Politiehandvest


<< Terug naar overzicht

WET van 17 april 1971, houdende regelen omtrent de politie in Suriname (Politiehandvest) (G.B. 1971 no. 70).

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
DEFINITIES
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
De minister: de Minister van Justitie en Politie;
Het korps: het in artikel 4 lid 1 bedoelde politiekorps;
Ambtenaren van politie: tot het korps behorende officieren, onderofficieren en manschappen;
Officieren: ambtenaren van politie ingedeeld in een der rangen; vermeld in artikel 23 lid onder a tot en met d;
Onderofficieren: ambtenaren van politie ingedeeld i een der rangen, vermeld in artikel 23 lid 1 onder e tot en met g;
manschappen: ambtenaren van politie ingedeeld in een der rangen, vermeld in artikel 23 lid 1 onder h en i.

Artikel 2
ONDERSCHEIDING DER POLITIE
1. De politie in Suriname wordt onderscheiden in:
a. de algemene politie, welke de ambtenaren van politie in de zin van artikel 1 omvat;
b. de bijzondere politie, waaronder worden verstaan de niet onder het Ministerie van Justitie en Politie ressorterende organen, welke bij wet met de opsporing van bepaalde soorten strafbare feiten zijn belast;
c. de militaire politie.
2. Waar in de navolgende bepalingen van de politie wordt gesproken, wordt daaronder uitsluitend de algemene politie verstaan.
 

Artikel 3
AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN
Onverminderd de bepalingen van deze wet, waarin een staatsbesluit is voorgeschreven, kunnen omtrent de in de navolgende hoofdstukken regelde onderwepen bij of krachtens staatsbesluit aanvullende voorschriften worden vastgesteld.
 

HOOFDSTUK 2

TAAK EN BEVOEGDHEDEN DER POLITIE

TITEL I

TAAKOMSCHRIJVING DER POLITIE

Artikel 4
KORPS POLITIE SURINAME
1. Er is in Suriname een algemeen politiekorps, dat de naam “Korps Politie Suriname” draagt.
2. Het vaandel en het embleem van het korps worden door de President vastgesteld.

Artikel 5
ALGEMENE POLITIETAAK
1. De politie heeft in het algemeen tot taak te zorgen voor:
a. de handhaving van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen van inbreuken daarop en de bescherming van personen en goederen;
b. de opsporing van strafbare feiten en het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, op welker overtreding straf is gesteld.
2. De politie oefent haar taak uit in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen.

Artikel 6
BIJZONDERE TAKEN
1 De politie kan worden belast met:
a. de inlichtingendienst;
b. de vreemdelingendienst;
c. het overbrengen en bewaken van gedetineerden;
d. het betekenen en uitreiken van gerechtelijke stukken in strafzaken;
e. de brandbestrijding;
f. andere werkzaamheden, welke haar worden opgedragen in verband met de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde;
g. het verlenen van hulp en bijstand in gevallen, waarin zulks redelijkerwijs van haar kan worden verwacht.
2. Het belasten van de politie met een of meer der in het vorige lid vermelde bijzondere taken geschiedt bij of krachtens staatsbesluit.
 

TITEL II
BEVOEGD GEZAG

Artikel 7
DE MINISTER VAN JUSTITIE EN POLITIE
De algemene leiding over de politie berust bij de minister.

Artikel 8
DE PROCUREUR-GENERAAL
1. Onverminderd het bepaalde in het vorige artikel is de procureur-generaal belast met de justitiële politiezorg. Hij is bevoegd aan de ambtenaren van politie zodanige instructies tot voorkoming, opsporing en nasporing van strafbare feiten te geven, als hij in het belang van een goede justitie nodig oordeelt.
2. De procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak der politie. Hij is bevoegd te dien aanzien de inlichtingen in te winnen en die voorstellen te doen, welke hem dienstig voorkomen.

Artikel 9
DE DISTRICTS-COMMISSARISSEN
1. De districts-commissaris zorgt voor de handhaving van de openbare orde en rust in zijn district. Hij heeft daartoe de leiding over de politie in zijn district, zulks binnen de in het volgende lid gestelde grenzen.
2. De districts-commissarissen onthouden zich van aanwijzingen van technisch-politiële aard. Zij doorkruisen geen bevelen van de minister of de procureur-generaal dan wel dienstvoorschriften van de korpschef, tenzij zich inmiddels feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, welke bij het geven daarvan kennelijk niet waren voorzien; in het laatste geval zijn zij gehouden onverwijld de betrokken autoriteit(en) hiervan in kennis te stellen.
 

