Veiligheidswet


<< Terug naar overzicht

WET van 8 september 1947, houdende bepalingen tot beveiliging bij de arbeid (G.B. 1947 no. 142), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1962 no. 109, S.B. 1980 no. 116.

EERSTE AFDELING ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1-1

Deze wet verstaat onder:

a. "arbeid", alle werkzaamheden in een onderneming, behalve werkzaamheden, verricht door het hoofd of de bestuurder of diens echtgenote;

b. "hoofd of bestuurder", het hoofd of de bestuurder der onderneming;

c. "werknemers", personen van beiderlei kunne, die al of niet geregeld arbeid verrichten;

d. "directeur": de direkteur van Sociale Zaken;

e. "minister": de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze wet worden met een onderneming gelijkgesteld:

a. het uitvoeren in eigen beheer van de bouw, de aanleg, de verbouwing, de herstelling of de sloping van gebouwen of bouwwerken, dan wel van mijnwerken;

b. bedrijven of diensten onder beheer van het Gouvernement of enig publiekrechtelijk lichaam en van rechtspersonen, behoudens voor zoveel het betreft de werkzaamheden in militair verband, waarbij slechts militairen betrokken zijn;

c. ambachts- en vakscholen.

TWEEDE AFDELING MAATREGELEN TOT BEVEILIGING

Artikel 3-2

1. Door de President kunnen voorschriften worden geven, hetzij ten aanzien van alle ondernemingen, hetzij ten aanzien van bepaalde aangewezen ondernemingen, ten aanzien van:

a. het voorkomen en beperken van ongevallen en van brand, het verschaffen van hulp bij ongevallen en van gelegenheid tot ontvluchting bij brand;

b. het bevorderen van de zindelijkheid;

c. het bevorderen van een draaglijke temperatuur;

d. het tegengaan van het ontstaan en de verspreiding of het verwijderen van schadelijke of hinderlijke dampen of gassen of van stof.

e. het voorkomen van schade aan de gezondheid tengevolge van de arbeid;

f. de hoogte van werklokalen en de vrije luchtruimte voor elke persoon in verband met de hoogte;

g. de dagverlichting en de kunstverlichting;

h. de electrische installatie;

i. kleedkamers, kleederbergplaatsen, schaftgelegenheden en slaapverblijven;

j. privaten, urinoirs en wasgelegenheden.

2. Het hoofd of de bestuurder is verplicht te zorgen, dat in zijn onderneming voldaan is aan de krachtens dit artikel gegeven voorschriften. Gelijke verplichting rust op het opzichthoudend personeel, ieder voorzoveel betreft de arbeid waarover hij het opzicht heeft.

3. Aan de verplichting van het hoofd of de bestuurder en van het opzichthoudend personeel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zij aantonen, dat door hen de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het rede-lijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden, om de naleving te verzekeren van de bepalingen, voor welke naleving zij verplicht waren te zorgen.

4. Een werknemer, die arbeid verricht waarop een voorschrift, krachtens dit artikel gegeven, van toepassing is, is verplicht bij of terzake van die arbeid dat voorschrift na te leven en de op grond van dat voorschrift aanwezige en voor hem bestemde beveiligingsmiddelen aan te wenden.

Artikel 3 -bis3

1. Het is verboden bij staatsbesluit aan te wijzen werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen alsmede hetgeen daartoe behoort in een onderneming in werking te brengen of in werking te hebben zonder vergunning van de directeur.

2. Bij staatsbesluit wordt vastgesteld aan welke eisen de in het vorige lid bedoelde werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen met hun toebehoren moeten voldoen.

3. De vergunning wordt verleend indien de werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen met hun toebehoren bij keuring door de dienst der Arbeidsinspektie blijken te voldoen aan de krachtens lid 2 of krachtens artikel 3 ten aanzien daarvan gegeven voorschriften. Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden, onder meer betref-fende herkeuring. Van weigering der vergunning geeft de in het eerste lid bedoelde ambtenaar terstond schriftelijk kennis aan de verzoeker, met vermelding van de gronden waarop de weigering steunt.

4. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan door de dienst der Arbeidsin-spektie elk der krachtens lid 1 aangewezen werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen met hun toebehoren aan een keuring worden onderworpen, indien en zodra het hoofd van de dienst zulks in het belang van de veiligheid wenselijk acht. De vergunning kan door de directeur worden ingetrokken, indien de desbetreffende werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen met hun toebehoren bij keuring niet aan de voorgeschreven eisen blijken te voldoen.

