worden gevestigd.
Zij kan ook worden verkregen bij uiterste wilsbeschikking.

Artikel 1795

Lijfrente kan worden gevestigd, hetzij op het lijf van de geldschieter, of van hem wie men
daarvan het genot geeft, hetzij op dat van een derde, ofschoon deze daarvan geen genot heeft.

Artikel 1796

Deze kan gevestigd worden op het lijf van een of meer personen.

Artikel 1797

Zij kan gevestigd worden ten behoeve van een derde, hoewel het geld door een andere
persoon geschoten is.
In dat geval, is zij echter niet onderworpen aan de formaliteiten, welke tot schenkingen
vereist worden.

Artikel 1798

Alle lijfrente, gevestigd op het lijf van iemand, die overleden was op de dag, waarop de
overeenkomst is aangegaan, is krachteloos.

Artikel 1799

Lijfrente kan tot zodanig beloop van renten gesteld worden, als partijen goedvinden te
bepalen.

Artikel 1800

Degene, te wiens behoeve een lijfrente bij bezwarende titel is gevestigd, kan de
vernietiging van de overeenkomst vorderen, indien de schuldenaar hem de bedongen zekerheid
voor derzelver nakoming niet bezorgt.
Ingeval van vernietiging is de schuldenaar gehouden de achterstallige bedongen renten te
betalen, tot de dag toe, waarop de hoofdsom zal zijn afgelost.

Artikel 1801

Wanbetaling van de verschenen lijfrente geeft de renteheffer geen recht om aflossing van
de hoofdsom, of teruggave van het door hem daarvoor afgestane goed, te vorderen; hij heeft
alleen het recht om zijn schuldenaar voor de verschuldigde renten aan te spreken en uit te winnen,
en om zekerheid te vragen voor de te vervallen renten.

Artikel 1802-626

Vervallen.

Artikel 1803

De schuldenaar kan zich niet van de betaling van de lijfrente ontheffen door de teruggave
van de hoofdsom aan te bieden, en door af te zien van de terugvordering der betaalde renten; hij
is gehouden met de betaling van de lijfrente voort te gaan, gedurende het gehele leven van de
persoon of der personen, op wier lijf de rente gevestigd is, hoe bezwarend ook de betaling van die
rente voor hem worden mag.

Artikel 1804

De eigenaar van een lijfrente heeft slechts een verkregen recht op de lijfrente, naar
evenredigheid van het getal der dagen, welke degene geleefd heeft op wiens lijf de rente is
gevestigd.
Indien echter de overeenkomst medebrengt, dat de rente vooruit moet worden betaald, is

.

het recht op de termijn, die betaald had behoren te zijn, verkregen van de dag, waarop de betaling
had moeten geschieden.

Artikel 1805

Men kan niet bedingen, dat een lijfrente aan geen inbeslagneming zal onderworpen zijn,
tenzij dezelve om niet gevestigd is.

Artikel 1806

De renteheffer kan de verschenen rente niet vorderen dan door te doen blijken van het
leven van hem, op wie de lijfrente gevestigd is.

DERDE AFDELING

VAN SPEL EN WEDDINGSCHAP

Artikel 1807

De wet staat geen rechtsvordering toe terzake van een schuld uit spel of uit weddingschap
voortgesproten.

Artikel 1808

Onder de hierboven staande bepaling zijn echter niet begrepen die spelen, welke geschikt
zijn tot lichaamsoefening, als het schermen, wedlopen en dergelijke.
Niettemin kan de rechter de eis ontzeggen of verminderen, wanneer hem de som
overmatig toeschijnt.

Artikel 1809

Men mag de bepalingen der twee voorgaande artikelen door geen schuldvernieuwing
ontwijken.

Artikel 1810

In geen geval kan hij, die het verlorene vrijwillig betaald heeft, hetzelve terugeisen, tenzij,
van de kant van degene, die gewonnen heeft, bedrog, list of oplichting heeft plaats gehad.

ZESTIENDE TITEL

VAN LASTGEVING

EERSTE AFDELING

VAN DE AARD VAN DE LASTGEVING

Artikel 1811

Lastgeving is een overeenkomst, waarbij iemand aan een andere de macht geeft, en deze
aanneemt, om een zaak voor de lastgever, in deszelfs naam, te verrichten.

Artikel 1812

Last kan worden gegeven en aangenomen bij openbare akte, bij onderhands geschrift,
zelfs bij een brief en ook bij monde.
De aanneming van een last kan ook stilzwijgend geschieden, en afgeleid worden uit de
volvoering van de last door de lasthebber.

Artikel 1813

De volmacht, waarbij iemand, die uit Suriname afwezig of daarbuiten woonachtig is, de
last opdraagt tot het beheren van in Suriname gelegen onroerende goederen, kan alleen bij
authentieke akte worden verleden.
Zij moet daarenboven, om tegenover derden te kunnen werken, overeenkomstig het
bepaalde in artikel 77 zijn geboekt.

Artikel 1814

Lastgeving geschiedt om niet, tenzij het tegendeel bedongen is. In het laatste geval zal de
lasthebber, indien het loon niet uitdrukkelijk bepaald is, mogen in rekening brengen hetgeen is
vastgesteld in artikel 468.
Wanneer echter de lastgeving betreft het beheer van plantages of gronden, zal de
lasthebber, of zullen de lasthebbers gezamenlijk, indien er meer zijn, ook dan wanneer de
volmacht geen loon toezegt, in rekening mogen brengen een twintigste gedeelte van de onzuivere
vruchten.
Ingeval vruchten nog niet zijn afgeleverd, of de koopprijs nog niet is geïnd, wordt het
loon tussen de lasthebber en zijn opvolger door ieder voor de helft genoten.
Artikel 1815
Lastgeving is, of bijzonder, en slechts tot een of meerdere bepaalde zaken, of algemeen,
en tot alle de zaken van de lastgever betrekkelijk.

Artikel 1816

Lastgeving, in algemene bewoordingen vervat, strekt zich alleen uit tot daden van beheer.
Om goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, om een dading aan te gaan,
of om enige andere daad van eigendom te verrichten, wordt een uitdrukkelijke lastgeving vereist.

Artikel 1817

De lasthebber mag niets doen, hetwelk zijn last te buiten gaat; de macht om een zaak bij
wege van dading af te doen bevat geenszins de bevoegdheid om deze aan de beslissing van
scheidsmannen te onderwerpen.

Artikel 1818-627

Minderjarigen kunnen tot zaakgelastigde gekozen worden maar de lastgever heeft geen
andere rechtsvordering tegen minderjarigen, dan overeenkomstig de algemene bepalingen die
betrekking hebben op verbintenissen der minderjarigen.

Artikel 1819

De lastgever kan degene, met wie de zaakgelastigde in die hoedanigheid gehandeld heeft,
onmiddellijk in rechte betrekken, en de voldoening van de overeenkomst vorderen.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE LASTHEBBER

627 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.

Artikel 1820

De lasthebber is gehouden de last, zolang hij daarvan niet ontheven is, te volvoeren, en is
verantwoordelijk voor de kosten, schade en interesten, die door het niet ten uitvoer brengen van
die last zoude kunnen ontstaan.
Insgelijks is hij gehouden de zaak, waarmede hij ten tijde van het overlijden van de
lastgever een aanvang heeft gemaakt, ten einde te brengen, indien er, door het niet onmiddellijk
afdoen van de zaak, enig nadeel zou kunnen ontstaan.

Artikel 1821

De lasthebber is niet alleen aansprakelijk wegens kwaad opzet, maar ook wegens
verzuimen, welke hij bij het volvoeren van zijn last mocht hebben gepleegd.
Niettemin wordt de verantwoordelijkheid wegens verzuimen minder streng toegepast ten
aanzien van degene, die een last om niet op zich neemt, dan van hem, die daarvoor enige
beloning ontvangt.

Artikel 1822

De lasthebber is verplicht rekenschap te geven van hetgeen hij verricht heeft, en aan de
lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij uit kracht van zijn volmacht ontvangen heeft,
al was het ook dat het ontvangene niet aan de lastgever mocht zijn verschuldigd geweest.

Artikel 1823

De lasthebber is verantwoordelijk voor degene, die hij tot de uitvoering van die last in zijn
plaats gesteld heeft:
1°. indien hij geen macht heeft bekomen om een ander in zijn plaats te stellen;
2°. indien hem die macht verleend is zonder aanduiding van een bepaalde persoon, en
degene, die hij daartoe gekozen heeft, blijkbaar onbekwaam of onvermogend is.
De lastgever wordt steeds voorondersteld aan de lasthebber het vermogen te hebben
gegeven om een ander in zijn plaats te stellen tot het beheer van goederen welke buiten het
grondgebied van Suriname gelegen zijn.
In alle gevallen kan de lastgever de persoon, welke de lasthebber in zijn plaats heeft
gesteld, onmiddellijk aanspreken.

Artikel 1824

Indien, bij dezelfde akte, verscheidene gevolmachtigde of zaakgelastigde zijn aangesteld,
heeft te hunn aanzien geen hoofdelijke verbintenis plaats, dan voor zoverre zulks uitdrukkelijk
bepaald is.

Artikel 1825

De lasthebber is de interesten der hoofdsommen, welke hij tot zijn eigen gebruik besteed
heeft, verschuldigd, te rekenen van het tijdstip, waarop hij daarvan gebruik heeft gemaakt, en van
de sommen, die hij bij slot van rekening moet uitkeren, van de dag af, waarop hij in verzuim
gesteld is.

Artikel 1826

De lasthebber, die aan degene, met wie hij in die hoedanigheid handelt, behoorlijk kennis
gegeven heeft van zijn volmacht, is niet aansprakelijk ten aanzien van hetgeen boven zijn last
geschied is, tenzij hij zich daartoe persoonlijk had verbonden.

DERDE AFDELING

VAN DE VERPLICHTINGEN VAN DE LASTGEVER

Artikel 1827-628

De lastgever is verplicht na te komen de verbintenissen, door de lasthebber,
overeenkomstig de macht welke hij hem heeft verleend, aangegaan.
Hij is niet gehouden tot hetgeen bovendien mocht geschied zijn, dan voor zoverre hij
zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft.

Artikel 1828

De lastgever is verplicht aan de lasthebber terug te geven de voorschotten en onkosten,
welke deze tot uitvoering van de last gedaan heeft, en hem zijn loon te betalen, indien zulks
bedongen is.
Indien aan de lasthebber geen verzuim te wijten is, kan de lastgever zich aan deze
teruggave en betaling niet onttrekken, al mocht de zaak ook mislukt zijn.

Artikel 1829

Ook moet de lastgever de lasthebber schadeloos stellen wegens de verliezen, welke deze,
ter gelegenheid van de uitvoering van zijn last, mocht geleden hebben, mits hem te dien opzichte
geen onvoorzichtigheid te wijten is.

Artikel 1830

De lastgever is aan de lasthebber interesten voor gedane voorschotten verschuldigd, te
rekenen van de dag, waarop de voorschotten gedaan zijn.

Artikel 1831

Indien een lasthebber door verscheidene personen is aangesteld tot het waarnemen van
een zaak, die aan hen allen gemeen is, is elk van hun jegens hem, voor het geheel, aansprakelijk
voor al de gevolgen van de lastgeving.

Artikel 1832

De lasthebber heeft het recht om hetgeen hij van de lastgever onder zich heeft zolang
terug te houden, totdat hem alles betaald is, hetwelk hij ten gevolge van de lastgeving te vorderen
heeft.
Wanneer echter de last heeft bestaan in het beheer van een plantage of grond, is de
lasthebber, op de eerste aanvraag van de eigenaar of diens gemachtigde, verplicht tot de overgave,
al mocht hij ook bewaren ter zake van zijn gehouden beheer vorderingen ten laste van de
eigenaar te hebben, mits door of van wege deze laatste ten behoeve van de voormalige lasthebber
zekerheid gesteld worden, desnoods gerechtelijk goed te keuren, hetzij door middel van een
borgtocht ten beloop van een som, mede desnoods door de rechter te bepalen, hetzij door het
storten van gelijke som in de consignatiekas, hetzij eindelijk door middel van een hypothekaire
inschrijving op het goed; alles onverminderd het recht van de eigenaar om de geldigheid of de
hoegrootheid der vorderingen in rechte te betwisten.

VIERDE AFDELING

OVER DE VERSCHILLENDE WIJZEN,

WAAROP DE LASTGEVING EINDIGT

Artikel 1833-629

Lastgeving eindigt:
door herroeping van de volmacht van de lasthebber;
door de opzegging van de last door de lasthebber;
door de dood, de curatele, de staat van faillissement, hetzij van de lastgever, hetzij van de
lasthebber.

Artikel 1834

De lastgever kan de last herroepen, wanneer hem zulks goeddunkt, en, indien daartoe
gronden bestaan, de lasthebber noodzaken hem de volmacht, welke hij in handen heeft, terug te
geven.

Artikel 1835
De herroeping, alleen aan de lasthebber kenbaar gemaakt zijnde, kan aan derden, die,
daarvan onkundig, met hem gehandeld hebben, niet worden tegengeworpen, behoudens het
verhaal van de lastgever op de lasthebber.

Artikel 1836

De aanstelling van een nieuwe lasthebber, tot het verrichten van dezelfde zaak, brengt de
herroeping van de eerste mede, te rekenen van de dag, waarop die aanstelling aan de
laatstgemelde is kenbaar gemaakt.