Artikel 10
DE KORPSCHEF
1. Onverminderd de bevoegdheden van de procureur-generaal en de districts-commissarissen is de korpschef, onder de algemene leiding van de minister, belast met de organisatie en het beheer van de politie.
2. De korpschef wordt als zodanig benoemd en ontheven door de President.
3. De korpschef wordt bij afwezigheid, verhindering of ontsteltenis vervangen door de oudst aanwezige officier; in bijzondere gevallen kan door de President op andere wijze in de vervanging worden voorzien.
4. De korpschef is bevoegd dienstvoorschriften uit te vaardigen.
5. De instructie van de korpschef wordt bij staatsbesluit vastgesteld.

TITEL III
BEVOEGDHEDEN DER POLITIE

Artikel 11
BEVOEGDHEDEN TEN AANZIEN VAN PERSONEN EN ZAKEN
1. Tot de bevoegdheden van de politie behoort, onverminderd hetgeen daaromtrent in het Wetboek van Strafvordering en ander wettelijke regelingen is bepaald:
a. het verwijderen van personen van de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien die personen aldaar een gevaar voor hun eigen veiligheid of voor die van anderen opleveren, dan wel op openbare orde verstoren;
b. het nemen van de nodige maatregelen ten aanzien van dieren, stoffen en andere voorwerpen, welke een gevaar voor de openbare veiligheid of voor het verkeer opleveren.
2. Personen, die krachtens het bepaalde in het eerste lid onder a zijn verwijderd, kunnen door of vanwege een officier van politie onverwijld naar een voor hun tijdelijke bewaring geschikte plaats worden overgebracht. Zij worden in vrijheid gesteld, zodra geen gevaar als hierboven bedoeld dan wel verstoring van de openbare orde meer is te duchten. In geen geval worden zij langer dan gedurende een tijdvak van vier en twintig uren opgehouden, tenzij binnen dat tijdvak door het bevoegde gezag krachtens enig wettelijk voorschrift hun voortgezette vrijheidsbeneming is gelast.
3. De procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid.
4. Bij het nemen van maatregelen, als bedoeld in het eerste lid onder b, wordt niet verder gegaan dan in de gegeven omstandigheden, gelet op het belang van de openbare veiligheid en het verkeer, redelijkerwijs gerechtvaardigd is te achten. Van de genomen maatregelen wordt onverwijld rapport aan de betrokken districts-commissaris uitgebracht.

Artikel 12
GEBRUIK VAN GEWELD
1. Ingeval van onwil om aan een rechtmatige vordering van de politie te voldoen, dan wel bij blijkbare bedoeling om zich met geweld tegen rechtmatig optreden van de politie te verzetten, worden de betrokkenen tot gehoorzaamheid gesommeerd, onderscheidenlijk op de gevolgen van verzet gewezen.
2. De politie mag van geweld slechts gebruik maken:
a. tot noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding;
b. tot het uiteendrijven van volksoplopen of samenscholingen, dan wel tot het breken van gewelddadig verzet of andere ernstige tegenstand, zulks nadat vruchteloos overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid is gehandeld;
c. ter aanhouding van ontvluchte veroordeelden of van personen die van ernstig misdrijf worden verdacht.
3. Niet meer geweld mag worden gebruikt, dan met het belang van het daarmede te bereiken doel evenredig is; en niet meer pijn of letsel dient te worden toegebracht, dan in de gegeven omstandigheden blijkbaar onvermijdelijk is.
4. Indien zijn commandant of een andere meerdere ter plaatse aanwezig of onmiddellijk bereikbaar is, gaat een ambtenaar van politie, buiten het geval bedoeld in het tweede lid onder a, niet tot het gebruik van geweld over, dan nadat die commandant of andere meerdere daartoe opdracht of machtiging heeft gegeven.
5. Bij staatsbesluit kunnen nadere voorschriften betreffende het gebruik van wapenen door de politie worden vastgesteld.
 

Artikel 13
LEGITIMATIEPLICHT
1. Ambtenaren van politie, die niet in politie-uniform zijn gekleed, zijn verplicht zich desgevraagd tegenover een ieder, tot wie zij een vordering richten of aan wie zij een gevel geven, behoorlijk te legitimeren.
2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewone agenten van politie, als bedoeld in artikel 30, ten aanzien van het ressort waarvoor zij zijn aangesteld.
 

