Wet Strafbaarstelling Belaging


<< Terug naar overzicht

WET van 27 april 2012, houdende regels inzake belaging en nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht

(Wet Strafbaarstelling Belaging).

 

 

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,

 

In overweging genomen hebbende, dat – ter bescherming van personen tegen belaging en voorkoming van de gevolgen die kunnen voortvloeien uit de belaging- het wenselijk is regels betreffende belaging vast te stellen;

 

Heeft, de Staatsraad gehoord, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, bekrachtigd de onderstaande wet:

 

Preventieve maatregelen

 

Artikel 1

 

  1. De vervolgingsambtenaar is bevoegd om – al dan niet vooruitlopend op een ingevolge artikel 345b lid 3 Wetboek van Strafrecht mogelijk in te dienen klacht op een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van degene die het slachtoffer is van het misdrijf zoals omschreven in artikel 345b Wetboek van Strafrecht,  preventieve bewegingsvrijheid en communicatie beperkende maatregelen op te leggen aan de als belager aan te merken persoon.

 

 

  1. De in lid 1 van dit artikel bedoelde preventieve bewegingsvrijheid beperkende maatregel houdt in dat de als belager aan te merken persoon een verbod wordt opgelegd om zich in dezelfde ruimten als of binnen een bepaalde afstand tot degene, die het verzoek heeft gedaan, te bevinden.

 

  1. Tot welke ruimten of tot welke afstand het bewegingsvrijheid beperkend verbod zich strekt, wordt steeds aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval bepaald.

 

  1. De communicatie beperkende maatregelen als bedoeld in lid 1 van dit artikel, die onder meer kunnen worden opgelegd zijn als volgt:
  1. het verbod om middels briefwisseling contact te zoeken;
  2. het verbod om telefonisch contact te zoeken;
  3. het verbod om via de computer, internet, fax of andere elektronische mogelijkheden contact te zoeken.

 

5. De preventieve maatregelen worden namens de Procureur-generaal, onverwijld aan degene ten aanzien van wie de maatregelen zijn getroffen betekend onder vermelding van de relevante persoonsgegevens, de verboden met betrekking tot de ruimten of afstanden, de duur, overige preventieve maatregelen en de beroepsmogelijkheden.

 

6. De Procureur-generaal vaardigt schriftelijke instructies of richtlijnen uit aan de ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten met betrekking tot het houden van toezicht op de naleving van de krachtens artikel 1 lid 5 opgelegde preventieve maatregelen.

 

Duur preventieve maatregelen

 

Artikel 2

 

  1. De in artikel 1 genoemde preventieve maatregelen kunnen door de vervolgingsambtenaar voor ten hoogste dertig dagen worden opgelegd.
  1. De in lid 1 van dit artikel genoemde termijn kan door de Procureur-generaal voor een periode van ten hoogste dertig dagen worden verlengd.

 

Beroep

 

Artikel 3

 

  1. Degene ten aanzien van wie de preventieve maatregelen als bedoeld in artikel 1 lid 5 zijn opgelegd, kan hiertegen binnen drie werkdagen nadat de schriftelijke betekening als bedoeld in artikel 1 lid 5 hem ter kennis is gekomen, in beroep bij de rechter-commissaris gaan.

 

  1. Het beroep geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

 

  1. Binnen zeven werkdagen nadat het beroepschrift ter kennis is gebracht van de rechter-commissaris, wordt de indiener van het beroepschrift gehoord, althans daartoe opgeroepen.

 

  1. De indiener van het beroepschrift heeft het recht zich te laten bijstaan door een advocaat.

 

  1. De indiening van het beroepschrift heeft geen schorsende werking.

 

  1. De rechter-commissaris doet, gehoord het Openbaar Ministerie, binnen veertien dagen nadat de indiener van het beroepschrift is gehoord, uitspraak omtrent de al dan niet rechtmatige voortzetting van de preventieve maatregelen als bedoeld in artikel 1.

 

  1. Het besluit van de rechter-commissaris op een ingediend beroepschrift wordt onverwijld, schriftelijk en met redenen omkleed aan het Openbaar Ministerie en de indiener van het beroepschrift ter kennis gebracht.