Artikel 1837

De lasthebber kan zich van de last ontslaan door opzegging aan de lastgever.
Indien evenwel deze opzegging door haar ontijdigheid, of uit enige andere hoofde, door
de schuld van de lasthebber aan de lastgever tot nadeel verstrekt, moet hij deswege door de
lasthebber schadeloos worden gesteld; tenzij de laatstgemelde zich in de onmogelijkheid bevond
om de last verder te volbrengen, zonder daardoor zelf een aanmerkelijke schade te lijden.

Artikel 1838

Indien de lasthebber onbewust is van de dood van de lastgever, of van het bestaan van
enige andere oorzaak die de last doet eindigen, is hetgeen hij in die onwetendheid verricht heeft
van waarde.
In dat geval moeten de verbintenissen, door de lasthebber aangegaan, nagekomen worden
ten aanzien van derden, die in de goede trouw zijn.

Artikel 1839

Ingeval de lasthebber overlijdt, moeten deszelfs erfgenamen daarvan aan de lastgever
kennisgeven, indien hun de lastgeving bekend is, en inmiddels zorg dragen voor hetgeen de
omstandigheden in het belang van de lastgever mochten vereisen; op straffe van vergoeding van
kosten, schade en interesten, indien daartoe gronden zijn.

Artikel 1840-630

Wanneer door overlijden, vertrek uit Suriname, of ontstentenis, uit welke hoofde ook, van
de lasthebber, onroerende goederen in Suriname gelegen onbeheerd zijn, benoemt de
kantonrechter, op verzoek van belanghebbenden of van het openbaar ministerie, een
bewindvoerder als bedoeld in de eerste afdeling van de achttiende titel van het eerste boek.
In het geval van het voorgaande artikel houden de bemoeiingen der erfgenamen op, zodra,
door de benoeming van de bewindvoerder, in het beheer der goederen is voorzien.

ZEVENTIENDE TITEL

VAN BORGTOCHT

EERSTE AFDELING

VAN DE AARD VAN DE BORGTOCHT

Artikel 1841

Borgtocht is een overeenkomst, waarbij een derde zich, ten behoeve van de schuldeiser,
verbindt om aan de verbintenis van de schuldenaar te voldoen, indien deze niet zelf daaraan
voldoet.

Artikel 1842

Geen borgtocht kan bestaan, of er moet een wettige hoofdverbintenis zijn.
Men kan zich niettemin borgstellen voor een verbintenis, al mocht die ook kunnen
vernietigd worden door een exceptie, welke alleen de verbondene in persoon betreft, bij
voorbeeld, ingeval van minderjarigheid.

Artikel 1843

Een borg kan zich tot niets meerder, noch onder meer bezwarende voorwaarden,
verbinden, dan waartoe de hoofdschuldenaar verbonden is.
Borgtocht kan ook worden aangegaan voor slechts een gedeelte van de schuld, of onder
minder bezwarende voorwaarden. Indien de borgtocht voor meerder dan de schuld, of onder meer
bezwarende voorwaarden, is aangegaan, is hij niet geheel van onwaarde, maar bepaalt zich
slechts tot datgene hetwelk in de hoofdverbintenis is begrepen.

Artikel 1844

Men kan zich borg stellen zonder daartoe aangezocht te zijn door degene, voor wie men
zich verbindt, en zelfs buiten zijn weten.
Men kan zich ook borg stellen, niet alleen voor de hoofdschuldenaar, maar ook voor
deszelfs reeds gestelde borg.

Artikel 1845

Borgtocht wordt niet voorondersteld, maar moet uitdrukkelijk worden aangegaan; men
kan die niet verder uitstrekken dan de bepalingen, onder welke dezelve is aangegaan.

Artikel 1846

Onbepaalde borgtocht voor een hoofdverbintenis strekt zich uit tot al de gevolgen van de
schuld, zelfs tot de kosten der tegen de hoofdschuldenaar gedane rechtsvordering, en tot alle
zodanige, welke gemaakt zijn nadat de borg deswege is aangemaand.

Artikel 1847

De verbintenissen der borgen gaan over op hun erfgenamen.

Artikel 1848-631

De schuldenaar, die verplicht is borg te stellen, moet daartoe zodanige persoon aanbieden,
die de bekwaamheid heeft om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is om aan de verbintenis
te kunnen voldoen, en binnen Suriname woonachtig is.
Die uit Suriname afwezig of daarbuiten woonachtig zijn, maar voldaan hebben aan het bij
artikel 77 van dit Wetboek gestelde, kunnen mede als borg worden aangeboden, indien zij de
bekwaamheid hebben om zich te verbinden en genoegzaam gegoed zijn om aan de verbintenis te
kunnen voldoen.

Artikel 1849-632

Vervallen.

Artikel 1850

Wanneer de borg, die door de schuldeiser vrijwillig, of op rechterlijke uitspraak, is
aangenomen, naderhand onvermogend is geworden, moet er een nieuwe borg gesteld worden.
Deze regel lijdt alleenl uitzondering, ingeval de borg gesteld is tengevolge van een
overeenkomst, waarbij de schuldeiser een bepaalde persoon tot borg gevorderd heeft.

Artikel 1851

Hij, die door de wet, of tengevolge van een rechterlijk gewijsde, verplicht is een borg te
stellen, en die niet mocht kunnen vinden, kan volstaan met, in deszelfs plaats, een pand of
hypotheek te geven.

TWEEDE AFDELING

VAN DE GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN

DE SCHULDEISER EN DE BORG

Artikel 1852

De borg is jegens de schuldeiser niet tot betaling gehouden, dan bij gebreke van de
schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten uitgewonnen worden.

Artikel 1853-633

De borg kan niet vorderen, dat van de schuldenaar goederen vooraf uitgewonnen worden:
1°. wanneer hij van het voorrecht van uitwinning heeft afstand gedaan;
2°. wanneer hij zich hoofdelijk met de hoofdschuldenaar verbonden heeft; in welk geval
de gevolgen van deszelfs verbintenis geregeld worden naar de beginselen, welke ten opzichte van
hoofdelijke schulden zijn vastgesteld;
3°. indien de schuldenaar een exceptie kan in het midden brengen, welke hem alleen en
persoonlijk betreft;
4°. indien de schuldenaar zich in staat van faillissement bevindt;
5°. ingeval van gerechtelijke borgtocht.

Artikel 1854

De schuldeiser is niet verplicht de hoofdschuldenaar eerst uit te winnen, dan wanneer de
borg, op de eerste gerechtelijke tegen hem gerichte aanspraak, zulks vordert.

Artikel 1855

De borg, die de uitwinning van de hoofdschuldenaar vordert, moet aan de schuldeiser de
goederen van dezelven aanwijzen, en de nodige penningen voorschieten om de uitwinning te
bewerkstelligen.
Hij kan geen aanwijzing doen van goederen, waarover geschil in rechte bestaat, noch van
de zodanige, welke voor de schuld zijn gehypothekeerd, en waarvan de schuldenaar niet meer in
het bezit is, noch eindelijk van goederen buiten Suriname gelegen.

Artikel 1856

Wanneer de borg, overeenkomstig het voorgaande artikel, een aanwijzing van goederen
gedaan, en de nodige penningen tot de uitwinning geschoten heeft, is de schuldeiser, ten beloop
der aangewezen goederen, met opzicht tot de borg, verantwoordelijk voor het onvermogen van de
hoofdschuldenaar, hetwelk bij gebreke van vervolgingen daarna ontstaan is.

Artikel 1857

Wanneer verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld voor dezelfde schuldenaar
en voor dezelfde schuld, is ieder van hen voor de gehele schuld verbonden.

Artikel 1858

Niettemin kan elk van hun, zo hij geen afstand heeft gedaan van het voorrecht van
schuldsplitsing, op de eerste gerechtelijke aanspraak vorderen, dat de schuldeiser zijn
schuldvordering alvorens verdeelt, en deze vermindert tot het aandeel van elke deugdelijk
verbonden borg.
Indien, ten tijde dat een der borgen de schuldsplitsing heeft doen uitspreken, een of meer
medeborgen onvermogend zijn, is die borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor
de onvermogenden te voldoen; maar hij is niet aansprakelijk, indien derzelver onvermogen na de
schuldsplitsing is opgekomen.

Artikel 1859

Indien de schuldeiser zelf, en vrijwillig, zijn rechtsvordering verdeeld heeft, kan hij tegen
die schuldsplitsing niet weder opkomen, al waren zelfs enige der borgen onvermogend, vòòr de
tijd dat hij de schuld verdeeld heeft.

DERDE AFDELING

VAN DE GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE SCHULDENAAR

EN DE BORG, EN TUSSEN DE BORGEN ONDERLING

Artikel 1860

De borg, die betaald heeft, heeft zijn verhaal op de hoofdschuldenaar, hetzij de borgtocht
met of zonder deszelfs medeweten gesteld is. Dit verhaal heeft plaats, zowel ten aanzien van de
hoofdsom, als van de interesten en de kosten.
Ten aanzien van die kosten heeft de borg slechts zijn verhaal, voor zooverre hij tijdig aan
de hoofdschuldenaar heeft kennisgegeven van de tegen hem gerichte vervolgingen.
De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van kosten, schade en interesten, indien daartoe
gronden zijn.

Artikel 1861

De borg die de schuld betaald heeft, treedt van rechtswege in al de rechten, welke de
schuldeiser tegen de schuldenaar gehad heeft.

Artikel 1862

Indien verscheidene hoofdschuldenaars van dezelfde schuld ieder voor het geheel
verbonden waren, heeft degene, die zich voor allen tot borg gesteld heeft, op een ieder van hun
zijn verhaal tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft.

Artikel 1863

De borg, die eenmaal de schuld betaald heeft, heeft geen verhaal op de hoofdschuldenaar,
die voor de tweede maal betaald heeft, indien hij denzelven van de door hem gedane betaling
geen kennis heeft gegeven; behoudens zijn actie tot terugvordering tegen de schuldeiser.
Indien de borg betaald heeft, zonder daartoe in rechte te zijn aangesproken, en zonder de
hoofdschuldenaar daarvan te hebben verwittigd, heeft hij op deze geen verhaal, ingeval die
schuldenaar, op het ogenblik van de betaling, gronden mocht hebben gehad om de schuld te doen
vervallen verklaren; onverminderd de rechtsvordering van de borg tot terugvordering tegen de
schuldeiser.

Artikel 1864-634

De borg kan, zelfs voordat hij betaald heeft, de schuldenaar aanspreken om door
denzelven schadeloos gesteld, of van zijn verbintenis ontheven te worden:
1°. indien hij tot betaling in rechte vervolgd wordt:
3°. indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen zekere tijd het ontslag van
zijn borgtocht te bezorgen:
4°. indien de schuld opeisbaar is geworden door het verschijnen van de termijn op welke
zij betaalbaar was gesteld:
5°. na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbintenis geen bepaalde vervaltijd heeft;
tenzij de hoofdverbintenis van dien aard zij, dat zij niet voor een bepaalde tijd kan vervallen,
zooals een voogdij.

Artikel 1865-635

Indien verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld van dezelfde schuldenaar en
ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld heeft voldaan, in het geval bij no. 1 van
het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement,
zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.
De bepaling van het tweede lid van artikel 1314 is ten deze toepasselijk.

VIERDE AFDELING

VAN HET TE NIET GAAN VAN BORGTOCHT

Artikel 1866

De verbintenis, uit borgtocht voortspruitende, gaat te niet door dezelfde oorzaken,
waardoor de overige verbintenissen eindigen.

Artikel 1867

De schuldvermenging, welke plaats heeft tussen de persoon van de hoofdschuldenaar en
die van de borg, wanneer de ene erfgenaam wordt van de andere, vernietigt geenszins de
rechtsvordering van de schuldeiser tegen degene, die zich tot borg gesteld heeft van de borg.

Artikel 1868

De borg kan zich tegen de schuldeiser van alle exceptiën bedienen, die aan de
hoofdschuldenaar toekomen, en tot de schuld zelf behoren.
Maar hij kan geen exceptiën in het midden brengen, welke alleen de persoon van de
schuldenaar betreffen.

Artikel 1869

De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van de schuldeiser, niet meer treden kan
in de rechten, hypotheken en voorrechten van die schuldeiser.

Artikel 1870

De vrijwillige aanneming van enig onroerend of ander goed, door de schuldeiser in
betaling van de hoofdschuld gedaan, ontslaat de borg, al was het ook, dat hetzelve goed
naderhand van de schuldeiser wier uitgewonnen.

Artikel 1871

Een eenvoudig uitstel van betaling, door de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar
toegestaan, ontslaat de borg niet; doch deze kan, in dat geval, de schuldenaar vervolgen, om hem
tot betaling te noodzaken, of om hem het ontslag van zijn borgtocht te bezorgen.

ACHTTIENDE TITEL

VAN DADING

Artikel 1872-636

Dading is een overeenkomst, waarbij partijen, tegen overgave, belofte of terughouding
eenr zaak, een aanhangig geding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen.
Deze overeenkomst is slechts van waarde, indien zij schriftelijk is aangegaan.

Artikel 1873

Om een dading te treffen, moet men de bevoegdheid hebben om over de onderwerpen, in
de dading begrepen, te kunnen beschikken.
Voogden en curators kunnen geen dading treffen, dan zich gedragende overeenkomstig de
bepalingen van de vijftiende en zeventiende titel van het eerste boek.
Openbare instellingen kunnen geen dading treffen, dan met inachtneming der
formaliteiten, voorgeschreven bij de wetten die haar betreffen.