TITEL IV
SAMENWERKING MET ANDERE ORGANEN

Artikel 15
SAMENWERKING MET DE DISTRICTS-COMMISSARISSEN
IN HET ALGEMEEN
1. De commandant van een afdeling, als bedoeld in artikel 26 lid 1, draagt zorg, dat de commissaris van het district, waarover zijn gewest zich strekt, op de hoogte wordt gehouden van al hetgeen in dat district met betrekking tot de politie en de vervulling van haar taak voorvalt.
2. Over de vervulling van politietaken pleegt hij bij voortduring met de districts-commissaris het nodige overleg.
3. Hij verstrekt aan de districts-commissarisalle gegevens, welke deze voor de vervulling van zijn taak behoeft, voor zover de politie over de gegevens beschikt of voor de verzameling daarvan het meest aangewezen orgaan is.

Artikel 16
SAMENWERKING MET DE DISTRICTS-COMMISSARISSEN
INZAKE OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
1. Bij de vervulling van haar taak neemt de politie de door de districts-commissaris in het belang van de openbare orde en veiligheid in zijn district gegeven opdrachten in acht. Zodanige opdrachten worden zoveel mogelijk aan de bevoegde commandant verstrekt.
2. Ingeval van ernstige ongeregeldheden of rampen, alsmede bij onmiddellijke dreiging daarvan, is de commissaris van het district bevoegd alle nodige bevelen, mede voor wat betreft het gebruik van wapenen, te geven. Indien mogelijk, wint hij dienaangaande vooraf het oordeel in van de minister; van de getroffen maatregelen geeft hij zo spoedig mogelijk kennis aan de minister, alsmede aan de procureur-generaal en de korpschef.

Artikel 17
SAMENWERKING MET DE DISTRICT-COMMISSARIS
INZAKE OPSPORING VAN STRAFBARE FEITEN
1. De commandant van een afdeling, al bedoeld in artikel 23 lid 1, draagt zorg, dat de opgemaakte processen-verbaal inzake strafbare feiten, welke vermoedelijk zijn begaan in het district, waarover zijn gewest zich strekt, terstond ter kennis van de commissaris van dat district worden gebracht.
2. Hij stelt de ditsricts-coimmisssaris onverwijld op de hoogte van belangrijke strafbare feiten.

Artikel 18
SAMENWERKING MET DE DISTRICTS-COMMISSARISSEN
INGEVAL VAN NIET-SAMENVALLEN VAN DISTRICT EN GEWEST
De artikelen 15 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing op de samenwerking tussen de districts-commissarissen en de politie in gevallen, waarin de grenzen van een district niet geheel met die van een gewest, als bedoeld in artikel 26 lid 1, samenvallen.
 

Artikel 19
SAMENWERKING MET JUSTITIËLE AUTORITEITEN
IN STRAFZAKEN
Bij de vervulling van haar taak is de politie gehouden uitvoering te geven aan de haar verstrekte opdrachten van de autoriteiten, die met de vervolging of het gerechtelijk vooronderzoek in strafzaken zijn belast.

Artikel 20
VERDERE SAMENWERKING
De politie verleent, in de gevallen en in de mate, waarin zulks redelijkerwijs van haar kan worden gevergd en zij daartoe het meest aangewezen orgaan is, aan alle overheidsorganen de hulp en bijstand, welke deze voor de vervulling van hun wettelijke taak behoeven.
 

Artikel 21
KLACHTEN OVER ONVOLDOENDE SAMENWERKING
1. Indien enig overheidsorgaan van oordeel is, dat het onvoldoende medewerking van de zijde van de politie ondervindt, wendt het zich in eerste aanleg tot de korpschef. Leidt zulks niet tot een bevredigende oplossing, dan brengt het zijn klacht ter kennis van de minister.
2. De minister beslist op de klacht, zo mogelijk na overleg met zijn ambtgenoot, onder wie het betrokken overheidsorgaan ressorteert.

HOOFDSTUK 3
ORGANISATIE EN BEHEER DER POLITIE

TITEL I
DIENSTVERBAND EN RANGENINDELING

Artikel 22
AANSTELLING ENZ. VAN AMBTENAREN VAN POLITIE
De aanstelling, bevordering, schorsing en het ontslag, alsmede de indeling in rangen en klassen, van de tot het korps behorende ambtenaren van politie geschieden, voor zover
het officieren betreft, door de President, en voor wat betreft de onderofficieren en manschappen aangaat, door de minister.

artikel 23
INDELINGEN IN RANGEN EN KLASSEN
1. De tot het korps behorende ambtenaren van politie worden in de navolgende rangen ingedeeld:
a. hoofdcommissaris
b. commissaris
c. hoofdinspecteur
d. inspecteur van politie
e. majoor
f. brigadier
g. agent
h. hulpagent
2. De rangen van inspecteur, agent en hulpagent kunnen bij staatsbesluit in klassen worden onderverdeeld.