5. Het hoofd of de bestuurder van een onderneming is verplicht de te keuren werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen en de werknemers die in verband met de keuring nodig zijn, ter beschikking van de betrokken ambtenaar te stellen en overigens alle door hem verlangde medewerking bij de keuring te verlenen.

6. Bij staatsbesluit wordt bepaald op welke wijze de keuring dient te geschieden en welke regelen daarbij moeten worden in acht genomen.

7. Bij staatsbesluit kunnen tarieven worden vastgesteld welke voor de bij of krachtens deze wet voorgeschreven, verrichte of eventueel verzochte keuringen in rekening kunnen worden gebracht.

Artikel 3 ter4

1. Door of vanwege de directeur kunnen de krachtens artikel 3 bis aangewezen werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen met hun toebehoren of onderdelen daarvan worden verzegeld indien naar zijn oordeel de werktuig daarvan ernstig gevaar oplevert voor de in de onderneming werkzame personen tengevolge van het niet naleven van de krachtens artikel 3 of artikel 3 bis, lid 2 gegeven voorschriften.

2. Van de verzegeling wordt door de betrokken ambtenaar een procesverbaal, bevattende de redenen van de verzegeling, opgemaakt en binnen tweemaal 24 uur aan het hoofd of de bestuurder uitgereikt.

3. Het hoofd of de bestuurder kan binnen veertien dagen na de verzegeling bij gemotiveerd verzoekschrift daartegen in beroep komen bij de kantonrechter in wiens rechtsgebied de werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen met hun toebehoren zich bevinden. De kantonrechter geeft, na het hoofd of de bestuurder en de directeur en zo nodig deskundigen te hebben gehoord, zijn met redenen omklede beschikking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen nadat het beroepschrift ter griffie is ingediend. De beëdiging van deskundigen geschiedt volgens de bepalingen van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Indien de rechter het beroep gegrond acht zal hij de ontzegeling gelasten. De beschikking van de kantonrechter is niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.

4. De directeur draagt voor de ontzegeling zorg, zodra aan de voorschriften is voldaan en geen ernstig gevaar voor de veiligheid meer aanwezig is, dan wel zodra de rechter de ontzegeling heeft gelast.

Artikel 3 quater5

Tegen weigering of intrekking van de in artikel 3 bis bedoelde vergunning kan door het hoofd of de bestuurder binnen 2 weken na de ontvangst van de kennisgeving daarvan, beroep worden ingesteld bij de minister.

Artikel 4

1. Het hoofd of de bestuurder is verplicht ter plaatse waar arbeid in zijn onderneming wordt verricht, of op de dichtstbijzijnde plaats, een kennisgeving gesteld in de Nederlandse taal, aan te pakken of op te hangen en aangepakt of opgehangen te houden, bevattende de op de onderneming betrekking hebbende voorschriften, gegeven krachtens artikel 3.

2. Het hoofd of de bestuurder zorgt, dat een afschrift van deze kennisgeving wordt verstrekt aan de in dienst der onderneming zijnde werknemers binnen acht dagen na de ophanging of aanplakking, dan wel aan nieuwe werknemers vóór of bij hunne indiensttreding; een en ander voorzover die werknemers met het oog op de aard van hun arbeid daarvoor in aanmerking komen.

DERDE AFDELING TOEZICHT

Artikel 5

De Directeur van Sociale Zaken, de Districts-Commissarissen en andere door de President aan te wijzen ambtenaren zijn belast met de handhaving van deze wet en van de krachtens haar gegeven voorschriften en met de medewerking aan de uitvoering ervan.

Artikel 6

Het hoofd of de bestuurder van een onderneming en de daarin werkzame personen zijn verplicht aan de in artikel 5 bedoelde ambtenaren de verlangde inlichtingen te geven omtrent de zaken en feiten, de naleving van deze wet en de krachtens haar gegeven voorschriften betreffende. De inlichtingen moeten, zo dit verzocht wordt, schriftelijk worden verstrekt binnen de door die ambtenaren gestelde termijn.

Artikel 7

1. Het hoofd of de bestuurder zend, binnen een maand na de inwerking treding van deze wet, dan wel binnen een maand na het inwerking brengen van een onderneming, aan de Directeur van Sociale Zaken een opgave:

a. van het bedrijf dat wordt uitgeoefend;

b. van de soort drijfkracht en het aantal krachtwerktuigen, die worden gebezigd, dan wel het gebruik van een oven of stoomketel;

c. van het aantal der personen, die aldaar in de regel zullen verblijven.