Artikel 1874-637

Men kan over de burgerlijke belangen, die uit een strafbaar feit ontstaan, dading treffen.
De dading belet geenszins de vervolging van het openbaar ministerie.

Artikel 1875

Dadingen bepalen zich tot derzelver onderwerp; de daarbij gedane afstand van alle
rechten, actiën en vorderingen moet slechts verstaan worden, voor zoverre die betrekking hebben
tot het verschil, hetwelk tot de dading heeft aanleiding gegeven.

Artikel 1876

Dadingen maken slechts een einde aan die verschillen, welke daarin begrepen zijn, hetzij
partijen derzelver bedoeling in bijzondere of algemene bewoordingen bevat hebben, hetzij men
die bedoeling afleidt als een noodzakelijk gevolg van hetgeen uitgedrukt is.

Artikel 1877

Indien degene, die een dading getroffen heeft over een recht, hetwelk hem uit eigen
hoofde toekwam, vervolgens een dergelijk recht van een ander verkrijgt, is hij, met betrekking tot
het nieuw bekomen recht, aan de bevorens aangegane dading niet gebonden.

Artikel 1878

Dadingen, door een der belanghebbenden aangegaan, verbinden de overige
belanghebbenden niet, en kunnen door hen niet worden ingeroepen.

Artikel 1879

Dadingen hebben tussen de partijen kracht van gewijsde in het hoogste ressort.
Men kan tegen deze niet opkomen, hetzij uit hoofde van dwaling in het recht, hetzij uit
hoofde van benadeling.

Artikel 1880

Niettemin kan een dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaats gehad omtrent de persoon, of omtrent het onderwerp van het geschil.
Zij kan vernietigd worden in al de gevallen, waarin bedrog of geweld heeft plaats gehad.

Artikel 1881

Insgelijks kan men de vernietiging van een dading vragen, wanneer dezelve, tengevolge
van een dwaling in feiten, is aangegaan ten aanzien van een titel, die nietig was, behalve in het
geval dat partijen uitdrukkelijk over die nietigheid een dading gesloten hebben.

Artikel 1882

Een dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand zijn bevonden vals te zijn, is
ten enenmale nietig.

rtikel 1883

Een dading over een geschil, waaraan reeds een einde is gemaakt door een vonnis,
hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, doch waarvan partijen of een derzelve geen kennis
droegen, is nietig.
Indien het vonnis, waarvan partijen geen kennis droegen, aan enig beroep onderhevig
was, is de dading van waarde.

Artikel 1884

Indien partijen, in het algemeen, een dading hebben aangegaan over alle zaken, welke zij
met elkander uitstaande hebben, leveren de bescheiden, die hun toen onbekend waren, doch
naderhand ontdekt zijn, geen grond op tot vernietiging van de dading, tenzij dezelve door toedoen
van een der partijen mochten zijn achtergehouden.
Maar de dading is nietig, indien deze slechts een enkele zaak tot onderwerp had, waarop
door de naderhand ontdekte bescheiden gebleken mocht zijn, dat een der partijen geen het minste
recht had.

Artikel 1885

Een misslag van berekening, bij een dading begaan, moet hersteld worden.

BURGERLIJK WETBOEK

Boek IV

VIERDE BOEK

VAN BEWIJS EN VERJARING

EERSTE TITEL

VAN BEWIJS IN HET ALGEMEEN

Artikel 1886

Een ieder die beweert enig recht te hebben, of zich op enig feit tot staving van zijn recht,
of tot tegenspraak van een ander recht, beroept, moet het bestaan van dat recht, of van dat feit,
bewijzen.

Artikel 1887

De bewijsmiddelen bestaan in:
Het schriftelijk bewijs;
Het bewijs door getuigen;
De vermoedens;
De bekentenis;
De eed.
Alles met inachtneming der regelen bij de volgende titels voorgeschreven.

TWEEDE TITEL

VAN SCHRIFTELIJK BEWIJS

Artikel 1888

Schriftelijk bewijs geschiedt door authentieke, of door onderhandse geschriften.

Artikel 1889

Een authentieke akte is de zodanige welke in de wettelijke vorm is verleden, door of ten
overstaan van openbare ambtenaren die daartoe bevoegd zijn ter plaatse alwaar zulks is geschied.

Artikel 1890

Een akte welke, uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van de ambtenaar, of
uit hoofde van een gebrek in de vorm, niet voor authentiek kan gehouden worden, heeft echter
kracht van een onderhands geschrift, indien dezelve door partijen ondertekend is.

Artikel 1891

Een authentieke akte levert tussen partijen en derzelver erfgenamen of rechtverkrijgenden
een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat.

Artikel 1892

Een authentieke akte levert echter geen volledig bewijs op omtrent hetgeen daarin als een
bloot te kennen geven voorkomt, dan voor zo verre het te kennen gegevene in een dadelijk
verband staat met het onderwerp van de akte.
Indien hetgeen daarbij als een bloot te kennen geven voorkomt, niet in een dadelijk
verband staat met het onderwerp van de akte, kan hetzelve alleen dienen tot begin van schriftelijk
bewijs.

Artikel 1893-638

Indien een authentieke akte, van welke aard ook, van valsheid beticht wordt, kan
derzelver uitvoering worden geschorst, overeenkomstig de bepalingen van het Surinaams Wetboek
van Burgelijke Rechtsvordering.

Artikel 1894

Nadere overeenkomsten, aangegaan bij een afzonderlijke akte, in strijd met de
oorspronkelijke, leveren alleen bewijs op tussen de partijen die tot zodanige akte zijn toegetreden,
en hun erfgenamen of rechthebbenden, doch zij kunnen niet tegen derden werken.

Artikel 1895

Als onderhandse geschriften worden aangemerkt onderhands getekende akten, brieven,
registers, huiselijke papieren en andere geschriften welke zonder tussenkomst van een openbare
ambtenaar zijn opgemaakt, of welke partijen, nadat haar daarvan voorlezing is gedaan,
ondertekend hebben met een kruismerk, waarvan de echtheid door een openbare ambtenaar is
erkend.

Artikel 1896

Een onderhands geschrift, hetwelk erkend is door degenen tegen wie men zich daarop
beroept, of hetwelk op een wettige wijze voor erkend wordt gehouden, levert, ten aanzien van de
ondertekenaars, en derzelver erfgenamen en rechtverkrijgenden, hetzelfde volledig bewijs op als
een authentieke akte, en de bepaling van artikel 1892 is op gelijke wijze daarop toepasselijk.

Artikel 1897

Hij, tegen wie men zich op een onderhands geschrift beroept, is verplicht zijn schrift of
zijn handtekening stellig te erkennen of te ontkennen; doch zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden
kunnen volstaan met te verklaren dat zij hetzelve niet erkennen als het schrift of de
handtekening van degenen wie zij vertegenwoordigen.

Artikel 1898

In geval iemand zijn schrift of zijn handtekening ontkent, of indien deszelfs erfgenamen
of rechtverkrijgenden verklaren dezelve niet te erkennen, moet de rechter bevelen dat de echtheid
daarvan gerechtelijk onderzocht wordt.

Artikel 1899-639

Onderhandse eenzijdige schuldverbintenissen tot voldoening van gereed geld, of van een
zaak welke op een bepaalde waarde kan worden gesteld, moeten geheel geschreven worden met
de hand van degenen die dezelve ondertekend heeft, of ten minste moet daaronder, behalve de
handtekening, met de hand van de ondertekenaar geschreven worden een goedkeuring, houdende
in voluitgeschreven letters de som of de hoegrootheid, of de hoeveelheid van de verschuldigde
zaak.
Bij gebreke hiervan, kan de getekende akte, indien de verbintenis wordt ontkend, slechts
als een begin van schriftelijk bewijs worden aangenomen.
De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op aandelen in een obligatielening,
mitsgaders op schuldverbintenissen door de schuldenaar in de uitoefening van zijn bedrijf
aangegaan.

Artikel 1900

Indien de som welke bij de akte zelf vermeld is, verschilt van die welke bij de
goedkeuring uitgedrukt staat, wordt de verbintenis gerekend voor de minste som te zijn aangegaan,
zelfs dan ook wanneer de akte, mitsgaders de goedkeuring, geheel en al door de hand van
degenen die zich verbonden heeft geschreven zijn; ten ware men kan bewijzen in welk van beide
gedeelten van het stuk de misslag heeft plaats gehad.

Artikel 1901

Onderhandse akten hebben, ten aanzien van haar dagtekening, tegen derden geen kracht,
dan van de dag dat zij, op de wijze bij Staatsbesluit te bepalen, door een daarbij aan te wijzen
openbare ambtenaar, zijn geboekt; of van de dag waarop degenen, of een van degenen, die
dezelve ondertekend hebben overleden zijn: of van die waarop derzelver bestaan bewezen wordt
bij akten, door openbare ambtenaren opgemaakt; of wel van de dag waarop de derde, tegen wie
men zich van de akte bedient, derzelver bestaan schriftelijk heeft erkend.

Artikel 1902

Registers en huiselijke papieren leveren geen bewijs op ten voordele van degenen die
dezelve geschreven heeft; zij strekken tot bewijs tegen hem:
1°. In al de gevallen waarin die stukken stellig melding maken van een ontvangen
betaling;
2°. Wanneer zij uitdrukkelijke melding maken dat de aantekening geschied is om een
gebrek in de titel aan te vullen, ten behoeve van degenen te wiens voordele zij een verbintenis
aanduiden.
In alle andere gevallen, zal de rechter daarop zodanig acht slaan als hij zal vermenen te
behoren.

Artikel 1903-640

Vervallen.

Artikel 1904

Aantekeningen, door een schuldeiser gesteld op een titel die altijd in deszelfs bezit is
gebleven, verdienen geloof, alhoewel dezelve door hem noch ondertekend, noch gedagtekend
zijn, wanneer het geschrevene strekt tot bevrijding van de schuldenaar.
640 Vervallen bij G.B. 1926 no. 41.
Hetzelfde geldt omtrent aantekeningen welke de schuldeiser op het dubbel van een titel of
op een kwijting gesteld heeft, mits dit dubbel of deze kwijting in het bezit van de schuldenaar zij.

Artikel 1905

De eigenaar van een titel kan daarvan, te zijne kosten, de vernieuwing vorderen, indien
het schrift wegens ouderdom of enige andere reden onleesbaar wordt.

Artikel 1906

Indien een titel gemeen is tussen verscheidene personen, is ieder derzelve bevoegd te
vorderen dat die op een derde plaats in bewaring wordt gebracht, mitsgaders om daarvan ten zijne
koste een afschrift of uittreksel te laten maken.

Artikel 1907

In elke stand van een rechtsgeding kan een partij van de rechter verzoeken dat haar
wederpartij bevolen wordt om de stukken over te leggen die aan beide partijen gemeen zijn, de
zaak in geschil betreffen, en zich onder haar berusting bevinden.

Artikel 1908

Kerfstokken, met hun dubbel overeenkomende, verdienen geloof tussen degenen die
gewoon zijn om de leveranties, welke zij in het klein doen, of ontvangen, op dusdanige manier te
bewijzen.

Artikel 1909

De kracht van een schriftelijk bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.
Wanneer de oorspronkelijke akte bestaat, verdienen de afschriften en de uittreksels slechts
geloof, voor zover die overeenstemmen met het oorspronkelijke stuk, welks vertoning steeds kan
gevorderd worden.

Artikel 1910

Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer aanwezig is, leveren de afschriften bewijs op,
met inachtneming der navolgende bepalingen:
1°. De grossen of eerst uitgegeven afschriften leveren hetzelfde bewijs op als de
oorspronkelijke akte; hetzelfde geldt omtrent afschriften welke op rechterlijk gezag, in
tegenwoordigheid van partijen, of deze partijen behoorlijk opgeroepen zijnde, zijn opgemaakt,
gelijk mede omtrent de zodanige welke opgemaakt zijn in tegenwoordigheid der partijen, en met
derzelver wederzijdse goedkeuring;
2°. De afschriften welke zonder tussenkomst van de rechter, of buiten toestemming van
partijen, en na de uitgifte der grossen of eerste afschriften, volgens de minuut van de akte
gemaakt zijn, door de notaris voor wie die akte is verleden, of door een van zijn opvolgers, of
door ambtenaren welke, in deze hun betrekking, de minuten in bewaring hebben en tot uitgifte
van afschriften bevoegd zijn, kunnen, in geval de oorspronkelijke akte verloren is geraakt, door
de rechter als volledig bewijs worden aangenomen;
3°. Wanneer de afschriften die naar de minuut van een akte gemaakt zijn niet vervaardigd
zijn door de notaris voor wie die akte verleden is, of door een van zijn opvolgers, of door
openbare ambtenaren die als zodanig de minuten onder hun berusting hebben, kunnen dezelve
nimmer anders dan tot een begin van bewijs door geschrift verstrekken.
4°. Authentieke afschriften van authentieke afschriften, of van onderhandse akten,
kunnen, naar omstandigheden, een begin van schriftelijk bewijs opleveren.

Artikel 1911

De overschrijving van een akte in de openbare registers kan alleenlijk tot een begin van
bewijs door geschrift verstrekken.

Artikel 1912

Akten van erkentenis ontslaan van de verplichting om de oorspronkelijke titel te berde te
brengen, mits daaruit genoegzaam van de inhoud van de titel blijkt.