Artikel 24
EISEN VAN BENOEMBAARHEID EN BEVORDERING
1. Bij of krachtens staatsbesluit kunnen ten aanzien van de ambtenaren van politie voorschriften omtrent de eisen van benoembaarheid en bevordering worden vastgesteld.
2. Onder bevordering wordt verstaan verhoging van rang of van klasse.
3. Voor de bepaling van de anciënniteit, met het oog op eventuele bevordering, wordt een klasse als een afzonderlijke rang beschouwd.

Artikel 25
NADERE VOORSCHRIFTEN
1. Bij of krachtens staatsbesluit wordt een instructie voor de ambtenaren van politie vastgesteld, waarin voorschriften kunnen worden opgenomen ten aanzien van de werving, de opleiding, het onderricht, de beëdiging, de kleding, de bewapening, de overige uitrusting, de keuring en de controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
2. Door de President worden modellen vastgesteld van de overeenkomsten, welke worden aangegaan met hen, die zonder tot het korps te behoren een politiële opleiding genieten.

TITEL II
TERRITORIALE EN FUNCTIONELE INDELING

Artikel 26
AFDELINGEN EN POSTEN
1. Het grondgebied van Suriname wordt door de President verdeeld in gewesten, in elk waarvan een afdeling van het korps met de vervulling van de politiedienst wordt belast.
2. De grenzen van de gewesten vallen zoveel mogelijk samen met die van de districten; afwijking geschiedt alleen, indien en voor zover zulks, naar het oordeel van de President, in het belang van een goede vervulling van de politiedienst bepaaldelijk gewenst is.
3. De gewesten worden door de minister verdeeld in ressorten, in elk waarvan een of meer politieposten zijn gevestigd.
 

Artikel 27
GESPECIALISEERDE ONDERDELEN
1. Het korps omvat, behalve de in artikel 26 lid 1 bedoelde afdelingen, een door de minister vast te stellen aantal gespecialiseerde onderdelen, waarvan de taken bepaalt.
2. De minister kan een of meer gespecialiseerde onderdelen of bepaalde ambtenaren van politie ter beschikking stellen van het openbaar ministerie voor het verrichten van speciale werkzaamheden. Ten aanzien van zodanig onderdeel of bedoelde ambtenaren laat hij de uitoefening van zijn bevoegdheden aan de procureur-generaal over.
 

Artikel 28
STERKTE DER POLITIEMACHT
1. De minister stelt de totale sterkte, alsmede de sterkte van de onderdelen en afdelingen van het korps vast.
2. Omtrent de vaststelling van de sterkte der recherche en van een gespecialiseerd onderdeel, als bedoeld in artikel 27 lid 2, wordt het advies van de procureur-generaal ingewonnen.
3. Omtrent de vaststelling van de sterkte van een afdeling van het krops wordt het advies van de betrokken districts-commissaris ingewonnen.

Artikel 29
INDELING VAN HET PERSONEEL
1. De benoeming en ontheffing van commandanten, alsmede de indeling van het overige personeel bij een afdeling of onderdeel van het korps, geschieden door de korpschef, tenzij de minister zich een of meer van deze bevoegdheden wenst voor te behouden.
2. Ten aanzien van de recherche en een gespecialiseerd onderdeel of ambtenaar, als bedoeld in artikel 27 lid 2, alsmede voor de verplaatsing van bij zondanig onderdeel ingedeeld personeel, is overleg met de procureur-generaal vereist.
 

Artikel 30
BUITENGEWONE AGENTEN VAN POLITIE
1. Door de minister kunnen buitengewone agenten van politie worden aangesteld, geschorst en ontslagen. Voor zover zij algemene politiediensten verrichten, zijn zij ondergeschikt aan de korpschef; voor het overige wordt hun instructie bij of krachtens staatsbesluit geregeld.
2. Zij hebben als zodanig geen aanspraak op bezoldiging, wachtgeld of pensioen. Door de minister kunnen aan hen voor bijzondere prestaties beloningen worden toegekend.
3. Voor de toepassing van artikel 12 lid 4 en artikel 13 moeten de buitengewone agenten van politiegeacht worden onder de ambtenaren van politie in de zin van artikel 1 te zijn begrepen.
4. Over de buitengewone agenten van politie, die behoren tot de krijgsmacht van de Staat, oefent de korpschef zijn gezag niet uit dan in overeenstemming met de bevoegde militaire commandant.

