Penitentiair Besluit


<< Terug naar overzicht

STAATSBESLUIT van 10 april 1973 ter uitvoering van artikel 39 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Penitentiair Besluit) (G.B. 1973 no. 54), gelijk het luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1975 no. 102, S.B. 1975 no. 2, S.B. 1979 no. 21, S.B. 1981 no. 63.

HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 11
DEFINITIES
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens dit staatsbesluit bepaalde wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Justitie en Politie;
b. diensthoofd: Het Hoofd van de Dienst der Delinquentenzorg;
c. dienst der delinquentenzorg: de afdeling van het Ministerie van Justitie en Politie, welke tot taak heeft de gecoördineerde uitvoering van alle werkzaamheden – zowel de preventieve en de curatieve zorg als de nazorg – die met de criminele politiek in verband staan;
d. korps penitentiaire ambtenaren: de dienst, welke met de bewaking van gedetineerden is belast;
e. penitentiaire ambtenaren: tot het korps penitentiaire ambtenaren behorend personeel;
f. officieren: penitentiaire ambtenaar ingedeeld in de rang vermeld in artikel 3 lid 1 onder c;
g. onder-officieren: penitentiaire ambtenaar ingedeeld in een der rangen, vermeld in artikel 3 lid 1 onder d tot en met f;
h. manschappen: penitentiaire ambtenaar ingedeeld in de rang, vermeld in artikel 3 lid 1 onder g;
i. directeur: de penitentiaire ambtenaar, die met de leiding van een inrichting is belast;
j. inrichting: een penitentiaire inrichting en/of een huis van bewaring;
k. gedetineerde: ieder persoon, die in een inrichting is ingesloten.
2. Waar in dit staatsbesluit van “de verordening” wordt gesproken, wordt daarmede de “Gevangenisverordening 1926” bedoeld.

Artikel 2
BEVOEGD GEZAG
1. De algemene leiding van de dienst der delinquentenzorg berust bij de minister.
2. Met de zorg voor en het beheer van deze dienst is het diensthoofd belast.
3. Aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag van de penitentiaire ambtenaren geschieden door de minister, voor zover deze bevoegdheid niet aan een andere autoriteit is toegekend.
1 Gew. bij G.B. 1975 no. 102, S.B. 1975 no. 2 en S.B. 1979 no. 21. Gedeeltelijk vervallen de Gevangeniswet 1926 en S.B. 1981 no. 63.

Artikel 32
PENITENTIAIRE AMBTENAREN
1. De penitentiaire ambtenaren worden in de navolgende rangen ingedeeld:
a. Penitentiair directeur,
b. Penitentiair onderdirecteur,
c. Opper penitentiaire ambtenaar,
d. Adjunct-opper penitentiaire ambtenaar,
e. Hoofd penitentiaire ambtenaar,
f. Adjunct Hoofd penitentiaire ambtenaar,
g. Penitentiaire ambtenaar,
2. De rang van hoofd penitentiaire ambtenaar wordt in drie klassen verdeeld:
a. hoofd penitentiaire ambtenaar der eerste klasse,
b. hoofd penitentiaire ambtenaar der tweede klasse, en
c. hoofd penitentiaire ambtenaar der derde klasse.
3. De rang van penitentiaire ambtenaar wordt in vier klassen verdeeld:
a. penitentiaire ambtenaar eerste klasse,
b. penitentiaire ambtenaar der tweede klasse,
c. penitentiaire ambtenaar der derde klasse, en
d. penitentiaire ambtenaar der vierde klasse.
4. Voor de bepaling van de anciënniteit, met het oog op eventuele bevordering, wordt een klasse als een afzonderlijke rang beschouwd.

Artikel 4
AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN
Onverminderd de daartoe strekkende bepalingen van dit staatsbesluit, kunnen omtrent de hierin geregelde onderwerpen door de minister aanvullende voorschriften worden vastgesteld.

HOOFDSTUK II
DIENSTHOOFD EN PENITENTIAIRE AMBTENAREN
PARAGRAAF 1
INSTRUCTIE DIENSTHOOFD

Artikel 5
ORGANISATIE EN BEHEER
1. Het diensthoofd is, onder de algehele leiding van de minister, met de organisatie en het beheer van de dienst der delinquentenzorg belast.
2. Het diensthoofd doet aan de minister alle voorstellen, welke hij ter zake nodig acht.
3. Bij belet, ontstentenis of afwezigheid van het diensthoofd treedt het onderhoofd van de dienst der delinquentenzorg als zodanig op; het onderhoofd oefent dan alle aan het diensthoofd toegekende bevoegdheden uit en treedt in al diens verplichtingen.

Artikel 6-3
KORPS PENITENTIAIRE AMBTENAREN
1. Het diensthoofd draagt er zorg voor:
a. dat het korps penitentiaire ambtenaren en de daartoe behorende penitentiaire ambtenaren bij voortduring paraat zijn:
b. dat de penitentiaire ambtenaren de algemene en bijzondere voorschriften naleven;
c. dat de penitentiaire ambtenaren de hun opgedragen dienst richtig vervullen.
2. Het diensthoofd geeft ter zake de nodige voorschriften en opdrachten aan de directeuren.
3. Het diensthoofd is belast met de indeling van en het toezicht op de bij de korps penitentiaire ambtenaren in gebruik zijnde materieel en doet aan de minister voorstellen omtrent de vernieuwing en aanschaffing daarvan.

Artikel 7-4
PENITENTIAIRE AMBTENAREN
1. Het diensthoofd waakt voor de behartiging van de belangen van de penitentiaire ambtenaren en doet aan de minister voorstellen omtrent de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag van de penitentiaire ambtenaren.
2. Het diensthoofd draagt voorts ten aanzien van de penitentiaire ambtenaren zorg voor:
a. het behoud en de verdere ontwikkeling van de vakbekwaamheid;
b. de handhaving van de discipline;
c. het uiterlijk voorkomen;
d. de lichamelijke geoefendheid en de schietvaardigheid.
3. Het diensthoofd is belast met het bijhouden van de administratie betreffende:
a. de rang- en beoordelingslijsten van de penitentiaire ambtenaren;
b. de legitimatiebewijzen van deze ambtenaren.

Artikel 8
TOEZICHT INRICHTINGEN
1. Aan het diensthoofd is het toezicht over alle aangelegenheden van de inrichtingen opgedragen.
2. Het diensthoofd ziet inzonderheid toe op:
a. de behoorlijke behandeling, (voeding, kleding, ligging, verpleging, werkverschaffing, etc) van de gedetineerden;
b. de handhaving van orde en tucht in de inrichtingen;
c. de nauwkeurige naleving van bestaande of later vast te stellen wettelijke regelingen en andere voorschriften.

Artikel 9-5
RAPPORT EN INFORMATIE
1. Het diensthoofd brengt zo spoedig mogelijk verslag aan de minister uit over het optreden van het korps penitentiaire ambtenaar bij belangrijke gebeurtenissen.
2. Het diensthoofd verschaft de procureur-generaal desgevraagd terstond en rechtstreeks alle inlichtingen omtrent vermoedelijk door gedetineerden gepleegde strafbare feiten.

Artikel 10-6
INDIENING STUKKEN
1. Het diensthoofd is belast met het in ontwerp samenstellen, aanvullen of herzien van de reglementen en voorschriften betreffende de dienst der delinquentenzorg in het algemeen en het korps penitentiaire ambtenaren in het bijzonder, voor zover deze door de minister moeten worden vastgesteld.
2. Jaarlijks vóór 1 februari zendt het diensthoofd aan de minister de begrotingsvoorstellen voor het volgend dienstjaar.
3. Elk kwartaal dient het diensthoofd bij de minister een verslag in betreffende de in de artikelen 6 lid 1 en 7 leden 1 en 2 bedoelde aangelegenheden.

Artikel 11-7
PERIODIEKE INSPECTIE
1. Het diensthoofd zal periodieke inspectie van de inrichtingen houden en met de directeuren periodieke besprekingen voeren.
2. Indien hem bij een inspectie blijkt, dat ten aanzien van de vaktechnische uitvoering van het korps penitentiaire ambtenaar veranderingen wenselijk zijn, zal hij ter zake de nodige voorstellen doen.

Artikel 12
NADERE VOORSCHRIFTEN
Door de minister worden nadere voorschriften omtrent taak en bevoegdheden van het diensthoofd vastgesteld.
PARAGRAAF 2
INSTRUCTIE DIRECTEUR

Artikel 13
DAGELIJKSE LEIDING
1. De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de inrichting.
2. De directeur doet aan het diensthoofd alle voorstellen, welke hij ter zake nodig acht.
3. Bij belet, ontstentenis of afwezigheid van de directeur treedt de onderdirecteur als zodanig op; deze oefent dan alle aan de directeur toegekende bevoegdheden uit en treedt in al diens verplichtingen.
4. De directeur laat het verrichten van bepaalde werkzaamheden, met name op het gebied der administratie, aan de onderdirecteur over.