Artikel 1913

Een akte waarbij een verbintenis, tegen welke de wet een vordering tot nietigverklaring of
tenietdoening toelaat, bevestigd of bekrachtigd wordt, is slechts van waarde, indien zij melding
maakt van de hoofdinhoud van deze verbintenis, alsmede van de redenen waarom de
tenietdoening zou kunnen gevraagd worden, en van het oogmerk om het gebrek, waarop die
vordering zou berusten, te verbeteren.
Bij gebrek van een akte van bevestiging of bekrachtiging, is het voldoende dat de
verbintenis vrijwillig is ten uitvoer gebracht na het tijdstip waarop dezelve, op een bestaanbare
wijze, had kunnen bevestigd of bekrachtigd worden.
De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming van een verbintenis, in de vorm en
op het tijdstip, door de wet vereist, gedaan, wordt gerekend voor een afstand der middelen en
excepties, welke men anders tegen die akte zou hebben kunnen in het midden brengen;
onverminderd nochtans het recht van derden.

Artikel 1914

Een schenker kan door geen akte van bevestiging de gebreken verhelpen van
een schenking die nietig in de vorm is; dezelve schenking moet om geldig te zijn, op nieuw in de
wettige vorm worden gebracht.

Artikel 1915

De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming van een schenking, door de
erfgenamen of rechtverkrijgenden van de schenker, na dezelfs overlijden, gedaan, versteekt
dezelve van de bevoegdheid om zich op enig gebrek in de vorm te beroepen.

DERDE TITEL

VAN BEWIJS DOOR GETUIGEN

Artikel 1916

Het bewijs door getuigen wordt toegelaten in al de gevallen waarin hetzelve niet door de
wet wordt uitgesloten.

Artikel 1917-641

Vervallen.

Artikel 1918642

Vervallen.

Artikel 1919-643

Vervallen.

Artikel 1920-644

Vervallen.

Artikel 1921-645

Vervallen

Artikel 1922-646

Vervallen

Artikel 1923-647

In de gevallen, waarin bij wet schriftelijk bewijs gevorderd wordt, wordt niettemin, indien
er een begin van bewijs door geschrifte aanwezig is, het bewijs door getuigen toegelaten, tenzij
ieder ander dan schriftelijk bewijs uitgesloten is.
Men noemt begin van bewijs door geschrifte alle geschreven akten, welke voortgekomen
zijn van degenen, tegen wie de vordering gedaan wordt, of van degenen die hij vertegenwoordigt,
en welke de daadzaak, waarop men zich beroept, waarschijnlijk maken.

Artikel 1924-648

Vervallen.

Artikel 1925-649

Bij het bewijs door getuigen moeten de volgende bepalingen worden in acht genomen.

Artikel 1926

De verklaring van een enkele getuige, zonder enig ander middel van bewijs, verdient in
rechte geen geloof.

Artikel 1927

Indien de afzonderlijke en op zich zelf staande getuigenissen van verscheidene personen,
omtrent verschillende feiten, door haar samenloop en verband strekken tot staving van een
bepaalde daadzaak, wordt het aan het oordeel van de rechter overgelaten om aan die afzonderlijke
getuigenissen zodanige kracht toe te kennen als de omstandigheden dit mochten vereisen.

Artikel 1928

Iedere getuigenis moet met reden van wetenschap bekleed zijn.
Bijzondere meningen of gissingen, bij redenering opgemaakt, zijn geen getuigenissen.

Artikel 1929

In de beoordeling van de waarde van de getuigenis moet de rechter bijzonder acht geven
op de onderlinge overeenkomst der getuigen, op de overeenstemming der getuigenissen met
hetgeen van elders aangaande de zaak in het geding bekend is, op de beweegredenen welke de
getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen, op de
levenswijze, de zeden en de stand der getuigen, en, in het algemeen, op alles wat op dezelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zou kunnen

hebben.

Artikel 1930

Alle personen, bekwaam om getuigen te zijn, zijn verplicht getuigenis in rechte af te
leggen.
Niettemin kunnen zich van het afleggen van getuigenis verschonen:
1°. Die aan een der partijen in de zijlinie bestaan in de tweede graad van
bloedverwantschap of zwagerschap.
2°. Die de echtgenoot van een der partijen bestaan in de rechte linie onbeperkt, en in de
zijlinie in de tweede graad.
3°. Al degenen die, uit hoofde van hun stand, beroep of wettige betrekking, tot
geheimhouding verplicht zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de
wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd.

Artikel 1931-650

Als onbekwaam om getuigen te zijn worden beschouwd, en mogen niet worden gehoord,
de bloed- en aanverwanten van een der partijen in de rechte linie, en de echtgenoot, zelfs na een
plaats gehad hebbende echtscheiding.

Nochtans zullen bloed- en aanverwanten als zodanig niet onbekwaam zijn:
1°. in zaken de burgerlijke staat van partijen betreffende.
2°. in zaken betreffende onderhoud, krachtens het Eerste Boek verschuldigd, daaronderbegrepen het verschuldigde voor onderhoud en opvoeding van een

minderjarige en de in artikel 342f bedoelde vergoeding.
3°. bij het onderzoek naar de redenen, welke tot ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht of de voogdij kunnen leiden.
4°. in zaken betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de Arbeidswet.
Het recht om zich van het afleggen van getuigenis te verschonen, komt in de gedingen in
het voorgaande lid bedoeld, de in artikel 1930 onder 1°. en 2°. genoemde personen niet toe.

Artikel 1932-651

De getuigen moeten op straffe van nietigheid zweren of beloven, overeenkomstig de
daaromtrent bij wet te stellen regelen dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen
zeggen.

Artikel 1933

Zij die de volle ouderdom van vijftien jaren niet hebben bereikt, mitsgaders zij die ter
zake van onnozelheid, krankzinnigheid of razernij zijn onder curatele gesteld, of hangende het
geding, op bevel van de rechter, zich bij voorraad in verzekerde bewaring bevinden, kunnen niet
als getuigen worden toegelaten.
Het staat echter aan de rechter vrij om zodanige minderjarigen, of ook onder curatele
gestelden, die bij tussenpozen het genot hunner verstandelijke vermogens bezitten, zonder
eedsaflegging te horen, doch derzelver verklaringen zullen slechts als toelichting mogen worden
aangemerkt.
De rechter zal alzo geen geloof mogen slaan op hetgeen die onbevoegde personen
verklaren te hebben gehoord, gezien, bijgewoond en ondervonden, al ware zulks met redenen van
wetenschap bekleed maar hun verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met, en op het spoor te geraken van daadzaken, welke door de gewone

middelen nader kunnen worden
bewezen.

Artikelen 1934 - 1935652

Vervallen.

VIERDE TITEL

VAN VERMOEDENS

Artikel 1936

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen welke de wet of de rechter uit een bekende tot een
onbekende daadzaak afleidt.
Zij zijn van tweeërlei aard:
Wettelijke;

En de zodanige welke niet op de wet zelf zijn gegrond.

Artikel 1937

Wettelijke vermoedens zijn de zodanige welke, uit kracht van een bijzondere
wetsbepaling, met zekere handelingen of met zekere daadzaken verbonden zijn.
Van die aard zijn onder andere:
1°. De handelingen welke de wet nietig verklaart, omdat zij, door haar aard en haar hoedanigheid alleen, vermoed worden gepleegd te zijn om een wetsbepaling

te ontduiken.
2°. De gevallen waarin de wet verklaart dat de eigendom of de bevrijding van schuld, uit zekere bepaalde omstandigheden wordt afgeleid.
3°. Het gezag hetwelk de wet aan een rechterlijk gewijsde toekent.
4°. De kracht welke de wet aan de bekentenis van een der partijen of aan derzelver eed
toekent.

Artikel 1938

Het gezag van een gerechtelijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot het onderwerp
van het vonnis.
Om dat gezag te kunnen inroepen, wordt vereist dat de zaak welke gevorderd wordt
dezelfde zij; dat de eis op dezelfde oorzaak beruste, en door en tegen dezelfde partijen in dezelfde
betrekking gedaan zij.

Artikel 1939-653

Een vonnis in kracht van gewijsde gegaan, waarbij iemand wegens enig feit tot straf is
verwezen, zal in een burgerlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen,
behoudens tegenbewijs.

Artikel 1940-654

Indien iemand van een aan hem ten laste gelegd feit is vrijgesproken, kan die vrijspraak
bij de burgerlijke rechter niet worden ingeroepen om een eis tot schadevergoeding af te weren.

Artikel 1941

Vonnissen betrekkelijk de staat van personen, gewezen tegen degenen die wettelijk
bevoegd was om de eis tegen te spreken, zijn van kracht tegen elk en een ieder.

Artikel 1942

Een wettelijk vermoeden ontslaat degenen, in wiens voordeel hetzelve bestaat, van alle
verdere bewijzen.
Geen bewijs wordt tegen een wettelijk vermoeden toegelaten, in geval de wet, op grond
van dit vermoeden, zekere bepaalde handelingen nietig verklaart, of de rechtsingang weigert;
tenzij de wet zelf het tegenbewijs mocht hebben vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent de
gerechtelijke eed en de gerechtelijke bekentenis vastgesteld is.

Artikel 1943

Vermoedens welke niet op de wet zelf gegrond zijn worden overgelaten aan het oordeel
en aan de voorzichtigheid van de rechter, die echter op geen andere letten mag dan op die, welke
gewichtig, nauwkeurig, bepaald en met elkander in overeenstemming zijn. Zodanige vermoedens
kunnen alleen in aanmerking komen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen
toelaat, en ook bijaldien, uit hoofde van kwade trouw of bedrog, tegen een handeling of akte
wordt opgekomen.

VIJFDE TITEL

VAN BEKENTENIS

Artikel 1944

De bekentenis welke aan een partij wordt tegengeworpen, is of gerechtelijk, of buiten
rechte afgelegd.

Artikel 1945

Een bekentenis mag niet gesplitst worden ten nadele van degenen die dezelve heeft
afgelegd.
Het staat echter aan de rechter vrij om de bekentenis te splitsen, indien de schuldenaar
daarbij, tot zijn bevrijding, daadzaken heeft aangevoerd, welker valsheid wordt bewezen.

Artikel 1946

De gerechtelijke bekentenis levert een volledig bewijs op tegen degenen die dezelve,
hetzij in persoon, hetzij bij een bijzondere daartoe gevolmachtigde heeft afgelegd.

Artikel 1947

De gerechtelijke bekentenis kan niet herroepen worden ten ware bewezen werd dat
dezelve een gevolg is geweest van een dwaling omtrent daadzaken.
Onder voorwendsel van een dwaling omtrent het recht, kan dezelve niet herroepen
worden.

Artikel 1948

Een mondelinge bekentenis, buiten rechte gedaan, kan niet worden ingeroepen, dan in de
gevallen waarin het bewijs door getuigen is toegelaten.

Artikel 1949

In het geval bij het slot van het vorige artikel voorzien, blijft het aan de rechters oordeel
overgelaten welke kracht aan een mondelinge bekentenis, buiten rechte gedaan, moet worden
toegekend.

ZESDE TITEL

VAN DE GERECHTELIJKE EED

Artikel 1950

De gerechtelijke eed is van tweeërlei aard:
1°. Die welke door de ene partij aan de andere wordt opgedragen om de beslissing van de
zaak daarvan te doen afhangen; deze wordt genaamd beslissende eed;
2°. Die welke door de rechter, ambtshalve, aan een der beide partijen wordt opgelegd.

Artikel 1951

De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle geschillen, van welke aard ook,
behalve degene waarover partijen geen dading zouden mogen treffen, of waarin haar bekentenis
niet zou kunnen worden in aanmerking genomen.
Dezelve kan in elke stand van het rechtsgeding worden opgedragen, zelfs dan wanneer
geen ander middel hoegenaamd aanwezig is om de vordering of de exceptie, ten aanzien van
welke de eed gevorderd wordt, te bewijzen.

Artikel 1952

Die eed kan alleen worden opgedragen omtrent een daadzaak welke persoonlijk zou zijn
verricht, door degene aan wiens eed de beslissing wordt overgelaten.

Artikel 1953

Hij, aan wie de eed is opgedragen, en die weigert dezelve af te leggen of terug te wijzen,
of ook hij, die de eed heeft opgedragen, doch aan wie dezelve is teruggewezen, en die weigert de
eed af te leggen, moet in zijn vordering of exceptie in het ongelijk worden gesteld.

Artikel 1954

Indien de daad, omtrent welke de eed wordt opgedragen niet is de daad van beide partijen,
maar alleen van degene, aan welke eed de beslissing wordt overgelaten, mag de eed niet worden
teruggewezen.

Artikel 1955

Geen eed kan opgedragen, teruggewezen of aangenomen worden dan door de partij zelf,
of door een daartoe bijzonder gevolmachtigde persoon.

Artikel 1956

Die de eed heeft opgedragen of teruggewezen, kan die daad niet weder intrekken, indien
de wederpartij zich bereid heeft verklaard die eed af te leggen.

Artikel 1957

Wanneer hij aan wie de beslissende eed is opgedragen, of hij aan wiens eed de beslissing
is teruggewezen, de eed heeft afgelegd, is de tegenpartij niet ontvankelijk om de valsheid daarvan
te beweren.

Artikel 1958

De afgelegde eed levert geen bewijs op dan alleen ten voordele of ten nadele van degene
die dezelve opgedragen of teruggewezen heeft, en van zijn erfgenamen of rechthebbenden.

Artikel 1959

Niettemin wordt een schuldenaar, aan wie de eed door een der hoofdelijke schuldeisers is
opgedragen, en die dezelve heeft afgelegd, daardoor niet verder bevrijd dan voor het aandeel van
die schuldeiser.
De eed, door de hoofdschuldenaar afgelegd, bevrijdt de borgen.