Artikel 31
RESERVE-POLITIE
1. Aan het korps kunnen vrijwilligers worden toegevoegd, die zich hebben verbonden om, bij bijzondere gelegenheden of onder buitengewone omstandigheden, na oproeping in werkelijke dienst de politie bij te staan.
2. Deze vrijwilligers vormen tezamen de reserve-politie, waarvan de organisatie en het beheer bij staatsbesluit worden geregeld.
 

HOOFDSTUK 4
RECHTSPOSITIE VAN AMBTENAREN VAN POLITIE

 

TITEL I
RECHTEN EN PLICHTEN

Artikel 32
COMMISSIE VOOR OVERLEG
1. De algemene regelen omtrent de rechtspositie van landsdienaren zijn mede van toepassing op de ambtenaren van politie, voor zover daarvan niet bij deze wet uitdrukkelijk is afgeweken.
2. Er is een commissie voor overleg in politieambtenarenzaken, bestaande uit vertegenwoordigers van het Land en van organisaties van de ambtenaren van politie.
3. De minister legt, alvorens een beslissing wordt genomen in aangelegenheden, die in algemene zin voor de bijzondere rechtstoestand van de ambtenaren van politie van belang zijn, deze ter behandeling aan de in het tweede lid bedoelde commissie voor.
4. De minister is bevoegd ook andere dan in het derde lid bedoelde aangelegenheden ter behandeling aan de commissie voor te leggen.
5. Nadere regelen met betrekking tot het overleg in politieambtenarenzaken worden bij staatsbesluit vastgesteld.

Artikel 33
TUSSENTIJDSE KEURING
1. De ambtenaren van politie kunnen, tekens wanneer daarvoor naar het oordeel van de minister voldoende termen aanwezig zijn, in de loop van hun diensttijd aan een geneeskundig onderzoek worden onderworpen.
2. Blijkt bij een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, dat de betrokkene niet meer voldoet aan de eisen, welke met het oog op hun lichamelijke en geestelijke paraatheid aan ambtenaren van politie moeten worden gesteld, dan wordt hij aan de actieve politiedienst onttrokken. Indien hij wel geschikt is voor het verrichten van andere werkzaamheden in ’s Lands dienst, wordt hij zo mogelijk in een hem passende functie, bij voorkeur binnen het korps, benoemd; in afwachting van zodanige benoeming kan hij op wachtgeld worden gesteld. Bij gebleken algehele ongeschiktheid voor ’s Lands dienst wordt hem definitief ontslag verleend.
3. Op de duur en de hoogte van het wachtgeld, bedoeld in het voorgaande lid, zijn de algemene voorschriften omtrent wachtgeld voor gewezen ambtenaren, die in belang van de openbare dienst zijn ontslagen, van toepassing.
 

Artikel 34
GENEESKUNDIGE VERZORGING
1. De ambtenaren van politie hebben, volgens regelen bij staatsbesluit te stellen, recht op vrije geneeskundige behandeling en verpleging, alsmede op verstrekking van geneesmiddelen, voor hen en hun wettig gezin.
2. Voor de toepassing van het bepaald in het eerste lid zijn binnen de bij staatsbesluit te stellen grenzen heelkundige, verloskundige en tandheelkundige behandeling onder geneeskundige behandeling begrepen.
 

Artikel 35
KLEDING, SCHOEISEL, UITRUSTING EN DIENSTWONING
1. Aan de ambtenaren van politie wordt, volgens regelen bij of krachtens staatsbesluit te stellen, bovenkleding en schoeisel verstrekt of een toelage daarvoor toegekend.
2. Wapenen en andere uitrustingsstukken worden van Landswege verstrekt en blijven eigendom van het Land.
3. Aan de ambtenaren van politie kan, volgens regelen bij of krachtens staatsbesluit te stellen, een dienstwoning ter beschikking worden gesteld dan wel een vergoeding voor het gemis daarvan worden verstrekt.

Artikel 36
NADERE VOORSCHRIFTEN
1. Door de President worden voor het korps voorschriften vastgesteld omtrent:
a. de werktijden;
b. compensatie, hetzij in geld, hetzij in extra vrije dagen of uren, voor overwerk en diensten op zondagen en daarmee gelijk gestelde dagen, voor zoveel betreft de in die voorschriften aangewezen categorieën van ambtenaren;
c. beloningen voor bijzondere prestaties en langdurige trouwe dienst.
2. Bij de in het vorige lid bedoelde voorschriften kan van de algemene regelen betreffende de rechtspositie van landsdienaren worden afgeweken.
 