Artikel 13-a8
1. De directeur moet de leeftijd van 35 jaar hebben bereikt en in het bezit zijn van:
a. of een radicaal, behaald aan de Universiteit van Suriname dan wel een daarmee gelijkgestelde universitair radicaal;
b. of een diploma en Hogere Beroepsopleiding behaald in Suriname, dan wel een daarmee gelijkgesteld diploma.
2. De onderdirecteur moet de leeftijd van 30 jaar hebben bereikt en in het bezit zijn van het diploma Hogere Beroeps Opleiding, behaald in Suriname of Nederland.

Artikel 14-9
REGELING WERKZAAMHEDEN
1. De penitentiaire ambtenaren, die in een inrichting te werk zijn gesteld, staan onder het gezag van de directeur, die hun werkzaamheden regelt en verdeelt.
2. De directeur of, bij zijn afwezigheid, zijn vervanger is bevoegd, om in zeer dringende omstandigheden leden van het onder zijn gezag staande penitentiaire ambtenaren ogenblikkelijk hun dienst te doen staken, onder gehoudenheid van onverwijlde kennisgeving aan het diensthoofd, dat de genomen maatregel bevestigt of te niet doet.

Artikel 15
VEILIGHEID EN ORDE
1. De directeur is verantwoordelijk voor:
a. de behoorlijke bewaking van de gedetineerden
b. de veiligheid, de goede orde en de tucht in de inrichting;
c. de getrouwe naleving van bestaande of later vast te stellen wettelijke regelingen en andere voorschriften.
2. Hij kan, bij volstrekte noodzakelijkheid, zodanig maatregelen nemen, als hij voor de veiligheid binnen de inrichting nodig oordeelt.

Artikel 16
BEWARING VAN GOEDEREN
1. De directeur is verplicht de gedetineerden de goederen, wapenen, werktuigen of papier, en in het algemeen alle voorwerpen, welke bij hun opneming of later bij of op hen worden gevonden, te ontnemen en, indien zulks mogelijk is, voor de bewaring daarvan zorg te dargen.
2. Aan zijn zorg en bewaring worden al de in het magazijn en voor de dienst in de inrichting opgeslagen goederen toevertrouwd.

Artikel 17-10
DELINQUENTENREGISTER
1. De directeur is verplicht het delinquentenregister, als in artikel 25 van de verordening bedoeld, bij te houden.
2. Hij schrijft in dit register van alle gedetineerden bij aankomst in een authentiek afschrift of uittreksel van vonnis, bevelschrift of beschikking, door het bevoegde gezag gegeven.
3. Het delinquentenregister, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, zal op de eerste en de laatste bladzijde door het diensthoofd getekend en op alle andere bladzijden door hem gewaarmerkt zijn.

Artikel 18
ANDERE REGISTERS
1. De directeur houdt ook de navolgende registers bij:
a. het signalementenregister, inzake signalementen der gedetineerden;
b. het conduiteregister, inzake gedrag en vlijt der gedetineerden en aan hen opgelegde disciplinaire straffen;
c. het bewaringsregister, inzake in beslag genomen gelden en goederen der gedetineerden;
d. het arbeidsregister, inzake door gedetineerden verrichte arbeid en verdiend arbeidsloon;
e. het beloningenregister, inzake aan gedetineerden toegekende beloningen en door hen aangeschafte versnaperingen;
f. het magazijnregister, inzake in het magazijn der inrichting opgeslagen goederen;
g. het scholierenregister, voor zover er in de inrichting onderwijs aan gedetineerden wordt gegeven.
2. Op deze registers is het in artikel 17 lid 3 bepaalde van toepassing.

Artikel 19
NADERE VOORSCHRIFTEN
Door de minister worden nadere voorschriften omtrent taak en bevoegdheden van de directeur vastgesteld.
PARAGRAAF 3
INSTRUCTIE PENITENTIAIRE AMBTENAAR

Artikel 20-11
EED EN BELOFTE
1. De penitentiaire ambtenaar legt, alvorens zijn ambt te aan vaarden, in handen van de minister of van een door deze aan te wijzen autoriteit, de navolgende eed of verklaring en belofte van zuivering af:
“Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, onder welke vorm of welk voorwendsel dan ook, tot het verkrijgen mijner benoeming, aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, of zal geven of beloven.
“Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, wie hij ook zij, middellijk of onmiddellijk, beloften of geschenken zal aannemen.
“Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (Dat verklaar en beloof ik1)”
2. Daarna wordt door de penitentiaire ambtenaar de navolgende eed of belofte afgelegd:
Ik zweer (beloof) trouw aan de President, aan de Grondwet van de Republiek Suriname en aan de wetten en gehoorzaamheid aan allen, die boven mij zijn geplaatst; dat ik de krachtens de wetten uitgevaardigde voorschriften en besluiten met alle vlijt zal nakomen en de mij gegeven bevelen en opdrachten met alle ijver zal vervullen; dat ik mij in de dienst getrouw en eerlijk zal gedragen, en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij al geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wettelijke regelingen of ambtshalve tot mededeling verplicht ben; dat ik de mij gegeven post in de inrichting met alle getrouwheid, vlijt en oplettendheid zal waarnemen, mij nimmer in enige verboden of geheime betrekking met een gedetineerde zal inlaten, en alle pogingen tot ontvluchting zal trachten te weren en te openbaren; en dat ik mij in het algemeen als een nauwgezet en ijverig penitentiair ambtenaar zal gedagen “Zo waarlijk helpe mij God almachtig ! (Dat beloof ik!)”.

Artikel 21
WERK EN GESCHENKEN
1. De penitentiaire ambtenaar moet strikt eerlijk, waarheidslievend en onomkoopbaar zijn.
2. Zonder goedkeuring van de directeur mag hij geen werk voor zijn rekening aan gedetineerden opdragen.
3. Het is de penitentiaire ambtenaar verboden rechtstreeks of zijdelings tot een gedetineerde of een korter dan één jaar tevoren ontslagen gedetineerde in geldelijke verhouding te staan, dan wel enig geschenk of lening of enige belofte van een geschenk of lening van hem of zijn betrekkingen aan te nemen.

Artikel 22-12
STRAFBARE FEITEN
1. De penitentiaire ambtenaren zijn belast met het opsporen der strafbare feiten, waaraan de gedetineerden zich schuldig mochten maken. Zij zullen te dien einde worden aangesteld tot buitengewoon agent van politie.
2. Bij vermoeden van zodanig strafbaar feit is de penitentiaire ambtenaar verplicht onverwijld de directeur hiervan in kennis te stellen.
3. Onverminderd het dienaangaande in het Wetboek van Strafvordering bepaalde, worden de strafbare feiten door de directeur bij proces-verbaal geconstateerd en ter kennis van het diensthoofd gebracht.

Artikel 23
ONREGELMATIGHEDEN
1. Alle misbruiken, verkeerdheden of overtredingen in enig onderdeel van de dienst worden door tussenkomst van de directeur onverwijld ter kennis van het diensthoofd gebracht.
2. Wanneer de aard van het geval zulks medebrengt, kan elke penitentiaire ambtenaar zich rechtstreeks tot het diensthoofd wenden.

Artikel 24-13
KLEDING EN LEGITIMATIE
1. De penitentiaire ambtenaar is verplicht de voorgeschreven dienstkleding, onderscheidingstekenen, bewapening en overige uitrusting te dragen.
2. Het is de penitentiaire ambtenaar, bij gekleed gaan in uniform, verboden andere dan de voorgeschreven uniformstukken te dragen, tenzij het insignes of andere onderscheidingstekenen betreft, die van Regeringswege zijn toegekend of voorgeschreven, of tot het dragen waarvan door de minister vergunning is verleend.
3. De penitentiaire ambtenaren moeten van het door de minister vastgestelde legitimatiebewijs zijn voorzien.
4. Voorschriften omtrent dienstkleding, onderscheidingstekenen, bewapening en overige uitrusting, alsmede omtrent de legitimatie van de penitentiaire ambtenaar, worden nader door de minister vastgesteld.

Artikel 25
BEHANDELING GEDETINEERDEN
1. De penitentiaire ambtenaren zijn verplicht de gedetineerden met menslievendheid en rechtvaardigheid doch tevens met gepaste gestrengheid te behandelen.
2. Zij onthouden zich van enige behandeling, welke het ontzag der gedetineerden voor hen zou kunnen schaden of gevoelens van haat en wraak bij de gedetineerden zou kunnen opwekken.
3. Het opleggen van straffen aan of het gebruiken van geweld tegen gedetineerden, voor zover zulks niet bij of krachtens dit staatsbesluit of enige andere wettelijke regeling is toegestaan, is verboden.
4. Zij, die zich aan handelingen, als in de voorgaande leden bedoeld, schuldig maken, worden door de directeur voor straf voorgedragen.