Artikel 1960

De eed, door een der hoofdschuldenaren afgelegd, strekt ten voordele der
medeschuldenaren, en die welke door de borg is afgelegd strekt ten voordele van de
hoofdschuldenaar, indien namelijk, in deze beide gevallen, de eed is opgedragen of teruggewezen
geworden omtrent de schuld zelf, en niet omtrent het hoofdelijke van de verbintenis, of van de
borgtocht.

Artikel 1961

De rechter kan ambtshalve aan een der partijen de eed opleggen, hetzij om daarvan de
beslissing van de zaak te doen afhangen, hetzij om daardoor een toe te wijzen bedrag te bepalen.

Artikel 1962

Hij kan dat slechts doen in de twee volgende gevallen:
1°. Indien de vordering of exceptie niet volledig bewezen is;
2°. Indien dezelve ook niet geheel van bewijs ontbloot is.

Artikel 1963

De eed omtrent de waarde van de gevorderde zaak kan door de rechter aan de eiser niet
worden opgelegd, dan wanneer het onmogelijk is om die waarde op een andere wijze te bepalen.
Zelfs moet de rechter, in dat geval, de som bepalen tot welker beloop de eiser op zijn eed
zal geloofd worden.

Artikel 1964

De eed, door de rechter aan een der partijen opgelegd, kan door deze niet aan de
wederpartij worden teruggewezen.

Artikel 1965-655

De eed moet worden afgelegd voor de rechter, die van het rechtsgeding kennis neemt.
Indien een wettig beletsel het verschijnen voor de rechter ter plaatse waar deze zijn
gewone zittingen houdt, onuitvoerlijk maakt, kan de kantonrechter tot het afnemen van de eed
zich naar de woning of het verblijf begeven van hem, die de eed moet afleggen: het hof van
justitie kan daartoe een van zijn leden machtigen.
Indien, in dat geval, die woning of dat verblijf te ver mocht zijn verwijderd, kan de
rechter, die van het rechtsgeding kennis neemt, het afnemen van de eed opdragen aan de rechter
van de woonplaats of van het verblijf van degene, die tot de eedsaflegging verplicht is, of, bij
ontstentenis van zodanige rechter, aan een aldaar gevestigde ambtenaar.

Artikel 1966

De eed moet persoonlijk worden afgelegd.
Om gewichtige redenen is het de rechter geoorloofd aan een partij toe te staan om de eed
door een bijzondere bij authentieke akte daartoe gemachtigde te doen afleggen.
De volmacht moet, in zodanig geval, de af te leggen eed omstandig en nauwkeurig
inhouden.
Geen eed mag worden afgenomen dan in tegenwoordigheid van de wederpartij, of deze
daartoe behoorlijk zijnde opgeroepen.

ZEVENDE TITEL

VAN VERJARING

EERSTE AFDELING

VAN VERJARING IN HET ALGEMEEN

Artikel 1967

Verjaring is een middel om, door het verloop van een zekere bepaalde tijd, en onder de
voorwaarden bij de wet bepaald, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

Artikel 1968

Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar men kan wel afstand doen van
een verjaring welke reeds verkregen is.

Artikel 1969

De afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend. De stilzwijgende afstand

wordt afgeleid uit een daad welke doet vooronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten
varen.

Artikel 1970

Hij, die niet mag vervreemden, mag geen afstand doen van een verkregen verjaring.

Artikel 1971

De rechter mag ambtshalve het middel van verjaring niet toepassen.

Artikel 1972

In elke staat van het geding kan men zich op verjaring beroepen, zelfs in hoger beroep.

Artikel 1973

Schuldeisers of andere belanghebbenden kunnen opkomen tegen de afstand van verjaring
door de schuldenaar, ter bedrieglijke verkorting hunner rechten, gedaan.

Artikel 1974

Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

Artikel 1975

De staat, Suriname en de openbare gestichten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen
als bijzondere personen, en kunnen daarvan op gelijke wijze gebruik maken.

Artikel 1976

Om door middel van verjaring de eigendom van een zaak te verkrijgen, wordt vereist een
voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.

Artikel 1977

Daden van geweld, van zuivere willekeur of van eenvoudig gedogen, kunnen geen bezit te
weeg brengen, dat de kracht heeft om een verjaring te doen geboren worden.

Artikel 1978

De tegenwoordige bezitter, die bewijst van ouds bezeten te hebben, wordt voorondersteld
mede het bezit te hebben gehad gedurende de tijd die tussen beide verlopen is; onverminderd het
tegenbewijs.

Artikel 1979

Om de tot verjaring vereiste tijd te vervullen, kan men bij zijn eigen bezit dat van de
vorige bezitter, van wie men de zaak verkregen heeft, voegen, op welke wijze men deze ook zij
opgevolgd, het zij onder een algemene of bijzondere titel, het zij om niet, het zij onder een
bezwarende titel.

Artikel 1980

Zij die voor een ander bezitten, mitsgaders hun erfgenamen, kunnen nimmer iets door
verjaring verkrijgen, door welk tijdsverloop zulks ook zou mogen wezen.
Alzo kan een huurder, bewaarder, vruchtgebruiker, en alle anderen die het goed van de
eigenaar ter bede onder zich hebben, hetzelve niet door verjaring verkrijgen.

Artikel 1981

De personen, bij het voorgaande artikel vermeld, kunnen de eigendom door verjaring
verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, hetzij uit een oorzaak die van een derde
afkomt, hetzij door hun tegenspraak tegen het recht van de eigenaar.

Artikel 1982

Zij, aan wie de huurders, bewaarders en andere bezitters ter bede het goed hebben
overgedragen, bij een titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed door verjaring
verkrijgen.

Artikel 1983

De verjaring wordt gerekend bij dagen, en niet bij uren.
Zij is verkregen wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is.

TWEEDE AFDELING

VAN DE VERJARING, BESCHOUWD ALS EEN

MIDDEL OM IETS TE VERKRIJGEN

Artikel 1984

Die te goeder trouw, en uit kracht van een wettige titel, een onroerend goed, een rente of
enige andere, aan toonder niet betaalbare, inschuld verkrijgt, bekomt daarvan de eigendom, bij
wege van verjaring, door een bezit van twintig jaren.
Die te goeder trouw het bezit heeft gedurende dertig jaren, verkrijgt de eigendom, zonder
dat hij kan worden genoodzaakt zijn titel te tonen.

Artikel 1985-656

Een rechtstitel die nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm kan niet tot grondslag
van een twintigjarige verjaring verstrekken.

Artikel 1986

De goede trouw wordt steeds voorondersteld, en degene die zich op kwade trouw beroept
moet dezelve bewijzen.

Artikel 1987

Het is voldoende dat op het ogenblik van de verkrijging de goede trouw bestond.

DERDE AFDELING

VAN DE VERJARING, BESCHOUWD ALS EEN MIDDEL

OM VAN EEN VERPLICHTING BEVRIJD TE WORDEN

Artikel 1988

Alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren,
zonder dat hij, die zich op de verjaring beroept, verplicht zij enige titel aan te tonen, of dat men
hem enige exceptie, uit zijn kwade trouw ontleend, kan tegenwerpen.

Artikel 1989-657

De rechtsvordering van meesters en onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens
de lessen welke zij bij de maand, of voor korter tijd geven;
Die van herbergiers en tafelhouders wegens het verschaffen van woning en kost;
Die van werknemers wier in geld vastgesteld loon telkens na kortere tijdsruimte dan een
kwartaal moet worden betaald, wegens de betaling van hun loon, alsmede van het bedrag van de
verhoging van dat loon ingevolge artikel 1614q;
Verjaren door verloop van een jaar.

Artikel 1990-658

De rechtsvordering der artsen, heelmeesters en apothekers, wegens hun bezoeken,
heelkundige diensten en geneesmiddelen;
Die van deurwaarders, wegens hun loon voor het betekenen van akten en het ten uitvoer
brengen van de hun opgedragen werkzaamheden;
Die der kostschoolhouders, wegens het kost- en schoolgeld voor derzelver leerlingen, en
van andere meesters, voor het loon van hun onderwijs;
Die van werknemers met uitzondering van degenen bedoeld bij artikel 1989 wegens de
betaling van hun loon, alsmede van het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel
1614q;
Verjaren door verloop van twee jaren.

Artikel 1991

De rechtsvordering der advocaten tot de betaling hunner verdiensten en voorschotten,
verjaren door verloop van twee jaren, te rekenen van de dag dat het geding is uitgewezen, of dat
de partijen een schikking hebben getroffen, of de volmacht op die advocaten is ingetrokken.
Ten aanzien van onafgedane zaken kunnen zij geen voldoening vorderen van
voorschotten en verdiensten die meer dan tien jaren mochten ten achter zijn.
De rechtsvordering der notarissen tot betaling hunner voorschotten en loon verjaart
insgelijks door verloop van twee jaren, te rekenen van de dag waarop de akten zijn verleden.

Artikel 1992-659

De rechtsvorderingen van:
timmerlieden, metselaars en andere werkbazen tot betaling van hun leveranties en lonen;
winkeliers tot betaling van geleverde goederen;
voor zover deze rechtsvorderingen betrekkelijk zijn tot werkzaamheden en leveringen,
welke niet voor het beroep van de schuldenaar hebben plaats gehad,
verjaren door verloop van vijf jaren.

Artikel 1993

De verjaring, in de vier voorgaande artikelen vermeld, heeft plaats, ofschoon men met het

en van leveranties, diensten en arbeid zij voortgegaan.
Dezelve houdt slechts dan op te lopen wanneer een schriftelijke schuldbekentenis
opgemaakt, of de verjaring, volgens artikel 2000 en 2001, gestuit is.
Artikel 1994660
Niettemin kunnen degenen aan wie de verjaring, bij artikel 1989, 1990, 1991 en 1992
vermeld, wordt tegengeworpen, van hen die zich daarvan bedienen de eed vorderen dat de schuld
werkelijk is betaald geworden.
De eed kan opgelegd worden aan de weduwen en de erfgenamen, of aan de voogden van
laatstgemelden, indien zij minderjarig zijn, ten einde te verklaren dat zij niet weten dat de zaak
verschuldigd is.

Artikel 1995

De rechters en advocaten zijn niet meer aansprakelijk wegens de afgifte der stukken na
verloop van vijf jaren, na de uitwijzing der gedingen.
Insgelijks zijn de deurwaarders ontheven van alle aansprakelijkheid dienaangaande na
verloop van twee jaren, te rekenen sedert het uitvoeren van de last, of het betekenen der akten,
waarmede zij belast waren.

Artikel 1996

De interesten van altijddurende renten of van lijfrenten:
Die van jaarwedden, tot onderhoud verstrekkende;
De huurprijzen van huizen en van landgoederen;
De interesten van geleende geldsommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij
het jaar, of bij kortere vastgestelde termijnen;
Verjaren na verloop van vijf jaren.

Artikel 1997

De verjaringen, waarvan in artikel 1989 en volgende van deze afdeling gehandeld wordt,
lopen tegen de minderjarigen en tegen degenen die onder curatele staan; onverminderd hun
verhaal op hun voogden of curators.

Artikel 1998-661

Met betrekking tot roerende goederen die noch in renten bestaan, noch in inschulden
welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel.
Niettemin kan degene die iets verloren heeft of aan wie iets ontvreemd is, gedurende drie
jaren, te rekenen van de dag waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad, het
verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terug vorderen van de degenen in wiens handen hij
hetzelve vindt, behoudens het verhaal van de laatstgemelde op degenen van wie hij het bezit
bekomen heeft, en onverminderd de bepaling van artikel 637.

VIERDE AFDELING

VAN DE OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN

Artikel 1999-662

De verjaring is gestuit wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot van
de zaak beroofd is, hetzij door de vorige eigenaar, hetzij zelfs door een derde.

Artikel 2000

Zij wordt mede gestuit door aanmaning, oproeping en elke daad van rechtsvervolging, alle
in de vereiste vorm betekend door een daartoe bevoegde ambtenaar, uit naam van de
rechthebbende aan degenen die men beletten wil de verjaring te verkrijgen.

Artikel 2001

Ook de oproeping voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.

Artikel 2002

Verjaring is echter niet gestuit indien hetzij de aanmaning of oproeping wordt ingetrokken
of nietig verklaard, het zij de aanlegger van zijn eis afstand doet, of dezelve wordt ontzegd; het
zij de aanleg, uit hoofde van het tijdsverloop, is vervallen verklaard.
Artikel 2003
De erkentenis, door woorden of door daden, van het recht van degenen tegen wie de
verjaring loopt, door de bezitter of de schuldenaar gedaan, stuit almede de verjaring.

Artikel 2004

De betekening, overeenkomstig artikel 2000, aan een der hoofdelijke schuldenaars
gedaan, of diens erkentenis, stuit de verjaring tegen al de overige, zelfs tegen hun erfgenamen.
De betekening aan een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar gedaan, of de
erkentenis van die erfgenaam, stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige medeerfgenamen,
zelfs niet in het geval van een hypothekaire schuld; ten ware de verbintenis
ondeelbaar mocht zijn.
Door deze betekening of erkentenis wordt de verjaring ten aanzien van de andere medeschuldenaren
niet verder gestuit dan voor zo veel het aandeel van die erfgenaam betreft.
Om de verjaring van de gehele schuld ten aanzien van de andere medeschuldenaren te
stuiten, wordt vereist een betekening aan alle de erfgenamen van de overleden schuldenaar, of
een erkentenis door alle die erfgenamen gedaan.