TITEL II
KORPSDISCIPLINE

Artikel 37
NAUWGEZETTE EN IJVERIGE PLICHTSVERVULLING
1. De discipline wordt onder de ambtenaren van politie in militaire trant gehandhaafd.
2. De ambtenaar van politie is gehouden de uit zijn ambt voortvloeiende plichten, krachtens deze wet of krachtens haar vastgestelde staatsbesluiten of dienstvoorschriften, nauwgezet en ijverig te vervullen.
3. Een verhouding van meerdere tot mindere bestaat binnen het korps tussen:
a. de korpschef en de overige ambtenaren van politie;
b. een commandant van een afdeling of onderdeel en de daartoe behorende ambtenaren van politie;
c. de ambtenaar van politie, die met enig tijdelijk commando of met enige instructie of leiding is belast, en de onder zijn bevelen of leiding geplaatste ambtenaren;
d. ambtenaren van politie van hogere en lagere rang;
e. de ambtenaar van politie van gelijke rang, doch van hoger en lagere klasse;
f. ambtenaren van politie van gelijke rang en klasse, doch van meerdere en mindere anciënniteit daarin.
4. Voor de verhouding van meerdere tot mindere is de volgorde van de met de letters a tot en met f aangeduide onderdelen van het vorige lid beslissend.
5. De hoogte van de rangen wordt door de volgorde van artikel 23 lid 1 bepaald.
6. De ambtenaren van politie behoren bij het zich wenden tot een hogere instanties steeds de hiërarchische weg te volgen.
 

Artikel 38
RANGLIJST EN BEOORDELINGSLIJSTEN
1. Ten aanzien van de ambtenaren van politie wordt door de korpschef een ranglijst met nummering voor elke rang en klasse bijgehouden, waaruit hun anciënniteit blijkt. De ambtenaren van politie zijn bevoegd van deze lijst, voor zover betrekking hebbende op hun huidige rang en klasse, kennis te nemen.
2. Indien een ambtenaar van politie zich met zijn plaats op de ranglijst niet kan verenigen en overleg met de korpschef niet tot wijziging daarvan leidt, kan de ambtenaar schriftelijk beroep instellen bij de minister, die een met redenen omklede beschikking beslist.
3. Door de Korpschef worden voorts lijsten gehouden, waarin met betrekking tot de ambtenaren van politie aantekeningen geschiedt van hun gedrag, geschiktheid, bekwaamheid en dienstijver, alsmede van de toegekende beloningen en de opgelegde tuchtstraffen, onder vermelding van de redenen, welke daartoe hebben geleid.
4. De aantekening van een opgelegde tuchtstraf kan in bij staatsbesluit te bepalen gevallen worden doorgehaald.
 

Artikel 39
BUITENFUNCTIESTELLING
1. Indien het redelijk vermoeden bestaat, dat een ambtenaar van politie zich aan een ernstig strafbaar feit of ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, kan hij, in afwachting van hetgeen te zijnen aanzien door het tot schorsing of tot oplegging van straffen bevoegde gezag zal worden beslist, door de korpschef of door de commandant van een afdeling, als bedoeld in artikel 26 lid 1, buiten functie worden gesteld. Indien laatstbedoelde commandant tot deze maatregel overgaat, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de korpschef.
2. Over het tijdvak, waarin een ambtenaar van politie buiten functie is gesteld, wordt hem geen salaris uitbetaald. Indien noch ontslag noch schorsing volgt, wordt het salaris over voormelde tijdvak alsnog uitbetaald.
3. Het tijdvak, waarin een ambtenaar van politie buiten functie is gesteld, eindigt:
a. zodra de minister of de korpschef daartoe besluit;
b. zodra ter zake van de feiten, welke tot de maatregel aanleiding hebben gegeven, schorsing of straf is opgelegd;
c. na verloop van een week, behoudens de mogelijkheid van verlenging met een week door de minister.
 

TITEL III
TUCHTSTRAFFEN

Artikel 40
OPSOMMING VAN TUCHTSTRAFFEN
1. Aan een ambtenaar van politie, die in hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan een der tuchtstraffen worden opgelegd:
a. schriftelijke betuiging van ontevredenheid;
b. berisping;
c. strafdienst, bestaande in het verrichten van extra-dienst op ten hoogste vijftien werkdagen, gedurende twee achtereenvolgende weken vallende, vrije dagen;
d. intrekking van ten hoogste vier, bij voorkeur niet in opeenvolgende uren per dag;
e. boete, tot een bedrag van ten hoogste gelijk een de bezoldiging over tien daen, ten voordele van de renumeratiekas van de politie;
f. onthouding van bevordering en van periodieke verhogingen voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar;
g. vermindering van anciënniteit me ontneming van ten hoogste twee periodieke verhogingen;
h. schorsing, voor een tijdvak van ten hoogste een maand met inhouding van bezoldiging;
i. degradatie, bestaande in verlaging in rang of klasse;
j. ontslag.
2. Strafdienst kan uitsluitend worden opgelegd aan ambtenaren beneden de rang van onderofficieren.
 