2. Van iedere wijziging wordt op dezelfde wijze een opgave gezonden binnen een maand nadat die wijziging heeft plaatsgehad.

VIERDE AFDELING STRAFBEPALINGEN

Artikel 8-6

1. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden worden gestraft:

a. overtreding van het bepaalde bij artikel 3 of van de krachtens dit artikel gegeven voorschriften, artikel 4, artikel 6 of artikel 7.

b. het hoofd of de bestuurder van een onderneming die zonder vergunning, nadat de vergunning is ingetrokken of in strijd met de aan die vergunning verbonden voorwaarden de krachtens artikel 3 bis aangewezen werktuigen, toestellen, vaten of gereedschappen in werking brengt of heeft of die in strijd handelt met de voor hem uit artikel 3 bis, lid 5, voortvloeiende verplichting.

c. overtreding van een voorwaarde verbonden aan een ontheffing of vrijstelling, als bedoeld in artikel 12.

2. Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid, kan hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden worden opgelegd.

Artikel 9-7

1. Met het opsporen van de bij artikel 8 strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de in artikel 5 genoemde ambtenaren; ten aanzien van bedrijven of diensten onder beheer van het Gouvernement zijn met deze taak uitsluitend belast de Directeur van Sociale Zaken, de Procureur-Generaal en de hulpofficieren van Justitie, bedoeld in artikel 143 van het Wetboek van Strafvordering.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren hebben toegang tot alle plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt te worden verricht of ten aanzien waarvan redelijker-wijze vermoed kan worden, dat aldaar arbeid wordt verricht; ten aanzien van bedrij-ven of diensten onder beheer van het Gouvernement komt deze bevoegdheid uitsluitend toe aan den Directeur van Sociale Zaken, den Procureur-Generaal en de hulpofficieren van Justitie. Zij zijn bevoegd zich van bepaalde, door hen aan te wijzen personen, te doen vergezellen.

3. Wordt aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren de toegang geweigerd of belemmerd, of wordt hun op aanmelding tot toelating niet geantwoord, dan verschaffen zij zich den toegang desnoods met behulp van de sterke arm.

4. In woningen treden zij tegen de wil van de bewoner niet binnen dan vergezeld van de betrokken Districts-Commissaris of wel voorzien van een algemene of bijzondere schriftelijke last van de Procureur-Generaal dan wel van de betrokken Districts-Commissaris. Van dit binnen treden wordt door hen binnen twee maal vierentwintig uren proces-verbaal opgemaakt; daarin wordt van het tijdstip van het binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt aan degene, in wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

Artikel 10

1. De in artikel 9 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens dat artikel binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf bekend is geworden, voorzover deze niet in strijd is met hun ambt of de bepalingen van deze of een andere wet.

2. De in het vorig lid bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen, aan wier bevelen zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen der personen door wie aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen hun schriftelijk hebben verklaard, tegen de mededeling hunner namen geen bezwaar te hebben.

3. Hij, die opzettelijk de bij het eerste of het tweede lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden.

4. Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehon-derd gulden.

5. Geen vervolging heeft plaats dan op klachte: a. van het hoofd of den bestuurder, terzake van overtreding van het bepaalde bij het eerste lid; b. van hem, wiens naam is medegedeeld, terzake van overtreding van het bepaalde bij het tweede lid.

Artikel 11

De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten strafbaar gesteld bij het derde en vierde lid van artikel 10, die als misdrijven wordt beschouwd.

VIJFDE AFDELING

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Door de President kunnen de gevallen worden aangewezen, waarin van de krachtens deze wet gegeven voorschriften voorwaardelijk of onvoorwaardelijk en al dan niet voor een onbepaalde tijd, door de Directeur van Sociale Zaken ontheffing of vrijstelling kan worden verleend en waarin zodanige ontheffing of vrijstelling kan worden ingetrokken.

Artikel 13-8

Deze wet kan worden aangehaald onder de titel van "Veiligheidswet", met bijvoeging van het jaartal van het Gouvernementsblad, waarin zij is geplaatst, en treedt in werking op een nader door de President te bepalen tijdstip. 1 Gew. bij S.B. 1962 no. 109. 2 Gew. bij G.B. 1962 no. 109. 3 Ingev. bij G.B. 1962 no. 109. 4 Ingev. bij G.B. 1962 no. 109. 5 Ingev. bij G.B. 1962 no. 109. 6 Gew. bij G.B. 1962 no. 109. 7 Gew. bij S.B. 1980 no. 116. 8 I.w.t. 1 november 1947 (G.B. 1947 no. 143).