Artikel 26
HIËRARCHISCHE VERHOUDING
1. Een verhouding van meerdere tot mindere bestaat binnen het korps penitentiaire ambtenaren tussen:
a. de directeur en de overige penitentiaire ambtenaren;
b. een commandant van een afdeling of onderdeel en de daartoe behorende penitentiaire ambtenaren;
c. de met enig tijdelijk commando of met enige instructie of leiding belaste penitentiaire ambtenaar en onder zijn leiding of bevelen geplaatste penitentiaire ambtenaren;
d. de penitentiaire ambtenaren van hogere en lager rang;
e. de penitentiaire ambtenaren van gelijke rang, doch van hogere en lagere klasse;
f. de penitentiaire ambtenaren van gelijke rang en klasse, doch van meerdere en mindere anciënniteit daarin.
2. Voor de verhouding van meerdere tot mindere is de volgorde van de met de letters a tot en met f aangeduide onderdelen van het vorig lid beslissend.
3. De hoogte van de rangen en klassen wordt door de volgorde van artikel 3 bepaald.
4. De penitentiaire ambtenaren behoren bij het zich wenden tot een hogere instantie steeds de hiërarchische weg te volgen.

Artikel 27
OPVOLGEN VAN BEVEL
1. De penitentiaire ambtenaar is gehoorzaamheid aan zijn meerdere verschuldigd en volgt de hem gegeven bevelen met stiptheid op.
2. De meerdere zal ernaar streven zijn bevelen duidelijk te geven, daarbij rekening houdende met de omstandigheden, inzonderheid met de persoon, tot wie het bevel wordt gericht.
3. Bezwaren tegen het opvolgen van een bevel kan de penitentiaire ambtenaar langs hiërarchische weg indienen; wanneer de omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan hij deze onmiddellijk kenbaar maken aan degene, die hem het bevel heeft gegeven. Zo lang het bevel niet is ingetrokken, is hij gehouden daaraan gevolg te geven, tenzij hij gegronde redenen heeft om aan te nemen, dat het bevel onbevoegd is gegeven of de uitvoering ervan een strafbaar feit zou opleveren.
4. Indien de penitentiaire ambtenaar van twee meerderen tegenstrijdige bevelen, ontvangt, stelt hij de meerdere, die het laatste bevel heeft gegeven, van het eerder ontvangen bevel in kennis.
5. Indien de omstandigheden het noodzakelijk maken van een bevel af te wijken of dit door een ander te doen uitvoeren, is de penitentiaire ambtenaar daartoe verplicht; hij stelt degene, die het bevel gaf, zo spoedig mogelijk hiervan in kennis.
6. Onder bevel worden mede opdracht en aanwijzing begrepen.

Artikel 28
AANWENDEN VAN GEWELD
1. Indien de penitentiaire ambtenaar het in de door hem te vervullen taak begrepen doel niet op een andere wijze kan bereiken, is hij verplicht - ook tegen personen - geweld aan te wenden.
2. Daarbij moet hij het belang van het doel en het nadeel, waarmee moet worden gerekend, als het doel niet wordt bereikt, afwegen tegen het risico, ook voor derden, verbonden aan het aanwenden van geweld, waaronder mede het gebruik van vuurwapenen wordt begrepen.
3. Onverminderd het in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, wordt - indien onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere wordt opgetreden - geen geweld aangewend dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere, tenzij deze vooraf anders heeft bepaald.
4. Bij het aanwenden van geweld moet de penitentiaire ambtenaar steeds de beperkingen en voorschriften, in het vorige lid en in de artikelen 29 tot en met 31 vervat, in acht nemen.

Artikel 29
MATE VAN GEWELD
1. Het geweld mag de perken van redelijkheid en matigheid niet te buiten gaan.
2. De penitentiaire ambtenaar moet daarom, bij de keuze van het aan te wenden geweld en de mate, waarin het wordt aangewend:
a. erop bedacht zijn het risico, aan het aan te wenden geweld verbonden, zoveel mogelijk te beperken;
b. een andere maatstaf, dan in het algemeen van toepassing is, aanleggen ten aanzien van vrouwen, kinderen, bejaarden, invaliden of andere personen, wier individuele hoedanigheid daartoe aanleiding geeft, tenzij hun feitelijk optreden dit niet verantwoord doet zijn.
3. Voordat tot het aanwenden van geweld wordt overgegaan, moet een duidelijke waarschuwing worden gegeven, tenzij de omstandigheden dit niet toelaten.

Artikel 30
GEBRUIK VAN VUURWAPEN
1. Het gebruik van een vuurwapen tegen personen en tegen vervoermiddelen, waarin personen zich bevinden, is slechts geoorloofd in de in het volgende lid vermelde gevallen en op de wijze als in dit artikel is voorgeschreven.
2. Een vuurwapen mag slechts worden gebruikt:
a. tot noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding;
b. tot het aanhouden van een gedetineerde, die zich door vlucht of anderszins aan zijn rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken.
3. Het optreden van de penitentiaire ambtenaar moet erop gericht zijn zwaar lichamelijk letsel of ergere te voorkomen,; hij moet er rekening mee houden, dat de kans met een vuistvuurwapen op de beoogde plaats te treffen afneemt, naarmate de afstand, die hem van het doel scheidt, groter wordt, en dat de risico’s verbonden aan het schieten op een afstand van meer dan vijftien meter, groot zijn, hetgeen in het bijzonder geldt voor bewegende doelen, vervoermiddelen daaronder begrepen.
4. In het in lid 2 onder b bedoelde geval mag niet van een vuurwapen gebruik worden gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon aan de penitentiaire ambtenaar bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
5. Tenzij zulks, gelet op de omstandigheden, onverantwoord wordt geacht, moet onmiddellijk, voordat met een vuurwapen gericht wordt geschoten, met luider stem of op een andere wijze ervoor worden gewaarschuwd, dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd.
6. De in het vorige lid bedoelde waarschuwing kan, zo nodig, worden vervangen door een waarschuwingsschot, hetwelk op zodanige wijze moet worden gegeven, dat gevaar voor personen of goederen zoveel mogelijk wordt vermeden.
7. De penitentiaire ambtenaar dient steeds te bedenken, dat het geven van een waarschuwingsschot slechts geoorloofd is in gevallen, waarin hij het gericht schieten, met inachtneming van het in dit artikel bepaalde, geboden acht.

Artikel 31
OPMAKING VAN RAPPORT
1. De penitentiaire ambtenaar, die bij de vervulling van zij taak geweld heeft aangewend – het geven van een waarschuwingsschot daaronder begrepen – is gehouden deze aanwending van geweld, alsmede de daartoe geleid hebbende redenen en de daaruit voortvloeiende gevolgen, onverwijld aan de directeur te melden.
2. Indien, naar het oordeel van de directeur, de gevolgen van het aangewende geweld daartoe aanleiding geven, en in ieder geval indien van een vuurwapen gebruik is gemaakt, geschiedt de in het vorige lid bedoelde melding in de vorm van een schriftelijk rapport.
3. Geschiedde de aanwending van geweld met gebruikmaking van vuurwapenen op uitdrukkelijke last van een meerdere, dan wordt het rapport door deze meerdere opgemaakt.

Artikel 32
DISCIPLINAIRE STRAFFEN
1. Aan een penitentiaire ambtenaar, die zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt, kan een der navolgende tuchtstraffen worden opgelegd:
a. ontevredenheidsbetuiging;
b. berisping;
c. strafdienst, bestaande uit de verplichting tot het verrichtten van extra dienst op ten hoogste vijftien dagen, gedurende twee achtereenvolgende uren per dag;
d. vermindering van vakantie, bestaande uit verlies van ten hoogste de helft van de aanspraak op vakantieverlof over een kalenderjaar;
e. boete, bestaande uit de verplichting tot het betalen van een bedrag ten hoogste gelijk aan de maandbezoldiging;
f. stilstand van bezoldiging, bestaande uit verlies van de aanspraak op bevordering en van die op periodieke verhogingen, voor een tijdvak van ten hoogste drie jaar;
g. vermindering van salarisanciënniteit, bestaande uit verlies van een of meer toegekende periodieke verhogingen;
h. schorsing, voor een tijdvak van ten hoogste drie maanden;
i. degradatie, bestaande uit verlaging van rang of klasse;
j. ontslag;
2. Een penitentiaire ambtenaar wordt mede geacht zich aan plichtsverzuim te hebben schuldig gemaakt, indien hij;
a. hetzij vóór de aanvang van zijn dienstverband bedrog heeft gepleegd, teneinde het bevoegde gezag tot indienstneming of tot het vaststellen van bepaalde arbeidsvoorwaarden te bewegen;
b. hetzij in de loop van zijn dienstverband bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot vrijheidsstraf ter zake van een buiten verband met de dienst opzettelijk begaan misdrijf.