Artikel 41
AANVULLENDE BEPALINGEN
1. Bij het leggen van de tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder f, kan worden bepaald, dat de ambtenaar na afloop van de straftijd de bezoldiging zal genieten, die hij onder deze tuchtstraf zou hebben genoten.
2. Bij het opleggen van de tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder g, kan worden bepaald, dat de ambtenaar na verloop van een daarbij vast te stellen termijn, voor wat betreft zijn salaris en anciënniteit, in de positie zal komen te verkeren, waarin hij zonder deze straf zou hebben verkeerd.
3. Het bepaalde in artikel 40 lid 1 onder h laat de mogelijkheid van schorsing bij wijze van voorlopige maatregel, hangende een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek, onverlet.
4. Bij het opleggen van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1onder i, kan worden bepaald, dat de ambtenaar na verloop van een daarbij vast te stellen termijn in ten hoogste de vroeger door hem beklede rang of klasse zal worden bevorderd.
 

Artikel 42
COMBINATIE VAN TUCHTSTRAFFEN
1. Boete kan tezamen en gelijktijdig met strafdienst dan wel met intrekking van vrije dagen worden opgelegd.
2. Ingeval van toepassing van artikel 45 lid 4 kan, naast de tuchtstraf waarop een proeftijd betrekking heeft, tevens een andere tuchtstraf worden opgelegd, voorzover de strafoplegger daartoe ingevolge artikel 43 bevoegd is.
3. Voor het overige kan ter zake van hetzelfde feit niet meer dan één tuchtstraf worden opgelegd door het tot schorsingen ontslag bevoegde gezag.

Artikel 43
STRAFBEVOEGDHEID
1. Bevoegd tot betuiging van ontevredenheid, berisping en oplegging van strafdienst zijn de minister, de korpschef en de commandant van een afdeling als bedoeld in artikel 26 lid1.
2. Bevoegd tot oplegging van boete zijn de minister en de korpschef.
3. De overige tuchtstraffen worden opgelegd door het tot schorsing en ontslag bevoegde gezag.

Artikel 44
OPLEGGING VAN TUCHTSTRAFFEN
1. Een tuchtstraf wordt niet opgelegd, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich ter zake mondeling en, zo nodig, schriftelijk te verantwoorden.
2. Indien ter zake van een door een ambtenaar van politie begaan plichtsverzuim tevens een strafrechtelijk onderzoek gaande is, wordt geen tuchtstraf opgelegd, dan nadat de procureur-generaal in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelens daaromtrent te doen kennen.
3. Bij het bepalen van de soort en de maat van een tuchtstraf wordt rekening gehouden met:
a. de ernst van het plichtsverzuim, waaraan de ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt;
b. de gevolgen van het plichtsverzuim;
c. de omstandigheden, waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan;
d. het algemeen gedrag en de dienstijver van de ambtenaar, alsmede diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden.
4. Een besluit tot oplegging van een tuchtstraf wordt onder opgave van redenen aan de betrokkene in persoon medegedeeld.
Ten aanzien van de tuchtstraffen, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j, wordt hem tevens een afschrift van het met redenen omkleed besluit tot strafoplegging uitgereikt.

Artikel 45
TENUITVOERLEGGING VAN TUCHTSTRAFFEN
1. Een tuchtstraf wordt, voor zover bij de oplegging daarvan niet anders is bepaald, onmiddellijk ten uitvoer gelegd niettegenstaande de mogelijkheden van beroep en nietigverklaring door de bevoegde rechter.
2. Tenuitvoerlegging van de tuchtstraf van boete geschiedt door middel inhouding op het salaris. Telkens kan niet meer dan een tiende deel van het salaris voor verhaal van een boete worden ingehouden.
3. Indien aan een ambtenaar de tuchtstraf van schorsing wordt opgelegd, wordt bij de tenuitvoerlegging daarvan de tijd, gedurende welke hij in verband met dezelfde zaak buiten functie is gesteld of anders dan bij wijze van tuchtstraf geschorst is geweest, in mindering gebracht.
4. Bij het opleggen van een tuchtstraf, met uitzondering van betuiging van ontevredenheid en van berisping, kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de gestrafte voorwaarden, welke evenwel zijn godsdienstige en staatkundige vrijheid niet mogen beperken, nakomt. Als algemene voorwaarde geldt steeds, de gestrafte zich niet aan enig plichtsverzuim van dezelfde aard, als dat waarvoor de tuchtstraf is opgelegd, noch aan ernstig plichtsverzuim van andere aard, zal schuldig maken.