Artikel 2005

De betekening aan de hoofdschuldenaar gedaan, of deszelfs erkentenis, stuit de verjaring
tegen de borg.

Artikel 2006

De stuiting van de verjaring door een der hoofdelijke schuldeisers geldt voor alle
hoofdelijke mede-schuldeisers.

VIJFDE AFDELING

VAN DE OORZAKEN DIE DE LOOP

VAN DE VERJARING SCHORSEN

Artikel 2007

De verjaring loopt tegen alle personen, behalve diegenen te wier behoeve de wet een
uitzondering maakt.

Artikel 2008

Verjaring kan niet beginnen noch voortgaan tegen minderjarigen en tegen degenen die
onder curatele gesteld zijn uitgezonderd in de gevallen bij de wet bepaald.

Artikel 2009

Verjaring heeft geen plaats tussen echtgenoten.

Artikel 2010-663
Vervallen.

Artikel 2011

Verjaring loopt niet:
Met betrekking tot een inschuld welke van een voorwaarde afhangt, zo lang die
voorwaarde niet vervuld is;
Met betrekking tot een rechtsgeding tot vrijwaring, zo lang de uitwinning geen plaats
heeft gehad;
Met betrekking tot een inschuld welke op een bepaalde dag vervalt, zo lang die dag niet
verschenen is.

Artikel 2012

Verjaring loopt niet tegen een erfgenaam die een nalatenschap onder het voorrecht van
boedelbeschrijving aanvaard heeft, ten opzichte van zijn inschulden, ten laste dier nalatenschap.
Verjaring loopt tegen een onbeheerde nalatenschap, ofschoon dezelve van geen curator
voorzien zij.

Artikel 2013

Zij loopt insgelijks gedurende de tijd dat de erfgenaam zich beraadt.

ALGEMENE BEPALING

Artikel 2014

De verjaringen, welke reeds vóór de afkondiging van dit Wetboek een aanvang genomen
hebben, zullen overeenkomstig de vroegere wetten worden geregeld.
Niettemin zullen de verjaringen, welke op het voornoemde tijdstip begonnen waren, doch
tot welker vervulling, volgens de vroegere wetten, nog meer dan dertig jaren, te rekenen van de
gemelde afkondiging, gevorderd werden, door de nu ingevoerde termijn van dertig jaren aflopen.

INHOUD

BURGERLIJK WETBOEK

EERSTE BOEK

VAN PERSONEN

Titel I Van het genot en het verlies der burgerlijke rechten Artt. 1-4

Titel II Van de akten van de burgerlijke stand

1° Afdeling Van de registers van de burgerlijke stand in het algemeen Artt. 5-20
2° Afdeling Van de akten van geboorten Artt. 21-30
3° Afdeling Van de huwelijksaangiften en afkondigingen en van de toestemmingen tot het huwelijk Artt. 31-35
4° Afdeling Van de akten van huwelijk, van echtscheiding en van ontbinding van het huwelijk na de scheiding van tafel en bed Artt. 36-41
5° Afdeling Van de akten van overlijden Artt. 42-56
6° Afdeling Van namen en naams- en voornaamsveranderingen Artt. 56a-63
7° Afdeling Van de verbetering der akten van de burgerlijke stand, en van derzelver aanvulling Artt. 64-67

Titel III Van woonplaats of domicilie Artt. 68-77

Titel IV Van het huwelijk Artt. 78-79

Algemene bepalingen

1° Afdeling Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereist worden om een huwelijk te kunnen aangaan Artt. 80-102
2° Afdeling Van de formaliteiten, welke de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan Artt. 103-111
3° Afdeling Van het stuiten van het huwelijk Artt. 112-123
4° Afdeling Van de voltrekking van het huwelijk Artt. 124-135
5° Afdeling Van de huwelijken, welke buitenslands zijn voltrokken Artt. 136-137
6° Afdeling Van de nietigheid van een huwelijk Artt. 138-152a
7° Afdeling Van het bewijs van het bestaan van het huwelijk Artt. 153-155

Titel V Rechten en verplichtingen van echtgenoten Artt. 168-171

Titel VI De wettelijke gemeenschap van goederen

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 168-171
2° Afdeling Het bestuur van de gemeenschap Artt. 172-174
3° Afdeling Ontbinding van de gemeenschap Artt. 175-184
4°Afdeling Opheffing van de gemeenschap bij vonnis Artt. 185-189

Titel VII Huwelijkse voorwaarden

1° Afdeling Huwelijkse voorwaarden in het algemeen Artt. 190-200
2° Afdeling Giften bij huwelijkse voorwaarden Artt. 201-232

Titel VIII Van gemeenschap of huwelijkse voorwaarden, bij tweede of verder huwelijk Artt. 233-238

Titel IX Van de scheiding van goederen Artt. 239-251

Titel X Van de ontbinding van het huwelijk

1° Afdeling Van de ontbinding van het huwelijk in het algemeen Art. 252
2° Afdeling Van de ontbinding van het huwelijk, na de scheiding van tafel en bed Artt. 253-259b
3° Afdeling Van echtscheiding Artt. 260-285

Titel XI Van de scheiding van tafel en bed Artt. 286-302

Titel XII Van het vaderschap en de afstamming der kinderen

1° Afdeling Van wettige kinderen Artt. 303-324a
2° Afdeling Van de wettiging van kinderen Artt. 325-332a
3° Afdeling Van natuurlijke kinderen en hun erkenning Artt. 333-340
4° Afdeling Van kinderen, tot wie de ouders niet in burgerlijke betrekkingen staan, en van derzelver onderhoud Artt. 341-342j

Titel XIIA Van adoptie Artt. 342k-342q

Titel XIII Van bloedverwantschap en zwagerschap Artt. 343-350

Titel XIV Van de ouderlijke macht

1° Afdeling Van de gevolgen van de ouderlijke macht ten opzichte van de persoon van het kind Artt. 351-358
2° Afdeling Van de gevolgen van de ouderlijke macht ten opzichte van de goederen van het kind Artt. 359-371
2° AfdelingA Van de ontheffing en de ontzetting van de ouderlijke macht Artt. 371a-371l
2° AfdelingB Van de ondertoezichtstelling van onder de ouderlijke macht staande kinderen Artt. 372-372u
3° Afdeling Van de wederzijdse verplichtingen tussen de ouders of voorouders en de kinderen en verdere afkomelingen Artt. 373-381

Titel XIVA Van de bepaling, wijziging en intrekking van uitkeringen tot onderhoud Artt. 381a-381b

Titel XV Van minderjarigheid en voogdij

1° Afdeling Van de minderjarigheid Artt. 382-382d
2° Afdeling Van de voogdij in het algemeen Artt. 383-396
3° Afdeling Van de voogdij van de vader en de moeder Artt. 397-405e
4° Afdeling Van de voogdij, door de vader of de moeder opgedragen Artt. 406-409
5° Afdeling Van de voogdij door de rechter opgedragen Artt. 410-417
6° Afdeling Van de voogdij van verenigingen, stichtingen of instellingen van weldadigheid Artt. 418-418a
7° Afdeling Van de toeziende voogd Artt. 419-429
8° Afdeling Van de redenen, die van de voogdij en de toeziende voogdij verschonen Artt. 430-433
9° Afdeling Van de uitsluiting, de ontheffing en de ontzetting van de voogdij of toeziende voogdij en van de ondertoezichtstelling van onder voogdij staande

minderjarigen Artt. 434-438f
10° Afdeling Van het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige Artt. 439-440
11° Afdeling Van het bestuur van de voogd Artt. 441-465
12° Afdeling Van de rekening en verantwoording van de voogdij Artt. 466-471

Titel XVI Van handlichting Artt. 472-485

Titel XVII Van curatele Artt. 486-515

Titel XVIII Van afwezigheid

1° Afdeling Van voorlopige voorzieningen Artt. 517-520
2° Afdeling Van de verklaring van vermoedelijk overlijden Artt. 521-527
3° Afdeling Van de rechten en verplichtingen van vermoedelijke erfgenamen en andere belanghebbenden, na de verklaring van vermoedelijk overlijden Artt.

528-544
4° Afdeling Van de rechten, opgekomen van een afwezige, wiens bestaan onzeker is Artt. 545-548
5° Afdeling Van de gevolgen van de afwezigheid met betrekking tot het huwelijk Artt. 549-554

TWEEDE BOEK

VAN ZAKEN

Titel I Van zaken en derzelver onderscheiding

1° Afdeling Van zaken in het algemeen Artt. 555-558
2° Afdeling Van de onderscheiding der zaken Artt. 559-561
3° Afdeling Van onroerende zaken Artt. 562-564
4° Afdeling Van roerende zaken Artt. 565-574
5° Afdeling Van zaken, met betrekking tot derzelver bezitters Artt. 575-584

Titel II Van bezit en de rechten die daaruit voortvloeien

1° Afdeling Van de aard van het bezit, en de voorwerpen die daarvoor vatbaar zijn Artt. 585-593
2° Afdeling Van de wijze waarop het bezit wordt verkregen, wordt behouden, en verloren gaat Artt. 594-603
3° Afdeling Van de rechten die uit het bezit voortvloeien Artt. 604-624

Titel III Van eigendom

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 625-638
2° Afdeling Van de wijze waarop eigendom verkregen wordt Artt. 639-670

Titel IV Van de rechten en verplichtingen tussen eigenaars van naburige erven Artt. 671-719

Titel V Van erfdienstbaarheden

1° Afdeling Van de aard en de onderscheidene soorten van erfdienstbaarheden Artt. 720-740
2° Afdeling Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daargesteld Artt. 741-748
3° Afdeling Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden te niet gaan Artt. 749-756

Titel VI Van het recht van opstal Artt. 757-765

Titel VII Van het recht van erfpachtsrecht Artt. 766-781

Titel VIII Van grondrenten Artt. 782-788

Titel IX Van het vruchtgebruik

1° Afdeling Van de aard van het vruchtgebruik en de wijze om hetzelve te verkrijgen Artt. 789-793
2° Afdeling Van de rechten van de vruchtgebruiker Artt. 794-808
3° Afdeling Van de verplichtingen van de vruchtgebruiker Artt. 809-835
4° Afdeling Hoe het vruchtgebruik eindigt Artt. 836-846

Titel X Van het gebruik en de bewoning Artt. 847-858

Titel XI Van erfopvolging bij versterf

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 859-879
2° Afdeling Van de erfopvolging van wettige bloedverwanten en van de langstlevende echtgenoot Artt. 880-889
3° Afdeling Van erfopvolging wanneer er natuurlijke kinderen aanwezig zijn Artt. 890-901

Titel XII Van uiterste willen

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 902-922
2° Afdeling Van de bekwaamheid om bij uiterste wil te beschikken of daarvan voordeel te genieten Artt. 923-939
3° Afdeling Van de legitieme portie of het wettelijk erfdeel, en van de inkorting der giften, welke die portie zouden verminderen Artt. 940-956
4° Afdeling Van de vorm der uiterste willen Artt. 957-980
5° Afdeling Van de erfstellingen Artt. 981-983
6° Afdeling Van legaten Artt. 984-999
7° Afdeling Van de geoorloofde erfstellingen over de hand, ten behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van broeders en zusters Artt. 1000-1015
8° Afdeling Van de erfstellingen over de hand in hetgeen de erfgenaam of legataris onvervreemd en onverteerd zal nalaten Artt. 1016-1018
9° Afdeling Van het herroepen van uiterste wilsbeschikkingen en het vervallen van deze Artt. 1019-1031

Titel XIII Van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en van de bewindvoerders Artt. 1032-1050

Titel XIV Van het recht van beraad en het voorrecht van boedelbeschrijving Artt. 1051-1070

Titel XV Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen

1° Afdeling Van het aanvaarden van erfenissen Artt. 1071-1083
2° Afdeling Van het verwerpen van erfenissen Artt. 1084-1092

Titel XVI Van boedelscheiding

1° Afdeling Van boedelscheiding en haar gevolgen Artt. 1093-1112
2° Afdeling Van inbreng Artt. 1113-1126
3° Afdeling Van de betaling der schulden Artt. 1127-1138
4° Afdeling Van de vernietiging van aangegane boedelscheiding Artt. 1139-1147
5° Afdeling Van boedelverdeling door bloedverwanten in de opgaande linie tussen hun afkomelingen onderling of tussen deze en hun langstlevende echtgenoot

gemaakt Artt. 1148-1152

Titel XVII Van onbeheerde nalatenschappen Artt. 1153-1160

Titel XVIII Van bevoorrechte schulden

1° Afdeling Van bevoorrechte schulden in het algemeen Artt. 1161-1168
2° Afdeling Van de voorrechten gevestigd op zekere bepaalde goederen Artt. 1169-1178
3° Afdeling Van de voorrechten op al de roerende en onroerende goederen in het algemeen Art. 1179

Titel XIX Van pand Artt. 1180-1191

Titel XX Van onderzetting of hypotheek

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1192-1207
2° Afdeling Van de inschrijving der hypotheken en van de vorm van de inschrijving Artt. 1208-1222
3° Afdeling Van de doorhaling der inschrijvingen Artt. 1223-1225
4° Afdeling Van de gevolgen der hypotheken tegen derde bezitters Artt. 1226-1236
5° Afdeling Van het te niet gaan der hypotheken Artt. 1237-1248
6° Afdeling Van de openbare bekendheid der registers, en van de verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken Artt. 1249-1253