Artikel 33-14
BELONINGEN EN MEDAILLES
1. Aan de penitentiaire ambtenaar kunnen wegens bijzondere prestaties een of meer der navolgende beloningen worden toegekend;
a. eervolle vermelding bij dagorder;
b. een geldelijke uitkering;
c. verlening van een hogere titulaire rang;
d. een buitengewone bevordering.
2. Deze beloningen worden toegekend door:
a. de in lid 1 sub a vermelde beloning: het diensthoofd;
b. de in lid 1 sub b vermelde beloning: de minister;
c. de in lid 1 sub c en d vermelde beloningen:
1°. de gouverneur, voor zover de benoeming in de nieuwe rang of klasse aan hem is voorbehouden.
2°. de minister, in alle andere gevallen.
3. Aan de penitentiaire ambtenaren worden voor langdurige trouwe dienst door de President medailles toegekend; voorschriften hieromtrent worden door de minister vastgesteld.

Artikel 34
BEOORDELINGSLIJSTEN
1. Door het diensthoofd worden lijsten gehouden, waarin met betrekking tot de penitentiaire ambtenaren aantekening geschiedt van hun gedrag, geschiktheid, bekwaamheid en dienstijver, alsmede van de toegekende beloningen en de opgelegde tuchtstraffen, onder vermelding van de redenen, welke daartoe hebben geleid.
2. De aantekening van een tuchtstraf kan op grond van door de minister vast te stellen regelen worden doorgehaald.

Artikel 35
NADERE VOORSCHRIFTEN
1. Nadere voorschriften omtrent de taken, rechten en verplichtingen van de penitentiaire ambtenaren worden door de minister vastgesteld.
2. Deze voorschriften hebben o.m. betrekking op:
a. de eisen ten aanzien de werving, de opleiding en het onderricht;
b. de eisen ten aanzien van benoembaarheid en bevordering;
c. de kleding en uitrusting;
d. de rangonderscheidingstekenen;
e. de legitimatie;
f. de keuring en de controle op de lichamelijke en geestelijke geschiktheid;
g. de geneeskundige verzorging;
h. de werktijden;
i. de compensatie, hetzij in geld, hetzij in extra vrije dagen of uren voor overwerk en diensten op zondagen en daarmede gelijkgestelde dagen, voor zoveel betreft de daarbij aangewezen categorieën van ambtenaren;
j. de terbeschikkingstelling van een dienstwoning dan wel de toekenning van een vergoeding voor het gemis daarvan aan de buiten Paramaribo gedetacheerde ambtenaren.

HOOFDSTUK III
INTERNE DIENST DER INRICHTINGEN
PARAGRAAF 1
OPNEMING IN INRICHTINGEN

Artikel 36-15
VERDELING DER INRICHTINGEN
1. De inrichtingen worden verdeeld in:
a. penitentiaire inrichtingen, als in artikel 2 van de wet bedoeld, bestemd tot opneming van personen, die een gevangenisstraf van meer dan drie maanden moeten ondergaan;
b. huizen van bewaring, bestemd tot opneming van personen, als in artikel 3 van de wet bedoeld.
2. Het aantal penitentiaire inrichtingen en huizen van bewaring en de plaats van vestiging ervan worden door de minister vastgesteld.

Artikel 37
HUIZEN VAN BEWARING
1. Opneming van tot een gevangenisstraf van niet meer dan drie maanden veroordeelden geschiedt, waar mogelijk, in een huis van bewaring in het district, waar zij in eerste aanleg hebben terecht gestaan.
2. Opneming van tot principale of subsidiaire hechtenis veroordeelden geschiedt, waar mogelijk en behoudens het in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, in een huis van bewaring in het district, waar zij in eerste aanleg hebben terecht gestaan.
3. In voorlopige hechtenis gestelden worden opgenomen in een huis van bewaring, waar mogelijk, in het district, waar het gezag, dat hun aanhouding heeft bevolen, is gevestigd.
4. Gegijzelden worden opgenomen in een huis van bewaring in een district, door het diensthoofd te bepalen.

Artikel 38
Opneming Elders
1. Personen, niet tot de in artikel 37 leden 3 en 4 vermelden behorende, die anders dan tot het ondergaan van een vrijheidsstraf in een inrichting moeten worden opgenomen, worden zo mogelijk in de inrichting ter plaatse van de aanhouding of in een naburige inrichting opgenomen, tenzij door de procureur-generaal anders wordt bepaald.
2. Het diensthoofd kan in bijzondere gevallen, te zijner beoordeling, bevelen, dat de in artikelen 37 leden 1, 2 en 3 en 38 lid 1 bedoelde personen hun straf of gevangenschap in een ander district of in een andere inrichting zullen ondergaan.

Artikel 39-16
OPENBARE WERKEN
1. De tenuitvoerlegging van gevangenisstraf of hechtenis, opgelegd met bepaling, dat de veroordeelde aan openbare werken zal worden te werk gesteld, geschiedt op de door de minister aan te wijzen plaatsen, waar mogelijk, met inachtneming van de voorschriften van dit staatsbesluit, ook al is de veroordeelde niet in een penitentiaire inrichting opgenomen en niet onder het korps penitentiaire ambtenaren besteld.
2. De in het vorige lid bedoelde tenuitvoerlegging geschiedt:
a. op beschikking en onder algemeen toezicht van het diensthoofd en onder het dagelijks toezicht en de verantwoordelijkheid van de daarvoor door het diensthoofd aangewezen penitentiaire ambtenaar, aan wie - tenzij door het diensthoofd anders wordt bepaald - door deze aanwijzing de bevoegdheden worden verleend en de verplichtingen worden opgelegd, welke aan de directeur zijn toegekend en voorgeschreven;
b. op zodanige wijze, dat behoorlijke voeding en huisvesting voor de veroordeelde steeds zijn verzekerd, en dat steeds met de meeste zorg tegen ontvluchting van de veroordeelde wordt gewaakt.

Artikel 40-17
VERTONING DOCUMENT
1. De opneming van ene persoon, tegen wie een veroordelend vonnis, een bevelschrift of een beschikking, strekkende tot vrijheidsbeneming, ten uitvoer wordt gelegd, geschiedt op vertoon van:
a. hetzij het bevelschrift of de beschikking dan wel een authentiek afschrift of uittreksel daarvan;
b. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie of van de ambtenaar, in artikel 23 van het Wetboek van Strafvordering bedoeld, in welk geval de ambtenaar, die de last
heeft gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of inbewaringstelling of, in geval van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis dan wel een authentiek afschrift of uittreksel daarvan ten spoedigste aan de directeur doet toekomen.
2. Na ondertekening van de inschrijving en de aantekeningen, als in artikel 25 van de wet bedoeld, geeft de directeur aan de ambtenaar, die het vonnis, het bevelschrift of de beschikking tot opneming ten uitvoer legt, een schriftelijke verklaring af, dat de opneming heeft plaatsgehad, welke verklaring door deze ambtenaar aan de ambtenaar, op wiens last de tenuitvoerlegging is geschied, wordt overgelegd.
3. Wanneer personen zich vrijwillig in arrest begeven, neemt de directeur hen niet op, tenzij hij behoorlijk van hun identiteit is verzekerd.

Artikel 41-18
Gescheiden Opneming
1. Onverminderd het in de artikelen 10, 11 en 12 van de wet bepaalde, worden in een inrichting zoveel mogelijk afgezonderd:
a. volwassenen en kinderen, waaronder te verstaan personen beneden de leeftijd van zestien jaar;
b. tot hechtenis veroordeelden en tot gevangenisstraf veroordeelden;
c. militairen en burgerpersonen.
2. Wanneer in een inrichting personen van verschillende kunne moeten worden opgenomen, wordt zo mogelijk een afzonderlijk afdeling hiervan voor de opneming van vrouwen bestemd.
3. In een inrichting wordt zoveel mogelijk vermeden meer dan tien gedetineerden bij elkaar te plaatsen.

Artikel 42
OPNEMING VAN KINDEREN
1. Met gedetineerden kunnen worden opgenomen kinderen, die niet van de moeder kunnen worden gescheiden.
2. Deze kinderen, alsook de in een inrichting geboren kinderen, worden zo mogelijk verwijderd, zodra zij de zorg van de moeder kunnen ontberen.
3. In alle behoeften van deze kinderen wordt ten laste van het Land voorzien.

Artikel 43
ONDERZOEK BIJ OPNEMING
1. Bij opneming worden alle gedetineerden aan den lijve onderzocht.
2. Dit onderzoek mag bij vrouwelijke gedetineerden niet door het mannelijk personeel geschieden.