 

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht

 

Artikel 4

 

In het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2009 no. 122) worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

In boek II wordt in titel XVIII na artikel 345a een nieuw artikel 345b toegevoegd, luidende als volgt:

 

Artikel 345b

 

Belaging

 

  1. Degene, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die andere te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen, wordt als schuldig aan belaging gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en een geldboete van ten hoogste SRD. 50.000,-

 

  1. Met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren en een geldboete van ten hoogste SRD. 100.000,- wordt de schuldige gestraft indien het misdrijf bedoeld in lid 1 van dit artikel:
  1. wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
  2. is begaan tegen een minderjarige;
  3. zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

 

  1. Met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren en een geldboete van ten hoogste SRD. 150.000,- wordt de schuldige gestraft,  indien het misdrijf bedoeld in lid 1 van dit artikel de dood ten gevolge heeft.

 

  1. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht, met uitzondering van de gevallen bedoeld in lid 2 onder c en lid 3.

 

Artikel 5

 

  1. Deze wet wordt aangehaald als : Wet Strafbaarstelling Belaging.

 

  1. Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd.

 

  1. Zij treedt inwerking met ingang van de dag volgende op die van haar afkondiging.

 

  1. De Minister van Justitie en Politie is belast met de uitvoering van deze wet.

 

 

Gegeven te Paramaribo, de 27ste april 2012,

 

DESIRÉ D. BOUERSE

 

Uitgegeven te Paramaribo, de 7e mei 2012

De Minister van Binnenlandse Zaken,

 

S. MOESTADJA

 

 

 

WET van 27 april 2012, houdende regels inzake belaging en nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht. 

(Wet Strafbaarstelling Belaging)

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

  1. Algemeen

 

De Grondwet garandeert in de artikelen 16, 17 en 18 het recht op de persoonlijke levenssfeer. Voorts heeft de Staat Suriname in onder andere het Verdrag inzake de burger en politieke rechten (BUPO) en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van Discriminatie tegen vrouwen (CEDAW) zich verplicht om maatregelen te treffen tegen inbreuken op dit recht. Belaging is een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en is de Staat Suriname verplicht maatregelen te treffen ter strafbaarstelling hiervan.

Er is gekozen voor de invoering van de strafbaarstelling van belaging in een specifieke wet aangezien dit onderwerp (belaging) nieuw is in het Surinaams strafrecht. Het is verwachtbaar dat in de loop der tijden deze wet de nodige juridische en maatschappelijke bijstelling zal ondergaan ook al vanwege veranderlijke (internationale) ontwikkelingen in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer evenals in de “van geval tot geval” benadering van de jurisprudentie.

De omstandigheid dat tevens voorzien wordt in enige procedurele voorzieningen (beroep) draagt bij dat op dit moment nog gekozen wordt voor invoering van de strafbaarstelling van belaging in een specifieke wet.

 

B.         Artikelsgewijs toelichting

 

Artikel 1

Dit artikel voorziet in preventieve maatregelen met een meer “bestuursrechtelijk” karakter. Het opleggen van de preventieve maatregel vloeit niet voort uit de instelling van de vervolging van een strafbaar feit of een strafrechtelijke veroordeling.

 

Degene die wordt onderworpen aan deze preventieve maatregelen is nog geen verdachte in de zin van het strafrecht, wel is er bij de oordeelsvorming van de vervolgingsambtenaar sprake van invulling van het begrip “gegronde vrees” welk begrip in meer of mindere mate verband kan houden met het begrip “redelijk vermoeden” in het strafrecht. De noodzaak tot oplegging van de preventieve maatregel is zuiver ter voorkoming van erger, wellicht vanwege de emotionele toestand van de betrokkene(n). Het levert dus geen strafblad op.

Deze situatie wordt wezenlijk anders indien degene die onderworpen wordt aan de preventieve maatregel zich niet houdt aan de bepaling en daadwerkelijk een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Hiermee is de strafrechtelijke belaging geboren en kan op klacht van het slachtoffer wel strafrechtelijk optreden volgen. Bij een verdere afwikkeling wordt de dader wel als verdachte aangemerkt en levert de uiteindelijke veroordeling een strafblad op.