DERDE BOEK

VAN VERBINTENISSEN

Titel I Van verbintenissen in het algemeen

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1254-1255
2° Afdeling Van verbintenissen om iets te geven Artt. 1256-1259
3° Afdeling Van verbintenissen om iets te doen, of niet te doen Artt. 1260-1263
4° Afdeling Van de vergoeding van kosten, schade en interesten, voortspruitende uit het niet nakomen van een verbintenis Artt. 1264-1273
5° Afdeling Van voorwaardelijke verbintenissen Artt. 1274-1288
6° Afdeling Van verbintenissen met tijdsbepaling Artt. 1289-1292
7° Afdeling Van alternatieve verbintenissen of van verbintenissen die ter keuze van een der partijen staan Artt. 1293-1298
8° Afdeling Van solidaire of hoofdelijke verbintenissen Artt. 1299-1316
9° Afdeling Van deelbare en ondeelbare verbintenissen Artt. 1317-1324
10° Afdeling Van verbintenissen onder beding van straf of poenaliteit Artt. 1325-1333

Titel II Van verbintenissen, die uit contract of overeenkomst zijn geboren

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1334-1340
2° Afdeling Van de voorwaarden, welke vereist worden tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten Artt. 1341-1358
3° Afdeling Van het gevolg der overeenkomsten Artt. 1359-1362
4° Afdeling Van de uitlegging der overeenkomsten Artt. 1363-1372

Titel III Van verbintenissen, die uit kracht der wet geboren worden Artt. 1373-1401d

Titel IV Van het te niet gaan der verbintenissen Art. 1402

1° Afdeling Van betaling Artt. 1403-1424
2° Afdeling Van aanbod van gerede betaling, gevolgd van consigantie of bewaargeving Artt. 1425-1433
3° Afdeling Van schuldvernieuwing Artt. 1434-1445
4° Afdeling Van compensatie of vergelijking van schuld Artt. 1446-1456
5° Afdeling Van schuldvermenging Artt. 1457-1458
6° Afdeling Van kwijtschelding van schuld Artt. 1459-1464
7° Afdeling Van het vergaan van de verschuldigde zaak Artt. 1465-1466
8° Afdeling Van de nietigheid en van de vernietiging der verbintenissen Artt. 1467-1477

Titel V Van koop en verkoop

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1478-1493
2° Afdeling Van de verplichtingen van de verkoper Artt. 1494-1533
3° Afdeling Van de verplichtingen van de koper Artt. 1534-1539
4° Afdeling Van het recht van wederinkoop Artt. 1540-1553
5° Afdeling Bijzondere bepalingen betrekkelijk de koop en verkoop van inschulden, en andere onlichamelijke rechten Artt. 1554-1560
6° Afdeling Van koop en verkoop op afbetaling

§ 1 Van koop en verkoop op afbetaling in het algemeen Artt. 1561-1561g

§ 2 Van huurkoop Artt.1561h-1561x

Titel VI Van ruiling Artt. 1562-1567

Titel VII Van huur en verhuur

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1568-1570
2° Afdeling Van de regelen, welke gemeen zijn aan verhuringen van huizen en van landen Artt. 1571-1601
3° Afdeling Van de regelen, welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur van huizen en huisraad Artt. 1602-1606
4° Afdeling Van de regelen, welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur van landerijen Artt. 1607-1612

Titel VIIA Van de overeenkomsten tot het verrichten van arbeid

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1613-1613e
2° Afdeling Van de arbeidsovereenkomst in het algemeen Artt. 1613d-1613z
3° Afdeling Van de verplichtingen van de werkgever Artt. 1614-1614z
4° Afdeling Van de verplichtingen van de werknemer Artt. 1615-1615d
5° Afdeling Van de verschillende wijzen waarop de dienstbetrekking door arbeidsovereenkomst ontstaan, eindigt Artt. 1615e-1615ij
6° Afdeling Van aanneming van werk Artt. 1616-1629

Titel VIII Van maatschap

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1630-1635
2° Afdeling Van de verbintenissen der vennoten onderling Artt. 1636-1653
3° Afdeling Van de verbintenissen der vennoten ten aanzien van derden Artt. 1654-1657
4° Afdeling Van de verschillende wijzen, waarop de maatschap eindigt Artt. 1658-1664

Titel IX Van zedelijke lichamen Artt. 1665-1684

Titel X Van schenkingen

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1685-1694
2° Afdeling Van de bekwaamheid om bij wege van schenking te beschikken,en voordeel te genieten Artt. 1695-1700
3° Afdeling Van de vorm der schenkingen Artt. 1701-1706
4° Afdeling Van het herroepen en te niet doen van schenkingen Artt. 1707-1712

Titel XI Van bewaargeving

1° Afdeling Van bewaargeving in het algemeen, en van derzelver verschillende soorten Artt. 1713-1714
2° Afdeling Van eigenlijk gezegde bewaargeving Artt. 1715-1748
3° Afdeling Van sequestratie en derzelver verschillende soorten Artt. 1749-1758

Titel XII Van bruiklening

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1759-1762
2° Afdeling Van de verplichtingen van degene, die iets ter bruiklening ontvangt Artt. 1763-1768
3° Afdeling Van de verplichtingen van de uitlener Artt. 1769-1772

Titel XIII Van verbruiklening

1° Afdeling Algemene bepalingen Artt. 1773-1777
2° Afdeling Van de verplichtingen van de uitlener Artt. 1778-1781
3° Afdeling Van de verplichtingen van de lener Artt. 1782-1783
4° Afdeling Van het ter leen geven op interesten Artt. 1784-1788

Titel XIV Van gevestigde of altijddurende renten Artt. 1789-1792

Titel XV Van kansovereenkomsten

1° Afdeling Algemene bepaling Art. 1793
2° Afdeling Van de overeenkomst van lijfrenten en derzelver gevolgen Artt. 1794-1806
3° Afdeling Van spel en weddingschap Artt. 1807-1810

Titel XVI Van lastgeving

1° Afdeling Van de aard van de lastgeving Artt. 1811-1819
2° Afdeling Van de verplichtingen van de lasthebber Artt. 1820-1826
3° Afdeling Van de verplichtingen van de lastgever Artt. 1827-1832
4° Afdeling Over de verschillende wijzen, waarop de lastgeving eindigt Artt. 1833-1840

Titel XVII Van borgtocht

1° Afdeling Van de aard van de borgtocht Artt. 1841-1850
2° Afdeling Van de gevolgen van borgtocht tussen de schuldeiser en de borg Artt. 1852-1859
3° Afdeling Van de gevolgen van borgtocht tussen de schuldenaar en de borg, en tussen de borgen onderling Artt. 1860-1865
4° Afdeling Van het te niet gaan van borgtocht Artt. 1866-1871

Titel XVIII Van dading Artt. 1872-1885

VIERDE BOEK

VAN BEWIJS EN VERJARING

Titel I Van bewijs in het algemeen Artt. 1886-1887

Titel II Van schriftelijk bewijs Artt. 1888-1915

Titel III Van bewijs door getuigen Artt. 1916-1935

Titel IV Van vermoedens Artt. 1936-1943

Titel V Van bekentenis Artt. 1944-1949

Titel VI Van de gerechtelijke eed Artt. 1950-1966

Titel VII Van verjaring

1° Afdeling Van verjaring in het algemeen Artt. 1967-1983
2° Afdeling Van de verjaring, beschouwd als een middel om iets te verkrijgen Artt. 1984-1987
3° Afdeling Van de verjaring, beschouwd als middel om van een verplichting bevrijd te worden Artt. 1988-1998
4° Afdeling Van de oorzaken die de verjaring stuiten Artt. 1999-2006
5° Afdeling Van de oorzaken die de loop van de verjaring schorsen Artt. 2007-2013 Algemene bepaling Art. 2014