PARAGRAAF 2
INDELING IN KLASSEN

Artikel 44
VIER CATEGORIEËN
1. De tot gevangenisstraf veroordeelden worden, voor zover zij hun straf niet in afzondering ondergaan, in vier klassen ingedeeld.
2. De verdeling in klassen geschiedt door het diensthoofd naar de in de volgende artikelen vervatte regelen.

Artikel 45-19
EERSTE KLASSE
1. Tot de eerste klasse behoren:
a. de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden;
b. de tot tijdelijk gevangenisstraf veroordeelden, die onhandelbaar zijn of gevaar voor de veiligheid van de penitentiaire ambtenaren of van hun medegedetineerden opleveren, dan wel zich aan andere ernstige vergrijpen schuldig maken;
c. de tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie maanden veroordeelden, die vroeger reeds een gevangenisstraf van ten minste één jaar hebben ondergaan en niet reeds op de voet van het onder b bepaalde in de eerste klasse zijn ingedeeld.
2. De tot de eerste klasse behorende gedetineerden worden, zoveel mogelijk, van alle andere gedetineerden afgezonderd gehouden en binnen de muren der inrichting te werk gesteld.
3. Wanneer uit een of anderen hoofde tewerkstelling binnen de muren der inrichting niet mogelijk is, mogen de in lid 1 onder a en b bedoelde gedetineerden niet anders dan binnen zeer korte afstand van de inrichting te werk worden gesteld.
4. De in lid 1 onder a en b bedoelde gedetineerden mogen niet voor toepassing van artikel 4 van de wet in aanmerking worden gebracht.
5. De tot tijdelijke gevangenisstraf veroordeelden der eerste klasse kunnen, bij voorbeeldig gedrag gedurende één jaar, tot de tweede klasse worden bevorderd.

Artikel 46
TWEEDE KLASSE
1. Tot de tweede klasse behoren de tot meer dan drie maanden gevangenisstraf veroordeelden, bij de aanvang hunner straf, voor zover zij niet voor plaatsing in de eerste klasse in aanmerking komen.
2. In deze klasse worden eveneens geplaatst de veroordeelden:
a. die uit de eerste klasse tot de tweede klasse zijn bevorderd;
b. die uit de derde klasse in de tweede klasse zijn teruggesteld.

Artikel 47-20
DERDE KLASSE
1. In de derde klasse worden geplaatst de veroordeelden der tweede klasse, die zich gedurende drie achtereenvolgende maanden voorbeeldige hebben gedragen.
2. Bij berispelijk gedrag van zodanig aard, dat een der in artikel 29 van de wet genoemde disciplinaire straffen moet worden opgelegd, kunnen de veroordeelden der derde klasse onmiddellijk in de tweede klasse worden teruggeplaatst.

Artikel 48
VIERDE KLASSE
Tot de vierde klasse behoren alle tot gevangenisstraf van niet meer dan drie maanden veroordeelden, voor zover zij niet onder artikel 45 lid 1 onder b vallen.

Artikel 49-21
AFZONDERING
1. Onverminderd het in artikel 10 eerste lid van de wet bepaalde, worden de veroordeelden der verschillende klassen zoveel mogelijk in verschillende verblijfzalen gehuisvest.
2. Zij worden ook overigens steeds onderling zoveel mogelijk afgezonderd.

Artikel 50
ANDERE BEHANDELING
1. De in de eerste en de tweede klasse geplaatsten staan ten aan zien van briefwisseling, bezoeken of andere voorrechten bij de overige veroordeelden ten achter.
2. De in de derde klasse geplaatsten komen in de eerste plaats in aanmerking bij het opmaken van:
a. de jaarlijkse voordracht tot het verlenen van afslag van straf of van ontslag aan gedetineerden;
b. een voorstel tot voorwaardelijke invrijheidsstelling.
3. Door de minister kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent:
a. het dragen van onderscheidingstekenen door verschillende klassen der tot gevangenisstraf veroordeelden;
b. het toekennen van voorrechten aan de veroordeelden der derde klasse of, in het algemeen, van beloningen aan gedetineerden, die zich op enigerlei wijze verdienstelijk hebben gemaakt;
c. het verlenen van enige geldelijke steun aan de onder b bedoelde gedetineerden, die tengevolge van niet van hun wil afhankelijke omstandigheden bij hun ontslag niet in het bezit van een voldoende uitgaanskas zijn.

PARAGRAAF 3
ORDE EN TUCHT

Artikel 51
VERBODEN BEZIT
1. Het bezit van geld, kostbaarheden, sterke drank en alle andere zaken, welke als gevaarlijk en met de goede orde in de inrichting strijdig worden geacht, is aan alle gedetineerden verboden.
2. Gelden en goederen, als in het vorige lid bedoeld, worden de gedetineerden ontnomen; en indien bewaring hiervan mogelijk is, wordt daarvoor zorg gedragen.

Artikel 52
BEWARINGSREGISTER
1. Van de in bewaring genomen gelden en goederen der gedetineerden, alsmede van de vernietiging of afgifte van de in lid 2 vermelde goederen, wordt in het bewaringsregister aantekening gehouden.
2. Goederen, welke in verband met de lange duur der door de gedetineerde te ondergane vrijheidsstraf of om andere redenen niet geschikt zijn om bewaard te blijven, of waarvan de bewaring door de gedetineerde niet wordt gewenst, kunnen worden vernietigd, dan wel - voor zover de gedetineerde die goederen bij zijn ontslag uit de inrichting niet voor zijn kleding nodig heeft - aan familie of vrienden van de gedetineerde worden afgegeven.
3. Aan de gedetineerde wordt;
a. een ontvangstbewijs van de hem toebehorende, in bewaring genomen gelden en goederen uitgereikt;
b. een bewijs van de vernietiging of afgifte van de in lid 2 vermelde goederen afgegeven.

Artikel 53-22
VRAGEN EN BEVELEN
1. Alle gedetineerden zijn verplicht de hun door het diensthoofd of door het korps penitentiaire ambtenaren of door een inspecterende ambtenaar gestelde vragen op gepaste wijze te beantwoorden en daarbij een behoorlijke houding aan te nemen.
2. De gedetineerden volgen de bevelen, hun door het diensthoofd – in de regel door tussenkomst of in tegenwoordigheid van de directeur – of door de penitentiaire ambtenaar gegeven, zonder enige tegenspraak op.

Artikel 54
RUSTIG GEDRAG
1. Alle gedetineerden zijn verplicht zich voortdurend rustig te gedragen.
2. Het maken van rumoer en onnodig gedruis en het verrichten van handelingen, welke tot wanorde aanleiding kunnen geven, of waaraan andere gedetineerden aanstoot zouden kunnen nemen, is verboden.
3. Zowel in als buiten de inrichting wordt, inden meerdere gedetineerden in één groep zijn verenigd, ordelijk in rij en gelid gelopen.

Artikel 55
VOEDING
1. De voeding der gezonde gedetineerden wordt, onder goedkeuring van de minister, door het diensthoofd geregeld.
2. De voeding voor zieken, gebrekkigen en herstellenden wordt in elk bijzonder geval door de ingevolge artikel 68 lid 1 aangewezen geneeskundige voorgeschreven.

Artikel 56
KLEDING
1. De gedetineerden, wier straf de tijd van drie maanden te boven gaat, worden steeds van landswege gekleed; de overige gedetineerden alleen voor zoveel daaraan behoefte bestaat.
2. Door de minister worden nadere voorschriften omtrent de kleding en het schoeisel vastgesteld.

Artikel 57
HAAR EN BAARD
1. De mannelijke gedetineerden, wier straf de tijd van drie maanden te boven gaat, dragen kort geknipt hoofdhaar en geen baard.
2. Alle andere gedetineerden worden daartoe genoodzaakt, indien dit uit een oogpunt van reinheid nodig wordt geacht.

Artikel 58
BAD EN BEWEGING
1. Alle gedetineerden zijn verplicht zich ten minste éénmaal per dag te baden.
2. Gedetineerden, die niet in de open lucht arbeiden, moeten ten minste één keer per dag lichaamsbeweging in de open lucht nemen.
3. Door de ingevolge artikel 68 lid 1 aangewezen geneeskundige kan, indien de gezondheidstoestand van de gedetineerde dit wenselijk maakt, vrijstelling van een of beide der in de vorige leden bedoelde verplichtingen worden verleend.

Artikel 59 23
GELEIDING
1. Gedetineerden mogen niet als geleiders van mede-gedetineerden met enig gezag worden gekleed.
2. Het geleiden van gedetineerden geschiedt, al naar de omstandigheden vorderen, door het korps penitentiaire ambtenaren, door de politie of door de militaire macht.