 

Ingevolge lid 1 is de vervolgingsambtenaar bevoegd preventieve maatregelen op te leggen. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op de beperking van de bewegingsvrijheid, namelijk het zich niet bevinden in dezelfde ruimten als verzoeker of het zich niet binnen een bepaalde afstand bevinden van verzoeker en op de beperking van communicatie-mogelijkheden. Met het laatste wordt gedoeld op de beperking of het verbod om middels de in lid 4 omschreven communicatiemogelijkheden contact te zoeken met de verzoeker. Hierbij is het belangrijk te vermelden dat de opsomming in lid 4 geen limitatieve opsomming betreft.

 

Conform lid 5 wordt de voorziening getroffen waarbij degene op wie de preventieve maatregel van toepassing wordt verklaard zich daarvan ook goed bewust is en daartoe formeel op de hoogte wordt gebracht. Betrokkene dient op de hoogte te zijn van wat van hem of haar verwacht wordt en tegen wie hij of zij zich van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dient te onthouden. Het schriftelijk op de hoogte stellen van de preventieve maatregelen heeft ook het karakter van het kenbaar maken van een rechtens genomen besluit door een daartoe bevoegd orgaan. Tegen dit besluit kan beroep worden aangetekend.

 

Ingevolge lid 6 geeft de Procureur-generaal aan opsporingsambtenaren instructies ten einde toe te zien op de naleving van de preventieve maatregelen. De instructie kan o.a. betrekking hebben op voorzieningen om opnames van telefoongesprekken te maken of de plaatsing van foto- of filmcamera’s in de ruimten waar de verzoeker zich bevindt of het volgen van het computerverkeer van de verzoeker. Evenzo is het mogelijk dat politiefunctionarissen zich (verdekt) opstellen in door de verzoeker aangewezen ruimten.

Uiteraard kunnen dergelijke ingrepen slechts met toestemming van de verzoeker plaatsvinden.

 

Artikel 2

De duur van de termijn van preventieve maatregelen kan worden verlengd. In eerste aanleg worden de maatregelen voor ten hoogste dertig (30) dagen door de vervolgingsambtenaar opgelegd. Hierna is een verlenging met een termijn van dertig (30) dagen door de Procureur-generaal mogelijk. In totaal mag de termijn het aantal van zestig (60) dagen niet overschrijden.

 

Artikel 3

Dit artikel dient ter rechtsbescherming van degene die aan de preventieve maatregelen wordt onderworpen. Aangezien het betreft een inbreuk op de bewegings- en communicatievrijheid, is de mogelijkheid van toetsing van het besluit van de vervolgingsambtenaar door een onafhankelijke rechter gewaarborgd. Deze toetsing is een uitvloeisel van artikel 10 van de Grondwet en dient – zij het achteraf – ter voorkoming van het voortduren van een al te lichtvaardige beslissing van de vervolgingsambtenaar m.b.t. het opleggen van een preventieve maatregel.

 

Lid 5 houdt in dat de beslissing van de vervolgingsambtenaar gelding blijft hebben zolang het niet door de rechter-commissaris is herroepen. Het besluit van de rechter-commissaris is met redenen omkleed en wordt onverwijld ter kennis gebracht van het Openbaar Ministerie en de indiener van het beroepsschrift. Het Openbaar Ministerie wordt in kennis gesteld vooral omdat de verzoeker ex artikel 3 lid 1 weet krijgt dat de preventieve maatregelen wel of niet worden voortgezet. Bedoelde verzoeker kan afhankelijk van het besluit van de rechter-commissaris het verzoek doen aan het Openbaar Ministerie voor het treffen van andersoortige (bescherming)maatregelen.

Evenzo dient het afschrift aan het Openbaar Ministerie om eventuele schriftelijke instructies ter naleving van de preventieve maatregelen ongedaan te maken middels bijvoorbeeld een intrekkingschrijven van de vervolgingsambtenaar aan de bedoelde opsporingsambtenaren.

