Instructie Buitengewone Agenten van Politie


<< Terug naar overzicht

TAATSBESLUIT van 29 juni 1972 ter uitvoering van artikel 30 lid 1 van het Politiehandvest (G.B. 1971 no. 70) (Instructie Buitengewone Agenten van Politie) (G.B. 1972 no. 83), gelijk het luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1976 no. 35.

Artikel 1
BEVOEGD GEZAG
1. De buitengewone agenten van politie worden door de minister benoemd, geschorst en ontslagen.
2. Zij kunnen worden benoemd voor het gehele grondgebied van Suriname of voor een bepaald gedeelte daarvan.

Artikel 2 (1)
BENOEMBAARHEIDSEISEN
1. Voor benoeming tot buitengewoon agent van politie komen slechts in aanmerking zij, die:
a. Surinamer zijn;
b. de leeftijd van een en twintig (21) jaar hebben bereikt;
c. blijk hebben gegeven geschiktheid te bezitten voor de politietaak, welke van hen zal worden gevorderd, in het bijzonder voor wat betreft gedrag, betrouwbaarheid en ontwikkeling.
2. De buitengewone agenten van politie worden bij hun benoemding ter hand gesteld:
a. een akte van hun benoeming;
b. een exemplaar van deze instructie;
c. een legitimatiebewijs.

Artikel 3 (2)
EED OF BELOFTE
1. De buitengewone agenten van politie leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, in handen van de minister of van een door deze aan te wijzen autoriteit, de navolgende eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet voor de Republiek Suriname en aan de wetten.
„Ik zweer (beloof), dat ik, voor zover in mijn vermogen ligt en tot mijn taak als buitengewoon agent behoort, zal toezien op de naleving van de wetten en de krachtens deze uitgevaardigde voorschriften en besluiten, mijn verdere plichten als buitengewoon agent van politie naar mijn beste weten, eer en geweten zonder aanzien des persoons zal vervullen, dat ik de mij als zodanig verstrekte opdrachten zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens een wettelijke
regeling of uit hoofde van mijn ambt als buitengewoon agent van politie tot mededeling verplicht ben.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik!)”
2. Op de akte van benoeming wordt door de autoriteit, in wiens handen de eed of belofte is afgelegd, een aantekening van de afgelegde eed of belofte gesteld, alsmede de datum waarop deze is geschied.

Artikel 4
BELONING
1. De buitengewone agenten van politie genieten als zodanig geen bezoldiging.
2. Zij kunnen, wegens buitengewone toewijding of bijzonderloffelijke dienstverrichtingen, door de minister worden beloond met een tevredenheidsbetuiging en/of een gratificatie.

Artikel 5
ONTSLAG
1. De buitengewone agenten van politie kunnen te allen tijde door de minister worden ontslagen.
2. Onverminderd het in het voorgaande lid bepaalde, kan een buitengewoon agent van politie worden ontslagen:
a. op zijn verzoek;
b. indien de reden, die tot benoeming als buitengewoon agent van politie heeft geleid, niet meer aanwezig is;
c. wegens ongeschiktheid voor zijn betrekking als zodanig.

Artikel 6
INLEVERING AKTE ETC.
1. Bij zijn ontslag is de buitengewoon agent van politie verplicht zijn akte van benoeming, het legitimatiebewijs, de instructie, alsmede de hem van overheidswege verstrekte wapens, zo spoedig mogelijk in te leveren bij de korpschef, of bij de commandant of het hoofd van de afdeling of het onderdeel, waar hij werkzaam was.
2. Bij overlijden van de buitengewoon agent van politie berust deze verplichting op zijn nabestaanden of degenen op wiens verzoek hij werd benoemd.

Artikel 7
BEVOEGDHEID
1. Onverminderd zijn opsporingsbevoegdheid op grond van artikel 8 van het Surinaams Wetboek van Strafvordering, zal de buitengewoon agent van politie zich in de uitoefening van zijn functie in de regel beperken tot het bijzonder doel, waarvoor hem de aanstelling werd verleend, blijkens de overwegingen genoemd in de akte houdende zijn benoeming.
2. De buitengewoon agent van politie is bevoegd bij het verrichten van zijn dienst als zodanig een wapenstok te dragen en, met machtiging van de minister, een revolver of pistool.