Artikel 60
TUCHTSTRAFFEN
1. Aan de gedetineerden kunnen, onverminderd de bij wet tegen overtredingen en misdrijven bedreigde straffen, ter zake van vergrijpen tegen de orde en de tucht, naar de hierna aan te geven onderscheidingen, een of meer der in artikel 29 van de wet genoemde straffen worden opgelegd.
2. Bevoegd tot oplegging van de disciplinaire straffen zijn:
a. het diensthoofd in het algemeen;
b. de directeur, voor wat betreft de straf van opsluiting in de strafcel, en wel voor ten hoogste vier dagen.
3. Oplegging van de in artikel 29 onder b van de wet genoemde straf gaat steeds met oplegging van de aldaar onder a genoemde straffen gepaard.
4. De gedetineerde, die tot opsluiting in de strafcel op droge kost is veroordeeld, ontvangt driemaal daags met zout gekookte bananen of rijst en water.
5. In afwachting van een op te leggen straf is de directeur bevoegd, door het bezigen van een dwangbuis of van andere middelen, de gedetineerden voor zichzelve of voor anderen ongevaarlijk te maken.

Artikel 61-24
DIENSTBEZOEK
1. De president van het Hof van Justitie, de in artikel 28 van de wet bedoelde commissaris, de rechter-commissaris belast met het onderzoek in strafzaken en het openbaar ministerie hebben te allen tijde toegang tot de in hun ambtsgebied gelegen inrichtingen.
2. Op vertoon van een schriftelijke toestemming van het diensthoofd of van de directeur wordt eveneens toegang verleend aan;
a. andere ambtenaren, die voor de uitoefening van hun dienst de inrichting moeten bezoeken;
b. bedienaren van de godsdienst of leden van verenigingen tot steun van ontslagen gedetineerden.

PARAGRAAF 4
ARBEID EN ONDERWIJS

Artikel 62
ARBEIDSTHERAPIE
1. Ter aanvulling van de arbeid van gedetineerden, ten aanzien van wie niet is bepaald, dat zij aan openbare werken zullen worden te werk gesteld, wordt in de inrichting arbeid voor rekening van het land of van particulieren toegelaten.
2. De regeling van de arbeid wordt aan het diensthoofd overgelaten; het diensthoofd draagt er zorg voor, mede om de particuliere nijverheid zo weinig mogelijk te benadelen, dat door de werkgever hoger loon wordt betaald, dan volgens de in de inrichting geldende tarieven door het Land aan gedetineerden wordt uitgekeerd.
3. Het bedrag, dat niet aan de gedetineerden wordt uitgekeerd, wordt in ’s Landskas gestort of ten bate van het Land geboekt.

Artikel 63-25
DAGTAAK
1. Alle verplichte arbeid van gedetineerden wordt, behoudens het in artikel 64 lid 1 bepaalde, zoveel mogelijk in dagtaak, als door de directeur bepaald, verricht.
2. De verdeling van de dag wordt, met inachtneming van het in artikel 21 van de wet bepaalde, door het diensthoofd vastgesteld.

Artikel 64
TAAKWERK
1. In afwijking van het in artikel 63 lid 1 bepaalde, wordt de arbeid van tot een gevangenisstraf van meer dan drie maanden veroordeelden, ten aanzien van wie niet is bepaald, dat zij aan openbare werken zullen worden te werk gesteld, zoveel mogelijk in taakwerk, als door de directeur bepaald, uitgegeven.
2. Indien naar het oordeel van de directeur, door de aard van het werk, taakwerk niet mogelijk is, wordt de in lid 1 bedoelde arbeid in dagtaak of gedeelten daarvan verricht.
3. Indien naar het oordeel van de directeur het werk behoorlijk is verricht, wordt aan de gedetineerde een loon toegekend volgens een door de minister vast te stellen tarief, hetwelk per
dag voor het in lid 1 bedoelde taakwerk hoger dan voor de in lid 2 bedoelde dagtaak of gedeelte daarvan moet zijn.
4. Aan gedetineerden, als in lid 1 bedoeld, die van bijzondere bekwaamheid, aanleg of ijver blijk geven, of die de hun opgelegde taak binnen de daarvoor gestelde termijn ten genoegen van de directeur ten einde brengen, kan een loon volgens een hoger tarief worden toegekend.

Artikel 65
UITGAANSKAS
1. Van het, op de in het artikel 64 aangegeven wijze, verdiende loon, alsmede van de in artikel 50 lid 3 bedoelde beloningen, wordt de helft als uitgaanskas afgezonderd.
2. Het overige gedeelte wordt evenmin aan de gedetineerde uitbetaald, doch wordt op zijn rekening als zakgeld geboekt, hetwelk gedurende de straftijd te zijnen behoeve kan worden aangewend of met zijn toestemming voor andere doeleinden kan worden gebezigd.
3. In de uitgaanskas zullen worden gestort:
a. het eigen geld, bij de opneming van de gedetineerde in zijn bezit gevonden;
b. de gelden, welke te zijnen behoeve tijdens zijn verblijf in de inrichting mochten worden ontvangen;
c. het gedeelte van het zakgeld, waarover hij niet mocht hebben beschikt;
4. Verantwoording van het een en ander, zal de gedetineerde, eventueel onder afhouding van voldoend reisgeld, op het tijdstip van ontslag uit de inrichting worden gedaan.
5. Het in artikel 20 tweede lid van de wet bepaalde wordt beschouwd alleen het in de uitgaanskas gestorte loon te betreffen.
6. De bepalingen betreffende de uitgaanskas zijn niet van toepassing op de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde, voor wie het verdiende loon als zakgeld wordt beschouwd, hetwelk te zijnen behoeve kan worden aangewend of met zijn toestemming voor andere doeleinden kan worden gebezigd.

Artikel 66
ONDERWIJS
1. In de inrichtingen wordt, voor zoveel mogelijk, algemeen vormend onderwijs en/of vakonderwijs gegeven aan tot gevangenisstraf van meer dan drie maanden veroordeelden, ten aanzien van wie is bepaald, dat zij aan openbare werken zullen worden te werk gesteld.
2. De gedetineerden zijn, behoudens uitdrukkelijke vrijstelling, verplicht het te hunnen behoeve gegeven onderwijs te volgen.
3. De directeur s bevoegd aan gedetineerden, indien met het oog op de dienst in de dienst in de inrichting daartegen geen bezwaar bestaat, éénmaal op hun verzoek vrijstelling van de in het 23
vorige lid bedoelde verplichting te verlenen: voor meer vrijstellingen achter elkaar aan dezelfde gedetineerde is de beslissing van het diensthoofd vereist.
4. Van een afwijzende beslissing van de directeur staat de gedetineerden beroep op het diensthoofd open.
5. Door de minister worden nadere voorschriften omtrent het onderwijs in de inrichtingen vastgesteld.

Artikel 67
GODSDIENST
1. In de inrichtingen worden, voor zoveel mogelijk, op alle zondagen en godsdienstige feestdagen godsdienstoefeningen gehouden door bedienaren van de godsdienst, die ook bevoegd zijn er godsdienstonderwijs te geven, voor zover dit mogelijk blijkt.
2. Het is de bedienaren van de godsdienst verboden uit eigen beweging of zonder toestemming van de directeur zich op enige wijze in betrekking te stellen met gedetineerden, die niet tot hun godsdienstige gemeenschap of gezinde behoren.
3. De gedetineerden zijn, behoudens uitdrukkelijke vrijstelling, verplicht aan de te hunnen behoeve gehouden godsdienstoefeningen deel te nemen of het gegeven godsdienstonderwijs te volgen.
4. Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde vrijstelling zijn de leden 3 en 4 van artikel 66 van toepassing.

Paragraaf 5
GENEESKUNDIGE VERZORGING

Artikel 68
AANWIJZING GENEESKUNDIGE
1. De waarneming van de geneeskundige dienst ten behoeve van de gedetineerden wordt aan de door de minister daarvoor aan te wijzen geneeskundige (n) toevertrouwd.
2. Indien een gedetineerde, niet behorende tot die in artikel 39 lid 1 bedoeld, de hulp van een andere dan de aangewezen geneeskundige verlangt, zal hem de gelegenheid worden gegeven, zich de gewenste geneeskundige hulp op eigen kosten te verschaffen.

Artikel 69
GEZONDHEIDSTOESTAND
1. De ingevolge artikel 68 lid 1 aangewezen geneeskundige is voor zijn waarneming van de geneeskundige dienst ten behoeve van de gedetineerden verantwoordelijk aan het diensthoofd.
2. Hij dient zijn aanmerkingen en voorstellen betreffende de gezondheidstoestand der gedetineerden en de verpleging der zieken, alsmede bij het ontstaan van besmettelijke ziekten, schriftelijk bij het diensthoofd in.
3. Zodra hij bij een zieke gedetineerde gevaar van sterven bespeurt, geeft hij daarvan onverwijld kennis aan de directeur, die zoveel doenlijk ten spoedigste de familie van de gedetineerde en de bedienaar van de godsdienst der godsdienstige gemeenschap of gezindte, waartoe de gedetineerde behoort, bericht geeft.
4. De directeur draagt er zorg voor, dat in de inrichting de grootst mogelijk reinheid heerst, en dat de gedetineerden hun kleding en legging in zindelijke staat houden.