 

Artikel 4

De terminologie “persoonlijke levenssfeer” is in het recht niet nieuw. Voor een goede begripsbepaling en werkingsruimte zal voor de interpretatie en invulling van dit begrip vooral aansluiting gezocht kunnen worden bij artikel 17 lid 1 van de Grondwet.

Vooral de passage betreffende het recht op eerbiediging van “zijn privéleven” zal een leidraad kunnen vormen bij de bepaling van wat onder persoonlijke levenssfeer verstaan kan worden. De jurisprudentie zal dit bestanddeel verder gestalte moeten geven.

Daarbij wordt opgemerkt dat er civielrechtelijke jurisprudentie bestaat op het punt van de onrechtmatige daad, waaruit blijkt, wanneer inbreuk wordt gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. De belager breekt in op een situatie, waarin het slachtoffer redelijkerwijs aanspraak kon maken op tenminste een zekere mate van privacy. Privacy is een rechtsgoed, waaraan men ook deel heeft als men de ruimtelijke beslotenheid van huis, tuin of erf verlaat. Zo kan iemand, die aan het werk is buitenshuis, daar eveneens belaagd worden. In deze gedragsomschrijving is bewust de aanduiding opzettelijk in de delictsomschrijving opgenomen.

De opzetaanduiding beheerst steeds de gehele omschrijving van het strafbare feit, zoals die daarna – na het opzet dus – volgt.

Deze uitleg geldt vooral voor het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht waarin de misdrijven zijn gedefinieerd. Het bestanddeel “opzettelijk” is geplaatst na de bestanddelen “wederrechtelijk” en “stelselmatig”. Deze vallen dus niet onder de opzet en hoeft de opzet van de dader niet gericht te zijn op de wederrechtelijkheid van de inbreuk. Wat daarna in de delictsomschrijving wordt vermeld, valt er wel onder.

Het door de delictsomschrijving in de woorden “persoonlijke levenssfeer” te beschermen rechtsgoed is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. Een gedraging, die stelselmatig op dat grondrecht inbreuk maakt, zodanig dat de gerechtigde niet langer in het ongestoorde genot van zijn grondrecht is, kan een gedraging in de zin van deze wet zijn, mits de gedraging wederrechtelijk is.

 

In de Grondwet wordt dit rechtsgoed beschermd door artikel 17. In lid 2 wordt het huisrecht beschermd en in lid 3 het recht op brief- en telefoongeheim.

Zo mag bijvoorbeeld de deurwaarder, die herhaaldelijk een objectief in gebreke blijvende schuldenaar namens de schuldeiser telefonisch en schriftelijk aanmaant, allerlei incassoactiviteiten ontplooien. De schuldenaar kan laten blijken dat hij van deze inbreuken niets moet hebben, dat hij door het vooruitzicht van het dwangincasso niet bepaald verheugd is. De acties van de deurwaarder boezemen hem angst in. Hij durft niet zomaar meer de voordeur te openen, wanneer de deurbel onverwacht gaat.

Toch is het onze uitdrukkelijke bedoeling om de schuldeiser of de rechthebbende uit te zonderen van de delictsomschrijving van belaging. Kunnen zij de titel van de schuld aantonen, dan hebben zij een subjectief wettelijk erkend recht tot hun handelen. Zij behoren buiten deze strafpositie te blijven. Er is sprake van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wanneer de privacygerechtigde de storing in zijn persoonlijke levenssfeer niet wenst. Onder omstandigheden kunnen relatief onschuldige gedragingen door hun stelselmatigheid een inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer. Zo zou bijvoorbeeld overlast onder omstandigheden vanwege de stelselmatigheid beschouwd kunnen worden als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

 

In inbreuk maken zit besloten dat de privacygerechtigde de storing in zijn persoonlijke levenssfeer niet wenst. Vindt iemand een storing niet ongewenst, dan is er dus geen sprake van inbreuk maken. Wanneer iemand bijvoorbeeld ’s nachts ongevraagd en stelselmatig opgebeld wordt door een hijger, maar daar zelf van geniet en dat laat blijken, dan kan er niet gesteld worden dat er van een strafrechtelijk relevante inbreuk sprake is. Wie impliciet of uitgesproken toestemming geeft tot een daad, die anders strafrechtelijk relevant zou kunnen zijn, heeft strafrechtelijk niets te klagen Hier geldt het juridisch adagium valentie non fit iniuria ( wie toestemt, heeft zijn recht verwerkt).