Artikel 8
LEGITIMATIEBEWIJS
1. Bij het verrichten van zijn dienst als zodanig draagt de buitengewoon agent van politie het aan hem verstrekte legitimatiebewijs steeds bij zich.
2. Dit legitimatiebewijs is blauw gekleurd en is voorzien:
a. aan de ene zijde: van de aanduiding „Buitengewoon agent van Politie” en een pasfoto van de betrokkene en zijn naam en voornamen, het embleem van het Korps Politie Suriname en de handtekening van de korpschef;
b. aan de andere zijde: van de aanduidingen „Legitimatiebewijs” en „Buitengewoon Agent van Politie” en tevens het embleem van het Korps Politie Suriname.
3. Wanneer zulks in verband met zijn dienstverrichtingen wordt verlangd, is de buitengewoon agent van politie verplicht dit legitimatiebewijs te tonen.

Artikel 9
VERLENING BIJSTAND
1. Wanneer buitengewone omstandigheden het nodig maken, kunnen de buitengewone agenten van politie door de minister, of namens deze door de korpschef of de betrokken districts-commissaris, worden opgeroepen, om tijdelijk bijstand te verlenen en bepaalde politiediensten te verrichten.
2. Zij zijn verplicht aan zodanige vordering onmiddellijk te voldoen en de gegeven last zo goed mogelijk te volbrengen.
3. Indien zij menen daardoor te zeer aan hun gewone werkkring te worden onttrokken of andere bezwaren hebben, kunnen zij hun bezwaren aan de uitspraak van de minister onderwerpen.

Artikel 10
AANWENDEN VAN GEWELD
1. De buitengewone agenten van politie zijn bevoegd bij de vervulling van hun taak als zodanig, als het doel niet op andere wijze kan worden bereikt, geweld aan te wenden.
2. Dit geweld mag niet onevenredig zijn aan het nadeel, dat redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht, indien geen geweld werd aangewend.
3. Het geweld mag de perken van redelijkheid en gematigheid niet te buiten gaan.

Artikel 11
GEBRUIK VAN VUURWAPEN
1. Met inachtneming van het bepaalde in het voorgaande artikel en onverminderd het bepaalde in de artikelen 65 en 66 van het Wetboek van Strafrecht, mogen de
buitengewone agenten van politie, bij feitelijke onmogelijkheid terstond met minder ingrijpende middelen hun taak als zodanig te vervullen, van een vuurwapen slechts gebruik maken:
a. tot het aanhouden van personen, die verdacht worden van een misdrijf en die zich aan hun aanhouding of voorgeleiding voor de procureur-generaal of een hulpofficier van justitie door vlucht of anderszins trachten te onttrekken;
b. tot het aanhouden van personen, die van een overtreding worden verdacht, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat zij een vuurwapen met zich voeren en dit tegen personen zullen gebruiken.
2. Indien dit, gelet op de omstandigheden, mogelijk is, wordt vóór het gebruik van een vuurwapen met luider stem of op andere doeltreffende wijze de hoedanigheid van buitengewoon agent van politie door de betrokkene kenbaar gemaakt, en ervoor gewaarschuwd, dat van bedoeld wapen gebruik zal worden gemaakt. Deze waarschuwing kan door een waarschuwingsschot worden vervangen.
3. Behalve in gevallen van uiterste noodzaak, mogen de buitengewone agenten van politie niet van een vuurwapen gebruik maken tegen vrouwen of tegen personenen, van wie ze weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden, dat zij de leeftijd van zestien jaar niet hebben bereikt, of dat zij geestelijk of lichamelijk niet volwaardig zijn.

Artikel 12 (3)
INWERKINGTREDING
1. Op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit staatsbesluit vervalt de resolutie van 25 februari 1935 no. 697, houdende vaststelling van voorwaarden van aanstelling tot en van ene instructie voor de buitengewone agenten van politie in Suriname (G.B. 1935 no. 36.).
2. De buitengwone aenten van politie, die op grond van de in het vorige lid vermelde resolutie van 25 februari 1935 no. 697 (G.B. 1935 no. 36.) zijn aangesteld, blijven, onverminderd de bevoegdheden bij de wettelijke regeling aan opsporingsambtenaren toegekend, belast met de handhaving van wettelijke regelingen, totdat zij door de minister zijn ontslagen.
3. Dit staatsbesluit, dat als “Instructie Buitengewone Agenten van Politie” kan worden aangehaald, treedt op een door de President te bepalen tijdstip in werking.
1 Gew. bij S.B. 1976 no. 35.
2 Gew. bij S.B. 1976 no. 35.
3 I.w.t. 1 januari 1973 (G.B. 1972 no. 138).