Artikel 70
GENEESKUNDIGE HULP
1. Wanneer een gedetineerde geneeskundige hulp behoeft, stelt de directeur ten spoedigste de aangegeven geneeskundige hiervan in kennis.
2. De geneeskundige zal, indien zijn hulp ten behoeve van een zieke gedetineerde wordt ingeroepen, die hulp zo spoedig mogelijk verlenen, en de zieke zo dikwijls bezoeken, als diens toestand dit nodig maakt.
3. De geneesmiddelen worden volgens daaromtrent vastgestelde of nog vast te stellen regelen verstrekt.

Artikel 71
BESMETTELIJKE ZIEKTEN
1. Bij vermoeden, dat een gedetineerde aan een besmettelijke ziekte lijdende is, wordt hij, in afwachting van een geneeskundig onderzoek, onmiddellijk afgezonderd en, waar mogelijk, in een daarvoor bestemd lokaal opgesloten.
2. Indien zulks door de aangewezen geneeskundige nodig wordt geoordeeld, worden de gedetineerden tegen een besmettelijke ziekte ingeënt dan wel opnieuw ingeënt.

Artikel 72
OVERBRENGING
1. De overbrenging, waar mogelijk, van zieke gedetineerden naar de ziekenzaal of een ziekeninrichting geschiedt dadelijk op bevel van de geneeskundige.
2. In gevallen van ernstige of besmettelijke ziekten onder de gedetineerden is het diensthoofd, de geneeskundige gehoord, bevoegd de lijders naar een landsziekeninrichting te doen overbrengen en hen daar tijdelijk op ’s lands kosten te doen verplegen.
3. Betreft het in deze een gedetineerde, tegen wie een strafvervolging is of wordt ingesteld, dan is het diensthoofd gehouden van te voren overleg te plegen met de procureur-generaal, die aan deze opname bepaalde voorwaarden kan verbinden.
4. In gevallen van krankzinnigheid van een gedetineerde is de procureur-generaal, de geneeskundige gehoord, bevoegd de lijders naar een psychiatrische inrichting te doen overbrengen en hen daar tijdelijk op ’s Lands kosten te doen verplegen.

Artikel 73-26
TOEZICHT OP NALEVING
1. De geneeskundige ziet nauwkeurig toe, dat zijn bevelen en voorschriften door de zieke gedetineerden en door het korps penitentiaire ambtenaren stipt worden uitgevoerd.
2. Bij ontdekking van enig verzuim of nalatigheid stelt hij onmiddellijk de directeur daarvan in kennis.

Artikel 74
ZIEKENREGISTER
1. De geneeskundige is verplicht een ziekenregister bij te houden; op dit register is het in artikel 17 lid 3 bepaalde van toepassing.
2. In dit register worden alle zieken ingeschreven en wordt voorts aantekening gehouden van de voortgang en de loop der ziekte tot aan de afloop, alsmede van de voorgeschreven geneesmiddelen.
3. Het ziekenregister zal zoveel mogelijk ter inzage voor het diensthoofd liggen.

Paragraaf 6
ANDERE VOORSCHRIFTEN

Artikel 75-27
BRIEFWISSELING
1. De briefwisseling der onveroordeelden is, behoudens het in de leden 2, 3 en 4 bepaalde, vrij; de andere gedetineerden mogen, behoudens het in artikel 50 lid 1 bepaalde, op zondagen en daarmede gelijk gestelde dagen brieven aan personen buiten de inrichting schrijven en die dagelijks ontvangen.
2. Gene voor gedetineerden bestemde of door deze geschreven brieven mogen aan hen afgegeven of voor hen verzonden worden, zonder dat die eerst ter hand zijn gesteld:
a. voor de gedetineerden, die als verdachte of beklaagde in een strafzaak zijn betrokken: van het met de vervolging belaste gezag of, zolang de zaak in gerechtelijke instructie is, van de rechter-commissaris, die met de instructie is belast;
b. voor alle andere gedetineerden: van de directeur.
3. De in lid 2 bedoelde autoriteiten zijn bevoegd van de inhoud der brieven kennis te nemen en te beoordelen, of zij al dan niet aan de gedetineerden afgegeven of voor hen verzonden zullen worden.
4. Brieven, welke niet mogen worden uitgereikt of verzonden, of die in een vreemde of onleesbare taal zijn geschreven, worden vernietigd, tenzij de in lid 2 bedoelde autoriteiten daaromtrent anders mochten beslissen.
5. Voor zover niet, bij een ingevolge de bepaling van artikel 27 van de wet gegeven bevel, anders is bepaald, worden de aan de advocaat in strafzaken gerichte brieven van gedetineerden of van deze advocaat afkomstige brieven ongeopend doorgezonden of afgegeven.
6. Wanneer de gedetineerde geen gelden te zijner beschikking heeft, wordt het port van brieven bij voorschot voldaan en bij onvermogen aan het Land in rekening gebracht.
7. Ingeval, naar het oordeel van de directeur, er misbruik van het in lid 6 of lid 1 bepaalde wordt gemaakt, kan hij ten aanzien van de betrokken gedetineerde tijdelijk de een of andere bepaling buiten werking stellen.
8. Voor alle uitgaande brieven van gedetineerden worden inkt, pennen en papier ten laste van het Land verstrekt; het in lid 7 bepaalde is te dezen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 76-28
ONTVANGST BEZOEK
1. Aan alle gedetineerden kan, met inachtneming van het in artikel 50 lid 1 bepaalde, worden vergund bezoeken te ontvangen.
2. Deze vergunning wordt schriftelijk verleend:
a. voor de gedetineerden, die als verdachte of beklaagde in een strafzaak zijn betrokken: door het met de vervolging belaste gezag of, zolang de zaak in gerechtelijke instructie is, door de rechter-commissaris, die met de instructie is belast;
b. voor alle andere gedetineerden: door de directeur.
3. Geen vergunning tot bezoek wordt verleend, zodra de gedetineerde, in het belang van het gerechtelijk onderzoek of van de uitwijzing der zaak, buiten toegang is geplaatst.
4. Behalve in de gevallen, waarin hun bij wet vrije toegang tot de gedetineerden wordt verleend, wordt ook voor het bezoek van advocaten de in lid 2 bedoelde vergunning vereist.
5. In de inrichtingen worden zoveel mogelijk één of meerdere vetrekken voor het ontvangen van bezoeken bestemd.
6. Voorschriften omtrent de dagen en de uren, waarop de gedetineerden bezoek mogen ontvangen, alsmede het daarbij uit te oefenen toezicht en de te treffen voorzorgsmaatregelen, worden door de minister vastgesteld.

Artikel 77
GENOT DER PISTOLE
1. Aan een gedetineerde kan op verzoek, schriftelijk en met redenen omkleed gedaan, het genot der pistole door de minister, het diensthoofd gehoord, worden toegestaan.
2. De gedetineerde, aan wie het genot der pistole is toegestaan, verkrijgt daardoor, tegen betaling van het bedrag en op de termijnen, door het diensthoofd te bepalen, het recht op een afzonderlijke kamer en andere voeding en ligging, doch blijft aan de overige voorschriften met betrekking tot de inrichting onderworpen.
3. Bij niet- of niet-behoorlijk betaling van het bepaalde bedrag of op de vastgestelde termijnen, stelt de directeur onmiddellijk het diensthoofd hiervan in kennis, het diensthoofd, daartoe gronden vindende, doet het genot der pistole ophouden.
4. De minister kan het toegestane genot der pistole te allen tijde intrekken.

Artikel 78
LECTUUR
1. Aan in een huis van bewaring opgenomen gedetineerden kan, op hun daartoe strekkend schriftelijk verzoek, door het diensthoofd het lezen van door hen op te geven boeken en godsdienstige en vakbladen worden vergund.
2. De in het vorige lid bedoelde gedetineerden zijn:
a. onveroordeelden, die krachtens een bevel van voorlopige aanhouding, van gevangenneming of van gevangenhouding in een huis van bewaring zijn opgenomen;
b. in een huis van bewaring opgenomen tot hechtenis veroordeelden, aan wie op hun verzoek door de minister is vergund de hechtenis in afzondering te ondergaan;
c. gegijzelden.
3. Deze gedetineerden worden in afzonderlijk daarvoor ingerichte vertrekken geplaatst.