1 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
2 Gew. bij G.B. 1915 no.72, G.B. 1944 no. 73.
3 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1944 no. 73.
4 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
5 Gew. bij G.B. 1915 no.72, G.B. 1916 no.47.
6 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
7 Gew. bij G.B. 1944 no. 73, G.B. 1944 no. 76.
8 Gew. bij G.B. 1929 no. 24.
9 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1944 no. 73.
10 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 73.
11 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
12 Gew. bij G.B. 1915 no. 78.
13 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1944 no. 73, G.B. 1971 no. 76.
14 Gew. bij G.B. 1926 no. 96.
15 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
16 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
17 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
18 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
19 Ingev. bij G.B. 1972 no. 60.
20 Ingev. bij G.B. 1972 no. 60.
21 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
22 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1944 no. 73.
23 Gew. bij G.B. 1915 no.72.
24 Vervallen bij G.B. 1944 no. 73.
25 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
26 Ingev. bij G.B. 1915 no. 72; Gew. bij G.B 1916 no. 47, G.B. 1944 no. 73, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
27 Gew. bij G.B. 1916 no. 48.
28 Gew. bij G.B. 1915 no.72, G.B. 1923 no. 78, G.B. 1944 no. 73, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
29 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1916 no. 48, G.B. 1944 no. 73.
30 Gew. bij G.B. 1916 no. 48.
31 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
32 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1944 no. 73, G.B. 1971 no. 76.
33 Gew. bij G.B. 1918 no. 100, G.B. 1944 no. 73.
34 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
35 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
36 Vervallen bij G.B. 1891 no. 1.
37 Vervallen bij G.B. 1915 no. 72.
38 Vervallen bij G.B. 1891 no. 1.
39 Gew. bij. G.B. 1944 no. 73.
40 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
41 Ingev. bij G.B. 1944 no.73.
42 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
43 Gew. bij G.B. 1944 no. 73, G.B. 1964 no. 62, G.B. 1973 no. 75.
44 Gew. bij G.B. 1925 no. 17, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1964 no. 62.
45 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
46 Gew. bij G.B. 1944 no. 73.
47 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
48 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
49 Ingev. bij G.B. 1918 no. 2; Gew. bij G.B. 1944 no. 73, G.B. 1950 no. 66, G.B. 1953 no. 68.
50 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 140).
51 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
52 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
53 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, S.B. 1981 no. 23.
54 Gew. bij G.B. 1947 no. 140.
55 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
56 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
57 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
58 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
59 Ingev. bij G.B. 1972 no. 60.
60 Gew. bij G.B. 1972 no. 62.
61 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62.
62 Gew. bij G.B. 1923 no. 78.
63 Gew. bij G.B. 1972 no. 62.
64 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44)..
65 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44)..
66 Gew. bij G.B. 1906 no. 50; Zie verbeterblad G.B. 1908 no. 108.
67 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
68 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
69 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1963 no. 24, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
70 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62; Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
71 Gew. bij G.B. 1906 no. 50; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
72 Gew. bij G.B. 1906 no. 50; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
73 Gew. bij G.B. 1906 no. 50. Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
74 Gew. bij G.B. 1906 no. 50; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
75 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1963 no. 24; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
76 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1917 no. 95; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
77 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
78 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1925 no. 17, G.B. 1944 no. 73.
79 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
80 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
81 Vervallen bij G.B. 1915 no. 72.
82 Gew. bij G.B. 1915 no. 72, G.B. 1925 no. 17.
83 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
84 Ingev. bij S.B. 1977 no. 62.
85 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
86 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1911 no. 4, G.B. 1915 no. 72, G.B. 1918 no. 100, G.B. 1931 no. 64, G.B. 1944 no. 76,
G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
87 Gew. bij G.B. 1906 no.50, G.B. 1918 no. 100, G.B. 1944 no. 76; G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
88 Gew. bij G.B. 1918 no. 100, G.B. 1944 no. 76, G.B. 1972 no. 62, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
89 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1972 no. 62.
90 Gew. bij G.B. 1944 no. 76, G.B. 1972 no. 62.
91 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
92 Vervallen bij G.B. 1944 no. 73.
93 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
94 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1915 no. 72, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
95 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
96 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
97 Gew. bij G.B. 1929 no. 24, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
98 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
99 Gew. bij G.B. 1952 no. 20.
100 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
101 Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44); Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
102 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
103 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
104 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
105 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
106 Gew. bij G.B. 1915 no. 78; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44); Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 003 no. 44).
107 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
108 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
109 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
110 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
111 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
112 Ingev. bij G.B 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
113 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
114 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
115 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
116 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
117 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
118 Ingev. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
119 Gew. bij G.B. 1915 no. 72.
120 Gew. bij G.B. 1972 no. 60, S.B. 1977 no. 62.
121 Gew. bij G.B. 1972 no. 62, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
122 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
123 Gew. bij G.B. 1972 no. 60.
124 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
125 Ingev. bij G.B. 1944 no. 73.
126 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
127 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
128 Gew. bij G.B. 1981 no. 23.
129 Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
130 Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
131 Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
132 Gew. bij G.B. 1916 no. 48.
133 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
134 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
135 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
136 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
137 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76.
138 Gew. bij G.B. 1916 no. 48.
139 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1915 no. 85, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72.
140 Ingev. bij G.B. 1923 no. 78.
141 Ingev. bij G.B. 1923 no. 78; Gew. bij G.B. 1932 no. 48, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72.
142 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80, S.B. 1981 no. 23.
143 Gew. bij G.B. 1911 no. 4, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
144 Gew. bij G.B. 1911 no. 4, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1972 no. 62, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
145 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80., G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
146 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
147 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
148 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76, S.B. 1983 no.117.
149 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, S.B. 1981 no. 23.
150 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
151 Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
152 Gew. bij G.B. 1972 no. 62; Vervallen bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
153 Gew. bij G.B. 1916 no. 48, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
154 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
155 Vervallen bij G.B. 1935 no. 80.
156 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
157 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72.
158 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72.
159 Ingev. bij G.B. 1915 no. 85; Gew. bij S.B. 1983 no. 117.
160 Ingev. bij G.B. 1932 no. 48; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
161 Ingev. bij G.B. 1932 no. 48; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, S.B. 1983 no. 117.
162 Vervallen bij G.B. 1935 no. 80.
163 Ingev. bij G.B. 1923 no. 78; Gew. bij G.B. 1944 no. 72, G.B. 1963 no. 24, S.B. 1981 no. 23, S.B. 1983 no. 117.
164 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
165 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
166 Gew. bij G.B. 1973 no. 140 (zie S.B. 2003 no. 44).
167 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80.
168 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
169 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
170 Gew. bij G.B. 1932 no. 48, G.B. 1935 no. 80, G.B.1944 no. 76.
171 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76.
172 Vervallen bij G.B. 1981 no. 23.
173 Vervallen bij G.B. 1981 no. 23.
174 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
175 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1932 no. 48, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72.
176 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72.
177 Ingev. bij G.B. 1915 no. 85; Gew. bij G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
178 Gew. bij G.B. 1944 no. 72.
179 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
180 Gew. bij G.B. 1972 no. 62.
181 Gew. bij G.B. 1972 no. 62.
182 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1972 no. 62.
183 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
184 Ingev. bij G.B. 1944 no. 73.
185 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
186 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
187 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62.
188 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
189 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
190 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
191 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117.
192 Gew. bij G.B. 1944 no. 72, G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117.
193 Ingev. bij G.B. 1944 no. 73.
194 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
195 Gew. bij G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no. 62.
196 Gew. bij G.B. 1963 no. 24, S.B. 2000 no. 6.
197 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
198 Gew. bij G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no. 62.
199 Ingev. bij G.B. 1963 no. 24.
200 Gew. bij G.B. 1963 no. 24; Vervallen bij S.B.2000 no. 6..
201 Gew. bij G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no. 62.
202 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
203 Gew. bij G.B. 1911 no. 4, G.B. 1911 no. 72, G.B. 1918 no. 100, G.B. 1963 no. 24.
204 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
205 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62.
206 Gew. bij G.B. 1911 no. 72, G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no. 62.
207 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117
208 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1931 no. 27, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24.
209 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no.62.
210 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24.
211 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no. 62.
212 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117.
213 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24.
214 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62.
215 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24, G.B. 1972 no. 62, S.B. 1983 no. 117.
216 Ingev. bij G.B. 1911 no. 72; Gew. bij G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117.
217 Ingev. bij G.B. 1972 no. 60.
218 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
219 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
220 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
221 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
222 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
223 Gew. bij G.B. 1906 no.50, G.B. 1935 no. 80, S.B. 1983 no. 117.
224 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80.
225 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
226 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
227 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1963 no. 24.
228 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
229 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
230 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
231 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
232 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 76.
233 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
234 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
235 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
236 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 76.
237 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
238 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50.
239 Gew. bij G.B. 1944 no. 72, G.B. 1972 no. 62, S.B. 1983 no. 117.
240 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1972 no. 62, S.B. 1987 no. 117.
241 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
242 Ingev. bij G.B. 1944 no. 72.
243 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
244 Gew. bij G.B. 1918 no. 100, G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1944 no. 76.
245 Ingev. bij G.B. 1915 no. 85, S.B. 1983 no. 117.
246 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
247 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
248 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76, S.B. 1983 no. 117.
249 Vervallen bij G.B. 1935 no. 80.
250 Gew. bij G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
251 Gew. bij G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
252 Ingev. bij G.B. 1972 no. 62.
253 Gew. bij G.B. 1972 no. 62.
254 Gew. bij S.B. 1983 no. 117.
255 Gew. en vernummerd bij G.B. 1972 no. 62.
256 Gew. en vernummerd bij G.B. 1972 no. 62.
257 Vervallen bij G.B. 1935 no. 80.
258 Vervallen bij G.B. 1935 no. 80.
259 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
260 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
261 Ingev. bij G.b. 1935 no. 80.
262 Gew. bij G.B. 1901 no. 29, G.B. 1906 no. 50.
263 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50.
264 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1909 no. 6, G.B. 1935 no. 80, S.B. 1983 no. 117.
265 Ingev. bij S.B. 1983 no. 117.
266 Ingev. bij S.B. 1983 no. 117.
Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
268 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1945 no. 59.
269 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1944 no. 72.
270 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
271 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
272 Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
273 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
274 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
275 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
276 Gew. bij G.B. 1915 no. 78, G.B. 1944 no. 72.
277 Ingev. bij G.B. 1944 no. 72.
278 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
279 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
280 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1911 no. 37.
281 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80.
282 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
283 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
284 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
285 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
286 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
287 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
288 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
289 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
290 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
291 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
292 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1926 no. 96, G.B. 1963 no. 24.
293 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62.
294 Ingev. bij G.B. 1932 no. 48; Gew. bij G.B. 1944 no. 76, G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117.
295 Ingev. bij G.B. 1963 no. 24.
296 Ingev. bij G.B. 1963 no. 24.
297 Ingev. bij G.B. 1963 no. 24.
298 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1963 no. 24.
299 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
300 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
301 Vervallen bij G.B. 1963 no. 24.
302 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1944 no. 76, G.B. 1963 no. 24, S.B. 1983 no. 117.
303 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1944 no. 76.
304 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
305 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
306 Gew. bij G.B. 1932 no. 48, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1963 no. 24.
307 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
308 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80.
309 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, S.B. 1983 no. 117.
310 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80.
311 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
312 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
313 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1944 no. 72.
314 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
315 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
316 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
317 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
318 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
319 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
320 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
321 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
322 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1972 no. 62.
323 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1972 no. 62.
324 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1911 no. 4, G.B. 1918 no. 100, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1972 no.62.
325 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
326 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, S.B. 1983 no. 117.
327 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50, Gew. bij G.B. 1944 no. 72.
328 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
329 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1973 no. 75, S.B. 1983 no. 117.
330 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 72, G.B. 1973 no. 75.
331 Ingev. bij G.B. 1944 no. 72; Gew. bij S.B. 1983 no. 117.
332 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
333 Gew. bij G.B. 1972 no. 62.
334 Ingev. bij G.B. 1972 no. 62, S.B. 1983 no. 117.
335 Gew. en Vernummerd bij G.B. 1972 no. 62.
336 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
337 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80.
338 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
339 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
340 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
341 Gew. bij G.B. 1944 no. 72.
342 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
343 Gew. bij G.B. 1944 no. 76, G.B. 1945 no. 59.
344 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
345 Ingev. bij G.B. 1906 no. 50; Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
346 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76, G.B. 1944 no. 76.
347 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
348 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
349 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
350 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
351 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
352 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
353 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100
354 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
355 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
356 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
357 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
358 Ingev. bij S.B. 2002 no. 100.
359 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
360 Gew. bij G.B. 1901 no. 29, G.B. 1906 no. 50.
361 Gew. bij G.B. 1901 no. 29, G.B. 1906 no. 50.
362 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
363 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76.
364 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
365 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1935 NO. 80.
366 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
367 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
368 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
369 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
370 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
371 Gew. bij G.B. 1931 no. 64, G.B. 1935 no. 80.
372 Gew. bij G.B. 1931 no. 64, G.B. 1935 no. 80.
373 Gew. bij G.B. 1931 no. 64, G.B. 1935 no. 80.
374 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
375 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
376 Gew. bij G.B. 1931 no. 64, G.B. 1935 no. 80.
377 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
38378 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
379 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1931 no. 64, G.B. 1981 no. 23.
380 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
381 Gew. bij G.B. 1931 no. 64.
382 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1944 no. 72.
383 Vervallen bij G.B. 1912 no. 98.
384 Vervallen bij G.B. 1912 no. 98.
385 Gew. bij G.B. 1931 no. 64, G.B. 1935 no. 80.
386 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
387 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
8 Vervallen bij G.B. 1931 no. 64.
389 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76.
390 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
391 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1945 no. 59.
392 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1944 no. 76.
393 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1926 no. 64.
394 Vervallen bij G.B. 1923 no. 78.
395 Gew. bij G.B. 1935 no. 80, G.B. 1945 no. 59.
396 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80.
397 Gew. bij G.B. 1923 no. 78.
398 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
399 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
400 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
401 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
402 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
403 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
404 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1945 no. 59, S.B. 1981 no. 23.
405 Gew. bij G.B. 1923 no. 78, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1945 no. 59.
406 Vervallen bij G.B. 1906 no. 50.
407 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
408 Gew. bij G.B. 1936 no. 115.
Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
410 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
411 Gew. bij G.B. 1911 no. 4, G.B. 1921 no. 75.
412 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
413 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
414 Gew. bij G.B. 1936 no. 115.
415 Vervallen bij G.B. 1936 no. 115.
416 Vervallen bij G.B. 1936 no. 115.
417 Gew. bij G.B. 1916 no. 27.
418 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
419 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
420 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
421 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
422 Gew. bij G.B. 1934 no. 30, S.B. 2000 no. 6.
423 Gew. bij G.B. 1911 no. 4.
424 Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
425 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
426 Gew. bij G.B. 1934 no. 30, S.B. 2000 no. 6.
427 Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
428 Ingev. bij G.B. 1934 no. 30; Gew. bij S.B. 1981 no. 23, S.B. 2000 no. 6.
429 Ingev. bij G.B. 1934 no. 30; Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
430 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
431 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
432 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
433 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
434 Zie Verbeterblad G.B.1918 no. 108.
435 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
436 Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
437 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
438 Vervallen bij S.B. 2000 no. 6.
439 Vervallen bij S.B. 2000 no. 6.
440 Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
441 Vervallen bij G.B. 1944 no. 75.
442 Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
443 Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
444 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
445 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
446 Gew. bij G.B. 1963 no. 24; Vervallen bij S.B. 2000 no. 6.
447 Vervallen bij G.B. 1972 no. 62.
448 Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
449 Gew. bij G.B. 1963 no. 24; Vervallen bij S.B. 2000 no. 6.
450 Ingev. bij G.B. 1934 no. 30.
451 Gew. bij G.B. 1963 no. 24.
452 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
453 Gew. bij G.B. 1911 no. 4, G.B. 1929 no. 24.
454 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
455 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
456 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
457 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
458 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
459 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
460 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
461 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
462 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108; Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
463 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
464 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
465 Gew. bij G.B. 1935 no. 55.
466 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
467 Gew. bij G.B. 1925 no. 17.
468 Gew. bij G.B. 1944 no. 75, S.B. 1981 no. 23.
469 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
470 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
471 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
472 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
473 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
474 Gew. Bij G.B. 1935 no. 80.
475 Gew. bij G.B. 1944 no. 75.
476 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
477 Gew. bij S.B. 2000 no. 6.
478 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
479 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
480 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
481 Gew. bij G.B. 1934 no. 30.
482 Gew. bij G.B. 1925 no. 17, G.B. 1935 no. 80.
483 Gew. bij G.B. 1925 no. 17, G.B. 1935 no. 80.
484 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
485 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
486 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
487 Gew. bij G.B. 1944 no. 42.
488 Gew. bij G.B. 1936 no. 115.
489 Ingev. bij G.B. 1936 no. 115.
490 Gew. bij G.B. 1906 no. 50, G.B. 1914 no. 35, G.B. 1935 no. 80, G.B. 1947 no. 140.
491 Gew. bij G.B. 1886 no. 36.
492 Gew. bij G.B. 1886 no. 36, G.B. 1911 no. 4.
493 Ingev. bij G.B. 1886 no. 36.
494 Gew. bij G.B. 1886 no. 36.
495 Gew. bij G.B. 1886 no. 36.
496 Gew. bij G.B. 1886 no. 36.
497 Gew. bij G.B. 1886 no. 36.
499 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
500 Gew. bij G.B. 1944 no. 75.
501 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
502 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
503 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
504 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
505 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
506 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
507 Gew. bij G.B. 1873 no. 13, G.B. 1879 no. 12, G.B. 1944 no. 75.
508 Gew. bij G.B. 1935 no. 80.
509 Gew. bij G.B. 1924 no. 30.
510 Vervallen bij G.B. 1924 no. 30.
511 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
512 Gew. bij G.B. 1936 no. 115.
513 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
514 Gew. bij G.B. 1944 no. 76.
515 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
516 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
517 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
518 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
519 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
520 Zie Verbeterblad G.B. 1918 no. 108.
521 Gew. bij G.B. 1936 no. 115.
522 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
523 Gew. bij S.B. 1981 no. 23.
524 Gew. bij G.B. 1914 no. 27.
525 Gew. bij G.B. 1906 no. 50.
526 Gew. bij G.B. 1911 no. 4.
527 Gew. bij G.B. 1911 no. 4.
528 Gew. bij G.B. 1911 no. 4.
529 Gew. bij G.B. 1911 no. 4.
530 Gew. bij G.B. 1911 no. 4.
531 Gew. bij G.B. 1911 no. 4, G.B. 1944 no. 74.
532 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
533 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
534 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
535 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
536 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
537 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
538 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
539 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
540 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
541 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
542 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
543 Ingev. bij S.B. 1995 no. 101.
544 Ingev. bij G.B. 1936 no. 115; Vernummerd bij S.B. 1995 no. 101.
545 Ingev. bij G.B. 1936 no. 115; Vernummerd bij S.B. 1995 no. 101.
546 Ingev. bij G.B. 1936 no. 36; Vernummerd bij