Titel IV
RECHTSMIDDELEN

Artikel 46
ADMINISTRATIEF BEROEP
1. Binnen zeven dagen na de dag, waarop de tuchtstraf ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen, kan hij schriftelijk beroep instellen:
a. van een beslissing van de commandant van een afdeling, als bedoeld in artikel 26 lid 1: bij de korpschef;
b. van een beslissing van de korpschef: de minister;
c. van een beslissing van de minister: bij de President.
2. Op het beroep wordt zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen drie maanden, bij een met redenen omklede beschikking beslist, waarbij de opgelegde tuchtstraf ook kan worden verzwaard. Een afschrift van deze beslissing wordt onverwijld aan de betrokkene uitgereikt.
 

Artikel 47
BEROEP OP DE RECHTER
1. Behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken zich mede tot zaken betreffende ambtenaren van politie uit.
2. Het geding wordt op dezelfde wijze als in ander ambtenarenzaken gevoerd.
3. Niet vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder a tot en met d.
4. Vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j, zijn niet ontvankelijk:
a. indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen;
1b. indien overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 beroep is ingesteld, zolang daarop nog niet is beslist;
c. indien zij zijn ingesteld meer dat een maand, nadat de beslissing op het onder b bedoeld beroep ter kennis van de bestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen.

Artikel 48
HERZIENING
Een beslissing, waarbij een tuchtstraf is opgelegd, kan ambtshalve of op verzoek van de gestrafte, op de in artikel 318 van het Surinaams Wetboek van Strafvordering genoemde gronden, door de President ten gunste van de gestrafte worden herzien.
 

Artikel 49
SCHADELOOSSTELLING
Indien bij een beslissing ingevolge een der bepalingen van de artikelen 46 tot en met 48 een minder zware tuchtstraf wordt opgelegd, dan wel geheel van bestraffing wordt afgezien, bepaalt het gezag, dat die beslissing neemt, voor zoveel nodig, de wijze waarop de betrokken ambtenaar schadeloos zal worden gesteld.
 

HOOFDSTUK 5
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 50
WIJZIGING VAN HET SURINAAMS WETBOEK VAN STRAFVORDERING
In het Surinaams Wetboek van Strafvordering worden de navolgende wijzigingen aangebracht:
a. Artikel 8 wordt gelezen als volgt:
“1. Behoudens het bepaalde in het derde lid zijn tot het opsporen van alle strafbare feiten bevoegd:
1°. de Procureur-Generaal, de Advocaat-Generaal en Officieren en Substituut-Officieren van Justitie;
2°. de Districts-Commissarissen, ieder voor zoveel betreft het door hem beheerde district;
3°. de ambtenaren van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest;
4°. de buitengewone agenten van politie, voor zover hun opsporingsbevoegdheid niet door de Minister van Justitie en Politie is beperkt.
2. Bevoegd tot het opsporen van bepaalde soorten strafbare feiten zijn de daartoe bij of krachtens wet aangewezen personen.
3.De ambtenaren van politie genoemd in het eerste lid onder 3° en 4° mogen hun opsporingsbevoegdheid niet uitoefenen gedurende het tijdvak, waarin zij buiten functie zijn gesteld of geschorst.”
b. Artikel 9 en artikel 17 eerste lid vervallen;
c. Artikel 23 wordt gelezen als volgt:
“Hulpofficieren zijn de Districts-commissarissen en de officieren van politie”.

Artikel 51
VOORLOPIGE HANDHAVING VAN BESTAANDE VOORSCHRIFTEN
1. Ingetrokken wordt de wet van 21 december 11894 (G.B. 1895 no. 10), zoals sedertdien gewijzigd en aangevuld, waarbij de organisatie van de gewapende politie in Suriname is geregeld.
2. De voorschriften, vastgesteld ter uitvoering van de in het vorige lid vermelde wet, blijven gehandhaafd, zolang en voor zover zij niet door andere, krachtens deze wet, zijn vervangen en daarmede niet in strijd zijn.
 

Artikel 52
INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL
1. Deze wet treedt, hetzij in haar geheel, hetzij bij gedeelten, op het (de) door de President te bepalen tijdstip(pen) in werking.
2. Zij kan als “Politiehandvest” worden aangehaald.