Bij inbreuk maken is die toestemming er dus niet.

 

Met “vrees” in de delictsomschrijving wordt een emotie bedoeld, die ieder normaal mens onder vergelijkbare omstandigheden ook zou hebben. In de eerste plaats behoeft hierdoor niet bewezen te worden dat het slachtoffer tengevolge van de inbreuk iets heeft gedaan of nagelaten wat hij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan of niet zou hebben nagelaten. Het oogmerk van de dader is gericht op een dergelijk doen, niet-doen, dulden of het ontstaan van een dergelijk emotie. Of het beoogde slachtoffer daardoor tot iets is bewogen, is strafrechtelijk niet relevant. Al maakt dat de bewijsvoering wel eenvoudiger.

Strafrechtelijk is voldoende, dat in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend zou zijn om een bepaalde opstelling teweeg te brengen.

 

Voor bedreiging is nodig dat de bedreiging onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat bij de bedreigde de redelijke vrees kan ontstaan. De dader moet kennelijk gericht zijn op het teweegbrengen van die vrees. De bedreigde moet in elk gevalkennis hebben gedragen van de inhoud van de bedreiging. Daarom is in de delictsomschrijving niet het objectieve effect van de gedraging centraal gesteld, maar de intentie van de dader. Bij vrees aanjagen veronderstelt het werkwoord aanjagen een verrichting, waarbij de dader met een kwalijke opzet handelt, net zoals bij vervalsen. De belager heeft daadwerkelijk het oogmerk om het slachtoffer bang te maken. Van iemand, die een ander onbewust of onopzettelijk doet schrikken of hindert in diens privacygenot kan niet gezegd worden, dat hij vrees aanjaagt. Vrees is hier als het ware geobjectiveerd. Het gaat immers om het stelselmatig lastig vallen van het slachtoffer, bij dit bestanddeel om het slachtoffer vrees aan te jagen.

 

Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie. Eén enkel nachtelijk telefoontje is geen belaging. Uiteraard kan de combinatie van gedragingen wel het stelselmatige karakter opleveren.

 

In deze wet is de strafbaarstelling van het gronddelict “belaging” opgenomen als een aanpassing van het Wetboek van Strafrecht in de titel betreffende “Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”. Dit vanwege het feit dat belaging een strafbare gedraging betreft, welke bij voorkeur in het Wetboek van Strafrecht opgenomen dient te worden. Verder levert opname van het delict belaging in het Wetboek van Strafrecht als bijkomend voordeel op dat de Algemene bepalingen van Boek I van het Wetboek van overeenkomstige toepassing zijn op dit delict. In lid 2 van artikel 345b Wetboek van Strafrecht worden de strafverzwarende omstandigheden opgesomd, als gevolg waarvan er een hogere strafdreiging geldt.

 

In artikel 345b lid 3 Wetboek van Strafrecht is ervoor gekozen om het delict belaging te maken tot een klacht delict, wat inhoudt dat zonder klacht er geen vervolging mogelijk is, met uitzondering van de gevallen genoemd in artikel 345b lid 4. Voor wat betreft de regels die gelden voor “indiening en intrekking van de klacht bij misdrijven alleen op klacht vervolgbaar” zijn de bepalingen van titel VII van boek I van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing op dit delict. Ingevolge artikel 89 lid 1 Wetboek van Strafrecht wordt ten aanzien van personen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt en zij die anders dan wegens verkwisting onder curatele zijn gesteld, de klacht ingediend door de wettelijke vertegenwoordiger. In gevallen waarin de klacht juist ingediend moet worden tegen de wettelijke vertegenwoordiger, daar wordt in artikel 89 lid 2 voorzien. Artikel 91 geeft de periode aan gedurende welke de klacht ingediend kan worden.

 

 

Paramaribo, 27 april 2012,

                                                                                                           

DESIRÉ D. BOUTERSE