Personeelswet


<< Terug naar overzicht

WET van 31 december 1962, houdende regelen omtrent de rechtstoestand van de landsdienaren en hun aanspraken op verloven, verlofsbezoldigingen en wachtgelden (Personeelswet) (G.B. 1962 no. 195), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1971 no. 76, G.B. 1972 no. 150, S.B. 1976 no. 19, S.B. 1980 no. 84, S.B. 1981 no. 148, S.B. 1982 no. 155, S.B. 1983 no. 46, S.B. 1987 no. 93.

EERSTE HOOFDSTUK
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
DEFINITIES
1. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:
ambtenaren: personen die krachtens een aanstelling in bezoldigde dienst van het
Land zijn;
arbeids-
contractanten: personen die krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van
het Land zijn;
landsdienaren: ambtenaren en arbeidscontractanten;
aanstelling: beschikking van het bevoegde gezag, waardoor een persoon, anders
dan met toepassing van het burgerlijk recht, in dienst van het Land
wordt genomen, of waarbij een tijdelijk dienstverband in een vast
dienstverband wordt omgezet;
benoeming: plaatsing in een bepaalde functie bij 's Landsdienst, anders dan
krachtens last tot waarneming als bedoeld in artikel 22;
maand: tijdvak van dertig dagen;
salaris: totaal bedrag in geld waarop een landsdienaar uit hoofde van zijn
dienstverband maandelijks - of, indien hij op weekbezoldiging dan wel
op week-, dag-, uur- of taakloon werkzaam is, wekelijks - aanspraak heeft.