Artikel 79
VERSNAPERINGEN
1. Aan de in artikel 78 lid 2 bedoelde gedetineerden zal, indien zij naar het oordeel van de directeur zich deze gunst waardig betonen, de gelegenheid worden gegeven zich, in voege als door het diensthoofd aan te geven, versnaperingen aan te schaffen.
2. Waar mogelijk, zal aan andere gedetineerden, die naar het oordeel van de directeur zich deze gunst waardig betonen, de gelegenheid worden gegeven zich, hetzij uit het in artikel 68 bedoelde zakgeld, hetzij uit ingevolge artikel 50 lid 3 toegekende beloningen, in geld aan te geven, versnaperingen aan te schaffen.
3. De in leden 1 en 2 bedoelde versnaperingen, waaronder in de eerste plaats tabak of sigaretten, suiker en koffie (als drank) zijn te verstaan, mogen worden gebruikt op tijd en plaats, als door de directeur daarvoor aan te geven.
4. De aanschaffing van bedoelde versnaperingen geschiedt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de directeur of van een door deze aan te wijzen penitentiaire ambtenaar, en wordt in het beloningenregister, als in artikel 18 lid 1 bedoeld, geboekt.
6. Van een afwijzende beslissing van de directeur staat de in de leden 1 en 2 bedoelde gedetineerden beroep op het diensthoofd open.

Artikel 80
VERZOEK EN KLACHTEN
1. Alle gedetineerden mogen vrijelijk verzoeken en klachten bij het bevoegde gezag inbrengen.
2. Op anonieme of door vorm en inhoud onbehoorlijke of beuzelachtige verzoeken of klachten wordt geen acht geslagen.
3. Het opzettelijk vermelden van onware feiten in verzoeken of klachten wordt, voor zover zulks niet tot een strafvervolging aanleiding geeft, als in strijd met de tucht, overeenkomstig het in artikel 60 bepaalde gestraft .
4. Verzoek- of klaagschriften worden ingediend bij de directeur, die daarmede - voor zover aan anderen gericht - zal handelen, als in artikel 75 is aangegeven.

Artikel 81
ONDERBREKING TENUITVOERLEGGING
1. In bijzondere gevallen kan de minister bepalen, dat de tenuitvoerlegging van ene vrijheidsstraf voor een periode van ten hoogste drie maanden wordt onderbroken.
2. Door de minister worden nadere voorschriften omtrent de onderbreking der tenuitvoerlegging vastgesteld.

Artikel 82
VERLATEN DER INRICHTING
1. In bijzondere gevallen kan de minister aan een gedetineerde vergunnen, onder de door hem te stellen voorwaarden, de inrichting voor een bepaald gedeelte van de dag of voor kortere tijd te verlaten, zonder dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt onderbroken.
2. Ten aanzien van gedetineerden, die als verdachte of beklaagde in een strafzaak zijn betrokken, kan de in het vorige lid bedoelde vergunning, onder de daarbij te stellen voorwaarden, door het met de vervolging belaste gezag of, zolang de zaak in gerechtelijke instructie is, door de met de instructie belaste rechter-commissaris worden verleend.
3. De in de voorgaande leden bedoelde vergunning, die schriftelijk wordt gegeven, kan te allen tijde worden ingetrokken.
4. De directeur is verplicht voor een voortdurende en verantwoorde bewaking van de gedetineerde, tijdens diens tijdelijk verblijf buiten de inrichting, de nodige maatregelen te treffen, waartoe zo nodig de hulp van de politie kan worden ingeroepen.

Artikel 83
INVRIJHEIDSSTELLING
De invrijheidstelling van een gedetineerde geschiedt door de directeur, zodra de duur van de straftijd is verstreken of de geldigheid van het bevel of de ebschikking ophoudt, of zodra door het bevoegde gezag hem daartoe schriftelijk de last wordt verstrekt.

HOOFDSTUK IV
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 84-29
VOORLOPIGE HANDHAVING
1. Bij de inwerkingtreding van dit staatsbesluit vervalt het Gevangenisbesluit (G.B. 1928 no. 80, zoals laatstelijk gewijzigd bij G.B. 1971 no. 8), alsmede de Resolutie van 29 januari 1929 no. 335 (G.B. 1929 no. 8).
2. De voorschriften, ter uitvoering van het in het vorige lid genoemde Gevangenisbesluit vastgesteld, blijven gehandhaafd, zo lang en voor zover zij niet door andere, krachtens dit staatsbesluit, zijn vervangen en daarmede niet in strijd zijn.

Artikel 85-30
INWERKINGTREDING
Dit staatsbesluit, dat als “Penitentiair Besluit “ kan worden aangehaald, treedt met ingang van 1 juni 1973 in werking.
INHOUDSOVERZICHT
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1Definities
2 Bevoegd Gezag
3 Penitentiaire Ambtenmaren
4 Aanvullende Voorschriften

HOOFDSTUK II
DIENSTHOOFD EN PENITENTIAIARE AMBETANEREN
Paragraaf I
Instructie Diensthoofd

Artikel

5 Organisatie en Beheer
6 Het Korps Penitentiaire Ambtenaren
7 Penitentiaire ambtenaren
8 Toezicht Inrichtingen
9 Rapport en Informatie
10 Indiening Stukken
11 Periodieke Inspectie
12 Nadere Voorschriften

Paragraaf 2
Instructie Directeur

Artikel

13 Dagelijkse Leiding
14 Regeling Werkzaamheden
15 Veiligheid en Orde
16 Bewaring van Goederen
17 Delinquentenregister
18 Andere Registers
19 Nadere Voorschriften

Paragraaf 3
Instructie Bewakingspersoneel
Artikel

20 Eed en belofte
21 Werk en Geschenken
22 Strafbare Feiten
23 Onregelmatigheden
24 Kleding en Legitimatie
25 Behandeling Gedetineerden 31
26 Hiërarchische Verhouding
27 Opvolgen van Bevel
28 Aanwenden van Geweld
29 Mate van Geweld
30 Gebruik van Vuurwapen
31 Opmaking van rapport
32 Disciplinaire Straffen
33 Beloningen en Medailles
34 Beoordelingslijsten
35 Nadere Voorschriften

HOOFDSTUK III
INTERNE DIENST DER INRICHTINGEN
Paragraaf 1 Opneming in Inrichtingen

Artikel

36 Verdeling der Inrichtingen pag. 18
37 Huizen van Bewaring 18
38 Opneming Elders 19
39 Openbare Werken 19
40 Vertoning Document 20
41 Gescheiden Opneming 20
42 Opneming van Kinderen 21
43 Onderzoek bij Opneming 21
Paragraaf 2 Indeling in Klassen
Artikel 44 Vier Categorieën pag. 21
45 Eerste Klasse 22
46 Tweede Klasse 22
47 Derde Klasse 23
48 Vierde Klasse 23
49 Afzondering 23
50 Andere Behandeling 23

Paragraaf 3 Orde en Tucht
Artikel

51 Verboden Bezit pag. 24
52 Bewaringsregister 24
53 Vragen en Bevelen 25
54 Rustig Gedrag 25
55 Voeding 26
56 Kleding 26 32
57 Haar en Baard 26
58 Bad en Beweging 26
59 Geleiding 27
60 Tuchtstraffen 27
61 Dienstbezoek 27

Paragraaf 4 Arbeid en Onderwijs
Artikel

62 Arbeidstherapie pag. 28
63 Dagtaak 28
64 Taakwerk 29
65 Uitgaanskas 29
66 Onderwijs 30
67 Godsdienst 30

Paragraaf 5 Geneeskundige Verzorging
Artikel

68 Aanwijzing Geneeskundige pag. 31
69 Gezondheidstoestand 31
70 Geneeskundige Hulp 32
71 Besmettelijke Ziekte 32
72 Overbrenging 32
73 Toezicht op Naleving 33
74 Ziekenregister 33

Paragraaf 6 Andere Voorschriften
Artikel

75 Briefwisseling pag. 33
76 Ontvangst bezoek 35
77 Genot der pistole 35
78 Lectuur 36
79 Versnaperingen 36
80 Verzoeken en Klachten 37
81 Onderbrekingen Tenuitvoerlegging 37
82 Verlaten der Inrichting 37
83 Invrijheidstelling 38

HOOFDSTUK IV
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel

84 Voorlopige Handhaving pag. 38
85 Inwerkingtreding 39
3 Gew. bij G.B. 1975 no. 102.
4 Gew. bij S.B. 1975 no. 102.
5 Gew. bij G.B. 1975 no. 102.
6 Gew. bij G.B. 1975 no. 102.
7 Gew. bij G.B. 1972 no. 102.
8 Ingev. Bij S.B. 1981 no. 63.
9 Gew. bij G.B. 1975 no. 102.
10 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
11 Gew. bij G.B. 1975 – 102, S.B. 1975 no. 2..
12 Gew. bij G.B. 1975 – 102.
13 Gew. bij G.B. 1975 – 102.
14 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
15 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
16 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
17 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
18 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
19 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
20 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
21 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
22 Gew. bij S.B. 1975 no. 2
23 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
24 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
25 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
26 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
27 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
28 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
29 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.
30 Gew. bij S.B. 1975 no. 2.